De Brug 22 van december 1998


Uit het leven van Jezus


In hetzelfde jaar dat Rudolf Steiner stierf, overleed ook de Nederlandse dichter Jan Hendrik Leopold. Hij was vier jaar jonger dan Rudolf Steiner. Het is ons niet bekend of ze ooit van mekaars bestaan af geweten hebben. Beiden hebben op hun eigen manier het bestaan van een mooie Oosterse legende onder de aandacht van de Westerse mens gebracht. Die kan er, vooral in onze tijd iets heel belangrijk uit leren.

We beginnen met het gedicht van J.H. Leopold. Jongere lezers, die in de school nooit het vak Gewijde Geschiedenis hebben gehad, zullen misschien wat moeite hebben met de laatste regel van de tweede strofe ...

Jezus, die door de wereld ging,
was in een landstad aangekomen
en had zijn ongemerkten weg
over het marktplein heen genomen

En zag een hond stroef als een wolf,
plat op de stenen, onbewogen,
wiens leven heengeweken was,
wiens Jozef uit de put getogen.

En om het kreng verrot en vocht
stonden de mensen stil en keken
en waren bits: een gierenzwerm,
die op een aas is neergestreken.

En een: de walg van dit gezicht
benevelt en verwart het hoofd
met troebelingen als een kaars
roetwalmend door de wind gedoofd.

Een ander: van dit gistend vod
en vuil het enigste gewin
is duisternissen voor het oog
en schrik en afschuw voor de zin.

Zo zong een ieder daar zijn lied
maar allen in denzelfden toon
en overstelpten met verwijt
en spraken bitterheid en hoon.

Jezus zag naar het liggend dier
en sprak en zeide enkel dit
en was beschamend rondom:
de tanden zijn als paarlen wit.

Uit: "Anweisungen für eine esoterische Schulung", vroeger GA 245, ook in 't Nederlands vertaald, nu opgenomen in GA 276.
Het gaat over de zgn. "Nebenübungen", oefeningen die men moet verrichten naast de gewone meditaties.


" In de vierde maand moet men er een nieuwe oefening bijnemen, de zogenaamde positiviteit. Die bestaat erin om in alle ervaringen, wezens en dingen steeds het goede, voortreffelijke, schone enz. op te zoeken. We kunnen deze ziele-eigenschap het best illustreren door een Perzische legende over de Christus Jezus.

Toen deze laatste eens met zijn discipelen op weg was, zagen ze aan de rand van de weg een dode hond liggen die al in staat van ontbinding verkeerde. Alle volgelingen keerden zich af van die walgelijke aanblik, alleen de Christus Jezus bleef staan, keek beschouwend naar het kadaver en sprak: "Wat voor wondermooie tanden heeft het dier !"

Waar de anderen slechts het lelijke, onsympathieke gezien hadden, zocht hij het schone. Zo ook moet de esoterische leerling ernaar streven om in elk fenomeen en in elk wesen het positieve te zoeken. Hij zal al vlug bemerken dat onder de bolster van het lelijke een verborgen schoonheid schuilt, dat zelfs in de huid van een misdadiger een verborgen goed zit, dat in een waanzinnige ergens de goddelijke ziel verborgen is. Deze oefening hangt enigszins samen met wat men het zich-onthouden-van-kritiek noemt. Men moet dit niet opvatten alsof men nu zwart wit en wit zwart moet noemen. Maar er is een verschil tussen een beoordeling vanuit de eigen persoonlijkheid, vanuit wat men zelf sympathiek of antipathiek vindt, en een standpunt dat zich liefdevol in het vreemde element inleeft en altijd de vraag stelt: hoe komt die andere ertoe om zus of zo te zijn of te handelen ? Dit laatste standpunt neigt er vanzelf toe om meer en meer het onvolkomene te helpen in plaats van alleen maar te verwijten en kritiek te spuien.

De tegenwerping dat de levensomstandigheden van vele mensen verlangen dat ze nu eenmaal terechtwijzen en kritikeren, kan hier niet aanvaard worden. Want als de levensomstandigheden inderdaad dusdanig zijn, dan kan de betrokkene geen juiste occulte scholing doormaken. Er zijn zeer vele levensomstandigheden die een doorgedreven occulte scholing onmogelijk maken*.
In dat geval moet de mens niet ongeduldig verlangen om spijts alles vorderingen te maken die nu eenmaal slechts onder welbepaalde voorwaarden kunnen gemaakt worden.

[ ... ]



Terug naar de gedichten

*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*

.

De zoete verslaving - suiker

Enkele jaren geleden verscheen in het tijdschrift "Die Drei" een artikel van Dr. Otto Wolff. Het is zeer interessant, niet alleen omdat we er zoveel over het wezen van suikers kunnen uit leren, maar ook omdat het onderscheid tussen Ik-organisatie en Ik duidelijk gemaakt wordt.


De laatste jaren wordt suiker meer en meer beschouwd als de oorzaak van verschillende ziektes. Voordien schonk men er niet veel aandacht aan, alleen suikerzieken moesten het gebruik vermijden omdat ze suiker niet goed kunnen verwerken en voor de rest was suiker slecht voor de tanden. Nu blijkt echter dat suiker een pathogene factor is, d.w.z. dat hij nagenoeg alle ziektes kan veroorzaken of verergeren. Daarbij schijnt hij nog de oorzaak van levensmiddelallergieën en stofwisselingsstoornissen te zijn.

Omdat er op geen enkel gebied zoveel emoties en fanatismen heersen als op het gebied van voeding gaan we proberen op het spoor te komen van het wezensbeeld van deze substantie.

Onder suiker in de gewone betekenis verstaan we de gezuiverde zoete substantie uit suikerbieten of suikerriet. De scheikundige duidt deze substantie aan als saccharose -een disaccharide, dus een verbinding van glucose en fructose. Chemisch gezien zijn suikers zeswaardige alcoholen waarvan er een groot aantal bestaan en die zeer verschillend smaken. Zo is bvb. vruchtensuiker (fructose) driemaal zoeter dan glucose (druivensuiker). Melksuiker, een verbinding van glucose en galactose, smaakt weinig zoet. Dan zijn er nog verschillende stoffen die chemisch gezien suikers zijn maar die voor de mens niet zoet smaken.

Zoals de naam het al zegt vindt men melksuiker alleen in melk, vruchtensuiker vooral in vruchten, maar ook in de nectar van de bloemen en dus ook in honing tot 50 %. Druivensuiker zit niet alleen in druiven maar in bijna alle plantensappen en ook in het menselijk en dierlijk bloed - in dit laatste evenwel merkelijk minder. Ook in de overige 50 % van de nectar en de honing. Glucose is de meest voorkomende suiker in de natuur. Het zetmeel, de basissubstantie van het plantenleven, bestaat uit gepolymeriseerde d.i. compacte glucose en kan daardoor bij de spijsvertering gemakkelijk terug in glucose omgezet worden. Het moet ons duidelijk zijn dat suiker in geïsoleerde vorm in de natuur niet voorkomt en slechts in de relatief weinig zoete planten en vruchten tevoorschijn treedt, en dan nog in samenhang met andere substanties. De enige stof in de natuur die geconcentreerde suiker bevat is honing.

