De Brug 21 van september 1998


Over de toenemende wereldbevolking

door Jan Vermeir

Een tijdje geleden viel me een krantenartikel in het oog dat handelde over de explosieve toename van de wereldbevolking. "Op 16 juni 1999 zijn we met zes miljard", luidde de titel. Wij herinnerden ons dat Rudolf Steiner enkele keren gesproken heeft over de zogezegde alsmaar toenemende wereldbevolking en aan de hand van zijn uitlatingen wilden wij een en ander hierover toch eens van naderbij beschouwen.

Laten wij eerst eens de cijfers bekijken: volgens de statistici leefden er ten tijde van Christus 400 miljoen mensen op aarde;
In het jaar 500 waren er dat 200 miljoen
1000 400 miljoen
1500 540 miljoen
1750 een miljard
1920 bijna twee miljard (de tijd van Steiner)
1960 drie miljard ;

vanaf 1960 nam de bevolking gemiddeld om de dertien jaar met een miljard toe, zodat in 1999 inderdaad de zes miljard zal bereikt zijn; volgens statistici zouden er in het jaar 2050 ongeveer negen miljard mensen op aarde leven.

Nu vragen vele antroposofen zich af hoe dat te verklaren is. Want als iedere mens na een bepaalde periode reïncarneert dan zouden er steeds ongeveer hetzelfde aantal mensen op aarde moeten rondlopen. Reeds in De Brug 2 heeft fdw daar een artikel aan gewijd. Zich baserend op een voordracht van Steiner (van 30 mei 1923) stelde hij dat dit fenomeen relatief moet bekeken worden, enerzijds omdat de statistieken niet volgens de werkelijke feiten berekend worden en anderzijds omdat het aantal menselijke incarnaties op aarde nogal fluctueert, m.a.w. in sommige perioden reïncarneren veel meer zielen, in andere minder. Op dit laatste punt willen wij even dieper ingaan.

Als algemene regel stelt Steiner dat de mens na zijn dood ongeveer 1000 jaar in de geestelijke wereld verblijft. En het is juist de afwijking op deze regel die de geweldige schommelingen in de bevolkingscijfers veroorzaakt. Om redenen die wij hieronder zullen bespreken kunnen zielen besluiten om vroeger of later te reïncarneren. Als men dus de laatste 100 jaar een toename van het aantal mensen vaststelt, dan is dat nog altijd geen argument tégen de gedachte van reïncarnatie.

Waarom reïncarneren er in onze tijd meer zielen ?

Normaal gezien zou elke ziel zich na ongeveer 1000 jaar opnieuw belichamen. Wanneer een mens die moreel goed geleefd heeft en zich veel met spiritualiteit beziggehouden heeft, sterft, dan blijft hij lang in de geestelijke wereld voordat hij besluit opnieuw op aarde te komen. Geestelijk hoogstaande zielen kunnen zich immers veel gemakkelijker verbinden met de geestelijke wereld en stijgen hierin ook hoger dan zielen die zich meer beziggehouden hebben met aardse dingen. Deze laatste kunnen zich niet zo goed inleven in de hogere regionen van de geestelijke wereld omdat zij daar nu eenmaal niet de gave voor ontwikkeld hebben tijdens hun aardebestaan, en ze besluiten dan ook om zo vlug mogelijk te reïncarneren.

Dat zich in de laatste eeuwen steeds meer zielen minder lang ophouden in de geestelijke wereld, zo zegt Steiner, is het gevolg van het ontstaan van het "economische mensentype". Dit mensentype heeft geen interesse voor spiritualiteit en beschouwt het leven enkel vanuit een fysieke en materiële zin. In een voordracht gehouden op 12 oktober 1919 (GA 191) zei hij hierover o.a. het volgende:

"Het economische mensentype wil alle intellect enkel en alleen tot het fysieke herleiden. Dit economische mensentype heeft zich ten tijde van de Hervorming ( 16de eeuw) losgemaakt van zijn spirituele grondslag ... [ Tot dit type ] behoren mensen die na een zeer kort leven tussen dood en nieuwe geboorte opnieuw op aarde verschijnen. Precies deze mensen, die slechts een korte tijd in de geestelijke wereld doorgebracht hebben, komen onder het tegenwoordig heerserstype uitzonderlijk veel voor. U weet -ik heb daar al dikwijls over gesproken- dat een der opmerkelijkste verschijnselen van de nieuwe tijd is dat voor de heerserstypes de selectie van de slechtsten naar boven zich voltrokken heeft. Reeds sinds jaren heb ik u dat altijd steeds weer bij verschillende gelegenheden gezegd. Diegenen die eigenlijk de heersers, de regeerders zijn, zijn niet een selectie van de besten; de tijden brengen mee dat de besten juist in onze tijd onderaan staan, en diegenen die bovenaan staan, zij die in een leiderspositie staan, zijn nu meestal juist niét de besten. Dikwijls worden dezen geselecteerd uit de minderwaardigen. En deze selectie der minderwaardigen berust hierop dat dezen een leven hebben waaraan een zeer korte tijd tussen het vorige en dit aardeleven voorafgegaan is. Bij vele leidinggevende personen van de nieuwe tijd is het een uitgesproken feit dat zij na een kort geestelijk leven vlug weer op aarde terugkeren. Daardoor zijn zij weinig doordrongen van het geestelijke. Zij hebben weinig geestelijke impulsen opgenomen gedurende hun voorafgaand leven tussen dood en nieuwe geboorte. Maar des te meer zijn zij doordrongen van alles wat de aarde hun hier geven kan.

Het zijn in het bijzonder de economische mensentypen, diegenen met een kort voorafgaand geestelijk leven, die helemaal doordrongen zijn van alles wat slechts de aarde als zodanig kan geven. Het is niet dat er geen mensen zijn die langer in de geestelijke wereld gebleven zijn, die tegenwoordig in aanmerking komen, maar dezen worden teruggedrongen ...

En het is eigenlijk jammerlijk wanneer men ziet hoe dikwijls het tegenwoordig gebeurt dat -wat hun innerljke aard betreft- veel, veel betere mensen opkijken naar autoriteiten die veel, veel slechter zijn. Dat is een algemeen verschijnsel. De vereerde autoriteiten zijn waarachtig niet diegenen die een selectie van het betere mensentype vormen.

En nu is toch de tijd gekomen dat men op een onbevangen manier moet ophouden de lof ten aanzien van de moderne civilisatie te prediken, dat men onomwonden de werkelijke feiten moet bekijken. De mensen moeten zich gewoon maken om het leven niet alleen uiterlijk te beschouwen, maar ook naar de innerlijke zieleconfiguratie. En een van de dingen die daarbij in aanmerking komen is dat men een onderscheid moet maken tussen degenen die een langer geestelijk leven tussen dood en geboorte, en degenen die een korter geestelijk leven achter zich hebben."

De mensen komen dus vlugger terug dan vroeger.

Laat ons om dit fenomeen beter te doorzien, bij wijze van voorbeeld eens een rekenoefeningetje maken:

We nemen het aantal mensen ten tijde van Steiner, 1,8 miljard en als gemiddelde levensduur nemen we 60 jaar. Om het bevolkingsaantal constant te houden moeten er jaarlijks 30 miljoen mensen geboren worden en 30 miljoen sterven ( 1,8 miljard / 60 ). Als we aannemen dat ieder mens in een periode van 1080 jaar eenmaal op aarde incarneert
( Eigenlijk : tweemaal per 2160 jaar, dat is1/12de van een platonisch wereldjaar van 25.920 jaar, eenmaal als man en eenmaal als vrouw)
, dan komen wij op een totaal van 32,4 miljard zielen (op aarde en in de geestelijke wereld) want 30.000.000 X 1080 = 32,4 miljard. Wanneer nu iedere ziel besluit te incarneren na 900 jaar in plaats van na 1080 jaar dan groeit de bevolking op korte termijn van 1,8 naar 2,16 miljard (32,4 miljard / 900 X 60 ); als ze reïncarneren na 600 jaar of na 300 jaar, dan beginnen de bevolkingscijfers spectaculair te stijgen: de bevolking groeit tot 3,24 resp. 6,48 miljard.

Dit voorbeeld maakt duidelijk dat het aantal op aarde levende mensen op relatief korte tijd sterk kan stijgen terwijl het totaal aantal bestaande zielen constant blijft.

Altijd meer mensen ... maar echt ménsen ?

Maar er blijkt nog een andere oorzaak te zijn waardoor het wereldbevolkingsaantal toeneemt. Tijdens een voordracht, gehouden op 17 september 1924 voor een aantal priesters van de Christengemeenschap (GA 346) verklaarde Rudolf Steiner:

" [dat statistisch gezien het bevolkingsaantal toeneemt] is niet helemaal juist omdat de statistieken op dwalingen berusten; men neemt voor de statistische vergelijkingsberekeningen niet de ganse aarde, men neemt altijd slechts een gedeelte van de aarde en men denkt er niet aan dat andere delen van de aarde gedurende andere perioden nu eenmaal dichter bevolkt waren dan tegenwoordig. Als men zo rekent is het niet altijd helemaal juist, maar globaal genomen is het toch juist dat er in onze tijd een soort boventallige mensen verschijnen die Ik-loos zijn, die in werkelijkheid geen mensen zijn. Dat is een vreselijke waarheid. Zij lopen hier rond, maar zij zijn geen incarnatie van een Ik, zij worden binnengebracht in de fysieke erfelijkheidsstroom, zij krijgen etherlichaam en astraal lichaam en worden in zekere zin uitgerust met een Ahrimanisch bewustzijn; zij geven de indruk mensen te zijn wanneer men ze niet nauwkeurig beschouwt, maar in de volle zin van het woord zijn het geen mensen."

