De Brug 2
december 1993

De wezensdelen van de mens


Bij een dode mens zien we het FYSIEKE LICHAAM, een samenstelling van chemische elementen. Het kan zijn vorm niet behouden op eigen kracht, het valt uiteen zoals gesteenten en mineralen.


Een mens die wakker is heeft ook een actief ASTRAAL LICHAAM. Dat maakt hem bewust van wat hij lichamelijk voelt, bvb. honger. Dieren hebben het dus ook. Als het verdwijnt, bvb. tijdens de slaap, verliezen we ons bewustzijn en worden we als een plant.


In de Griekse tijd werd nog een deel van de ziel ontwikkeld, nl. de VERSTANDSZIEL. De mensen probeerden hun waarnemingen te doordringen met hun verstand (de Griekse filosofen).


Het bewustzijn van een eigen Ik te hebben is dus sterk geworden. Maar wat is dit Ik ? Dat is iets dat iedere mens slechts van zichzelf kan zeggen: Ik. Het is dus iets innerlijks voor de ziel, in tegenstelling tot bvb. een hongergevoel dat voor de ziel eigenlijk buiten is. Dit individuele, innerlijke is een deel van de Geest die achter alle verschijnselen steekt. De bedoeling van alle cultuur is : dit deeltje van de geest, dit Ik, te ontwikkelen. Daartoe wordt het Ik zelf werkzaam. Het werkt aan de ziel, aan zichzelf. Maar het Ik kan nog verder gaan, en bvb. aan het astraal lichaam beginnen werken. Het verkrijgt dan controle over begeerten. Het deel van het astraal lichaam dat zo omgevormd is, wordt GEESTZELF of manas genoemd.

Voorbeeld: een mens werkt aan zijn astraal lichaam,in dit geval door het inzicht dat men moet lekker vinden wat goed is voor het lichaam.


Tenslotte kan hat Ik ook werken aan het fysiek lichaam, eigenlijk aan de krachten die in het fysiek lichaam werken. Als deze omgevormd zijn noemt men ze GEESTMENS of atma (herinner je Gandhi: die werd mah-atma, grote geest, genoemd).

We vatten samen in een mooi schemaatje:

LICHAAM:1. fysiek lichaam
2. etherlichaam
3. astraal lichaam
ZIEL: 4. gewaarwordingsziel
5. verstandsziel
6. bewustzijnsziel
GEEST 7. geestzelf
8. levensgeest
9. geestmens

En omdat 3/4 en 6/7 zo nauw verbonden zijn dat ze eigenlijk een geheel vormen, komen we tot een 7-ledige mens:

1. fysiek lichaam 2. etherlichaam 3. astraal lichaam

4. IK

5. geestzelf 6. levensgeest 7. geestmens

Sommigen zullen nu vragen: kan dit allemaal bewezen worden ? Het antwoord is: voor een helderziende moet dit niet bewezen worden, hij kan deze wezensdelen waarnemen. Voor de andere mensen geldt: als we aannemen dat het zo is, kunnen we fenomenen uit de ons omringende wereld verklaren waar de gewone wetenschap geen zinnige uitleg voor heeft zoals: bewustzijn, slaap, dood, veroudering enz.
In die zin is deze "theorie" even wetenschappelijk als bvb. de evolutie- of de relativiteitstheorie.

Zoals gezegd wordt in iedere cultuurperiode een hoger wezensdeel van de mens ontwikkeld. Op dit ogenblik leven we in de 5de na-Atlantische periode, de tijd van de bewustzijnsziel.

fdw

*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*

.

Over ouderdom

door Frans D'Herde ( 23/03/1936 - 18/06/2004)


Oudere mensen vertegenwoordigen een rijkdom aan ervaringen en levenswijsheid. Meer in 't oog springend is echter het lichamelijk verval dat hen dikwijls hulpbehoevend maakt.
De ouderdomsproblematiek heeft een persoonlijk en een maatschappelijk aspect. Persoonlijk kent de oudere lichamelijk verval en kampt hij tegen verzwakking, ziekte en verstandelijk onvermogen. Maatschappelijk is er de steun en verzorging door familie, bejaardentehuizen en klinieken. Ouderen brengen niet meer op en kosten veelal moeite en geld...
Vandaar de vraag of het allemaal wel zin heeft. Kan ondanks alles over de ouderdom gesproken worden als over een vruchtbare levensfase, als over een leven met verwachtingen?

Zeker ! Maar dan vanuit de antwoorden die de antroposofie van Rudolf Steiner ons aanreikt.

Om van zijn ouderdom een vruchtbare levensfase te kunnen maken moet de ouderwordende leren leven met blijvende verwachtingen :
"Ik evolueerde niet alleen tot mijn 35ste levensjaar, maar zal mij ook in de tweede helft van mijn leven blijven verrijken, tot mijn stervensdag. Zelf of door anderen wil ik niet toelaten mij als 'afgedaan', 'oud', of 'overbodig' te laten bestempelen. Daarom moet ik mijn denken, voelen en willen losmaken uit het teveel gekoesterde keurslijf van het verleden. Gedaan met alles te vergelijken met 'die goeie oude tijd'. Het heden en de toekomst zijn van blijvend belang. Lichamelijk ga ik achteruit; maar zielsmatig (=gevoelens) en geestelijk(=denken) is elke dag opnieuw een kans om mij verder te ontwikkelen en te verrijken. "

Niet enkel de betrokkene maar ook de maatschappij moet het ouder worden leren inschatten als een vruchtbare levensfase. Geleidelijk moet een radicale mentaliteitsverandering op gang gebracht worden. Het besef namelijk dat oud mogen worden een voorrecht is dat aan de betrokkene meestal iets schenkt dat de jongere vooralsnog moet ontberen. Dit is met name het begrijpen, de levenswijsheid die antwoorden leert geven over het hoe en het waarom van het persoonlijk leven dat voorbij is, en over het leven van de jongere generatie dat bezig is zich te ontwikkelen. De jongere moet leren uitkijken naar het ouder worden met de verwachting: pas dan zal ik ook die geestelijke frisheid en wijsheid verwerven die mij zal toelaten te begrijpen het hoe en waarom van hetgeen ik nu doe. Zo zal geleidelijk aan de jongere opnieuw leren opkijken naar de oudere i.p.v. erop neer te zien. Niet omdat dit wordt voorgeschreven door de wellevendheid, maar uit vrije wil vanuit de overtuiging dat achter het lichamelijk verval een geestelijke meerwaarde schuilgaat. Een wijsheid die alleen eigen is aan de oudere -bewust of onbewust(bij verstandelijk onvermogen)- en die hem toelaat een meerwaarde toe te voegen aan het te oogsten eindresultaat van het voorbije leven. Dit geldt voor de mens zelf en voor de kosmos want "niemand leeft voor zichzelf alleen..."

Dat het leven een voortdurend rijper worden is, ondanks de fysieke aftakeling, kan worden verduidelijkt door het mensbeeld van de antroposofie.
De mens omvat 9 wezensdelen (zie het artikel hierboven), die pas één zelfstandig mensenwezen vormen door de overkoepelende inwerking van het Ik. Het is in de ziel dat het Ik opvlamt en als de kern daarvan de menselijke ervaringen( waarnemingen, gevoelens, gedachten, herinneringen en wilsuitingen) tot één zelfstandig geheel bundelt. De ziel kan beschouwd worden als een boom die tussen twee werelden in groeit. Met zijn wortels raakt hij de drie lichamelijke wezensdelen, met zijn kruin bloeit hij op in de drie geestelijke wezensdelen. Hoe kan dat? Gewoon door de splitsing van ons Ik in een hoger Ik en een lager Ik.