De mens is aangewezen op zijn bloedsuiker, ongeveer 100 mg glucose in 100 ml bloed. Daalt de suikerspiegel dan treden zgn. hypoglycemische toestanden op zoals zwakte, beven, angst, onbeheerstheid, infecties enz. Beneden een bepaalde waarde sterft de mens. Alle symptomen kunnen op enkele minuten verholpen worden door suiker in te nemen. Suiker is dus levensnoodzakelijk. Het probleem ligt erin dat hij zo vlug opgenomen wordt door het organisme. Men kan snel en zeker een hypoglycemische toestand die door overwerktheid of oververmoeidheid ontstaan is, verhelpen met suiker, en dus denkt men dat men dit zoveel als nodig mag herhalen, men denkt zelfs een echt tekort aan suiker aldus te verhelpen. In werkelijkheid geschiedt echter het volgende: in tegenstelling tot andere voedingsmiddelen wordt suiker onmiddellijk opgenomen, hij komt direct in het bloed. Bij een groot suikeraanbod wordt het organisme met suiker overspoeld. De suikerspiegel stijgt plots, de lever begint al die suiker uit het bloed te halen en blijft dit doen ook als het suikeraanbod al verdwenen is. Daardoor daalt na het suikergebruik de suikerspiegel onder de normale waarde, waardoor opnieuw de behoefte aan suiker ontstaat. Op deze manier kan een echte verslaving ontstaan. De bevrediging van een zgz. behoefte wordt aldus de oorzaak van een nieuwe, meestal nog sterkere "behoefte". Een hypoglycemische toestand moet men dus niet tegemoet komen met suiker hoewel men daarmee direct geholpen is, maar men moet juist suiker vermijden. In principe hetzelfde als bij een alcohol- of andere verslaving.

Als men geen suiker maar zetmeel tot zich neemt (zoals in brood en groenten) dan wordt dit zetmeel langzaam omgezet in suiker, er vindt dus geen plotse stijging en daling van de suikerspiegel plaats. Overigens bezit de lever steeds een rijkelijke voorraad glycogeen dat overeenkomt met zetmeel en dat steeds omgezet wordt naarmate er behoefte aan is, zodat een directe toevoer van suiker zeker niet nodig is.

Suiker kan uit iedere plant, uit ieder levend wezen geïsoleerd worden; economisch gezien zijn alleen suikerrijke planten interessant zoals suikerbiet en suikerriet. Die vormen geen glucose maar wel saccharose, veel zoeter, die gezuiverd verhandeld wordt als de gewone fabriekssuiker. De zgn. druivesuiker (glucose) komt helemaal niet van druiven, dat zou veel te duur zijn. Maiszetmeel of aardappelzetmeel wordt gesplitst tot glucose en komt zo als "druivesuiker" in de handel. Sinds enkele jaren is er ook vruchtensuiker (fructose) als stroop of in kristalvorm te verkrijgen. Die is zoeter dan glucose, wordt door het organisme gemakkelijker verwerkt en is daarom voor diabetici beter geschikt. Maar ook deze suiker wordt niet uit vruchten gewonnen. De producent is niet verplicht om dit aan te geven, omdat men ervan uitgaat dat alleen de chemische samenstelling telt en die is bij al deze suikers identiek; maar voor de verbruiker, die dat niet weet is het misleidend, hij weet niet dat de verschillende benamingen niets met druiven of vruchten te maken hebben, maar alleen een bepaalde chemische substantie aanduiden.

Alle suikersoorten hebben de eigenschap dat ze kristallen vormen. Daarop berust ten dele het raffineren: het suikerbiet- of suikerrietsap wordt ingedikt totdat zich kristallen vormen. Bij doorgedreven raffinage zijn die identiek zodat men niet meer kan uitmaken of ze van suikerriet of suikerbiet afkomstig zijn. Het is vooral de gewone handelssuiker uit biet en riet die gemakkelijk kristalliseert, men kan er reuzekristallen mee maken. Kandijsuiker bestaat uit zo'n kristallen. Wat betekent dit fenomeen ? Kristallen zijn de vorm van de dode minerale wereld. Nooit zal een levende substantie zich in de vorm van een kristal manifesteren. Aangezien suiker in ieder geval uit iets levends ontstaat, dan moet dit leven eruit verdwenen zijn, tenminste bij het vormen van de kristallen. Om misverstanden te vermijden moet vermeld worden dat men tegenwoordig ook eiwitkristallen, aminozuurkristallen en vitaminekristallen produceert, en dat die in een levend organisme werkingen veroorzaken die dicht bij het leven staan. Maar toch, wanneer een eiwit in kristalvorm overgaat dan is het niet meer drager van actuele levensprocessen, net zo min als een geslacht dier nog levend is; maar zijn vlees bevat nog in die mate leven dat het als levensmiddel kan dienen.

Overigens moet men een onderscheid maken tussen de soorten kristallen: vitaminekristallen bvb. zijn altijd klein en broos, nooit "echte" kristallen zoals bij kandijsuiker, kwarts, veldspaat enz. Aan de vorm van het kristal kan men aflezen hoe ver het van het leven verwijderd is. Bij de fabriekssuiker met zijn reuzekristallen is dat zeer ver, bij vruchtensuiker die moeilijk en dan nog kleine kristallen vormt, minder. Desalniettemin is iedere geraffineerde suiker een geïsoleerde substantie die neigt naar kristallisatie. Maar een geïsoleerde substantie is altijd dood, er is geen levende substantie die uit maar één element bestaat. Als dusdanig wil raffineren zeggen "doden".

Dat brengt ons op de fysiologische werking van suiker: onze levensmiddelen kunnen ons slechts voeden in de mate dat ze nog leven bevatten, vandaar de naam levens-middelen. Een kristallijne stof, dode substantie bevat geen leven meer. Ze bevat wel nog calorieën. Die kunnen de mens energie leveren, maar geen leven. Het moderne caloriebegrip is zuiver kwantitatief, heeft niets te maken met het leven. Suiker bevat een precies bepaalde hoeveelheid calorieën, nl. 4,1 cal/g, maar geen leven. Daarom kan een uitgeputte mens, bvb. een bergbeklimmer, door suiker weer vlug de nodige energie krijgen om zijn zware arbeid verder te zetten.

Maar toch kan van suiker alleen geen mens (en ook geen dier) leven. De wetenschap verklaart dat dan zo dat suiker geen vitamines en mineralen bevat, maar zelfs als men die erbij doet heeft men geen levende substantie. Het leven heeft altijd een veelvoud van elementen nodig om te kunnen bestaan ...

Hoever fabriekssuiker wel verwijderd is van het leven kan men zien aan het feit dat hij ander leven conserveert. Men maakt gebruik van deze eigenschap om confituren, fruitsappen en geconfijt fruit te maken. Als er minstens 60 % suiker in zit, dan zijn deze producten houdbaar, d.w.z. dat er geen micro-organismen kunnen in gedijen.