"Dat is een verschrikkelijke waarheid maar het is de waarheid", zegt Steiner. Op aarde lopen er dus mensen rond die een menselijke fysiek, etherisch en astraal lichaam hebben maar geen Ik, geen individualiteit; in plaats van het Ik incarneert in deze mensen een soort natuurwezen of een Ahrimanische geest. Steiner legt hierbij een rechtstreeks verband met de sprinkhanenplaag, uitgebeeld in het "Boek der Openbaring". Hij zegt in dezelfde voordracht:

"U zult [in de Apokalyps] kunnen vinden hoe bij het opkomen van het materialisme, laat ons bvb. zeggen toen de leer van Copernicus ingang begon te vinden, een derde deel van de mensen eigenlijk geestelijk gedood werd, dat betekent dus: ophield volle geestelijkheid te ontwikkelen. En werkelijk vreselijk ontstellend is de in de Apokalyps geschilderde sprinkhanenplaag. En direct op mensen zelf wijst Johannes, de schrijver van de Openbaring, wanneer hij in het tijdperk van de vijfde bazuin over de sprinkhanenplaag spreekt. En wederom moet men Johannes' schouwend vermogen erkennen. Want in hun astraal lichaam verschijnen zulke mensen inderdaad zoals zij in de Openbaring beschreven worden: als etherische sprinkhanen met mensengezichten."

De betreffende passage in de Openbaring luidt als volgt ( Openb. 9:7):

"En de gedaanten waarin de sprinkhanen verschijnen
zijn gelijk die van paarden, toegerust tot de strijd,
op hun koppen schijnen zij kronen te hebben, gelijkend op goud,
en hun aangezichten gelijken op het aangezicht van mensen.
En zij hadden haren als de haren van vrouwen,
En hun tanden zijn als leeuwetanden,
En hun borstkassen zijn als pantsers van ijzer ...

En aldus schouwde ik in de geestesschouw de paarden en zij die erop zaten:
Zij droegen pantsers van vuurgloed en van hyacintblauw en van zwavel;
En de koppen der paarden waren gelijk leeuwekoppen
En uit hun muilen sloeg vuurgloed en rook en zwavel.
En door deze drie beproevingen stierf het derde deel der mensen,
Door vuurgloed, en rook, en zwavel die uit hun muilen kwam ... "

Het boek der Openbaring is een inwijdingsboek; in beelden wordt hierin de inwijding geschetst van Johannes van Patmos, hoe deze trapsgewijs steeds dieper schouwt in de geheimen van de mens en de wereld, eerst van de fysieke wereld, daarna van de etherwereld, dan van de astrale wereld en tenslotte van de geestelijke wereld, resp. uitgebeeld door de brieven aan de zeven gemeenten, het boek met de zeven zegels, de zeven bazuinen en de zeven schalen des toorns. Maar het Boek der Openbaring geeft ons tevens een inzicht hoe de mens zich ook in de tijd steeds meer en meer tot een geestelijk wezen ontwikkelt. De mensheid als geheel staat nog maar pas aan het begin van de beelden uit de Openbaring, namelijk daar waar er sprake is van de vijfde gemeente, de gemeente van Sardes; maar met betrekking tot de ontwikkeling van de bewustzijnsziel leven wij in het tijdperk van de bazuinklanken, zegt Steiner in voornoemde voordracht. En hij voegt eraan toe dat zich binnen de grote zevendelige cyclussen die kenmerkend zijn voor de Apokalyps ook kleinere cyclussen inschuiven die eveneens op het zevental gebaseerd zijn. Een ervan is dus de ontwikkeling van de bewustzijnsziel, uitgebeeld door de zeven bazuinen; ieder van de zeven bazuintijdperken duurt 149 jaar; de eerste bazuin begint te schallen in het jaar 1098 en de laatste, de zevende, zal ophouden te klinken in 2141. De sprinkhanenplaag waardoor "het derde deel der mensheid gedood wordt", komt tevoorschijn in de perioden van de vijfde en de zesde bazuin die resp. duren van 1694 tot 1843 en van 1843 tot 1992.

In deze context lijkt het erop alsof een derde van de mensheid Ik-loos zou zijn, maar wij moeten dit getal nuanceren. Emil Bock wijst er in zijn boek "De Apokalyps" op dat men dit aantal niet kwantitatief maar kwalitatief moet opvatten: de mens bestaat uit lichaam, ziel en geest, en de uitdrukking "het derde deel der mensheid stierf" kan men beschouwen als de geest van de mens die sterft, of die tenminste niet in staat is om zich op de juiste wijze te ontplooien waardoor hij een gewisse dood tegemoet gaat. Dit derde deel kan men dus uitleggen als een combinatie van Ik-loze mensen en van mensen die weliswaar een geest hebben maar weigeren of niet in staat zijn om die tot ontwikkeling te brengen.

Zo toch sprak Rudolf Steiner zich uit tijdens een voordracht op 22 oktober 1920 (GA 200). Daar ook beweerde hij dat vooral in de Westerse gebieden verhoudingsgewijs veel ik-loze mensen leven waarin zich bepaalde geestelijke wezens incarneren met de bedoeling "speciale leerlingen op te leiden en als een epidemie de andere mensen te besmetten met hun bijzondere geaardheid". Hieronder volgt een gedeelte uit de geciteerde voordracht:

"Er kunnen ons mensen in mensenvorm tegemoet treden die eigenlijk slechts naar de uiterlijke schijn mensen zijn, onderworpen aan steeds weerkerende aardelevens; in waarheid zijn het mensenlichamen met een fysiek, een etherisch en een astraal lichaam, waarin zich wezens belichamen om door middel van deze mensen hier werkzaam te zijn. Het is inderdaad zo dat in het Westen een groot aantal van dergelijke mensen rondloopt, mensen die in feite niet gewoon wederbelichaamde mensen zijn, maar die dragers zijn van wezens die een uitgesproken vervroegde ontwikkelingsgang vertonen, die eigenlijk pas in een later ontwikkelingsstadium in de mensheidsvorm zouden mogen optreden.

Deze wezens bedienen zich niet van het ganse menselijke organisme, maar voornamelijk -bij de Westerse mens- van het stofwisselingssysteem. Van de drie leden der menselijke natuur benutten zij het stofwisselingssysteem op een zodanige manier dat zij door middel van deze mensen inwerken op de fysieke wereld. Iemand die het leven op de juiste manier beschouwt ziet dit ook uiterlijk aan die mensen. Zo zijn bvb. een groot aantal van diegenen die behoren tot Angelsaksische geheime genootschappen -over de rol van zulke geheime genootschappen hebben wij de laatste jaren herhaaldelijk gesproken- zo zijn leden van die geheimgenootschappen die invloedrijk zijn, eigenlijk dragers van dergelijke te-vroeg-optredende wezens die via het stofwisselingsstelsel van bepaalde mensen op de wereld inwerken en zich een arbeidsterrein zoeken door middel van mensen die niet in regelmatige wederbelichamingen leven. Evenzo zijn de toonaangevende persoonlijkheden van bepaalde sekten van zodanige aard; en met name bestaat het overgrote deel van een zeer verbreide sekte die een grote aanhang in het Westen heeft uit zo'n mensen.

Op die manier werkt, zou ik mogen zeggen, een gans andere geestesgesteldheid in op de mensen van tegenwoordig. En het zal een essentiële opgave zijn om vanuit deze gezichtspunten stelling te kunnen nemen tegenover het leven ..."

Deze geestelijke wezens die zich in het Westen reïncarneren zijn ontegensprekelijk van Ahrimanische aard, en in het Westerse abstracte wetenschappelijk denken vinden zij een bijzondere voedingsbodem om er te gedijen. Maar waarom grijpen die wezens eigenlijk in ons leven in ? Voor een antwoord op deze vraag moeten we teruggaan naar het jaar 666, de tijd van de impuls van Gondishapoer (zie ook De Brug 19). Toen probeerde Sorat, de tegenstander van Christus d.m.v. zijn dienaar Ahriman een andere wereldorde te vestigen om zelf de wereldheerschappij over te nemen. Door een soort openbaring van een enorme maar zielloze wijsheid aan de geleerden van Gondishapoer wilde dit wezen aan de mensheid, die toen pas in het midden stond van de ontwikkeling van de verstandsziel, vervroegd het stadium van de bewustzijnsziel binnenleiden. Aan de mensheid zou dan alle kennis gegeven zijn die zij door eigen inspanning slechts kan verwerven wanneer het tijdperk van de bewustzijnsziel ten einde loopt, in het begin van het vierde millennium. Was dit opzet geslaagd dan zou de mensheid, afgezien van een enorme hoeveelheid abstracte wijsheid, niets verworven hebben. De bewustzijnsziel zou hol en misvormd zijn en zou geen kiemen bevatten voor een hogere ontwikkeling, die van het geestzelf; het zou het einde van de mensheid betekend hebben. De impuls van Gondishapoer werd weliswaar afgeremd maar latent leefde hij verder: in de 16de eeuw kwam hij opnieuw tevoorschijn in het moderne natuurwetenschappelijke denken en in de nieuwe economische en handelsverhoudingen.
Daaruit kwam het economische mensentype voort en tevens een schare van door een Ahrimanisch wezen bezeten ik-loze mensen, die het geestloze natuurwetenschappelijke denken moeten grondvesten.

*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*

.

Ahriman en de evangelies

Als wij menen dat Ahriman zijn actieterrein beperkt tot het gebied van de natuurwetenschap en de techniek, en tot het maatschappelijk en economisch leven, dan onderschatten wij hem zeer. Precies dat waaraan hij zo'n grondige hekel heeft, kiest hij uit om te proberen zo stevig mogelijk wortel te schieten; het is het gebied waar de geest moet heersen, of toch verondersteld mag worden te heersen: dat van de religie en de godsdienst. Rudolf Steiner wijst op een groot gevaar:


[ ... ]
" En wat bovenal Ahriman zal helpen en zijn aarde-incarnatie bevordert, is de eenzijdige opvatting van het evangelie zelf. U weet hoe noodzakelijk het tegenwoordig geworden is om zich op een geesteswetenschappelijke manier in de evangeliën te verdiepen. Maar u weet ook hoezeer nog op aarde de gezindheid verbreid is dat men zich niet geestelijk in de evangeliën moet verdiepen, dat men er zich niet moet op toeleggen om iets over de evangeliën te zeggen vanuit een werkelijke kennis van de geest, van de kosmos. "Eenvoudig opnemen" moet men de evangeliën, ze aannemen zoals ze er staan. Ik wil het niet hebben over het feit dat dat wat ons als evangeliën aangeboden wordt niet de ware evangeliën zijn; want wat tegenwoordig uit de oertekst als vertalingen der evangeliën beschikbaar is, dat zijn de evangeliën niet. Maar daarop wil ik helemaal niet ingaan; ik wil alleen het dieperliggende feit naar voor brengen dat men niet tot een waarachtige Christus-opvatting kan komen wanneer men slechts -zoals de meeste godsdiensten en sekten tegenwoordig willen- op een eenvoudige manier wil kennis nemen van de evangeliën, m.a.w. het moet gemakkelijk zijn.