Ons Ik beleven we bij vol dagbewustzijn in de gewaarwordings-, de verstands-, en de bewustzijnsziel. En het is ook vanuit die bewustzijnsziel dat ons lager Ik zich openstelt voor het hoger Ik van het geestzelf. Vanuit het geestzelf bevrucht ons hoger Ik het persoonlijk Ik, zonder dat het menselijk dagbewustzijn daar weet van heeft(= vanuit het onderbewuste). Maar in een verre toekomst, - en wat door een esoterische (=innerlijke) scholing kan worden bespoedigd- zal de mens ooit zijn hoger Ik bij vol dagbewustzijn beleven in zijn geestelijke "lichaamsdelen" , nl. de levensgeest en de geestmens (ondertussen komt het erop aan dat de hedendaagse mens bewust zoveel mogelijk omhoog streeft met zijn lager "zelf" naar zijn hoger 'zelf", om tegemoet te komen aan de afdalende beweging van het hoger "zelf". Zo kan eens het mystieke huwelijk voor velen zich herhalen dat met het Christusgebeuren ons op monumentale wijze werd voorgedaan).

Met dit mensbeeld kunnen we nu verder. Onze onzichtbare, bovenzinnelijke wezensdelen (etherlichaam, astraal lichaam, Ik) zijn het, die zich bij het afnemen van de fysieke krachten blijven ontwikkelen. En dit geldt voor alle ouderlingen, zelfs voor hen die lijden aan verstandsverbijstering.

Het is volgens de geesteswetenschap van Rudolf Steiner een voorrecht oud te mogen worden !

Omdat we na ons 35ste jaar, terwijl we fysisch verouderen, in ons etherlichaam verjongen.. Het etherlichaam, dat ook nog vormkrachtenlichaam genoemd wordt, bewerkt de vormgeving en de groei van ons fysiek lichaam in de eerste helft van ons aards bestaan. Vanaf ons 35ste gaan we fysiek achteruit, het etherlichaam hoeft niet meer al zijn krachten af te staan. Daarom is het letterlijk waar dat, met het krijgen van rimpels in ons gelaat, ons etherlichaam opfleurt en de aura ervan rozig, blozend wordt. Het etherlichaam maakt de omgekeerde ontwikkeling door van het fysieke lichaam. Het is zo jong als een kind als we oud sterven (70-80 jaar).

Dit opbloeien en frisser worden van ons etherlichaam wordt aangenaam aangevoeld door ons astraallichaam (dat het etherlichaam doordringt).

Zo beleeft ons Ik twee aan elkaar tegengestelde processen: in de bewustzijnsziel, die het fysieke lichaam tot steun heeft, een veroudering; in de gewaarwordingsziel, die het astraallichaam tot steun heeft, een verjonging. Zodat we kunnen beamen wat zovelen vóór ons hebben gezegd als ze 50, 60 of ouder mochten worden:
" Al word ik lichamelijk oud, toch voel ik mij innerlijk zo niet !"

Dit zich goed voelen van het astraallichaam op het einde van het aardse leven, door ingebed te zijn in een jeugdig en krachtig etherlichaam, wordt ook de grondstemming van onze ziel in de volgende incarnatie. Zo slaan we de brug vanuit onze huidige ouderdom naar ons kind-zijn in ons volgend aardse leven.

Dat dit kan, daar staat de geestelijke wereldorde borg voor. Tussen dood en en nieuwe geboorte vinden we in de geestelijke regionen de gepaste en noodzakelijke voedingsbodem om de kiem, gevormd in het laatste leven te laten wortel schieten. En dit geestelijk plantje kan dan in het volgend aardse leven worden ingeplant en er gedijen tot een zich goed voelen in de eigen huid. Zo krijgen vele ouderlingen van nu de gelegenheid om in hun volgend aards bestaan zich verzoend te voelen met hun eigen fysiek bestaan en zich gevrijwaard te weten van de onrust in en de onvrede met dat fysieke lichaam dat vele medemensen hun levenlang moeten meeslepen.

Laten we zorg dragen voor onze oudjes, zelfs al zijn ze verstandelijk en lichamelijk uitgeblust ! Ze zijn even belangrijk als het kind van 0 tot 3 jaar en verdienen evenveel zorg. Want in beiden werkt krachtig dezelfde geest: in het kind van binnen naar buiten; bij de hoogbejaarde van buiten naar binnen. En geen van beide die het weet !

Ouderdom, een vruchtbaar perspectief - deel twee

In het slot van ons vorig artikel stelden we dat in het kind van 0 tot 3 jaar en in de bejaarde (ouderdom niet bepaald) krachtig dezelfde geest werkt : in het kind van binnen naar buiten, bij de hoogbejaarde van buiten naar binnen.

Het kind is als baby juist geïncarneerd. Zijn geestelijke individualiteit (IK) is boordevol met geestelijke gaven en talenten, verzameld in zijn voorgeboortelijk bestaan in de geestelijke sferen. Deze worden in het aardse bestaan uitgedrukt, tot openbaarheid gebracht, van binnen naar buiten. Dit duurt ongeveer tot het 28ste jaar. De periode van 28 tot 35 jaar is een overgangsperiode die op zichzelf staat. Vanaf het 35ste jaar keert het getij. Het verouderen begint en onze geestelijke individualiteit heeft zich ontledigd. Van dan af geeft ze niet meer uit zichzelf maar vult ze zich op met de vruchten van het uiterlijk beleefde.
De fysieke belevenissen en ervaringen worden door haar BEGRIJPEND doorschouwd vanuit het onderbewuste, dus zonder dat ons dagbewustzijn het weet. En door dit BEGRIJPEND schouwen vult ze zich opnieuw met een geestelijke voorraad aan gaven en talenten tot de stervensdag. Deze oogst van het vergeestelijkte aardeleven verwerkt ze dan in haar nieuw bestaan doorheen de geestelijke wereld ... Zo wentelen wij doorheen de eeuwigheid : van geboorte naar dood, van dood naar een nieuwe geboorte. Hoe zou, in die omloop het verouderingsproces zinloos kunnen zijn ?

Om zinvol over de ouderdom te kunnen spreken moeten we eerst weten dat we als mens een ik-IK in ons dragen,d.w.z. ons IK als onze geestelijke individualiteit, met eeuwigheidskarakter, die van incarnatie naar incarnatie gaat; en ons ik, als onze menselijke persoonlijkheid, met tijdsgebonden karakter, opgebouwd door ons herinneringsvermogen, vanaf ongeveer ons derde jaar tot de stervensdag. Ons persoonlijk ik beleven we BEWUST in ons dagbewustzijn, van de morgen tot de avond. Voor de doorsnee-mens is dit persoonlijk ik het enig reële. Tijdens het verloop van ons aardeleven schijnt het te groeien met het fysieke lichaam en geeft meer en meer de indruk eigenmachtig en bepalend op te treden. Maar hoe vreemd ook, toch is het grotendeels schijn, waarin we als mens gevangen zitten. Ons persoonlijk, menselijk opgebouwd ik is onecht en te beschouwen als een tijdelijke woonst die ons hoger IK zich op aarde verwerft. Dit lager zelf is slechts een herinneringsweefsel, in de ziel geweven uit wat we ooit in en met het fysiek lichaam gedacht, gevoeld, gedaan en gewenst hebben. Het strekt zich uit vanaf een bepaalde ouderdom (40, 50 of 60 jaar) teruglopend naar het verst verwijderde herinneringspunt in onze kindertijd, tot ongeveer tweeënhalf à drie jaar. Het schijnt reëel te zijn, doch het is slechts een BEELD, het spiegelbeeld van ons hoger Zelf. Daar het ontstaat in de spiegel van het fysieke lichaam, waar ons hoger Zelf zich in weerspiegelt, is het door zijn gebondenheid aan dit lichaam ook daarmee vergankelijk. Het persoonlijke ik kent daardoor jeugd, ouderdom, ziekte en dood, terwijl onze geestelijke individualiteit, met het resultaat van het voorbije leven, na de lichamelijke dood een nieuw bestaan aanvangt in de geestelijke wereld.