Geeft men een mens suiker dan geeft men hem eigenlijk stenen in plaats van brood - namelijk een dode kristallijne substantie die geen enkel leven meer bevat. Totaal anders ligt dit wanneer hij een zoete vrucht eet. Men zou kunnen zeggen dat die toch ook suiker "bevat". Aldus versimpeld is de tegenwerping misleidend want een vrucht is geen samenstelling van componenten, het is zelf een organisme dat leven bevat. Dat leven wordt vernietigd wanneer een substantie geïsoleerd wordt. De huidige chemische denkwijze ziet het zo: in suikerhoudende natuurproducten vindt men ook de vitamines, mineralen en sporenelementen die ons organisme nodig heeft om de suiker te verwerken. Maar de mens wil alleen de zoetstof, de suiker, en daarom halen we die eruit. Dat gebeurt trapsgewijs: het verse vruchtensap is nog een bijna intact organisme, alleen de cellulose die de structuur geeft is eruit. Dan worden door raffinage alle "overbodige" nevenproducten, de dragers van het specifieke plantenleven verwijderd, totdat tenslotte alleen de suiker overblijft. Als die echt zuiver is, dan is er niets meer van de plant in terug te vinden. Het is daarom ook om het even of fabriekssuiker nu van suikerriet of van suikerbiet stamt, de substanties die specifiek zijn voor een bepaalde plant zijn toch verwijderd. Vele mensen verkiezen bruine suiker omdat ze denken dat die natuurlijker is. Hij bevat weliswaar nog iets plantaardigs, maar in verhouding tot de witte suiker is dat verschil zo miniem, dat men het even goed zonder kan doen. Anders ligt dat bij melasse en suikerbietenstroop, die we kunnen beschouwen als ingedikte plantensappen.

Waarom heeft de mens -en ook menig dier- zo'n uitgesproken behoefte aan zoetigheid ? Die "behoefte" is in ieder geval kunstmatig want in de natuur bestaat er geen zuivere suiker zoals de mens hem gebruikt. De levensnoodzakelijke fysiologische betekenis van suiker waar we hierboven op wezen duidt op een gebied dat bekend is uit het geesteswetenschappelijk onderzoek: "Waar suiker is, daar is Ik-organisatie", aldus Rudolf Steiner. Hij doelt op het geestelijke principe dat de mens juist tot mens maakt. Een Ik-organisatie is een voorwaarde om een organisme op te bouwen dat een drager van een individualiteit kan worden. Zo is bvb. het menselijk skelet zodanig gebouwd dat het kan rechtop lopen, wat bij dieren niet het geval is. Daarom ook is het skelet de fysieke uitdrukking van de Ik-organisatie.

Het spreekt vanzelf dat deze Ik-organisatie, hoewel ze geestelijk is, toch in het fysieke moet ingrijpen om bvb. het skelet te kunnen vormgeven. Drager van deze Ik-organisatie is nu de suiker, die ook meewerkt aan het vormen van het skelet. De Ik-organisatie is de algemeen-menselijke inrichting die het verschil tussen mens en dier uitmaakt. Het is de basis voor het Ik, de geestelijke wezenskern van de mens, maar er toch niet mee identiek. Aldus kan men de Ik-organisatie als een instrument beschouwen, een lichaam voor het Ik.

Wanneer de mens suiker eet dan voelt hij onmiddellijk een versterking van zijn krachten. Dat komt niet alleen doordat hij plots kan beschikken over extra energie, dat komt vooral omdat hij voelt dat hij een breder fundament voor zijn actief-zijn heeft. Hij voelt zich niet alleen fysiek tot meer prestaties in staat, maar ook geestelijk, want zijn Ik kan zich uitbreiden dank zij de suiker. De mens voelt zich superieur, sterker. Maar het is een misverstand te denken dat het Ik zelf nu sterker is geworden, dus dat de suiker het Ik sterker maakt. Het is niet mogelijk om de individualiteit van de mens, zijn Ik, op zo'n eenvoudige, materiële wijze te sterken. De individualiteit kan op een hogere trap komen te staan, dat is waar, maar wel alleen door levenslange oefening, arbeid, lijden enz. Suiker versterkt wel het Ik-gevoel, d.i. het gevoel sterk te zijn. Dat is de reden waarom kinderen zo verlekkerd zijn op snoepgoed: de suiker geeft hun de mogelijkheid om zich in hun organisme goed thuis te voelen, hij geeft hun een gevoel van kracht en zelfzekerheid, wat ze eigenlijk nog moeten ontwikkelen in de toekomst. Ook oudere mensen lusten graag zoet: ze voelen hun krachten afnemen en suiker geeft hun terug een zeker krachtgevoel.

We benadrukken nogmaals dat er hier wel sprake kan zijn van een fysieke krachttoename, maar niet van een versterking van het Ik, dus van de geestelijke persoonlijkheid. Er is wel een gevoel van een versterkte aanwezigheid van het geestelijke. Suiker is nu eenmaal niet de drager van het Ik maar van de Ik-organisatie, dat is iets wat Rudolf Steiner duidelijk onderscheidt. Als voorbeeld nemen we diabetes, suikerziekte. Het gaat hier om een ziekte van de Ik-organisatie, niet van het Ik, want het Ik , een geestelijke entiteit, kan niet ziek worden. Maar natuurlijk kan het Ik alleen maar zijn werkzaamheid ten volle ontplooien als zijn instrument, de Ik-organisatie, en de andere wezensdelen in orde zijn en ter beschikking staan.

Hoewel de mens aangewezen is op suiker als levensnoodzakelijke substantie en als drager van de Ik-organisatie, toch heeft hij het niet nodig om extra suiker tot zich te nemen. Eet hij brood, groenten of iets dergelijks, dan werken deze producten stimulerend op de levenskrachten omdat ze zelf nog leven bevatten. Uit het zetmeel, dat niet zoet is, ontstaat tijdens de spijsvertering suiker (glucose); die komt slechts in het lichaam naarmate de spijsvertering vordert. Daardoor treedt het verschijnsel van de hypoglycemie niet op. De vertering van zetmeel vraagt activiteit van het lichaam. Eet men direct suiker, dan is deze activiteit niet meer nodig. Daarmee zitten we bij het ziele-aspect van de zaak: men doet een kind geen plezier als men hem inspanning, activiteit "bespaart". Men ontneemt het de mogelijkheid om zelf iets te oefenen, meer bepaald: de kans om zelf zijn Ik te versterken wordt niet geboden. Telkens men het kind iets geeft dat "af" is (vitamine D, suiker, gedetailleerde poppen, beeldmateriaal enz.) verzwakt men zijn eigenactiviteit, d.i. het Ik. Die afgewerkte producten geven wel de illusie van zelf sterk te zijn, alles te kunnen, te hebben, te bezitten. Juist suiker ondersteunt dit gevoel, doordat effectief een krachttoename optreedt - maar het vermogen van het Ik om daarmee te kunnen omgaan wordt niet vergroot.

De conclusie ligt voor de hand: het is vooral een Ik dat nog niet volgroeid of werkzaam is, zoals bij het kind, dat gevaar loopt om dit versterkt Ik-gevoel verkeerd aan te wenden. Als een persoon zelf een berg beklimt en een ander neemt de kabelbaan, dan bereiken ze alletwee de top, het "resultaat" is hetzelfde, maar de beleving en de betekenis voor de ontwikkeling verschillen enorm.