Ten tijde van het Mysterie van Golgotha en tot enkele honderden jaren daarna zijn de mensen tot een begrip van de reële Christus gekomen, omdat zij dat wat overgeleverd was konden begrijpen met behulp van de heidens-luciferische wijsheid. Maar deze heidens-luciferische wijsheid is verdwenen en wat de mensen tegenwoordig vanuit hun traditionele of sektegodsdienst kennen van de evangeliën leidt hen niet naar de reële Christus zoals wij die zoeken met onze geesteswetenschap, maar dat leidt hen slechts naar een illusie of hoogstens naar een hallucinatie, naar een ziele- of geesteshallucinatie van de Christus.

Men kan niet tot de werkelijke Christus komen via de evangeliën wanneer men deze niet geesteswetenschappelijk opvat. Men kan dan slechts tot een hallucinatie van de wereldhistorische verschijning van de Christus komen. Overigens blijkt dit ook duidelijk uit de theologie van tegenwoordig. Want waarom spreken de theologen tegenwoordig zo graag over "de eenvoudige man uit Nazareth" en waarom beschouwen zij de Christus eigenlijk slechts als Jezus van Nazareth, die een beetje boven de andere grote persoonlijkheden uit de geschiedenis uitsteekt ? Omdat men de mogelijkheid verloren heeft om de reële Christus te begrijpen en omdat dat wat men uit de evangeliën haalt enkel leidt tot een hallucinatie, tot een soort illusie; men kan de realiteit van Christus niet werkelijk meer begrijpen, men komt slechts tot een hallucinatorische of een illusoire voorstelling. [ ... ]

En als de mensen blijven verkiezen om slechts tot een hallucinatie en niet tot de werkelijke Christus door te dringen, dan wordt Ahrimans streven het best bevorderd.

(Wanneer men zich altijd maar met één evangelie bezighoudt komt men evenzeer tot een hallucinatie). Er werden juist vier evangelies geschreven vanuit vier verschillende gezichtspunten opdat de mensen zich niet zouden richten naar één evangelie, en het gaat toch niet op om deze vier evangeliën die -zoals wij al dikwijls gezien hebben- uiterlijk tegenstrijdig zijn, enkel woordelijk, letterlijk op te vatten. Wat men meemaakt bij sekten die zweren bij de letterlijke inhoud van bvb. het Johannes-evangelie of het Lukas-evangelie, veroorzaakt het tot stand komen van een soort waanideeën, een soort schemertoestand van het bewustzijn. Mensen met een verduisterd bewustzijn, -dat juist ontstaat doordat men zich niet geestelijk in de evangeliën verdiept- zullen het meest geschikt zijn om de incarnatie van Ahriman zodanig voor te bereiden dat deze mensen ooit volledig aan zijn zijde zullen staan, precies zoals hij het wil."

[ ... ]

Uit : GA 191 "Soziales Verständnis aus geiteswissenschaftichen Erkenntnis"

*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*

.

Raar volkje die economen

Onderstaand artikel van Jonathan Rowe was het belangrijkste in het winternummer 1996 van "Adbusters", het tijdschrift van de Media Foundation van Kalle Lasn, een organisatie die advertenties en TV-spots maakt voor studenten- milieubewegingen.

Van al de gevestigde geloofssystemen die vandaag in Amerika gangbaar zijn is economie zeker wel het merkwaardigste - en de economen zelf zijn nog merkwaardiger. Hoe geleerde en ambitieuze geesten zozeer het contact met de dagelijkse realiteit kunnen verliezen, het zou een studie door onze scherpzinnigste psychologen waard zijn. In dit beroep ziet men als het ware een cultus van mensen met hoge IQ's, en ik ben al lang geïntrigeerd door de wonderlijke ritus en rituelen die hun geloof in stand houden. Toen ik vorige winter hoorde dat de American Economic Association haar jaarlijks congres zou houden hier vlakbij, om de hoek, voelde ik mij een beetje als een antropoloog die een kampplaats van inboorlingen ontdekt in zijn achtertuin. Zou er iemand vragen durven stellen over de basis-uitgangspunten die niet overeenkomen met de gewijde rekenkunde van hypothetische markten en geldelijk gewin ? Zouden ze het hebben over het werkelijke leven van de doorsnee-Amerikaan of alleen maar over abstracties zoals "productiviteit" en "groei" ?

Ik kon niet vermoeden dat ze het over mij zouden hebben. Maanden eerder had de Atlantic Monthly een artikel gepubliceerd, geschreven door mijzelf en twee collega's, getiteld: " Als de economie het zo goed doet, waarom doet America het dan zo slecht ?" Het artikel ging dieper in op de paradox die de leidende kringen geplaagd had gedurende de kiescampagnes in 1992. De economie deed het goed, volgens de conventionele berekeningen - het BNP steeg: de mensen zouden gelukkig en tevreden moeten zijn. Maar dat waren ze niet.

In feite voelden ze zich heel sjofel. Alan Greenspan, Amerika's econoom-hogepriester, verwoordde de vertwijfeling van die leidende kringen in een speech voor zakenlui in San Francisco. Ondanks de fantastische prestatie van de economie (natuurlijk, zoals economen dat definiëren) zei hij dat er onder het gepeupel een schijnbaar onverklaarbaar diepgeworteld voorgevoel leefde dat de vooruitzichten niet goed waren.

Wat in feite "onverklaarbaar" was, zo betoogden wij in het artikel in de Atlantic, is dat Greenspan en andere economen het overduidelijke niet kunnen zien. Hun berekeningen zijn uit de tijd; en juist hun taalgebruik schijnt in hun geesten een barricade op te werpen om niet te (moeten) zien wat er werkelijk in de wereld gebeurt. Het beste bewijs daarvan is de manier waarop ze economisch welzijn meten: het bruto nationaal product of het BNP.

Zoals zovelen reeds vóór ons, wezen wij erop dat het BNP een rekensysteem is als een goochelaarshoed dat altijd optelt maar nooit aftrekt. Alles wat maar gebeurt in de economie (tenminste het deel dat men in geld kan uitdrukken )wordt bijeengeteld vanuit het archaïsch idee dat mensen gelukkiger worden en dat hun situatie verbetert telkens er een hoeveelheid geld verandert van bezitter. Ben je verminkt geworden in een kettingbotsing, of heb je een aanslepende, kostelijke echtscheiding achter de rug, of heb je een waterfilter geïnstalleerd omdat de kwaliteit van het drinkwater zo slecht is, wees dan maar fier. Dank zij jou kunnen de economen glimlachen en is het BNP omhooggegaan.

Dit soort mensen kent het onderscheid niet tussen ellende en welzijn, alleen het verschil tussen meer en minder. En daarenboven stelden we vast dat economen de informele economie zoals die functioneert in families en gemeenschappen zelfs helemaal niet zien omdat er geen geldtransacties mee gemoeid zijn. En zo krijgen we McDonald's in plaats van de eigen keuken, inbraakalarmen en politie in plaats van de oplettende gebuur. Hoe meer de informele economie teloor gaat en een "dienstensector" tegen betaling hetzelfde doet, hoe meer het BNP stijgt. Terzelfdertijd valt onze maatschappij uiteen.

Wij suggereerden dat de Amerikaanse economie een keerpunt bereikt, als ze het al niet ovrschreden heeft. Meer en meer begint de negatieve kant van het BNP zwaarder te wegen dan de welvaart. De sectoren van de Amerikaanse economie die het vlugst groeien omvatten onder meer misdaad en gevangenissen, gokspelen, ziektes, en amusement. Moet het ons dan verwonderen dat dit soort "groei" de mensen niet het gevoel geeft dat alles altijd maar beter wordt ? En toch hebben de economen geen begrippen om onder ogen te zien -laat staan om te meten- wat voor bijna alle andere mensen zo duidelijk is.

Er zijn economen die zich wel realiseren dat het conventioneel geloofssysteem op instorten staat. Verschillende onder hen kochten grote hoeveelheden van het Atlantic-artikel voor hun colleges. Een van hen vertelde ons dat het meer discussie had uitgelokt dan om 't even welk ander boek op de leeslijst. Maar lang niet allemaal waren ze tevreden, vooral de hogere lagen van het beroep, daar waar status en bijval afhangen van de orthodoxe leer die wij nu juist in vraag stelden. Dat was toch mijn indruk toen ik op die bewuste zaterdagmorgen dat AEA-congres ging bijwonen.

Het congres had als motto: "Schrijven over economie", er was een panel van journalisten en de economen die ze dikwijls citeerden.

Het begin was veelbelovend. Louis Uchitelle van de New York Times zei dat journalisten veeleer zouden moeten schrijven over wat de economie in werkelijkheid voor de mensen betekent in plaats van de visie van economen over te nemen. Daarbij vroeg hij zich af waarom journalisten regelmatig Wall Street analysten citeren zonder het financieel belang te vermelden van de firma's waarvoor die analysten werken. De beursfirma's gaan immers met economisch nieuws om zoals Newt Gingrich* of het Witte Huis omgaan met het politieke nieuws in Washingon. En toch worden ze door de journalisten behandeld met een stil en heilig ontzag.

"Goeie vraag", dacht ik. Ik stelde mij zo'n reportage voor over energie in de Washington Post waar ze een van die alomtegenwoordige Wall Street "analysten" zouden ontmaskeren als zijnde "verbonden met een beursfirma die onlangs instond voor de uitgifte van aandelen in die sector". Dat zou hier en daar wel een frank doen vallen; de waarheid mag af en toe trouwens ook eens gezegd worden. Dit onderdeel leek dus interessant te worden, maar niet voor lang. Er spraken nog enkele andere journalisten, bijlange niet zo gevat als Uchitelle, en toen was het de beurt aan Paul Krugman.