Wat gebeurt er nu van 0 tot 3 jaar ? In die periode is de werking van ons hoger, geestelijk IK het meest opvallend. Willen we niet blijven steken in het naïeve geloof dat alles vanzelf komt, dan moeten we leren erkennen dat er achter deze prestaties "iemand" staat. En ons gewone lagere ik kan het nog niet zijn. Het moet immers nog gevormd worden (zie hoger). Dus is het ons hoger IK dat, als baby met voorgeboortelijke ervaringen deze werkzaamheden ontplooit. Eerst begint het met het modelleren of kneden van onze weke hersenen. Deze ontvangen we vanuit de erfelijkheidslijn van onze ouders en voorouders, en wij zijn het zelf die deze bewerken tot ze de geschikte vorm hebben die noodzakelijk is om ons levenslot (=karma) te helpen afwerken. Van meet af aan worden de gekregen hersenen "aangepast". Determinerend is de omvang van het verstand en de mate van ontvankelijkheid die ze moeten kunnen ontwikkelen, overeenkomstig het door ons bereikte levensniveau en/of levenslot. Geen twee stellen hersenen bestaan er met dezelfde structuur omdat telkens de geestelijke individualiteit verschilt in rijpheid en bekwaamheden. Willen we daarom de buitengewone vermogens van een genie niet aangapen als een wonder, dan moeten we ze zien als een normaal uitvloeisel van zijn eigen inzet en inspanningen in vorige incarnaties.

Verder leren we ons lichaam beheersen. Eerst met het maken van aarzelende bewegingen, het leren kruipen, rechtop staan en het leren lopen. En tenslotte slagen we erin ons hoger Zelf uit te drukken in het spreken. Het lukt ons het Woord (=de Logos volgens Johannes), dat in onze geestelijke individualiteit is gelegd sedert het Oerbegin, tot klinken te brengen. We leren het diepere in ons uit te drukken in woorden en gedachten. Dit zijn de meest markante prestaties van ons hoger IK tot ons derde levensjaar ongeveer. Daarna blijft ons hoger IK nog steeds de richting van onze levensloop bepalen en beïnvloeden, maar minder opvallend.

Om nu te kunnen overgaan naar de werking van de geest in ons,(=IK) van buiten naar binnen na het 35ste levensjaar, moeten we eerst ter verduidelijking de opbouw schetsen van onze menselijke vier wezensdelen. Hun groei naar volwassenheid gebeurt in vier cycli van zeven jaar.

Van 0 tot 7 ontwikkelt zich het fysiek lichaam,
van 7 tot 14 het ether- of levenslichaam,
van 14 tot 21 het astraal- of gevoelslichaam,
van 21 tot 28 het IK, onze geestelijke wezenskern.

Deze vier levensfasen worden uiterlijk intens doorleefd door onze meegroeiende persoonlijkheid, ons menselijk ik. Tot ons 28ste zijn we volledig opgeslorpt in de stijgende levensloop naar volwassenheid. Deze eerste helft wordt BELEEFD. En de tweede helft, na ons 35ste jaar ? Die wordt BEGREPEN. En dit begrijpen groeit tot een innerlijk rijpingsproces van ons hoger IK tijdens het teruglopen vanaf ons 28ste jaar in omgekeerde richting. Het mogen ouder worden is de enige manier om inzicht te krijgen in de belevenissen van de eerste helft. Wat we toen gedacht, gevoeld en gedaan hebben, dat kan ook maar begrepen worden in fasen van zeven jaar :

Tussen 35 en 42 jaar begrijpen we wat we beleefden van het 21ste tot het 28ste jaar;
tussen 42 en 49 jaar begrijpen we wat we beleefden van het 14de tot het 21ste jaar;
tussen 49 en 56 begrijpen we wat we beleefden van het 7de tot het 14de jaar;
tussen 56 en 63 begrijpen we wat we beleefden tot het 7de jaar.
De periode van het 28ste tot het 35ste jaar wordt niet weerspiegeld, ze wordt tegelijkertijd beleefd en begrepen.

Al verloopt dit rijpingsproces van de tweede helft in het onderbewuste, toch kunnen we vertrouwen op de helderziende vermogens van Rudolf Steiner om deze geschetste levensloop als iets concreet, reëel te beschouwen. En de geestelijke inhoud waarmee ons hoger zelf zich oplaadt naar de fysieke dood toe, alleen dit verworven inzicht, deze kennis blijft met onze geestelijke individualiteit verbonden. Dit kunnen we meedragen door de poort van de dood. Het inzicht en de kennis echter, verworven in de eerste helft van het leven, blijven abstract, levensvreemd en hebben geen duurzame levenswaarde. Die moeten we achterlaten op aarde, zij verrijken ons niet blijvend.

Hiermee wil ik voorlopig besluiten. In de volgende bijdrage zullen we o.a. proberen een antwoord te geven op het volgende : kan het rijpingsproces van ons geestelijk IK ook tot uiting komen in het dagbewustzijn ? Wat is de zin van ouderdomsmoeheid en lijden ? Hoe evolueert de verhouding van ons persoonlijk ik met ons hoger IK ? ....

Ouderdom, een vruchtbaar perspectief (deel drie)

In de twee voorgaande artikelen hebben we een aantal gezichtspunten kunnen ontwikkelen, ontleend aan de spirituele menskunde van Rudolf Steiner. Hierin werd fel benadrukt hoe belangrijk de tweede helft van ons aards bestaan wel is, ondanks de geringschatting van de tegenwoordig geldende opinie. De ontwikkeling van de mens gaat voort, ook en vooral in de tweede helft van zijn fysiek bestaan. Tijdens de fysieke aftakeling verwerven we een geestelijke meerwaarde, pas dan kan er sprake zijn van een rijpingsproces; onze levensoogst wordt meegedragen door de poort van de dood heen, de geestelijke wereld in ...
We hebben gezien dat ons hoger Ik zich deze meerwaarde verwerft door een begrijpend terughouden, tijdens de tweede helft van ons aardeleven, van de beleefde levensloop van de eerste helft. Dit begrijpen van het vroeger beleefde gebeurt in zevenjarige cycli, in omgekeerde volgorde. We herhalen nog even dit verloop:

-van 0 tot 7 jaar, spiegelt zich tussen 56 tot 63 jaar
-van 7 tot 14 jaar, " " " 49 tot 56 jaar
-van 14 tot 21 jaar, " " " 42 tot 49 jaar
-van 21 tot 28 jaar, " " " 35 tot 42 jaar.

De periode van 28 tot 35 jaar wordt niet spiegelend doorschouwd. Zij is de enige die tegelijkertijd beleefd en begrepen wordt.
Samengevat kan men stellen: in de jeugd denkt de mens, in de ouderdom begrijpt hij. Moesten deze innerlijke samenhangen gemeengoed worden in ons dagelijks leven, hoe anders zou onze wereld er dan uitzien ! Het zou de mens in staat stellen zijn leven te oriënteren met meer zekerheid en doelgerichtheid. De jongere zou naar de oudere opkijken met waardering en verwachting in het besef dat hij diens begrijpende wijsheid alleen maar verwerven kan tijdens het ouder worden. En de oudere zou blijvend geboeid kijken naar de jongeren om zich heen. Met milde belangstelling zou hij proberen inzicht te krijgen in de geestelijke bagage die het kind heeft meegebracht van "gindse zijde". Met begrip en verdraagzaamheid zou hij weten hoe belangrijk het is dat deze geestelijke inhoud van de jeugd de kans krijgt zich te mogen ontwikkelen, in plaats van verstikt te worden door het opgedrongen abstract en prestatiegrericht onderwijs. Hoe zouden dergelijke inzichten de wederzijdse relaties verbeteren ! Waardering en respect zouden uiteindelijk duidelijk maken hoe zinloos het is alleen belangstelling te hebben voor geldelijk gewin. Het economisch nuttigheidsprincipe zou erdoor herleid worden tot menselijke proporties en als oudere zou men "gene zijde" niet meer moeten ingaan, beschaamd en met lege handen.

Deze algemene gegevens nu zijn de uitgangspunten die ons toelaten de ontwikkeling van de mens concreter te kunnen schetsen, van het ene aardse leven naar het daaropvolgende, over de grenzen van geboorte en dood heen. Dit kan dankzij de helderziendheid, hetschouwend vermogen van Rudolf Steiner. Hij reikt ons de imaginaties (= geestelijke beelden) aan, waardoor wij verstandelijk en gevoelsmatig inzicht krijgen in de fysieke en geestelijke wereld. Daardoor worden we vertrouwd met de werkelijkheid en/of de waarheid, nl. de onverbrekelijke samenhang van de twee: de geestelijke wereld (met zijn hiërarchische wezens) die de fysieke wereld heeft doen ontstaan, heeft voortgebracht. Zonder deze samenhang is de geopenbaarde aarde met de planeten een illusie. Dan is het zelfstandig bestaan van de fysieke wereld vergelijkbaar met de illusie als zou drijvend ijs ook op zichzelf kunnen bestaan, zonder te aanvaarden dat het een openbaring is van het water en de stoom die eraan voorafgaan.