Rudolf Steiner heeft er meermaals op gewerzen dat de ontwikkeling van de beschaving (niet van de cultuur !) parallel loopt met het suikerverbruik. Het is zo dat voedingsgewoonten de manier van leven bepalen - en omgekeerd. Dat geldt voor vlees, alcohol, maar ook voor suiker.

"Door het suiker wordt er een soort onschuldige egoïteit gevormd die een tegengewicht kan zijn tegen de noodzakelijke onzelfzuchtigheid op moreel-geestelijk gebied. Anders zou er teveel het gevaar voorhanden zijn dat de mens niet alleen onzelfzuchtig zou worden, maar dat hij ook dromerig zou worden, fantaserend, dat hij de samenhang zou verliezen met een gezond vermogen om te oordelen over de aardse omstandigheden. Een bepaalde hoeveelheid suiker in de voeding draagt ertoe bij om ondanks het opstijgen in de geestelijke werelden, toch nog met beide voeten op de grond te blijven staan en een gezond standpunt over aardse zaken mee te ontwikkelen. Men kan stellen dat de suiker fysisch het persoonlijkheidskarakter in de mens verhoogt."

Deze woorden werden in 1913 gesproken. Sindsdien is het suikerverbruik geweldig gestegen.*

Het gevaar dat mensen "alleen maar onzelfzuchtig, dromerig, fantaserend" zouden worden bestaat nog nauwelijks, maar ze staan wel zeer stevig met beide voeten op de grond !

In een andere voordracht: "Suiker houdt de mens innerlijk sterk als hij op de juiste manier in het organisme komt". Hier wordt ook aangegeven dat volkeren die veel suiker verbruiken zelfbewust en egoïstisch zijn (Engelsen), andere die weinig suiker verbruiken onegoïstisch maar krachteloos (Russen). Krachteloos verwijst niet naar de fysieke krachten, maar naar het persoonlijkheidskarakter, het Ik.

Vandaag de dag is het zo dat de manier van leven in onze beschaving de behoefte naar suiker stimuleert, want het leven verloopt sneller. Het organisme verbruikt effectief meer suiker. Hoger suikerverbruik geeft een beter gevoel waarmee men dan terug sneller kan gaan leven: de prestatiedruk stijgt, men eet suiker, men presteert meer, de verwachtingen worden terug hoger gelegd enz. enz. Er onstaat een vicieuze cirkel die tenslotte uitmondt in een echte verslaving. Het is een feit dat vele mensen tegenwoordig suikerverslaafde zijn.

Natuurlijk zijn er nog meer oorzaken. Van kleins af aan worden kinderen gewoon gemaakt aan voeding met suiker (flessenmelk is zoeter dan moedermelk). Het gezonde voedingsinstinct, de natuurlijke smaak wordt bedorven.

Er is ook het feit dat suiker, zoals zout de smaak (beter gezegd: het genot) van de voeding verhoogt. Daardoor bevatten ook zoute spijzen nu al suiker (ketchup, visconserven, salades en -in de V.S.- ook het brood).

Ook zoekt de mens in suiker de mineralen die hij in zijn gewone voeding te weinig vindt. Eet men gezond met veel rauwkost en zonder suiker dan kan de behoefte volledig verdwijnen. Maar misschien is er ook een gebrek aan contact of liefde. Suiker kan een ersatz bieden voor die ontgoocheling.

Suiker is dus niet alleen een ziekmakende factor die lichamelijke gebreken kan veroorzaken, een groter gevaar ligt op het geestelijke vlak doordat hij de ontwikkeling van de mens beïnvloedt. We moeten niet alle suiker vermijden of zelfs bestrijden. We moeten vanuit een inzicht proberen terug een middenweg te bewandelen die tegenwoordig zonder kritiek en op wereldschaal werd verlaten.

*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*

.

"Verfrissende" dranken, de derde generatie

Dit artikel, eveneens van Dr. Otto Wolf, verscheen enkele jaren geleden in "Erziehungskunst". De moderne mens heeft het blijkbaar heel moeilijk om op een natuurlijke manier te functioneren in een complexe maatschappij. En in plaats van op zoek te gaan naar de juiste ideeën, gaat hij op zoek naar de juiste chemicaliën ...


De mens heeft zich van oudsher altijd willen verfrissen, dikwijls om een vermoeidheidsproces te overwinnen. Daarom werden er veelal opwekkende planten voor gebruikt. Het is merkwaardig dat volkeren uit de meest uiteenlopende gebieden kennis bezaten van planten die een opwekkende werking veroorzaakten. Pas veel later ontdekte men de actieve bestanddelen in al deze planten, nl. de cafeïne, die in bruikbare hoeveelheden alleen maar terug te vinden is in die planten die nu nog altijd gebruikt worden. Ze groeien allemaal in tropische streken. Opwekkende dranken van de "eerste generatie" zijn koffie (1-2 % cafeïne), thee (4,3 %), maté (1,25 %), guaraná (4,2 %) en cola (1-2 %). Overal ter wereld worden deze 5 planten verwerkt voor menselijke consumptie. Per jaar zou het gaan om zo'n 75.000 ton zuivere cafeïne.

Dieren gebruiken deze planten niet. Het schijnt een typisch menselijke behoefte te zijn om volledig wakker te zijn om het bewustzijn ten volle te kunnen ontplooien. Niet alleen het benodigde plantedeel ontdekte de mens, maar ook de specifieke bereidingswijze, bvb. roosteren bij koffie, fermenteren bij thee. Dat werd zeker niet ontdekt door altijd maar te proberen, een atavistische helderziendheid heeft hier zeker geholpen.

Van verfrissende drank tot opwekkend middel

Frisdranken van de "tweede generatie" werden reeds op industriële schaal aangemaakt. Een combinatie bvb. van cafeïne en cola-bladeren uit tropisch Zuid-Amerika. Van deze laatste werd gezegd dat ze de hongerigen verzadigen, de vermoeiden nieuwe krachten geven, de ongelukkigen hun zorgen doen vergeten. Oorspronkelijk werden ze in Peru alleen voor cultische doeleinden gebruikt. Het werkzaam bestanddeel, cocaïne, werkt verslavend, handel en gebruik werden dan ook verboden.

Hoewel niet precies bekend is wat er in Coca-Cola zit, cocaïne mag er in ieder geval niet meer in zitten. Hoofdbestanddelen zijn suiker, cafeïne en fosforzuur. De concentratie wordt niet aangegeven. Ook de vermelding "natuurlijke aromastoffen" laat iedere mogelijkheid open. Het is reeds lang bekend dat het fosforzuur een uitgesproken verfrissend karakter aan een frisdrank geeft. Cola-drinks worden in de ganse geciviliseerde wereld vurig begeerd -hoewel koud gedronken-, ze wijzen op de behoefte van de mensen om de fysiologische vermoeidheid te overwinnen door opwekking, om wakker te zijn en te kunnen presteren.

Nog niet zo lang geleden verschenen de frisdranken van de "derde generatie". Het bekendste merk is "Red Bull". Samenstelling volgens de vermelding op de verpakking: de basis is terug suiker (ca. 10 %) en geconcentreerde cafeïne.