Krugman doceert economie aan de Universiteit van Stanford en wordt beschouwd als een rijzende ster. Onlangs publiceerde Newsweek een lovend artikel en noemde hem een grote debunker (iemand die heilige huisjes durft omverhalen - fdw) en potentieel Nobelprijswinnaar. Tussen haakjes: de Nobelprijs voor economie is geen echte Nobelprijs; hij werd in 't leven geroepen door de Centrale Bank van Zweden. Krugman staat bekend als weinig verdraagzaam, maar hij heeft en rusteloze geest en hij durft beeldenstormen, en daarom dacht ik dat hij de eerste zou zijn om het orthodoxe geloof te willen in vraag stellen. Maar wat een verrassing: totaal onverwacht begon hij een tirade tegen het artikel in de Atlantic, tegen het tijdschrift zelf en tegen journalisten in 't algemeen.

Het meest merkwaardige was wel de reden waarom Krugman ons beschouwde als "incompetent". Over de uitgangspunten die wij in vraag stelden had hij het niet eens: bvb. dat meer geldtransacties en meer verkoop automatisch betekent dat de mensen daar beter bij varen, ongeacht de kwaliteit van wat verkocht wordt en het effect op het leven van de mensen. Hij probeerde niet uit te leggen waarom economen ervan uitgaan dat bvb. meer autorijden wordt bezien als een economisch pluspunt en meer te voet gaan niet. In plaats daarvan had hij het over de methode die wij gebruikt hadden om tot een soort alternatief voor een BNP te komen, over de manier hoe we de toenemende ongelijkheid in de inkomensverdeling berekend hadden. Mijn God, dacht ik, is dat nu hoe dit beroep functioneert ? Jezelf zodanig vastpinnen op de methode van de ander dat je vergeet om de basisvragen te stellen ? Wij hadden nooit beweerd dat ons alternatief - de Werkelijke Vooruitgangs Indicator- perfect was. Integendeel, we zeiden zelfs dat het maar een eerste poging was om de allergrootste defecten van de BNP-berekening te corrigeren. Waren die defecten dan niet belangrijk genoeg om over te praten ?

Economen prediken de Spartaanse kwaliteiten van competitie en open markten tegenover de anderen. Maar in hun eigen beroepsklasse gaat het eraan toe als in een middeleeuwse gilde. Zij bepalen welke artikels in de prestigieuze tijdschriften komen. Zij geven hun oordeel over kandidaat-docenten en -hoogleraars, beslissen dus wie er mag lesgeven. Het is ergerlijk om te moeten luisteren naar deze mensen als ze tekeer gaan tegen protectionisme vanuit hun eigen afgesloten enclaves, hun gesubsidieerde denk-tanks en mandarijnenstoelen. Vergeleken met deze beroepsklasse is de Japanse kleinhandelsmarkt een voorbeeld van vrijhandel. Hetzelfde met verandering. Economen worden lyrisch als ze kunnen uitweiden over een vernieuwende stormwind die zovele nieuwe kansen biedt door het oude op te ruimen. Maar hun eigen conceptueel apparaat zit vaster in de modder dan een staatsboerderij in de voormalige Sovjet-Unie. Er zijn maar weinig onderzoeksgebieden die zichzelf wetenschappelijk noemen die zo weinig aan hun uitgangspunten veranderd hebben. Krugman ging tekeer tegen de media die onze analyse zo kritiekloos overgenomen hadden, in 't bijzonder de New York Times. Onterecht eigenlijk want een beurspagina-columnist had grote bedenkingen in verband met onze WVI en citeerde daarvoor een econoom van Harvard. Het stuk dat Krugman het meest gestoord had was dat van Robert Hersey, een economie-journalist die naar Baltimore was gegaan om te zien hoe de uitgangspunten achter het BNP doorwerken in het leven van de mensen. Hij ontdekte dat mensen belangrijk werk leveren dat in het BNP niet voorkomt omdat het niet betaald is; en anderen die veel minder belangrijk werk doen, maar betaald, en dat wordt wel meegeteld bij de vooruitgang en de groei. Zouden economen dat beter ook niet eens af en toe doen, dacht ik: hun uitgangspunten evalueren door te gaan kijken naar het leven van de gewone mens. In plaats van alleen maar de journalisten te verwijten.

Eventjes later sprong Lawrence Summers Krugman bij. Summers is professor in Harvard en heeft ook een functie bij het US Treasury Department; hij vertolkte het standpunt van de conventionele wijsheid op een onthullende manier. De situatie tegenwoordig met economie is een beetje zoals met geneeskunde, zei hij. Er zijn echte dokters en er zijn charlatans, en de media zouden meer hun best moeten doen om het een van het ander te onderscheiden. De Atlantic in het bijzonder was volgens hem een spreekbuis voor charlatans geworden.

Deze uitval was niet alleen gericht naar ons artikel, maar ook naar eerdere artikels door James Fallows. Fallows studeerde economie in Oxford en bracht verschillende jaren door in Zuid-Oost Azië om er de economie te bestuderen. Hij kwam tot de conclusie dat het geen zin heeft om Japan en andere Aziatische naties te veroordelen omdat ze de principes van de vrije handel schenden. De mensen daar erkennen eenvoudigweg noch het geloofssystem dat "vrijhandel" genoemd wordt, noch de dogma's die erachter steken als een moreel of wetenschappelijk principe.

Fallows ging nog verder. Wat Amerikanen zo nonchalant economie noemen, merkte hij op, is eigenlijk alleen maar Anglo-Amerikaanse economie. Elders in de wereld bekijken de mensen Adam Smith en zijn intellectuele erfgenamen niet als de bron van alle economische waarheid. Ze zullen eerder vragen "Wat is best voor ons land ?" dan: "Wat heeft een dode Britse econoom ooit eens gezegd ?" Fallows deed met economie hetzelfde wat antropologen en sociologen tientallen jaren eerder met Freudiaanse psychologie gedaan hadden, namelijk aantonen dat het een product is van een bepaalde tijd en een bepaalde cultuur, maar zeker geen universele en onweerlegbare waarheid. De economische high society was er niet met opgezet en Fallows moest een en ander incasseren. Maar terug naar Summers nu. De vergelijking met het medisch beroep vond ik maar een rare keuze. Want juist de conventionele high-tech geneeskunde wordt tegenwoordig ook zwaar bekritiseerd, en ook door dokters zelf. Deze manier van zorgverstrekking wordt stilaan een onoverkomelijke financiële last en het einde is nog niet in zicht. Is dat dan een goed voorbeeld voor de economie? Of is het de sociale status van dokters die de economen zo aanspreekt ?

Toen viel mijn frank: de weg naar die medische katastrofe is geplaveid met BNP-cijfers ! Hartoperaties doen het BNP stijgen maar een simpel dieet en een gezonde levenswijze doen dat niet, nee, die maken de operaties overbodig in de meeste gevallen. Prozac-verkoop komt bij het BNP, maar het wegnemen van de oorzaken die ons leven deprimerend maken niet. Nogal wiedes dat economen kiezen voor de klassieke geneeskunde, het is gewoon een spiegelbeeld van hun eigen uitgangspunten.

Is het niet opvallend dat veelbelovende vooruitzichten in de geneeskunst juist buiten de klassieke geneeskunde liggen, en -niet toevallig- ook buiten het BNP ? Men vindt altijd meer bewijzen bvb. dat niet-fysieke factoren een grote rol spelen in het welbevinden van de mens, vooral relaties met andere mensen. Ontelbare studies tonen aan dat mensen die om andere mensen geven, die goede huwelijken hebben, die actief zijn in de gemeenschap enz., dat die ook langer leven en minder vlug ziek zijn. Dean Ornish, een prominente hartspecialist in het UZ van Los Angeles legt zijn patiënten uit dat ze moeten leven met een vriendelijk gebaar naar elkaar, m.a.w. om het hart in een betere conditie te krijgen moeten ze ernaar streven om te leven op een goedhartige manier. "Al wat een gevoel van isolatie meebrengt leidt tot chronische stress en dikwijls tot ziektes zoals hartafwijkingen", zo schrijft hij. "Omgekeerd werkt alles genezend wat te maken heeft met echte intimiteit en gevoelens van verbonden zijn: één geheel zijn werkt hélend.

Zetten we daar eens het conventioneel economisch model naast: een goed hart en gemeenschapsgevoel, zo cruciaal voor onze gezondheid, spelen nauwelijks een rol in het gewone economische denken. De basismolecule in dat denken is de "homo economicus", een geïsoleerde kleine eenheid van zelfzucht die ernaar streeft om zoveel mogelijk te krijgen en zo weinig mogelijk terug te geven. Wat men markteconomie noemt is in feite alleen maar de studie van transacties tussen dergelijke hypothetische eenheden d.i. van wat egoïstische vreemden voor geld doen. Het is de studie van het soort gedrag dat ziekmakend werkt - tenminste als mensen zoals Ornish gelijk hebben.

Margaret Thatcher drukte de fundamentalistische marktvisie op haar overbekende manier uit: "gemeenschap bestaat niet". Ze bedoelde eigenlijk:" ... zou niet mogen bestaan", want mensen die niét aan elkaar voorbijgaan als vreemden die alleen bekommerd zijn om hun persoonlijk voordeel, zijn een belemmering voor de efficiëntie en economische vooruitgang - volgens de orthodoxe visie.

Toen Summers economie vergeleek met geneeskunde maakte hij meer duidelijk dan hij waarschijnlijk zelf wilde. Het conventioneel economisch model maakt van de beschrijving van een hypothetische toestand een voorschrift voor een feitelijke toestand. Het promoot een maatschappij waar mensen precies op die manier omgaan. Het sociale weefsel van de Dorpsstraat moet plaatsmaken voor het geïsoleerd consumeren van het Shopping Center. Het gevoel van verbondenheid tussen locale firma's en plaatselijke gemeenschappen maakt plaats voor de koude berekeningen van van wereldwijde corporaties. De ruimte waar burgers kunnen samenzijn maakt plaats voor de hermetische afgeslotenheid van de televisieruimte. Eenzaamheid wordt epidemisch in een tijd waar meer mogelijkheden zijn voor zogenaamde "communicatie" dan ooit tevoren in de geschiedenis.