Het 35ste jaar is een gewichtige grens. We gaan a.h.w. over een brug: de eerdere geestelijke wereld waaruit we kwamen trekt zich volledig terug en geleidelijk ontwikkelen we in ons innerlijk een nieuwe geestelijke wereld. Zoals het begrijpend schouwen van de eerste helft van het leven een feitelijk proces is dat alleszins gebeurt, merendeels onbewust (door ons hoger Ik) en deels ook bewust (voor ons persoonlijk Ik in ons dagbewustzijn), zo ook is ziekte en het vermoeid geraken op latere leeftijd een feitelijk proces. En deze ouderdomsvermoeidheid betekent voor de afronding van ons aardse leven veel, heel heel veel ! Gezien dit ook hoofdzakelijk in het onderbewustzijn van ons hoger Ik beleefd wordt, is het opnieuw het helderziend vermogen van Rudolf Steiner dat aan ziekte en vermoeid-zijn een meer omvattende betekenis kan geven dan gewoonlijk wordt aangenomen.

Benevens onze levenservaringen geraken we met het verouderen vermoeid, verbruikt en ziek. Zolang we jong zijn voelen we het binnenste van ons hoofd, de hersenen dus, alleen als we hoofdpijn hebben. Dat geldt ook voor de andere organen die door onze huid worden omsloten. Maar dit verandert met de ouderdom. Door het meer en meer vermoeid geraken worden we als oudere ook meer bewust van ons ruimtelijk binnenste. Dit bewustzijn van onze innerlijke organen groeit heel geleidelijk met het toenemen van de jaren en verloopt in ons dagbewustzijn (=ons lager Ik). Uiteindelijk wordt het een ononderbroken gewaarworden van ons fysiek lichaam door de ongemakken, het verzwakken en de gebreken van het verouderen, waardoor de vermoeidheid steeds toeneemt. Hoe geleidelijk dit opgebruikt raken ook verloopt, toch is de vermoeidheid en de daarmee gepaard gaande bewustwording van ons lichaam een reëel proces. Dit zouden we met ontstellende zekerheid ervaren, moesten we van vandaag op morgen van ons 35ste levensjaar kunnen overstappen naar ons 80ste jaar.

Onder de drempel van ons dagbewustzijn, waarin het voornoemd verouderingsproces verloopt, hebben we het onderbewustzijn waarin ons hoger Ik verblijft. En met dit uiterlijk proces doemt ook de organische opbouw van ons lichaam op in het onderbewuste. Ons hoger Ik ontvangt een fijn weten, een fijn geweven inzicht omtrent de wondermooie opbouw van onze hersenen, hart, longen, maag enz. Ons hoger Ik ontvangt een geweven wijsheidsbeeld uit de geestelijke kosmos van de grootse, majesteitelijke opbouw van ons innerlijk organisme. Ons Ik ontvangt een IMAGINATIE (=geestelijk levend beeld) van de opbouw van dit machtige kunstwerk dat het menselijk lichaam is in zijn geestelijke oorsprong. Het paradijsverhaal is daar een eerste openbaring van. Deze imaginatie is een voorblik die de mens gegund wordt vóór de dood. Na het overlijden wordt deze imaginatieve voorblik in de geestelijke werelden verder uitgewerkt. Deze werkzaamheden moet ons Ik zelf volbrengen, geholpen door de goddelijke wezens, wiens sferen hij achtereenvolgens doorloopt.

Dit verblijf van ons hoger IK (=onze geestelijke individualiteit) tussen dood en nieuwe geboorte heeft Rudolf Steiner uitgebreid geschiderd in vele voordrachten. De omvangrijkheid ervan valt buiten het bestek van dit artikel en kan best later eens meer volledig aan bod komen. Niettemin waag ik een poging om een kort beeld te schetsen van de geestelijke werelden die we moeten doorlopen en welker bestaan door velen onder ons als kinderlijke fantasie wordt afgewezen. Toch zijn deze verschillende sferen en de goddelijke hiërarchieën die hen bewonen voor de antroposofie een realiteit. Zij hebben de fysieke wereld voortgebracht als een uiterlijke OPENBARING van henzelf.

Na het afleggen van het fysiek lichaam en ether- of levenslichaam, blijft het astraal of zielelichaam* nog verenigd met ons hoger Ik. Beiden doorlopen de astrale wereld van de derde hiërarchie en herbeleven in omgekeerde volgorde het voorbije aardse leven, van de stervensdag naar de geboorte toe. Deze terugloop duurt ongeveer een derde van ons verlopen leven (voorbeeld: voor een 60-jarige zal de duurtijd zo een 20 jaar zijn). Dit verblijf wordt ook het "vagevuur" genoemd, of het "oord der begeerten". Elk aards verlangen wordt er uitgeblust omdat het astraal lichaam de fysieke organen niet meer heeft om de begeerten te bevredigen (bvb. een drankverslaafde moet tong, verhemelte en drank ontberen, zodat deze verslaafdheid uiteindelijk volledig wordt uitgewist).

Een ander interessant gegeven is het volgende: bij de terugloop van alle gebeurtenissen in achterwaartse richting doorleven we enkel de gevoelens die we onze buitenwereld hebben aangedaan, hetzij de vreugde of het leed dat we hebben veroorzaakt (bvb. wanneer we iemand een klinkende kaakslag hebben gegeven, ervaren we geenszins onze al of niet gerechtvaardigde gramschap, maar we voelen uitsluitend de pijn en de schaamte die de betrokken medemens heeft beleefd). Tegelijkertijd met de aangevoelde tekortkomingen ontstaat in ons de wens :"Dit wil en moet ik rechtzetten !"

In de astrale wereld wordt het ons duidelijk dat deze aardse tekortkomingen ons hoger Ik hebben geschonden, zijn geestelijke waardigheid hebben aangetast. Het hoger Ik vindt het dan ook pure noodzaak deze onvolkomenheden in een volgende aardse incarnatie recht te zetten, hoe moeilijk of onaangenaam dit ook moge zijn voor ons toekomstig menselijk, persoonlijk Ik. Zo wordt het op aarde gevormde karma of levenslot vrijwillig door ons hoger Zelf aanvaard en in zijn wilsbeschikking opgenomen. Deze karmische besluiten moeten we voorlopig achterlaten in deze zielewereld omdat geen enkele onvolkomenheid ons mag aankleven tijdens het verblijf in de geestelijke werelden, waar we doorheen moeten. Schijnt er geen rechtvaardigheid te bestaan op aarde, dan zijn onze astrale belevenissen toch een geruststelling. Hier worden alle aardse begeerten uitgebannen en beleven we tegelijkertijd heel intens hetgeen onze medemens van onzentwege mocht ervaren. Het morele niveau, dat we als aarde-mens hadden bereikt, bepaalt de wijze waarop ons astraal- of gevoelslichaam wordt gezuiverd en gelouterd: probleemloos, draaglijk of "brandend" moeilijk.

Pas als alle aardse bindingen uit ons zielelichaam zijn uitgewist, kan ons hoger Ik zich ervan vrijmaken om als zuiver geestelijk wezen op te gaan in de geestelijke wereld van de tweede en de eerste hiërarchie. Daar leven we dan heel lang als geest temidden van andere geestelijke wezens. We ontmoeten er de indrukwekkende goddelijke wezens van de hogere hiërarchieën en ook het niet-geïncarneerde Ik van mensen die we op aarde gekend hebben. Het zijn diegenen waarmee we een lotsverbondenheid hebben opgebouwd, zoals partner, ouders, schoonouders, kinderen en familie, vrienden en kennissen, die ons op aarde zijn voorgegaan.