Idee en samenstelling van dit soort energiedranken stamt uit Japan, waar reeds in 1980 een dergelijk drankje onder de naam "Lipovitan" de producent binnen de kortste keren steenrijk maakte. Imitators lieten niet op zich wachten: "Flying Horse", "Power Horse" , "Red Bull" en "Ritual". Ze bevatten allemaal cafeïne en taurine, het laatste merk in plaats van suiker vier verschillende soorten kunstmatige zoetstoffen. De smaak varieert van zure beertjes tot goedkoop frambozenaroma. Deze producten zijn ondertussen allemaal wettelijk toegelaten, hoewel "Red Bull" het maximum toegelaten cafeïnegehalte voor frisdranken (250 mg/l) ruimschoots overschrijdt (320 mg/l).

Taurine - en zijn "dierlijke" werking

Nieuw bij deze frisdranken is het taurine dat toegevoegd wordt. Behalve enkele artsen en scheikundigen weet hoogstwaarschijnlijk geen enkele consument om welke stof het hier gaat. Zelfs in vakliteratuur vindt men geen bruikbare aanwijzing.

Taurine wordt in het organisme aan het galzuur gebonden en als taurocholzuur langs de gal afgescheiden. Taurocholzuur werd het eerst in de ossegal gevonden, vandaar de naam (tauros = stier). Dat was de producent blijkbaar ook bekend want de naam van bvb. "Red Bull" verwijst ernaar. Het logo van "Red Bull" toont twee rode stieren die tegen elkaar opstoten. Bij de concurrent "Flying Horse" wijst het vliegende paard er waarschijnlijk op dat men gemakkelijker kan gaan "zweven".

Bij de mens is het zo dat hij driemaal meer glycochloraten (suikergalzuren) afscheidt dan taurochloraten. Bij vleeseters daarentegen -vooral bij honden- worden meer taurochloraten afgescheiden.

Fysiologisch gezien wakkeren galzuren de activiteit aan doordat ze terug gal produceren. Daarbij zijn er veel verschillende galzuren en vandaar ook verschillende soorten prikkels. In het dierenrijk kan men dat zeer goed nagaan. Het is wel merkwaardig dat roofdieren en honden meer taurine-galzuren produceren, de mens evenwel minder. De vraag is dus welke uitwerking dit soort prikkel op de mens heeft.*

Er wordt in ieder geval een verhoogde uiterlijke activiteit gestimuleerd. Tegelijk wordt de natuurlijke vermoeidheid kunstmatig onderdrukt. Dat moet leiden tot een roofbouw op de levenskrachten. Deze roofbouw wordt tijdelijk gecompenseerd doordat deze drankjes in relatief hoge concentraties vitamines uit de B-groep bevatten. Dat is natuurlijk goed gezien want deze vitamines worden vooral verbruikt bij energieverslindende activiteiten. Dat dit soort stimulans op den duur tot lichamelijk verval leidt wisten de colakauwende Indio's reeds. En dat buitensporig cafeïnegebruik, zowel in de vorm van thee, koffie als in frisdranken een uitputting van het zenuwstelsel en slapeloosheid veroorzaakt is ook al langer bekend. Mensen met een goede lever -in principe alle jongeren- kunnen natuurlijk zeer lang doorgaan zonder dat ze merken hoe ze hun gestel ruïneren.

De kick voor coole jongeren

Waarom hebben nu precies jongeren zo'n uitgesproken behoefte aan deze opwekkende werking ? Met deze derde generatie frisdranken treedt voor het eerst taurine op als prikkel voor de gal. Vele jongeren willen door een chemische prikkel tot activiteit komen omdat ze in zichzelf geen innerlijke impuls tot activiteit kunnen vinden. Daar heerst dikwijls een fatalistische "no-future" stemming. De combinatie van bewustzijns- en wilsprikkels maakt dat de mens zichzelf zeer sterk beleeft. Hij voelt een verhoogd zelfbewustzijn zoals bij drugs, vooral heroïne. Dat het hier om een schijnkracht, een illusie van sterkte gaat wordt door de consument niet waargenomen. Dat geldt eigenlijk reeds voor de werking van suiker (zie het vorig artikel). Uiterlijke prikkels kunnen de mens onvrij en afhankelijk maken, wat dan weer de grond voorbereidt voor een andere verslaving. Echte kracht kan alleen door innerlijke activiteit en arbeid ontwikkeld worden.

Dreigend verlies van het moreel aanvoelen

Wat meestal niet doorzien wordt is dat het menselijk gevoelsleven door deze nieuwe "frisdranken" uitgeschakeld wordt doordat enerzijds het bewustzijn overwakker is en anderzijds de wil overactief is. Daarbij komt nog dat echt gevoel vanuit het gemoed, dat ook tot begeestering kan leiden, vandaag de dag juist geminacht wordt. "Cool" zijn en geen gevoel tonen! Aldus kan een logische, intellectuele gedachte -zonder controle door een moreel aanvoelen- rechtstreeks in de wilsimpuls, tot de daad overgaan. Daarvan zijn voorbeelden genoeg te vinden als men de krant eens openslaat.

Het schadelijke in gans deze zaak is niet het gebruik van dez stoffen in beperkte mate, maar het buitensporig consumeren dat tot afhankelijkgheid leidt en tot verlies resp. verzwakking van het Ik.

*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*

.

Schenkgeld

Zoals beloofd in de vorige Brug gaan we verder met een beetje economie, terug uit het boek van Udo Hermannstorfer "Scheinmarktwirtschaft". We herinneren even aan het uitgangspunt: in principe moet er evenveel gekocht worden als er geproduceerd wordt. Kopen de mensen minder, door bvb. te sparen, dan gaat er ook minder geproduceerd worden. Als niemand nog geld uitgeeft (door alleen gras te eten en naakt te lopen) dan valt uiteindelijk de economie stil. Door te sparen valt de economie weliswaar niet stil, maar er is toch sprake van een tegenhouden van de geldstroom. Dat gespaarde koopgeld kan nu leengeld worden als het ter beschikking gesteld wordt van het bedrijfsleven dat daarmee voor een verhoogde productie kan zorgen. Maar op den duur is er toch teveel spaargeld, de productie kan niet oneindig vergroten. Dat is het ogenblik waarop het geld schenkgeld moet worden.

Udo Hermannstorfer gebruikt de volgende vergelijking: een boer zaait bvb. 50 kg tarwe uit, hij oogst 500 kg. Dan moet hij slechts 50 kg aan kant zetten voor het volgende zaaiseizoen, de overige 450 kg mag hij verkopen of zelf opeten. Hij kan echter gefascineerd geraken door deze wonderbaarlijke vermenigvuldiging en de 500 kg uitzaaien met de bedoeling er 5000 te oogsten. In theorie kan hij zo onbeperkt doorgaan, in de praktijk moet hij ermee ophouden wanneer hij geen land meer heeft om te bezaaien of wanneer hij vaststelt dat hij alleen maar muizen kweekt met al zijn graanvoorraden !