En eenzaamheid doet de mensen kopen. De meeste mensen gaan niet winkelen omdat ze iets bepaalds nodig hebben; ze gaan "om van hun verveling af te raken, om te ontsnappen aan hun eenzaamheid, om hun depressies te verlichten", volgens een overzicht van de onderzoeken in het Wall Street Journal. Economie is een middel geworden om een hongergevoel te creëren dat nooit kan bevredigd worden en economen zijn de ideologische verdedigers van dit gebeuren.

[ ... ] Nieuwe problemen zoals die van de welvaart vereisen een nieuwe manier van rekenen en hogere doelstellingen. Misschien moeten economen ook maar eens veranderen, dacht ik, juist zoals iedereen. De noodzaak voor meer goederen wordt minder dringend maar de nood aan (levens)kwaliteit wordt groter: stabiliteit, sociale samenhang. Economen gaan hun obsessie voor geldvermeerdering moeten leren overstijgen, juist zoals de fabriekswerkers waar ze voortdurend tegen preken nieuwe vaardigheden moeten leren. Edward Luttwak van het Centrum voor Strategische en Internationale Studies, een conservatief denklabo, formuleerde het als volgt in een panel-discussie in Harper's: "Wanneer een natie als de USA zo rijk is volgens BNP en zo arm aan sociale rust, dan heeft het geen zin om via deregulatie en verhoogde efficiëntie meer BNP na te streven ten koste van die rust. Dat is hetzelfde als een man met 24 dassen maar geen schoenen die zich een 25ste das koopt".

Ik zat daar tussen het publiek te denken hoe ik een repliek zou kunnen formuleren. Maar het was een grote zaal zonder microfoons, ik liet het dus maar zo. Achteraf benaderde ik Krugman en maakte mijzelf met een zeker genoegen bekend als een van de "kwakzalvers" waarover hij gesproken had. "Wel, euh, sorry", zei hij, "maar 't is waar". Ik trachtte een discussie aan te gaan, maar hij maakte zich uit de voeten. "Sorry, maar ik moet naar een interview", zei hij.

*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*

.

Land is geen koopwaar

Ondanks het feit dat er zeer vele mensen met gezond verstand inzien dat de uitgangspunten van de vrije markteconomie waanzinnig zijn, schijnt het moderne kapitalisme sterker dan ooit. Letterlijk alles moet tegenwoordig kunnen verkocht worden. Een machtige economische elite stoort zich niet aan morele normen, noch aan milieu, noch aan cultuur, noch aan burgerrechten, en voor menselijkheid is er zeker al geen plaats.

Overal worden of zijn al burgergroeperingen actief die zich tegen dit allesoverheersend "economisme" verzetten, maar actie kan alleen maar vruchtbaar zijn als ze vertrekt vanuit de juiste ideeën.

Het vrije-marktbegrip is goed voor waren en diensten, maar grond en arbeid kunnen onmogelijk binnen een marktmechanisme verhandeld worden, tenminste als we willen in gemeenschappenleven die niet alleen op papier democratisch zijn.

Uit het boek van Udo Hermannstorfer "Scheinmarktwirtschaft" haalden we volgende passage over de onverkoopbaarheid van grond. In de volgende nummers van De Brug zullen we het later ook nog over sparen en geld hebben ...

Het marktbegrip werd bedacht om het uitwisselen van goederen en diensten te regelen: een prestatie wordt geruild tegen een andere prestatie voor geld. Het feit dat het geld ertussen komt en de uitwisseling opsplitst doet niets ter zake.

Op het eerste zicht lijkt het alsof de koper bij de aankoop geen tegenprestatie levert behalve "alleen maar" geld. Maar dit geld kan hij alleen maar verworven hebben door reeds voordien een prestatie aan iemand anders te hebben verkocht. Tot goederen, d.i. prestaties die kunnen geruild of verkocht worden, komt men alleen maar door eigen waardescheppende arbeid. Grond echter is geen goed dat door een individu voortgebracht wordt (men kan het wel als een resultaat van menselijke cultuur beschouwen) en daarmee ook geen waar en dus is de overdracht geen eigenlijke koop-verkoop.

Om een markt te laten functioneren moeten vraag en aanbod kunnen reageren want alleen door die wisselwerking blijft de prijs voor iedereen binnen aannemeliike grenzen. Bij grond is dit echter niet het geval. Hij kan niet vermeerderen (of toch maar in zeer beperkte mate, bvb. door inpoldering) en hij kan ook niet getransporteerd worden. Beschikbaar land in een afgelegen streek kan niet naar een grootstad gebracht worden om daar de prijzen te doen dalen. Daartegenover staat een stijgende vraag bij een groeiend bevolkingsaantal. Deze groei kan plaatselijk optreden, bvb. door de aantrekkingskracht van woongebieden. Zo leven in Duitsland 50 % van de mensen op slechts 7 % van het grondgebied. Ook spelen er nog veranderingen in wooncultuur mee, bvb. het aantal vierkante meters per persoon, vele alleenwoners enz. Aan de kant van de "vraag" is de enig mogelijke reactie: niet kopen. Maar wat doet men zonder woning ? Er is geen alternatief, geen uitwijkmogelijkheid* . In plaats van een evenwicht tussen vraag en aanbod is er in deze sector alleen maar een eenrichtingsverkeer naar het duurder worden (dat af en toe de prijzen ineen storten is nog geen bewijs van het tegendeel, het bewijst alleen dat bij de constante prijsstijging nog een sterk speculatief element meespeelt).

Dat men grond niet als een willekeurig andere waar beschouwt is in onze rechtsorde overal terug te vinden, bvb. in het belastings- en erfrecht.

[ ... ]
Als grond geen waar is dan kan men hem ook niet eenvoudigweg kopen en verkopen. Feitelijk is hij onverkoopbaar, d.w.z. dat de overdracht zou moeten gebeuren zonder koopprijs.

Meer over de grondprijs

Het lijkt vele mensen nogal vergezocht als men benadrukt dat grond geen waar is. Dat toont aan dat men met deze begrippen niets kan aanvangen zolang men de werking ervan op het sociale organisme niet klaar genoeg voor ogen heeft. Het begrip waar is sociaal gezien verbonden met uitwisseling van prestaties. Wat wordt er echter uitgewisseld bij de verkoop van land ?

In de economie wordt land beschouwd als productiemiddel. De waarde van een productiemiddel hangt af van de opbrengst die men ermee kan verwerven. Het komt erop aan wat men ermee doet. Landeigendom is dus van nature een recht tot het gebruik, een gebruiksrecht resp. een gebruikseigendom. Aangezien grond niet vernieuwbaar is mag hij alleen maar gebruikt, niet in de echte zin vérbruikt worden. Daardoor wordt het eigendomsrecht reeds behoorlijk beperkt, daar waar anders onze maatschappij neigt naar een onbeperkt beschikkingsrecht. Het gebruik van de bodem gaat iedereen aan !

Omdat land niet kan geproduceerd worden en tegelijk de aarde de bestaansbodem van alle mensen is, daarom moet het ook ter beschikking van alle aardebewoners staan. Als dat tegenwoordig niet het geval is, dan is dat omdat heerschappij-, machts of rechtsverhoudingen de huidige verdeling tot stand hebben gebracht.

** Bij Montaigne lezen we over zijn gesprek met een Noordamerikaanse Indiaan die met een handelsschip tot in onze streken was geraakt. Toen Montaigne hem vroeg wat hij het merkwaardigste vond antwoordde hij: "Ik zie hier mensen die heel veel bezitten en vele andere die niets bezitten, en toch nemen deze laatste het teveel niet af van de eerste". Wat voor de leden van een bepaalde gemeenschap heel vanzelfsprekend lijkt -in dit geval het privaat bezit- is voor een buitenstaander een even vanzelfsprekende onrechtvaardigheid.
Benjamin Barber haalt in zijn boek "Strong Democracy" een gedicht aan van Carl Sandburg waarin het verband tussen macht en eigendom klaar weergegeven wordt. Het gedicht heet "The People, Yes" en de betreffende passage gaat als volgt:

Carl Sandburg ingeniously exposed how similar the claim of force and the claim of property really are -and how different they seem- in this fiercely radical section from his poem "The People, Yes":

"Ga van mijn land."Get off my estate.
"Waarom ?"What for ?
"Omdat het van mij is."Because it's mine.
"Hoe kom je eraan ?"Where did you get it ?
"Van mijn vader."From my father.
"Hoe kwam hij eraan ?"Where did he get it ?
"Van zijn vader."From his father.
"En hoe kwam die eraan ?"And where did he get it ?
"Die heeft ervoor gevochten."He fought for it.
"Goed, dan zal ik er met jou om vechten."Well, I'll fight you for it.

Binnen onze moderne staatsgemeenschappen geldt nu echter het principe van gelijkheid in de persoonlijkheidsontwikkeling. Wanneer oude machtsprincipes nu blijven verder leven vormen deze een forse belemmering voor deze gelijkheid.

Anderzijds is het natuurlijk zinloos om iedereen een even groot stuk land toe te kennen. In vroegere maatschappijstructuren gebaseerd op zelfverzorging was dat nog mogelijk. Toen betekende grondbezit in de eerste plaats een bestaanszekerheid. In de moderne sociale structuur met zijn arbeidsverdeling werken wij echter niet meer voor onszelf maar voor anderen. Door deze vorm komen de vruchten van de eigendom ten goede aan de algemeenheid ( zo werkt bvb. een boer vandaag voor meer dan 60 mensen aangezien slechts een derde van de bevolking in een beroep staat en daarvan slechts 5 % in de landbouw). De gelijkheid die zich vroeger uitte als een aanspraak op land duikt nu op als het recht op een basisinkomen dat er voor iedereen moet zijn en een sociaal vangnet moet vormen tegen een verlies aan inkomen dat het lijfelijk bestaan in gevaar zou brengen. Daarom moet een verandering van het bodemrecht niet de eigendom als basis voor sociale activiteit betreffen, maar wel de regeling waardoor eigendom deze sociale werkzaamheid verliest. En eigendom verliest die sociale werkzaamheid bvb. door verkoop.