En benevens nog andere taken, wordt er daar gezamenlijk hard gewerkt aan de verwezenlijking van het aardse lichaamsbeeld dat ons hoger Ik zich heeft weten te weven tijdens het verouderingsproces, dankzij de ouderdomsmoeheid en de pijn die ermee gepaard ging. De vooruitblik die we als imaginatie ontvingen vóór onze aardse dood wordt in de geestelijke werelden in al zijn geestelijke glorie verwezenlijkt. Onze aardse binnenwereld wordt hier onze buitenwereld. Onze aardse innerlijke lichamelijkheid wordt kosmisch vergroot. Hoofd, hart, longen enz. worden uitgebouwd tot een reusachtig universum. Eén aards longblaasje is daar groter en indrukwekkender dan de aardse aanblik van gans het Alpenmassief. En als we doorheen de werkingssfeer van de Zon, Mars, Jupiter en Saturnus aangekomen zijn in de sfeer van de vaste sterren, het verst verwijderd gebied, dan is het universum mens uitgegroeid tot een majestueus heelal. Dit wordt het Oerbeeld genoemd of de geestelijke "kiem"(hoe ontzaglijk verheven ook), waarvan ons volgend aards lichaam een afdruk zal zijn (benevens de erfelijkheidsfactoren, die het uiterlijk zullen meebepalen). Vanuit de sfeer van de vaste sterren beginnen we aan de terugweg doorheen de sfeer van Saturnus tot aan die van de Maan. Ons helder bewustzijn, zonder een Ik-gevoel, wordt trapsgewijze gedempt tot een droombewustzijn in het Maangebied. Tijdens deze afdaling naar een nieuwe aardse incarnatie verschrompelt ook onze reusachtige geestelijke kiem, hij rolt zich ineen en vormt zijn evenbeeld in de moederschoot bij de conceptie.

Ingekort moet nog vermeld worden dat tijdens de afdaling naar een nieuwe incarnatie we ons Ik terugkrijgen, dat eerder was opgegaan in (of samengesmolten met) de goddelijke wezens. Ons Ik trekt bij zijn afdaling doorheen de astrale wereld zijn ziele- of gevoelslichaam aan, neemt ook zijn karma op en verweeft dit in zijn etherlichaam, waardoor de mens een vooruitblik krijgt van het aanstaande leven. En dit alles verenigt zich ongeveer in de derde week van de bevruchting met de lichamelijke kiem, die door de geestelijke kiem werd gevormd uit het samenkomen van eicel en zaadcel van moeder en vader ...

Graag had ik nog wat nader de verhouding uitgewerkt tussen ons persoonlijk Ik en ons hoger Ik en hoe we er ooit zullen in slagen om ons hoger Ik uit de diepten van het onderbewuste te verheffen tot ons dagbewustzijn (ons persoonlijk Ik). Maar omdat de tijd daarvoor ontbreekt verschuif ik dat naar later.

Teneinde echter de doelgerichtheid van de achtereenvolgende aardse incarnaties te begrijpen, alleen dit nog: de verpersoonlijking of individualisatie van ons geestelijk Ik kan alleen maar volledig slagen in een fysiek lichaam. Mede met de Christuskracht zullen we dat ooit bereiken in een verre toekomst. Uit het voorafgaande blijkt dat we in de geestelijke werelden wel een helder bewustzijn kunnen behouden, maar er ons Ik-gevoel nog verliezen tussen de hoge goddelijke wezens. Daar voelen we ons als een lid van het kosmisch geheel, gelijk een hand zich hier voelt t.o.v. het gehele lichaam; dus zonder zelfstandigheid of eigen, vrije wil. Maar door het steeds opnieuw incarneren op aarde in een fysiek lichaam in een fysieke buitenwereld, moet mettertijd door de herhaalde inwerkingen of afstralingen van ons lichamelijk, persoonlijk IK op ons hoger Ik, dit laatste erin slagen zich zo sterk te individualiseren dat het de confrontatie met de geestelijke wereld en wezens aankan, zonder zijn Ik-gevoel nog te verliezen.
Dan zal het een versmelten zijn van ons Ik met de hoogste godheid (= Christus), zonder verlies van ons Zelf, maar met een gelukzalige verruiming ervan !

*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*

.

Over reïncarnatie

Eén van de argumenten die de mensen het meest gebruiken om de onmogelijkheid van wedergeboorte (reïncarnatie) te bewijzen, is het volgende: "De bevolking op de wereld neemt altijd toe. Als reïncarnatie bestaat dan is zoiets toch onmogelijk ? Dan moet er toch altijd hetzelfde aantal mensen zijn ? Er kunnen er toch niet méér terugkomen dan er geweest zijn ?

Wat Rudolf Steiner daarop te antwoorden heeft is o.m. terug te vinden in de voordracht van 30 mei 1923 ( in deel 4 van de zgn. arbeidersvoordrachten).

[...]

"Men moet met verschillende zaken rekening houden. Ten eerste, de statistieken die men bijhoudt, worden altijd maar gemaakt in bepaalde gebieden waar de bevolking juist sterk toeneemt, en daardoor ontstaat de indruk alsof de bevolking op aarde altijd toeneemt, alsof bvb. drie, vierduizend jaar geleden zeer weinig mensen op de aarde waren en nu ontzaglijk veel.

Men rekent zo terug: in Europa is de bevolking tijdens de laatste 150 jaar verdubbeld, men rekent terug en dan komt men natuurlijk op een zeer klein aantal uit.

Maar dit is in tegenspraak met feiten die algemeen bekend zijn. Ik maak u slechts attent op het volgende: als wij teruggaan tot ongeveer 2000 jaar vóór Christus, dan zijn in de Nijlvallei reusachtige piramides gebouwd, de Nijlstroom werd geregulariseerd. Als u eens bedenkt welke mensenmassa's daartoe nodig waren, om deze reuzebouwwerken uit te voeren, dan ziet u in: het is onjuist dat Egypte toen dunbevolkt was, de bevolkingsdichtheid was daar groter dan nu in Saksen of België. " [...]

***Opmerking 1 van de vertaler***
De mensen uit de streek van Boubastis vertelden aan de Griekse geschiedenisschrijver Herodotos dat ter gelegenheid van het Artemisfeest ongeveer 700.000 man afzakte naar die stad (mannen en vrouwen, maar geen kinderen). Iets verder( II,158) lezen we bij dezelfde Herodotos dat bij de aanleg van een kanaal van de Nijl naar de Rode Zee 120.000 Egyptenaren omkwamen. Hoeveel hebben er dan niet aan gewerkt ?

" Verder, in Azië, hebben we het oude Chaldeïsche land. U weet dat in de Bijbel gezegd wordt dat Abraham uit Ur in Chaldea kwam. Toen bestond dat land, en in dat land werden in lang vervlogen tijden- maar men kan de resten nog altijd zien- reusachtige kanalisatiewerken uitgevoerd. Ook daarvoor waren ontzaglijke mensenmassa's nodig. "[...]

***Opmerking 2 van de vertaler***
Toen de Perzen Babylon veroverden, was dit een stad in de vorm van een vierkant met een zijde van 22 km, omringd door een muur van 25 m breed en 100 m hoog; deze muur was één van de 7 wereldwonderen (Her.I,178). Ook Aristoteles vermeldt dat Babylon meer een staat dan een stad was.
Dezelfde Perzen trokken onder Xerxes op tegen de Grieken met een landleger van 1.700.000 man (de bemanningen van de 3000 vracht- en oorlogsschepen dus niét meegerekend). Ze werden eerder nauwkeurig geteld; Her.VIII,60:" Ze brachten op één plek 10.000 man samen en nadat ze die zoveel mogelijk op elkaar hadden gedrongen, beschreven ze van buiten een cirkel eromheen en na dat gedaan en de 10.000 weggestuurd te hebben plaatsten ze langs die cirkel een haag, die zo hoog was als de navel van een man. Vervolgens brachten ze een nieuwe groep binnen die omheining, totdat op deze wijze allen geteld waren."

" U moet ook bedenken: de Europeanen zijn naar Amerika gegaan en hebben zich daar gevestigd. Maar Amerika was niet leeg op dat ogenblik. Die oude Indianenbevolking is nu zo goed als uitgestorven. Een immens deel van die bevolking hebben de Europeanen zelfs niet eens gezien.