In onze huidige economie blijft het geld op een onnatuurlijke manier vermeerderen, met alle nefaste gevolgen vandien. In plaats van het geld bewust te laten verdwijnen als schenkgeld, verdwijnt het nu ook, maar op een chaotische manier, voor niemand duidelijk hoe of waarom.

[ ... ] "Hoe kan men ervoor zorgen dat iedere burger genoeg koopgeld ter beschikking krijgt ?

De koopgeldvraag is een kwestie van verdeling: welk aandeel krijgt ieder afzonderlijk van hetgeen als gemeenschap geproduceerd werd ? Slechts als verdeelregeling kan men de loonkwestie bevredigend en realistisch oplossen. Want het doel van de economie kan toch alleen maar zijn om de levenskwaliteit te verhogen van allen die er deel aan hebben. Langzaam wint het economisch inzicht veld dat lonen niet alleen maar kosten zijn, maar vooral ook inkomens betekenen die de vraag, het kopen mogelijk maken* , m.a.w. uiteindelijk de drijvende kracht zijn van het economische leven.

Het niveau van de huidige lonen mag ons niet blind maken voor het feit dat het loon algemeen nog altijd beschouwd wordt als betaling voor arbeid, dat de winsten van een onderneming nog altijd naar de eigenaars ervan gaan, die dan uit de winst de lonen betalen enz.

Op dezelfde manier worden ook "sociale lasten" beschouwd. Afgezien van het feit dat met deze uitdrukking totaal verschillende sociale verhoudingen over dezelfde kam geschoren worden, roept ze verkeerde gevoelens en voorstellingen op. De bedragen die besteed worden aan kinderen, ouderen, zieken en gehandicapten zijn namelijk geen "kosten", dus geen inhoudingen op het loon van de actieven, nee, deze groep van mensen heeft al a priori een recht op een deel van wat economisch geproduceerd wordt omdat ze tot onze levensgemeenschap behoort. We kunnen toch moeilijk over het hoofd zien dat ook wij maar de helft van ons leven tot de actieven behoren en voor de overige helft zelf aangewezen zijn op het deel dat voor ons gereserveerd wordt.

Ook op het gebied van het leengeld vindt een heroriëntering plaats. Meer en meer spaarders vragen zich af wat er eigenlijk met hun spaargeld gebeurt, behalve dat het intrest opbrengt. Aan welke ondernemingen wordt het uitgeleend ? Wat voor producten worden ermee gemaakt ? Wat is het motief van de kredietnemer en hoe verhoudt hij zich tot sociale toestanden ? Bij spaarders en beleggers wordt een verantwoordelijkheidsgevoel wakker voor de werkzaamheid van geld, een gevoel dat vroeger maar tot aan het loket bestond. Ook hier worden maar de eerste voorzichtige schreden gezet, niet zelden met veel illusies, want in onze economie is alles veel meer met elkaar verstrengeld dan onze nieuwe beleggersmoraal wel zou willen. Ook de vraag naar menselijke werkomstandigheden behoort tot dit terrein. Hier staan we voor een belangrijke tweesprong. Voor de ene groep gaat het erom meer menselijkheid in de economie te krijgen, de andere groep houdt dit voor onmogelijk en eist een radicale werktijdverkorting -voorzover dat technisch mogelijk is-, om meer vrije tijd te hebben waarin pas het eigenlijk menswaardige leven kan plaatsvinden. De "vrije tijd" toont het nieuwe element van de werkzaamheid van het geld. Want waar de herverdeling van de inkomens volledig in het economische blijft en dat ook nog stimuleert, staat de vrije tijd diametraal tegenover de werktijd, die waren en waarden voortbrengt. De arbeidstijd wordt teruggedrongen zodat een vrije ruimte ontstaat die nu eens niet op het economische gericht is. In de vrije tijd zijn we alleen maar verbruikers die economische waarden consumeren om de eigen individualiteit te verzorgen, te ontplooien en te ontwikkelen.

Vrije tijd moet gecompenseerd worden door verhoogde productiviteit tijdens de resterende arbeidstijd anders gaat het ten koste van de welstand, van de materiële situatie. Deze verhoogde productiviteit is de werkzaamheid van de menselijke geest die zich aldus zelf een vrije ruimte creëert voor zijn eigen verzorging. Dit geldt voor gans het cultuur- en geestesleven. Bevrediging van ziele- en geestesbehoeften is pas mogelijk wanneer de economisch productieve krachten zo ver staan dat wij ons een tijdlang met andere zaken kunnen bezighouden dan produceren. Ons denken in termen van Brutto Nationaal Product vervalst het werkelijke beeld door gewoon alle prestaties op te tellen. De werkelijkheid ziet er evenwel anders uit. Want als ik voor een geestelijke prestatie, bvb. dit tijdschrift, een bepaald bedrag betaal, dan gebeurt dat formeel volgens de regels van het ruilen: voor een prestatie wordt een andere geleverd (via het geld). Boekhoudkundig mag men evenwel niet twee prestaties rekenen want er is sprake van een vermindering, er wordt een economische waarde verbruikt om een geestelijke waarde mogelijk te maken. In werkelijkheid gaat het dus om een evenwicht tussen een economisch producerende en een economische consumerende factor. Door deze laatste verschijnt het geestesleven. De krachten die werkzaam zijn in de beide factoren zijn geestelijk in de twee gevallen. Bij het poduceren zijn het, naast de natuur en de grondstoffen, de menselijke capaciteiten die concreet voor een vastgelegd doel aangewend worden. In het algemene geestesleven daarentegen gaat het om deze geest zelf, diens verzorging en ontwikkeling.

Dit cultuurleven bestaat slechts in de mate dat wij er een behoefte aan voelen en het economisch mogelijk maken. Een direct economisch berekenbaar voordeel verwachten we er niet van, ja mogen we zelfs niet verwachten omdat we dan onze individualiteit die slechts in het geestelijke te vinden is, zouden ondergeschikt maken aan economische interessen.

Dit geld dat wij uitgeven door een materieel grijpbare economische waarde te ruilen voor een ijle ziele-geestelijke waarde, dat dus zonder economische tegenwaarde blijft, noemen we heel juist schenkingsgeld. Want bij een schenking verwachten we niet onmiddellijk een tegenprestatie. Dat geldt ook wanneer men, zoals voor dit tijdschrift, een "koopprijs" betaald heeft. Natuurlijk worden in het cultuurleven van heden juist de geestelijke capaciteiten en noden gevormd waaruit de toekomstige economische ontwikkeling gevoed wordt. Wat nu alleen consumerend optreedt verandert in de toekomst in productiviteit. [ ... ]

Voor economen is het ongewoon om het begrip schenking met economie te verbinden, voor hen is het juist het tegendeel van economisch denken. En toch dwingen de economische verhoudingen om schenkingen te doen. Het zijn dan wel schenkingen onder dwang, bvb. bij faillissementen of bij de schuldherschikking van derdewereldlanden. Een schenkingsbedoeling is er in die gevallen niet op voorhand aanwezig, die ontstaat achteraf als men moet inzien dat het economisch project niet kan gerealiseerd worden. De schenking "ex post" is slechts formeel een schenking, want er kan geen vrij gebruik meer gemaakt worden van het schenkingsgeld. Een echte schenking ontstaat "ex ante" en laat totaal nieuwe gebruiks- en ondernemingsmogelijkheden toe.