Eigendom van land kan dus alleen maar verstaan worden als een gebruiksrecht van het individu dat hem verleend en bevestigd wordt door de gemeenschap. Wordt nu land verkocht dan betekent dat dat de vorige eigenaar het gebruik opgeeft en en nieuwe gebruiker het gebruiksrecht opneemt. De koopprijs echter maakt dat de nieuwe eigenaar een deel van de opbrengst die hij kan realiseren met dat stuk land moet afgeven aan de vorige eigenaar die daarvoor niets moet doen. Een deel van de opbrengst wordt zodoende herverdeeld ten gunste van de niet-meer-presterende vorige eigenaar.

Economisch noemt men een opbrengst die zonder tegenprestatie geïncasseerd wordt een rente. Vroeger zou men daar veel eerlijker tribuut tegen gezegd hebben. Hoe hoger de grondprijs stijgt des te groter is het herverdelingseffect. Wanneer bvb. een boer de aankoopprijs van zijn land niet meer uit de opbrengst kan betalen dan betekent dat dat de vorige eigenaar aanspraak maakt op de volledige opbrengst hoewel hij niets meer doet om die te realiseren. De boer is op een moderne manier een lijfeigene geworden hoewel wij denken dat zo'n toestanden reeds in de 19de eeuw afgeschaft zijn. De toestand na de verkoop blijkt dus zowel voor de koper als voor de maatschappij slechter te zijn geworden. In tegenstelling tot andere koop-ruiltransacties wordt bij een verkoop van land een niet-prestatie betaald. Daarom ook kan men de verkoopbaarheid van grond zeer terecht een kankergezwel in het sociale weefsel noemen. Daar wordt dan dikwijls tegen in gebracht dat de verkoper van zijn kant ook al een bedrag betaald heeft voor die grond, een bedrag dat, had hij het op de bank geplaatst, rente zou opgebracht hebben, en ten tweede doet hij bij de verkoop afstand van een gebruiksrecht dat dus moet vergoed worden. Het is natuurlijk vanzelfsprekend dat bij een verandering van bodemrecht werkelijk betaalde transacties moeten terugbetaald worden omdat ze volgens de heersende wetgeving geoorloofd waren. Met de rente ziet het er al anders uit. Als men de vergelijking maakt dat de koopprijs gedurende dezelfde periode bij de bank een bepaald bedrag zou opgebracht hebben, dan verliest men uit het oog dat dit overeenkomt met de opbrengstwaarde van het grondstuk, dat ter beschikking stond van de grondkoper, maar niet van de spaarder. Men kan geen aanspraak maken op de twee, het geld én het gebruik. Daarom moet die rente niet terugbetaald worden.. Wie echter zijn grondstuk niet gebruikt heeft is aan de gemeenschap een prestatie verschuldigd. Dat dezelfde gemeenschap hem daarvoor nog moet schadeloos stellen kan niemand in alle ernst verlangen.

Daarmee zijn we aangekomen bij het motief van afstand-doen. In een vrije maatschappij is ook iedereen vrij om zijn levensomstandigheden te veranderen. Vanzelfsprekend kan iemand het gebruiksrecht dat hij bezit voor een bepaald grondstuk opgeven. Een aanspraak op een deel van de opbrengst die een volgende gebruiker zal realiseren kan daaruit niet ontstaan. Anderzijds moet ook duidelijk zijn dat effectieve investeringen moeten terugbetaald worden voorzover ze niet afgeschreven zijn. Bij deze bedragen gaat het niet om een koopprijs maar om een herfinanciering waarbij alleen maar veranderd wordt van kredietgever. De denkfout in de afstand-doen argumentatie ziet men pas in als men bedenkt dat landeigendom een belofte aan de gemeenschap inhoudt en geen eigen prestatie is(zodoende is het dus de gemeenschap die verliest, namelijk datgene wat de eigenaar niét gerealiseerd heeft met dat stuk land. Eigenlijk zou de verkoper moeten rechtvaardigen waarom hij de beloofde prestatie niet geleverd heeft). [ ... ]


.

Over sparen

Sparen wil zeggen dat men vandaag niet alles uitgeeft wat men vandaag gekregen heeft. Mensen sparen om zich later een grotere aankoop te kunnen permitteren, of omdat ze niet zeker zijn wat de dag van morgen zal brengen, of gewoon omdat ze teveel hebben. Deze verschillende redenen leiden tot de statistische vaststelling dat alle bevolkingsgroepen sparen. In Duitsland bvb. komt de verdeling van het totale spaargeld op rekening van:

Zelfstandigen: 42 %
Bedienden: 27 %
Arbeiders: 11 %
Renteniers: 20 %.

De spaarquota in de westelijke industrielanden bereiken een aanzienlijk peil, bvb. in Duitsland: 13 tot 15 %, in Japan ca. 18 %. Op het ogenblik ligt in Duitsland meer dan twee biljoen DM opzij.

Toen het geld begon te verschijnen veranderde het sparen radicaal. Het meest beroemde voorbeeld is Jozef in Egypte. Na de zeven vette jaren liet hij voorraden aanleggen voor de zeven magere jaren. In slechte tijden wordt het gebrek aan waren effectief verholpen en is de bevoorrading verzekerd. Op die manier sparen wij vandaag niet meer - afgezien van enkele luttele noodvoorraden. Vanuit het standpunt van het individu schijnt er niets veranderd te zijn: heeft men eens geld tekort, dan spreekt men zijn spaargeld aan en kan zich toch de nodige goederen aanschaffen. Een gans volk is echter zo niet meer te helpen. Indien namelijk een ernstig bevoorradingsprobleem zou optreden dan kan men dat met geld niet oplossen. Geld zou alleen maar het gebrek duidelijk maken door inflatoire prijzen. Sparen in geld vervult dus alleen maar zijn veiligheidsfunctie voor het individu wanneer het sociale organisme als geheel intact is (wat de waarde is van spaarboekjes dat hebben we na de oorlog genoeg kunnen zien !). De bank is nu eenmaal geen ouderwetse graanschuur; niet zij verleent ons geld zekerheid, maar de stabiliteit van de sociale processen die we met ons allen bereiken maakt het geld en daarmee ook de bank zeker.

Vanuit economisch standpunt gezien is het sparen een tegenhouden van een circulatieproces. Een deel van het inkomen uit een verkoop wordt niet voor een aankoop uitgegeven. Daardoor begint de circulatie te stokken. Aangezien het totaal van de geldinkomens uit het productieproces stamt, moet het ook in zijn geheel gebruikt worden om te kopen. Wordt nu een deel van het geld niet uitgegeven, dan vloeit er eigenlijk minder terug dan noodzakelijk is, anders gezegd: er worden minder producten verkocht of aan een lagere prijs. De productie moet daarop reageren ofwel met een kwantitatieve inperking of met een productiviteitsverhoging, om de kosten te reduceren, maar dat leidt tot een geringer geldinkomen. Denkt men nog even verder dan blijkt dat het niet-deelnemen van het spaargeld aan de circulatie de oorzaak is dat deze laatste en daarmee ook de ganse economie met haar arbeidsverdeling tot stilstand zou komen. Daarbij komt dan nog dat de koopkracht van het overblijvende geld door dit gebeuren stijgt, zodat bij de oorspronkelijke spaarmotieven nog die van het zuiver geldvoordeel (door het niet-uitgeven) bijkomen. Het sparen mondt aldus uit in een deflatie en depressie.

Van de ene kant spreekt het vanzelf dat men verdiend geld moet kunnen sparen anders kan het individu zich niet vrij uitleven. Dat is nu juist het voordeel van geld dat het niet bederft zoals andere goederen, het neemt dus een consumptiedruk weg. Anderzijds kan men niet tot in het oneindige sparen, want de tegenwaarde van het geld ligt niet ergens geduldig te wachten in een magazijn, maar die tegenwaarde moet opnieuw geproduceerd worden op het ogenblik dat het geld uitgegeven wordt.

De spaarder brengt het sociale organisme dus tweemaal in verlegenheid. Een eerste maal wanneer hij geld uit de huidige circulatie achterhoudt en daardoor geproduceerde waren onverkocht laat liggen; een tweede maal bij het uitgeven van het geld wanneer hij aanspraak maakt op prestaties met geld dat uit vroegere productie stamt. Modern geld is enkel maar een aanspraaktitel, een recht op. Sparen wil zeggen: het recht op warenvoorziening niet uitoefenen. Niet-uitgeoefende rechten echter moeten na een bepaalde tijd teniet gaan want anders loopt het sociale organisme gevaar om verdrukt te worden door opgestapelde mogelijke aanspraken uit het verleden. Op verschillende gebieden is dat nu al het geval. In het handelsverkeer bvb. vervallen vorderingen als ze enkele jaren niet opgeëist worden. Gespaard geld is niet-uitgeoefend, niet-geldend gemaakt recht ! Ook al verzet ons gevoel zich er op het eerste ogenblik tegen: zou zuiver spaargeld niet na enige tijd ook moeten vervallen ? Dat ons gevoel er zich tegen verzet is maar een symptoom van de heersende geldillusie die in geld een waar ziet. Op het gebied der waren geldt de bescherming van bezit en eigendom; op het gebied van het recht betekent dezelfde houding: macht.

De noodzaak om tot een radicaal ander denken en aanvoelen te komen als het om geld gaat bestaat ook t.o.v. de zgn. deugd van spaarzaamheid. Wie weinig verbruikt laat daardoor meer over voor de anderen en geldt daarom terecht als deugdzaam. Wie geld niet uitgeeft schijnt eveneens spaarzaam te zijn. Maar uit het voorgaande blijkt nu dat dit niet opgaat. Veeleer is hij iemand die vele aanspraken maakt op het sociale organisme maar het noch zelf nodig heeft, noch verdergeeft aan anderen. Zo'n houding heet hebzucht. Deugdzaam wordt men pas terug als het geld terug in circulatie wordt gebracht. Wil men echter niet verbruiken wat men aan geld heeft, dan moeten andere verbruiksmogelijkheden voor het geld gezocht worden. [ ... ]

Dit laatste onderdeel komt uit het hoofdstuk "Geld als koopgeld". De auteur gaat nu verder en belicht het geld als leengeld en als schenkingsgeld. Daarover meer in de volgende Brug.