Dat is dus eenvoudigweg iets dat niet klopt, dat er vroeger veel minder mensen op aarde waren. Zelfs over de huidige wereldbevolking zijn er geen precieze gegevens, men heeft slechts informatie over een bepaald gebied. Wat weet vandaag de dag een Europees statisticus hoe het met de Chinese bevolking staat, nu en duizend jaar geleden ?

Wat reizigers van vroeger vertellen wijst er eerder op dat de bevolking in het verleden niet kleiner was, zoals men aanneemt, maar dat er integendeel tijden waren dat de aarde sterk bevolkt was. Vanzelfsprekend zijn er ook tijden geweest waar bepaalde streken dunner bevolkt waren, maar we zullen onmiddellijk zien dat dat niets bijzonders is.

Ziet u, als men de huidige mens bekijkt, dan stelt men vast dat de ene tussen zijn dood en een nieuwe geboorte 1000 jaar, de andere misschien slechts 500 jaar in de geestelijke wereld leefde, voor hij weer terug kwam. Zodat de mensen die nu leven niet noodzakelijk hun vorig leven tegelijkertijd geleefd hebben. " [...]

***Opmerking 3 van de vertaler***

Het verloop in de tijd van de incarnaties van 3 verschillende personen ziet er bvb. zó uit:

Van deze drie personen waren er in 300 n.Chr. slechts 2 op de aarde, in het jaar 1600 zelfs maar 1, in het jaar 1900 waren ze er alledrie.
Maken we deze getallen 1 miljard x groter, dan zien we van 1600 tot 1900 de wereldbevolking stijgen van één naar drie miljard. Als men nu juist in die periode statistieken bijhoudt, dan zou men kunnen aannemen dat die trend ook vóór het jaar 1600 bestond. Dat is geen juiste aanname, zoals we zien uit het schema.
Volgens Steiner vertoont de wereldbevolking noch een lineaire, noch een exponentiële groei, maar kent zij een cyclisch verloop.

Alles heeft ermee te maken dat de ene mens tussen dood en een nieuwe geboorte langer in de geestelijke wereld verblijft als de ander. Hoe komt dat ?

Steiner legt uit: [...]

" De ene heeft zich hier op aarde veel bezig gehouden met de geestelijke wereld, hij past zich gemakkelijker in in de geestelijke wereld na zijn dood. Hij heeft dan veel tijd nodig tussen dood en nieuwe geboorte. U bent verrast omdat ik zeg dat hij veel tijd nodig heeft, maar toch is het zo: mensen die zich hier veel met de geestelijke wereld hebben bezig gehouden, kunnen zich daar ook beter ontwikkelen, ze blijven er langer en keren slechts na lange tijd terug. Daarentegen iemand die zich alleen met de materiële wereld heeft ingelaten, die komt relatief spoedig weer terug. En zo verschuiven de zaken. " [...]


*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*

.

Jurassic Park

Waar is de tijd dat de goei altijd wonnen ? Jong en oud kwam met een opgelucht gevoel uit de cinema: het recht had gezegevierd ! Tegenwoordig is dat anders. Vele films laten een slecht gevoel na, maken moedeloos."Jurassic Park" van Steven Spielberg is ook zo'n film. Het is eigenlijk geen film voor kinderen. Dat moet men besluiten na het lezen van het artikel van Felicitas Vogt, dat verscheen in "Erziehungskunst" (een Duits tijdschrift over Steinerpedagogie) van oktober ll. We vertaalden het grootste deel:


[...]" Waarop berust de schrik die vele kinderen zo sterk bevangt dat men berichten hoort van slaapstoornissen, paniekerige angsttoestanden tot krampaanvallen toe na het bioscoopbezoek ?
Verplaatsen we ons eens in een kindergemoed dat sinds vele maanden overspoeld wordt door afbeeldingen van dinosaurussen. Wie kent niet die kinderkamers waar boeken, schriften, boekentassen met sauriër-figuurtjes de ganse atmosfeer bepalen ?
Gespannen gaat dit kind binnen in het Jura-park, waar het de twee kinderen in de film graag begeleidt. Met deze beide zal ieder kind zich willen identificeren, zonder dat het zich evenwel, zoals de volwassene, met een innerlijk oordeel kan teweer stellen tegen de horrorbeelden.
Met de twee kinderen worden ze achtervolgd door de moordlustige reuzesauriërs, geraken samen met hen in paniek, beleven de doodsangst mee, die ze op de gezichtjes van die kinderen kunnen aflezen. Het nerveuze lachen in de zaal bij 't zien van de spartelende benen van de man die door een sauriër opgevreten wordt, klinkt niet bevrijdend maar verkrampt. Ze voelen zich aangetrokken door het zacht spinnende geluid van een ogenschijnlijk kleine sauriër, die om wat vriendschap bedelt: de schrik is des te groter als dit diertje zich plotseling opblaast en zijn verlammend speeksel in het gezicht van de argeloze mens spuwt. Als deze hulpeloze dan in de reddende auto tuimelt, haalt de kinderziel opgelucht adem, om direct daarop nog dieper te verstarren als het monster de voorruit verbrijzelt en- nu als reusachtig ondier- twee vleermuisvleugels openklapt en krijsend naar de weerloze grijpt. Kreten van moordlust en doodsgehuil van het slachtoffer zijn niet te onderscheiden... Tenslotte kunnen de kinderen met enkele volwassenen uit de hel van het losgeslagen boze vluchten: niet de mens heeft gewonnen, niet zijn hoogontwikkelde techniek en computerkunde maar het losgelaten kwaad.

Waarop berust nu de fascinatie van deze film die massa's kinderen, dikwijls ver onder de 12 jaar- de veelbesproken leeftijdsgrens- in de bioscoop lokt ?
Onder de meest verschillende vormen en gedaanten werken deze oerdieren sinds enkele jaren op de kinderfantasie. De aantrekkingskracht van het ongewone, het reusachtige, mag daarbij een rol spelen, maar toch ook een soort groepsdwang: iederéén vindt dinosaurussen goed...
Maar waarom hebben juist deze dieren uit het oerverleden zich een vaste plaats in de kinderziel veroverd ? Beleven de kinderen hier hun eigen dierheid, die we meer en meer herkennen aan een gedrag dat vlugger tot geweld en brutaliteit neigt ? Zijn het onze innerlijke angsten die ons dreigen te verslinden en naar buiten geprojecteerd worden ?
Als deze interpretatie juist zou zijn, dan moeten we de vraag stellen welke werking deze projectie heeft. Helpt het leven mét de sauriërs( op kledingstukken, schrijfgerief, als troeteldier, op tentoonstellingen) om positiever om te gaan met de innerlijke nood, of bevestigt het deze noodtoestand en laat hem beleven als normaal, aanvaardbaar, onveranderlijk- aangezien door iedereen hooggeschat-, tastbaar, zelfs om te koesteren.

Nog veel verder reikt de werking van de film. Hier gaat het nog nauwelijks om het aanraken en vertroetelen van de reële monsters. Hier gaat het uiteindelijk voor de toeschouwer om de vraag wanneer en hoe de mensen door de sauriërs zullen verslonden worden. Redding is nagenoeg onmogelijk. Alle veiligheidsmaatregelen, hoe vernuftig ook door de mensen uitgedacht, falen. De beesten overwinnen. De triomftocht begint aan het einde van de film en zal zich uitbreiden over gans de aardbol. Met deze ziele-inhoud wordt de toeschouwer terug naar buiten gestuurd: fascinatie door de schrik, angst, totale chaos en ondergang van al het menselijke, overweldigd door de macht van de apokalyptische monsters.