Een andere gedwongen schenking is de inflatie. Die lost ook geld op, maar niet als schenkgeld, zij lost tevens leen- en koopgeld op en werkt dan ook chaotiserend in deze twee sferen: in plaats dat het geld verdwijnt, verdwijnt de koopkracht.

Wanneer we tot hiertoe niet aangegeven hebben wat er in het gebied van het schenkingsgeld gebeurt, dan is dat omdat dit eigenlijk geen economische vraag meer is. Want het geestsleven wordt door het economische leven beleefd als een verbruik. Maar het verbruik zelf is nog geen geestesleven, het vormt er slechts de organische basis van.

Reeds in het begin van dit artikel werd erop gewezen hoe ons huidig BNP-begrip deze verhouding versluiert doordat geestelijke prestaties op dezelfde manier als andere prestaties beschouwd worden. Daardoor schijnen het loon van een arbeider en het loon van een leraar volledig gelijkaardig en kunnen ze worden opgeteld. Daarom wordt ook dikwijls de school als een bedrijf aangezien waar even goed prestaties geleverd worden. In werkelijkheid echter is een bedrijf gericht op het produceren van economische waarden, een school gericht op het verbruiken ervan.

Tegen deze redenering wordt dikwijls ingebracht dat een leraar toch ook iets produceert waarvoor een behoefte bestaat. Dus is het onderscheid tussen bedrijfs- en geestesleven economisch niet te rechtvaardigen. Deze tegenwerping verliest het fundamenteel verschil tussen de twee sferen uit het oog. Het doel van het economisch leven zijn waren die verbruikt kunnen worden, terwijl in het geestesleven deze waren alleen maar het uitgangspunt zijn, nooit het doel. Het verschil tussen goederproducerende en goederconsumerende werking is duidelijk omdat we ons wel kunnen voorstellen dat iedereen goederen produceert, maar niet dat iedereen leraar is, want waarvan zouden al die leraars moeten leven ? De mogelijkheid om leraars te hebben hangt af van de mogelijkheid om iemand vrij te stellen van producerende arbeid, hangt af van schenkingsgeld. [ ... ]

De geweldige productie- en productiviteitsexplosie van de laatste 200 jaar is niet toe te schrijven aan verbeterde lichamelijke functies - integendeel, veel ambachtelijke vaardigheden zijn verloren gegaan- maar aan de menselijke geest, vooral in de vorm van verstand dat de technische ontwikkeling vorm geeft. Economisch gezien zijn wij enorm veel verschuldigd aan het geestesleven van het verleden. Op dezelfde manier zal het geestesleven van nu de basis voor de toekomst zijn. Vele ouders proberen om hun kinderen een vermogen mee te geven. Dat is koopgeld is en die kinderen worden dan ook alleen maar consumenten. Beter dan koopgeld-hebben is het vermogen om zich koopgeld kunnen aan te schaffen. Dat weten of voelen ouders aan die hun kinderen een goede vorming willen meegeven. Daarom zegt men dat vorming de beste investering is. Vorming moet uiteindelijk het doel van alle geestesleven zijn."
[ ... ]

*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*

.

Lucifer, Ahriman en de hiërarchieën


In de "Wetenschap van de geheimen der ziel" legt Rudolf Steiner uit hoe de verschillende hiërarchieën samengewerkt hebben opdat de mens in zijn huidige vorm kon ontstaan. Vanaf blz. 248 ongeveer heeft hij het over zgn. achtergebleven wezens die hij dan later de luciferische en ahrimanische noemt. Hij zegt wel dat de ahrimanische wezens vroeger dan de luciferische een onregelmatige ontwikkeling aangenomen hebben, maar voor de rest wordt het voor de lezer niet erg duidelijk tot welke hiërarchie we deze wezens moeten rekenen.
Toehoorders van een voordracht in april 1909 stellen uitdrukkelijk de vraag naar het verschil tussen luciferische en ahrimanische wezens. Rudolf Steiner antwoordt:

"De ahrimanische wezens hebben een sterkere, machtigere wil tot het boze. Beide groepen vinden hun oorsprong in verschillende hiërarchieën ... Ahrimanische wezens worden gerecruteerd uit de meest verschillende hiërarchieën, enkele bleven bvb. al op de oude Zon terug, andere op de oude Maan; zij die op de Zon achterop geraakten konden hun ontwikkeling inhalen op de Maan, zij die op de Maan achterbleven, op de Aarde enzovoort. De ahrimanische wezens staan hoger in de hiërarchie van het kwaad dan de luciferische. Ze kunnen uit verschillende hiërarchieën komen, van de aartsengelen tot de Machten (= Dynameis of Geesten van de Beweging)."

De betreffende vragenbeantwoording is waarschijnlijk niet woordelijk gestenografeerd want in 1921 krijgen we omtrent de oorsprong van de ahrimanische wezens een zeer duidelijke uitleg, ook over die van de luciferische trouwens. De ahrimanische wezens blijken uit nóg hogere hiërarchieën te komen !
In GA 203 legt Rudolf Steiner uit dat de mens bij het begin van de Aarde (dus na Saturnus, Zon en Maan) een onzelfstandig deel was in het grote kosmische organisme der Elohim ( =Exousiai of Geesten van de Vorm). Zijn zelfstandigheid kreeg hij doordat bepaalde wezens terugbleven op het niveau van Archai (= Geesten van de Persoonlijkheid).

We moeten ons wel voor ogen houden dat alle hiërarchieën een graad opschuiven telkens de Aarde in een andere planetaire toestand overgaat. Wijzelf hebben nu op Aarde de "graad" van Mens en op Jupiter zullen we de "graad" van Engel bereiken. De Exousiai van nu, die waren al Engel op Saturnus :

(Zie GA 121 "De volkszielen" (blz. 23 in de Duitse uitgave) of GA 122 "Die Geheimnisse der biblische Schöfungsfgeschichte" op blz. 135)


Die achtergebleven wezens bleven dus in de sfeer van de Engelen, Aartsengelen en Archai, hoewel zij naar hun aard Elohim zijn. Daardoor werken ze niet op de volledige mens maar alleen op zijn hoofd. Ze gaven de mens verstand, vernuft. Zonder hen zouden in ons hoofd alleen wil-loze voorstellingen zijn. Zij maken dat de voorstellingen een wil krijgen, dat ze tot oordeelskracht worden. Deze wezens zijn eigenlijk geen tegenstanders van de mens, wel van de andere Elohim. Deze wezens zijn altijd betrokken geweest bij de menselijke ontwikkeling. Door hun werking echter zijn er -van buitenaf om zo te zeggen- andere wezens tot de mens gekomen. Rudolf Steiner: " Wij vinden ze wanneer we de occulte blik richten op de scharen van de Serafijnen, Cheroebijnen en Thronen." Maar een aantal wezens uit deze hiërarchie is niet kunnen meestijgen. Ze zijn "slechts" Geesten van de Wijsheid geworden (Kyriotetes). Deze wezens zijn niet zo dicht betrokken geweest bij de ontwikkeling van de mens. Zij willen met hem een nieuwe schepping beginnen en de Aarde zien als een nieuwe Saturnus ...