*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*

.

Hebben we recht op een persoonlijk leven ?

Sommige lezers zullen zich na de lectuur van de voorgaande artikels misschien afvragen waarom er zoveel over economie moet geschreven worden in een tijdschrift over antroposofie. We laten Rudolf Steiner zelf aan het woord.


[ ... ]
" De mensheid zou een gevoel moeten krijgen van verantwoordelijkheid en moeten begrijpen wat de noden van de tijd nu eenmaal zijn. Bedenkt u hoe de mens tegenwoordig heel egoïstisch met zichzelf bezig is, werkelijk voor zeer vele mensen geldt dat, en hoeveel redenen men heeft om eigenlijk volledig de eigen persoon buiten beschouwing te laten en in plaats daarvan te kijken naar de grote mensheidsvragen ! Die zijn vandaag zo overweldigend groot, die mensheidsvragen, dat men nauwelijks, wanneer men een zinnig mens is, de tijd zou moeten vinden om nog oog te hebben voor het allerpersoonlijkst individueel lot, wanneer dit allerindividueel persoonlijk lot niet kan ten dienste gesteld worden van de grote mensheidsvragen die voor het ogenblik in de schoot van de ontwikkelingsepoche van de mensheid liggen.

Men zou wensen dat de mensen de sterke discrepantie bemerken tussen het wezenloze dat tegenwoordig het persoonlijk lot is, en het wezenlijke dat in de grote overweldigende mensheidsvragen vandaag naar voor treedt. En men kan in werkelijkheid geesteswetenschap niet verstaan, tenminste in de tegenwoordige tijd niet verstaan, als men niet voor deze grote mensheidsvragen begrip heeft en tegemoet wil komen. Een en ander begint nu toch al in beweging te komen; maar precies diegenen die zich op een bepaalde manier verbinden met een beweging die naar geestelijk inzicht streeft, die moeten streven naar een bijzonder energiek begrijpen van alles wat zich in brede zin afspeelt in de sociale beweging van deze tijd ...
[ ...]

" Dat wordt alleen maar gezegd om erop te wijzen dat we onszelf een begrip moeten aankweken voor de vele kanten van de mens, we moeten komen tot een innerlijke verdraagzaamheid !
We moeten ons interesseren voor wat in de ziel van de ander totaal verschillend gedacht wordt van wat we zelf denken; want we moeten het gevoel krijgen dat dit andere ons eigen gedacht vervolledigt. Wanneer we hier tien afzonderlijke mensen hebben, ik ben er een van, en daar zijn nog negen andere, dan moet ik kunnen zeggen: ik denk over bepaalde zaken zo, de tweede denkt zo, de derde zus, de vierde zo, allemaal meer of minder verschillend en gevarieerd; we hebben allemaal gelijk, niemand heeft gelijk. Wanneer we ongeveer het rekenkundig gemiddelde aanvoelen, als we zo'n samenhang voelen dat we alles met dezelfde liefde opvatten, of het nu wij zijn die iets zeggen, of een ander; als we ons in het geheel opgenomen voelen, dan zijn we samen op weg naar de bestemming die voor de mensen van de toekomst bedoeld is. Dit op-weg-zijn moeten we nastreven, eenvoudigweg om een gevoel te krijgen voor werkelijk sociaal leven. We moeten leren voelen om te staan in wat de taalgenius omvat, om te staan in een gemeenzaam rechtsleven, in een gemeenzaam economisch leven: pas dit levendige aanvoelen dat men een deel van een geheel is, iets wat de mens zich moet verwerven in het tijdperk van de bewustzijnsziel, pas dat leidt hem naar zijn toekomstbestemming.

Dit kan echter op geen andere manier dan door onze interessenhorizon altijd maar wijder en wijder te maken; met andere woorden: we moeten leren om altijd meer los te geraken van onszelf. Ja, beste vrienden, kijkt men eens heel eerlijk in zijn binnenste dan moet men toch toegeven dat het meest oninteressante op de ganse wereld nu juist datgene is wat men zelf over zichzelf in het eigen Ik kan denken en gewaarworden. Over dit zeer enge Ik denken tegenwoordig zeer vele mensen. Daarom is hun leven zo vervelend, daarom bevredigt het leven hen niet. Wij worden nooit of nooit interessant door rond dit ene punt altijd maar rond te draaien. Als we daarentegen naar buiten kijken en er altijd oog voor hebben hoe de buitenwereld in ons binnenstraalt, als we onze interessen altijd maar verbreden, dan wordt ons Ik interessant doordat het het invalspunt is voor de buitenwereld, dan krijgt ons Ik betekenis doordat wíj alleen door dit punt de wereld kunnen zien en niemand anders. Iemand anders beziet het vanuit zijn standpunt.

Maar als we binnen onze eigen sfeer blijven en rond ons eigen Ik draaien, dan beschouwen we eigenlijk alleen wat we met alle andere mensen gemeenschappelijk hebben; dan verliezen we tenslotte iedere interesse voor de andere mens en voor de rest van de wereld. Verbreding van de interessesfeer, dat is wat nagestreefd wordt door geesteswetenschap. Echter, om dit te ervaren is het noodzakelijk dat wij onze ziel opvoeden, zodat ze gevoelig begint te worden voor wat van buitenaf naar haar toe komt en dat ze iets nieuws kan opnemen. De mensen wijzen de geesteswetenschap niet af omdat ze moeilijk zou zijn -want dat is ze namelijk niet- maar ze wijzen ze af omdat ze niet beweegt in de platgetrapte gedachtenwegen, ze wil dat de mensen nieuwe gedachtenbanen inslaan. Maar juist dat laatste wijzen de mensen af ...
[ ... ]

.

Een tijdje geleden heb ik hier een citaat van Fichte aangehaald;

" De mens kán wat hij hoort te doen; en als hij zegt: ik kan niet, dan wil hij hij niet."

( Man kann was man soll, und sagt man: ich kann nicht, so will man nicht !)

Dat is een zeer belangrijk woord, vooral een woord dat de moderne mens onvoorwaardelijk nodig heeft als richtlijn. Want de moderne mens mag niet in zijn luie zetel gaan liggen en van bepaalde eisen die aan hem gesteld worden, zeggen: dat kan ik niet. Het ligt in de natuur van de moderne mens dat hij veel meer kan dan hij van zichzelf zou geloven; "genie" moet altijd meer het resultaat zijn van vlijt. Maar men moet het geloof in deze vlijt kunnen bemachtigen. Men moet korte metten maken met iedere gedachte dat men dit of dat niet zou kunnen. Men moet altijd voor ogen houden dat er heel vlug gezegd wordt dat men iets niet kan omdat het te vermoeiend is om het te proberen. En hoe meer de moderne mens zich dit [vlijtig zijn] in zijn dagelijks leven tot regel maakt, des te meer werkt hij zich op tot de juiste stemming voor het ziele-geestelijke, tot het ontvangen van het ziele-geestelijke. Deze stemming zal bij veel meer mensen als u vandaag gelooft de innerlijke ervaring teweeg brengen van hetgeen antroposofisch georiënteerde geesteswetenschap zeggen wil. Het is te bereiken, mijn beste vrienden, bereikbaar is voor het menselijk gemoed datgene wat antroposofisch georiënteerde geesteswetenschap zeggen wil, tenminste voor bepaalde elementaire dingen. Men moet alleen maar de moed kunnen opbrengen.

Maar dan, wanneer deze stemming er eenmaal is, dan zal zich ook begrip voor het sociale en sociale interesse ontwikkelen. Want wanneer hebben wij geen begrip voor het sociale ? Wij hebben geen begrip voor het sociale wanneer niets ons interesseert dat buiten onze eigen levenssfeer ligt. Begrip voor het sociale ontwaakt onmiddellijk als we ons ook beginnen interesseren voor wat buiten onze directe levenssfeer ligt, maar dan wel ons waarachtig en werkelijk interesseren ! In het tijdperk van de bewustzijnsziel is het bijzonder nodig om rekening te houden met deze dingen. Het is nodig omdat de wereldkrachten de mensen in het tijdperk van de ontwikkeling van de bewustzijnsziel op zijn Ik wijzen, op de bewustzijnsziel wijzen. En daarom moet hij des te meer op zijn hoede zijn om dit Ik te kunnen overstijgen ! Omdat er uit de diepten van de mensenziel vandaag zo veel antisociaals opstijgt, daarom moet het bewustzijn des te meer het sociale ontwikkelen, dat we dan terug in de onderbewuste diepten moeten opnemen. Het komt tegenwoordig zo veel voor dat de mensen niet weten wat ze met zichzelf moeten aanvangen. Dat komt alleen maar doordat ze slechts met zichzelf iets willen aanvangen. Vanaf het ogenblik dat men niet meer met zichzelf alleen, maar met de ganse wereld voelend en gewaarwordend iets wil aanvangen, dan vangt men ook met zichzelf het juiste aan.

Al deze zaken hebben nauw te maken met wat we vandaag begrip voor het sociale vraagstuk kunnen noemen. In vele opzichten is het sociale vraagstuk een ziele-vraagstuk. Maar alleen wie in de antroposofische georiënteerde geesteswetenschap staat zal dit als een ziele-vraagstuk kunnen aanvoelen. Dat was het wat ik u vandaag nog wou zeggen."
(Einde van de zesde voordracht).

*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*

.

Geen luiaards en mystieke zwetsers in onze vereniging ...

Rudolf Steiner was veel te hoffelijk om zoiets ooit te zeggen, maar uit onderstaande passage kan men wel opmaken dat hij het zo bedoelde.