Wij, ouders en leerkrachten, hebben de opdracht om klaar in te zien hoe deze film op kinderen werkt en hoe we zijn werking kunnen afbouwen als het bioscoopbezoek niet meer te vermijden is.
Want de doelgroep van de film zijn de kinderen die reeds jaren met de sauriërs vertrouwd zijn en voor wie ze een deel van hun kinderwereld geworden zijn. We moeten niet alleen de schrik die ze meegemaakt hebben, de angst die ze geleden hebben, afbouwen, het gaat om meer, nl. om de verlossing van de kinderziel uit de schijnwerkelijkheid, waar ze door de film aan gekluisterd zit: de wereld is slecht, de toekomst is bedreigend, vernietigend, de mens is machteloos overgeleverd,- er is geen hoop.
De film toont slechts een deel van de werkelijkheid: de duistere, slechte kant, en maakt daar de ganse werkelijkheid van. Hier ligt het eigenlijke en grootste gevaar voor de kinderen, die zich immers niet zelf uit die schijnwerkelijkheid kunnen losmaken. Gevaarlijke kiemen van wanhoop en resignatie worden in de kinderziel gelegd. En bij de puber, die in onze moderne tijd deze gevoelens reeds ten overvloede koestert, worden ze nog versterkt.
Eén kant van de menselijke werkelijkheid wordt verzwegen- die bestaat niet in de film: de mens als een wezen tussen goed en kwaad, die worstelt om zijn innerlijk evenwicht, de mens die zich biddend en strevend tot de goede machten wendt, die hem ver boven zijn kracht en mogelijkheden laten uitgroeien, de mens als iemand die gewapend is voor de ontmoeting met het kwade, die het kwade kent en overwint, die het in zichzelf en in de wereld omvormt.
Deze kant wordt verzwegen. Deed Spielberg dit opzettelijk? Heeft men, nu het einde van deze eeuw nadert, mensen nodig die verlamd zijn door resignatie en wanhoop? Moeten hier mensen voorbereid worden die door de knoet van angst en schrik tot willoze werktuigen kunnen worden? Om 't even welke reden erachter steekt, voor ons ligt de doorslaggevende eerste hulp daarin om deze uitwerking te doorzien. Zo geeft ook deze film ons terug eens aan tot waar ons domein voor een verantwoorde opvoeding reikt:
we moeten het goede, hoopgevende meer en meer beleefbaar maken voor onze kinderen. We moeten een omgeving creëren waar opvoeding een beschermend gebaar is zodat al wat het kind niet kan verwerken in een atmosfeer van geborgenheid en zekerheid kan opgevangen worden.
In de toekomst zal er veel van afhangen of onze kinderen te vroeg de confrontatie met het kwaad moeten meemaken, te vroeg de ongeborgenheid beleven of integendeel volwassenen zien die zich met de krachten van het goede willen identificeren. Alleen zo worden zij gewapend tot de strijd met het boze.
Volwassenen kunnen dit bewerkstelligen: kinderen hebben in hun jeugd het recht om beschermd te worden tegen dit boze. Zo wordt een pedagogisch verantwoord "neen" tegen de film "Jurassic Park" door kinderen als een bescherming beleefd die ze kunnen aanvaarden. Als de ouders zich dan nog bewust maken: geen verbod zonder een aanbod, dan ervaren de kinderen de warmte en interesse die hun toestroomt intenser dan de sauriër-gruwelscenario's. "

De kinderen die naar de Steinerschool gaan vechten al sinds de oprichting van de eerste school in 1919 ieder jaar tegen dergelijke monsters, nl. tijdens het Michaëlfeest. Met dit verschil dat daar de machten van het goede (die we traditiegetrouw Michaël of Sint Joris noemen) altijd overwinnen, net zoals het in de werkelijkheid gebeurt.
Of gebeurt het zo niet in de werkelijkheid ?
Het antwoord dat U op deze vraag geeft verraadt in hoeverre U reeds in de ban van de sauriërs gekomen bent !

*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*

.

Steinerpedagogie

Toen in 1978 een nieuwe druk verscheen van het leerplan van de vrije Waldorfschool (zoals de Steinerschool in Duitsland genoemd wordt), schreef Helmut von Kügelchen het volgende voorwoord:

" De richtlijnen en voorstellen voor een leerplan, die Rudolf Steiner vanuit zijn menskundig onderzoek gaf, werden door Caroline von Heydebrand verzameld en samengebracht met de ervaringen en resultaten van de leerkrachten die nog onder Steiners aanwijzingen in de eerste Waldorfschool gewerkt hebben. Het boekje "Over het leerplan van de vrije Waldorfschool" vervulde daarmee een dubbele opdracht, die vandaag even stimulerend en actueel is als ten tijde van het ontstaan van dit - verkeerdelijk "leerplan" genoemde- schriftje :
1. Aan de hand van voorbeelden wordt duidelijk gemaakt hoe de leerstof van het schoolonderricht "zielevoedsel" kan worden, d.i. hoe vanuit het inzicht in de ontwikkelingstrappen van het kind en de jongeling door gepaste leerstofkeuze niet alleen kennisoverdracht opgebouwd kan worden, maar hoe door onderwijs een opvoedingswerk kan geschieden.
2. De samenstelling van dit ontwerp zou moeten duidelijk maken hoe een kunstzinnig geheel inspeelt op de ontwikkeling van het kind dat men tot levenskracht voor de toekomstige opgaven van zijn tijd moet brengen, een kunstzinnig geheel, waarin de afzonderlijke vakken als instrumenten van een orkest tot een samenspel gebracht worden.

Toen Rudolf Steiner zijn pedagogie begon vorm te geven liet hij nooit na om de leerkracht aan te sporen te werken als een vrij-scheppend productief kunstenaar, die zijn onderwijs tot "opvoedkunst" brengt. Dat kan slechts tegenover het levende kind, binnen de gegeven klas- en schoolgemeenschap, en alleen vanuit de maatschappelijke, culturele, nationale zowel als geografische gegevens uit het heden en de nabije toekomst van deze schoolgemeenschap.

Ouders, kinderen, lerarencollege, tendenzen en symptomen in een steeds wisselende sociale structuur zijn bepalende realiteiten waaruit zich een levendig leerplan van een individuele schoolgemeenschap ontwikkelt. Critici hebben in dit boek gezocht wat noch bij het neerschrijven bedoeld was noch vandaag daarin te vinden is: een vastgelegd programma, dat van klas tot klas bepaalt, wat er moet gezien worden in een "echte" Steinerschool.

Een "echte" Steinerschool bestaat gewoon niet. Indien een Steinerschool in een industriegebied, in een universiteitsstad, als internaatsschool in Engeland, als tweetalige school in Zuid-Amerika, als ze in New-York of in een klein stadje in Zuid-Duitsland hetzelfde programma zou afwerken, dan zou ze niet meer de pionier zijn van een pedagogie die het moet hebben van voortdurende ontwikkeling.

In iedere situatie- hoe verschillend ook- moet een groep leraren worstelen om de vakgebieden van het onderwijs te verenigen tot een opvoedkundige samenklank, en om leerstofkeuze en onderwijsmethode vanuit de concrete leraar-leerling relatie zó te ontwikkelen, dat de jonge mensen zich met initiatief en levenskracht voor de opgaven van hun omgeving kunnen inzetten.

Voor een dergelijke creatieve pedagogische arbeid geeft "Over het leerplan van de vrije Waldorfschool" vandaag even goed als 50 jaar geleden doorslaggevende aansporingen. Op basis van nationale of sociale realiteiten zou zou men vandaag veel kunnen vervolledigen, veranderen, uitbouwen. Dat vermindert de charme en de betekenis van dit boekje niet. Zijn onmiskenbare waarde ligt daarin, dat het toont hoe vragen die uit de ontwikkelingstoestand van het kind komen, kunnen beantwoord worden door leerstof en methode.

Het is meer dan een historisch document, het is een kunstwerk dat de leraar aanmoedigt om vanuit zijn productiviteit en initiatiefkracht zijn opvoedkunst te ontwikkelen aan het "levendige leerplan", nl. aan de kinderen die vóór hem zitten, en in wie zovele mensenraadsels en tijdsvragen verborgen zitten. In deze zin is het levend en actueel. Daarom is het gerechtvaardigd een leerplan uit de jaren twintig, vandaag, bijna onveranderd, voor de laatste jaren van onze eeuw opnieuw uit te geven. " [...]

*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*

.