[ ... ]
" Ziet u, beste vrienden, zoiets bereikt men door datgene wat in de boeken en voordrachtenreeksen staat op de juiste manier te doordenken; als men niet alleen maar leest en leest en leest en het gelezene dan combineert, maar als men dóórdenkt en de dingen samenbrengt zoals ze zich door hun eigen natuur laten kennen. En door aldus te handelen bereikt men nog iets anders: men spant zich werkelijk in en deze inspanning heeft een resultaat, het resultaat is dat ze de ziel zelfstandig maakt, dat men werkelijk aldus door eigen innerlijke activiteit de weg vindt om de ziel zelfstandig te maken. Maar daartoe is arbeid nodig, werkelijk echte arbeid. Altijd weer moet het benadrukt worden: Niet door passieve overgave haalt men de geestelijke wereld uit de fysieke, maar door werkelijk actief in het eigen innerlijk te arbeiden.

Het actieve verwerven van de geestelijke wereld, daar komt het op aan. Als men werkelijk de geestelijke wereld wil bereiken mag men er niet voor terugschrikken om al het beschikbare materiaal te doorwerken en in een samenhang te brengen met alles wat men zich in het leven verworven heeft. Anders zouden er zich echt dwaze zaken kunnen voordoen, bvb. dat iemand het idee zou hebben dat hij de reïncarnatie van Homeros is, maar dat hij nu niets moet doen om te bewijzen dat er iets van Homeros' genie in hem borrelt; nee, hij zou kunnen van mening zijn dat hij toentertijd als Homeros genoeg gepresteerd heeft, en dat hij zich nu in deze incarnatie lekker lui mag neervlijen op zijn mystieke sofa.

Als men probeert om actief, daadkrachtig al het beschikbare materiaal te doorworstelen, dan wordt men niet tot allerlei mystiek gezwets gebracht, men wordt geleid tot aan het punt van waaruit men een gevoel krijgt hoe de waarheid in de geestelijke wereld bedoeld is voor de mens. En dan zal men zien dat men zo sterk mogelijk moet streven om de gewoontes, de denk-, gevoels,- en gewaarwordingsgewoontes van het fysieke plan niet te vermengen met de eigenaardigheden van de geestelijke wereld.

Deze gezindheid, daar gaat het om. En deze gezindheid, mijn beste vrienden, als we die werkelijk hebben, dan maakt die ons los van alle lichtzinnigheid ten opzichte van het binnentreden in de geestelijke wereld. Men moet zich werkelijk niet al te erg inspannen, nietwaar, om een week zout te eten en dan af te dalen in de onderaardse werelden, en dan een week geen zout eten om te kunnen opstijgen naar de hogere elementarische werelden. Veel inspanning kost dat niet; maar men bereikt er dan ook niets mee tenzij hoogstens de allerergste illusies. In de geestelijke wereld kan men alleen maar iets bereiken door innerlijke arbeid. En innerlijke arbeid, als die werkelijk aanwezig is, is uit zichzelf al zodanig dat daardoor niemand in de verleiding komt om op onbevoegde manier om te gaan met de geestelijke wereld, nee, we komen daardoor juist op de correcte gedachten.

En anders komen inderdaad de mystieke en verkeerde gedachten, en het is terecht wanneer de mensen dan met ons lachen. Zo schreef mij eens een man die omtrent deze zaken een gezond gevoel had. Hij had als lid een van onze afdelingsavonden bezocht. Hoewel het verschrikkelijk warm weer was en er geen reden was om de vensters te sluiten, had men daar alle vensters gesloten. Nu, ik heb niets tegen het dichtdoen van vensters, vooral als men buiten alle mogelijk storend lawaai kan horen; dan heeft men een gegronde reden, nietwaar. Maar deze reden haalde men daar niet aan, maar wel:
Doktor Steiner heeft er ons uitdrukkelijk attent op gemaakt dat we de vensters moeten sluiten als er een voordracht gelezen wordt op onze bijeenkomsten, anders komen er demonische wezens naar binnen.
Die man, hij vertoonde absoluut geen mystieke neigingen, schreef mij dus met de vraag of geesten dan niet door gesloten vensters heen kunnen. Men moet wel een zonderlinge leraar zijn van geesteswetenschap als men zijn leerlingen vertelt dat ze de vensters moeten sluiten om de demonen buiten te houden !

U ziet hoe men door dergelijk gedachteloos gepraat echt de fysieke wereld met de hogere wereld verwisselt. Op het fysieke plan kunnen wezens inderdaad niet door een gesloten venster binnenkomen, als ze de ruit tenminste niet inslaan; maar geesten laten zich door een gesloten venster echt niet op afstand houden ! Het gaat er werkelijk om dat men voldoende ernst aan de dag legt als men zich voorstellingen maakt over de geestelijke werelden en de fysieke werelden."
[ ... ]

*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*

.

Rudolf Steiner over de vrouw

Werkende moeders die ervoor kiezen om hun kind(eren) naar de Steinerschool te sturen worden daar dikwijls geplaagd door schuldgevoelens. Op ouderavonden, in voordrachten, uit gesprekken krijgt men heel sterk de indruk dat Rudolf Steiner, in het belang van het kind, alle moeders het liefst aan de haard had gezien. Niets is minder waar.

Het volgende uittreksel komt uit de "Filosofie der vrijheid", meer bepaald uit het 14de hoofdstuk dat handelt over "Individualiteit en Soort". Het is nauwelijks te geloven dat Rudolf Steiner dit standpunt reeds innam in 1894 ...

[ ...]
" Het is onmogelijk een mens geheel en al te begrijpen, wanneer men zijn beoordeling op een soortbegrip baseert. Het hardnekkigste houdt men aan het beoordelen naar de soort vast, wanneer het om het geslacht van de mens gaat.

De man ziet in de vrouw, de vrouw ziet in de man meestal te veel het algemene karakter van het andere geslacht en te weinig het individuele. In de praktijk van het leven is dit minder in het nadeel van de mannen dan van de vrouwen. Daarom is meestal de sociale positie van de vrouw zo minderwaardig, omdat in velerlei opzicht, waarin dit niet zou moeten zijn, deze positie niet afhankelijk is gesteld van de individuele eigenschapen van de vrouw als op zichzelf staande persoonlijkheid, doch van de algemene voorstellingen die men zich van de natuurlijke taak en behoeften van de vrouw maakt. De bezigheid van de man richt zich in het leven naar zijn individuele bekwaamheden en ambities; de bezigheid van de vrouw schijnt uitsluitend afhankelijk te worden gesteld van het feit dat zij nu eenmaal vrouw is.

De vrouw moet dan wel de slavin zijn van de soortgebondenheid, het algemeen-vrouwelijke. Zolang door mannen nog geredetwist wordt over de vraag of de vrouw "door haar natuurlijke aanleg" wel voor het een of ander beroep deugt, kan het vrouwenvraagstuk niet boven het meest elementaire stadium uitkomen. Wat de vrouw in verband met haar eigen vrouwelijke natuur kan willen, moet men aan de vrouw zelf ter beoordeling overlaten. Wanneer het waar is dat vrouwen slechts deugen voor het beroep dat hun thans is toebedeeld, zullen zij het ook moeilijk verder brengen. Zij moeten echter zelf kunnen beslissen, wat met hun natuur in overeenstemming is.

Aan hem die beducht is voor een omwenteling van onze sociale toestanden als de vrouw niet langer als lid van de soort doch als individualiteit wordt erkend, moet geantwoord worden dat sociale toestanden waarbij de helft van het mensdom een mensonwaardig bestaan leidt, juist hoognodig aan verandering toe is."


*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*

.

Maakt de Steinerschool wereldvreemd ?

Een van de vele vooroordelen tegen het Steineronderwijs is dat het de leerlingen wereldvreemd zou maken. Ze worden teveel afgeschermd en daardoor blijven ze te 'zacht' om later in het 'echte' leven hun mannetje te staan, zo klinkt het dan. Daarom drukken we hieronder een lijstje af van mensen die 'het gemaakt hebben' ondanks het feit dat ze op een Steinerschool zaten. Dit lijstje kan natuurlijk niet dienen als een bewijs van de deugdelijkheid van het Steineronderwijs, want het overgrote deel van de beroemde tijdgenoten komt uit het gewoon onderwijs, maar in een discussie komt men misschien toch wat overtuigender over als men tenminste enkele namen kan noemen ... Min of meer alfabetisch gerangschikt:

  • Barbara Becker, actrice, vrouw van Boris Becker Duitsland
  • Sandra Bullock, actrice USA
  • Andreas Carlgren, parlementslid Zweden
  • Kenneth Chennault, Chief Executive Officer van American Express USA
  • Michael Ende, Schrijver Duitsland
  • Katharina Enzensberger, Schrijfster Duitsland
  • Werner Fassbinder, regisseur Duitsland
  • Rutger Hauer, acteur NL
  • George Hume, BBC-journalist, columnist bij de "Herald" UK
  • Daniel T. Jones, co-auteur van de management-bestseller "The machine that changed the world" UK
  • Natasja Kinski, actrice Duitsland
  • Karl Otto Pöhl, president v.d. Deutsche Bundesbank Duitsland
  • Veronica Webb, supermodel USA
  • Carry Tefsen, actrice NL

Ook de kinderen van volgende bekende figuren gingen naar de Steinerschool:

  • Mikhaïl Baryshnikov, danser en acteur
  • Silvio Berlusconi, politicus
  • Josef Beuys, kunstenaar
  • Klaus Dohnanyi, voormalig burgemeester van Hamburg
  • Friedrich Dürrenmatt, auteur
  • Harrison Ford, acteur
  • Glen Frey, popzanger (Eagles)
  • Max Frisch, auteur
  • Hans-Dietrich Genscher, politicus
  • Nina Hagen, punkzangeres
  • John Paul Jones, bassist van Led Zeppelin
  • Udo Jürgens, schlagerzanger
  • Helmut Kohl, bondskanselier
  • Jessica Lange, actrice
  • Paul Newman, acteur
  • Hein Nixdorf, computerpionier
  • Carly Simon, zangeres
  • Martin Walser, auteur

(Bron: http://diewaldorfs.waldorf.net/listdt.html)

*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
Terug naar de inhoudstafel