Over ongeborenheid en onsterfelijkheid

door Jan Vermeir

Eén van de grote levensvragen is of de menselijke ziel al dan niet onsterfelijk is. In een ver verleden werd deze vraag helemaal niet gesteld, omdat onsterfelijkheid toen vanzelfsprekend was. De mens had toen namelijk een weliswaar intuïtieve, maar directe aanschouwing van een bovenzinnelijke wereld; hij beschouwde deze wereld als zijn geestelijk thuis want hij wist dat hij vóór zijn geboorte daar had geleefd, en dat hij er na zijn dood zou terugkeren. Zijn herinnering ging tot in zijn voorgeboortelijk bestaan, en had men de mens kunnen vragen: wat is goed en wat is slecht, dan zou hij geantwoord hebben: goed is dát, wat de goden willen, en slecht is dát wat de goden niet willen; dat weet ik uit mijn voorgeboortelijk bestaan, toen ik nog onder hen was.

Dit bovenzinnelijk weten is nu verdwenen, maar nog niet zo lang geleden, zo'n duizend jaar vóór Christus, bespeurde men van dit weten nog iets in het onderbewuste; men voelde aan dat men vergeten was wat men geweten had. Voor het eerst duikt dan het woord "geweten" op, voordien bestond het niet.

Later kwam de Kerk en veranderde het geweten.De Kerk stuurde namelijk predikanten uit die de mensen voorhielden:" Wij weten wat de wil van God is, de gewone mensen weten dat niet, maar wij zullen zeggen wat jullie moeten doen om in het Rijk van God te komen"

En de Kerk maakte voorschriften en hield concilies waar de kerkelijke leerstellingen, de dogma's, bepaald werden.

Nu waren er toch nog altijd mensen die nog iets wisten over een voorgeboortelijk leven, en daarom werd tijdens het concilie van Constantinopel in 543 een dogma uitgevaardigd, waardoor het verboden werd te geloven in een leven vóór de geboorte. Het geloof hieraan wordt als "monsterachtig" omschreven- zo staat het letterlijk in de Latijnse tekst. Aansluitend hierbij bepaalde dit dogma dat de ziel samen met het lichaam geboren wordt en dat zij eeuwig blijft voortbestaan.

Dit dogma is geen christelijke, maar een kerkelijke leer; eigenlijk is het zelfs een aristotelische leer, omdat reeds in de vierde eeuw v.C. de Griekse wijsgeer Aristoteles deze stelling over het ontstaan en de onsterfelijkheid van de ziel naar voor had gebracht.

Wat de Kerk toen bepaald heeft, komt de mens van nu goed uit. Want over een voorgeboortelijk leven weet hij niets meer. Als het al bestaan heeft, zo denkt de mens, dan is het verleden tijd, het interesseert hem niet meer. Wat hem wel interesseert is de onsterfelijkheid. De mens kan de gedachte niet verdragen dat hij zou ten gronde gaan. Vanuit een innerlijk ziele-egoïsme wenst hij te blijven voortbestaan. De Kerk heeft daar op ingespeeld en door in haar leer de onsterfelijkheid centraal te stellen heeft zij toegang gekregen tot het menselijk geloof.

Volgens de kerkelijke leer wordt dus de ziel geboren op het ogenblik van het fysieke ontstaan van de mens en blijft zij vanaf dan oneindig verder leven.Kan echter ooit geboren zijn wat niet kan sterven ? Onsterfelijkheid houdt in: een oneindig, eeuwigdurend bestaan; oneindigheid strekt zich echter niet alleen uit in de toekomst, maar ook in het verleden.

Men mag de begrippen 'ontstaan-vergaan' en 'ongeborenheid-onsterfelijkheid' niet met elkaar verwarren. Als de ziel onsterfelijk is, is ze nooit geboren, dan heeft ze altijd bestaan en dan zal ze altijd blijven bestaan. Neemt men aan dat de ziel er altijd geweest is, dan is ook de gedachte aan wedergeboorte niet veraf. Want waarom zou de ziel een eeuwigheid wachten vooraleer één aardeleven te volbrengen ? En waarom zou zij zich- vermits het éénmaal mogelijk geweest is- geen twee en meerdere malen met een aardeleven verbinden, om zich steeds verder en verder te ontplooien ?

De ziel streeft naar ontwikkeling om bij haar vervolmaking over te gaan in een hogere levensvorm; deze ontwikkeling moet zij op aarde doormaken (zoniet zou het zinloos zijn dat er mensen op de aarde rondlopen). Indien de ziel genoeg zou hebben aan één aardeleven om haar vervolmaking te bereiken, dan zou elke mens perfect zijn op het einde van zijn leven.
Nu, zo is het niet, en daarom keert de ziel telkens opnieuw naar de aarde terug. Het karma, het levenslot van de mens hangt nauw samen met de ontwikkeling van de ziel. Een verklaring voor het levenslot wordt doorgaans gezocht buiten de mens: in het toeval, of in een natuurlijke selectie, of in de wil van God. Is het niet juister wanneer de oorzaak van de lotsbestemming gezocht wordt waar het lot zijn uitwerking heeft, nl. bij de mens zelf, niet in zijn huidig leven, maar vóór de geboorte ?

In het leven vóór de nieuwe geboorte beschouwt de ziel hoe zij zich op de beste manier kan verder ontwikkelen. In functie daarvan bepaalt zij in welke omstandigheden haar toekomstig aardeleven zal verlopen, en zij zal er niet voor terugschrikken de smartelijkste omstandigheden in het volgend leven in te bouwen, wanneer zij dit noodzakelijk acht voor haar ontplooiing.

Zo bepaalt de ziel het toekomstig levenslot.

Dit plan, dit levenslot dringt niet door tot ons bewustzijn; in de huidige fase van de wereldontwikkeling zou het leven ondraaglijk zijn indien de mens zijn lotsbestemming zou kennen.

*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*

.

Hoe herkent men antroposofen ?

Heinz Müller vertelt in zijn boek "Spuren auf dem weg" (p. 37) de volgende anekdote:
( Hij was toen deelnemer aan een spraakcursus).

" Tot mijn grote vreugde werd ik door Rudolf Steiner uitgenodigd om hem op een namiddag in het atelier te bezoeken. Vóór het zover was deed er zich een merkwaardige gebeurtenis voor.

Zoals iedere voormiddag begroette Rudolf Steiner alle deelnemers aan de spraakcursus door hen ieder afzonderlijk een hand te geven, en rond half één nam hij op dezelfde manier afscheid.

Zoals gewoonlijk ging ik die dag bij het begin van de middagpauze aan het Goetheanum voorbij om de post af te halen. Toen ik terug kwam ontmoette ik Rudolf Steiner die juist naar het atelier ging. Ik wilde voorbijlopen al groetend, maar de Doktor- zoals men hem toentertijd dikwijls noemde- reikte mij onmiddellijk weer de hand. Hetzelfde gebeurde toen ik na het middageten terug naar boven ging naar een klein archief waar ik onuitgegeven voordrachten mocht lezen. Ik kwam Rudolf Steiner tegen en opnieuw reikte hij mij de hand.

Na enkele uren ging ik de heuvel naar beneden, voorbij het glashuis; aan de andere kant van de weg kwam Rudolf Steiner de heuvel opgegaan. Ik wilde, met een groet natuurlijk, aan hem voorbijgaan, maar hij kwam naar mijn kant en reikte mij voor de vijfde maal de hand. Daarbij merkte hij glimlachend op :

" U zult het niet geloven, maar ik weet wel dat wij mekaar reeds voor de vijfde keer de hand reiken.- U was er gisteren toch bij, bij de rondleiding in het Goetheanum, en U hebt gehoord dat een buitenlandse architect zich afvroeg waarom wij de ingang zo gebouwd hebben dat diegenen die binnenkomen en hun kleren willen weghangen, opbotsen tegen diegenen die de vestiaire al verlaten. Normaal gezien vermijdt men zulke tegenbewegingen. Ja, ziet U, onder antroposofen moet dat anders zijn. Die moet men gelegenheid geven om mekaar zo vaak mogelijk te ontmoeten. Daarom zijn bij ons ook de trappen zo, dat zij die boven aankomen, van twee kanten op mekaar toelopen. De ene groep gaat al wat trager dan de andere, en zo hebben terug andere mensen de gelegenheid om elkaar te begroeten."
Glimlachend voegde hij eraan toe:" Antroposofen moeten nu eenmaal elkaar veel begroeten ! ", en als afscheid reikte hij mij opnieuw de hand...

Terug naar de anecdotes.

*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
Terug naar de inhoudstafel .