Ahrimanische toekomst

"Met de Aarde zou een nieuwe evolutie moeten beginnen, opnieuw Saturnus, dan Zon enz. Dat is hun ideaal. Ze stormen in het onbewuste van de mens binnen, in het wilsleven, het stofwisselings-ledematenstelsel. Daar stormen ze in. Zij zijn het die de mens een bijzondere interesse willen bijbrengen voor al het mineraal-materiële, voor al wat bvb. machinaal-mechanisch is. Het liefst zouden ze willen vernietigen al wat de Aarde van de oude Maan meegebracht heeft. Ze willen dat de dierenwereld verdwijnt, dat de fysieke mensenwereld verdwijnt, dat de plantenwereld verdwijnt, dat van het minerale rijk alleen maar de fysieke wetmatigheden blijven, en vooral, dat de mens van de aarde weggenomen wordt; en een nieuwe Saturnus van machines zouden ze willen creëren, een nieuwe wereld alleen maar uit machines. Zo zou dan de wereld verdergaan. Dat is eigenlijk hun ideaal. Op het uiterlijk wetenschappelijke vlak is hun ideaal om alles tot materie te maken, te mechaniseren." [ ... ]

*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*

.

Lucifer en Ahriman

Een nieuwe abonnee was sterk geïnteresseerd in oude nummers van De Brug. Hij las ze heel aandachtig en schreef ons een brief. Daarin stond onder meer: ""Bij het lezen van De Brug 13 en 14 viel mij iets op wat tegenstrijdig lijkt. In De Brug 13, in het artikel over Lucifer en Ahriman, staat er: "Door deze ahrimanische influistering zou de Aarde nu niet een uniform groot organisme met een uniforme zielstoestand worden, zoals Lucifer dat zou willen, maar de Aarde zou zich integendeel kunnen overindividualiseren." En in De Brug 14, in het artikel over Attila Varnaï en de toekomst, lezen we: "Hier probeert Ahriman om de mensen zodanig gelijk te maken dat ze er hun individuele ziel bij verliezen. Hij wil graag dat alle mensen opgenomen worden in één grote groepsziel." Dit is erg verwarrend ! ""

Inderdaad ! Gaat Ahriman de mensen nu overindividualiseren of gaat hij ze in één groepsziel doen opgaan ? Het antwoord is volgens ons: beide. Door het eerste te verwezenlijken kan hij ook het tweede realiseren. We gaan dit even moeten verduidelijken ...

In GA 158 heeft Rudolf Steiner het over een bepaalde waarheid die hij verkondigd heeft en die de toehoorders nogal paradoxaal zouden kunnen vinden. Hij repliceert:

"Wat daar in uw ziel is omgegaan toen u deze geesteswetenschappelijke waarheid doordacht, dat is typisch, want altijd komt het voor, en dat moet ook zo zijn, dat tegenstrijdigheden ontdekt worden in datgene wat aan waarheden uit de geestelijke wereld wordt gehaald. En dat is pas het betekenisvolle en het juiste, dat er tegenstrijdigheden zijn. En die kunnen alleen maar verklaard worden door nóg dieper op de zaken in te gaan."

Dat om te beginnen. We lezen in dezelfde voordracht dat op dit ogenblik in de menselijke ontwikkeling zowel Lucifer als Ahriman tot diep in het wezen van de mens werken, en wel als volgt:

Enerzijds in de linkerzijde van de mens Lucifer, in de rechterzijde Ahriman.

Zo beheersen ze onze gedachten. De ene keer denken we luciferisch, de andere keer ahrimanisch.

Langs boven houden ze mekaar in evenwicht, naar onder toe is Lucifer sterker in de maag, Ahriman in de lever. Dat ons hart meer naar links ligt betekent dat Lucifer er meer in werkt (gevoelens van enthousiasme tot fanatisme enz.). Ten tweede: in de voorkant van de mens werkt Lucifer, in zijn achterkant Ahriman

Maar: hier maken ze geen contact met elkaar, m.a.w. er blijft een vrije ruimte voor de mens, namelijk de ruimte tussen het borstbeen (grens tot waar Lucifer kan komen) en de ruggegraat (verder kan Ahriman niet komen). In het gevoel hebben we dus een kleine eigen ruimte, in het denken niet. We denken wat buiten in de wereld is, maar we voelen wat in ons is. Als we dénken wat in ons is, dan is dat fantasie, geen gedachten met werkelijkheidskarakter.

Ten derde: langs boven Lucifer, langs onder Ahriman, maar terug met een eigen ruimte als volgt:

Deze werkzaamheid van Lucifer en Ahriman speelt zich in de mens natuurlijk onbewust af. Om te weten hoe de mens daar moet mee omgaan stellen we ons even de zgn. mensheidsrepresentant voor, de houten sculptuur die in het Goetheanum staat. Die ziet er zo uit:

We zien een menselijke figuur die met zijn rechterarm Ahriman in bedwang houdt en met zijn linkerarm Lucifer wegstoot.

De mens moet zijn eigen vrije ruimte vergroten.

Door Christus-kracht te ontwikkelen.

Dat is uiteindelijk zijn ware doel. En dat is nu precies wat de beide tegenmachten willen verhinderen. Zij willen niet dat de mens een vrije individualiteit wordt die uit vrije wil voor Christus kiest. Zij willen zelf de mensheid inpalmen en leiden, elk op zijn manier.

In de loop van de mensheidsontwikkeling zien we dat Lucifer en Ahriman proberen om de mens van zijn eigenlijke ontwikkelingsgang af te brengen. In GA 182 (en ook in andere voordrachten) legt Rudolf Steiner uit dat in het jaar 333 n.C. een sterke ahrimanische impuls uitging van de Akademie te Gondisjapoer (zie de artikels van jv in Brug 19 en 21).

Onder invloed van deze impuls schafte de katholieke kerk de geest af * .

De mens bestond volgens haar alleen uit lichaam en ziel. De ziel was niet langer de verbinding tussen lichaam en geest. Doordat dit correcte beeld verdween, werd de verbinding tussen lichaam en ziel te eng en aangezien het lichaam sterfelijk is kwam ook de dood in de ziel. De ganse materialistische wereld-beschouwing voor dewelke zelfs de ziel maar een manifestatie is van het lichamelijke, is vandaaruit af te leiden. Ahriman is op weg om zijn doel te bereiken:

De mens moet vergeten dat er een geestelijke wereld is, Ahriman lacht als de mens zich beschouwt als een (weliswaar hogerontwikkeld) zoogdier, als hij zich volledig overgeeft aan aardse interessen.

En Lucifer ?

Die wil dat de mens zijn werkelijke aardse opdracht vergeet, die is tevreden als de mens het aardse minacht, alleen maar oog heeft voor het geestelijke, maar dan wel het egoïstische geestelijke dat alleen bekommerd is om het eigen zieleheil.

Het streven van deze beide tegenmachten kunnen we ook op wereldschaal bekijken, en daarmee komen we dan dichter bij de oplossing van de tegenstrijdigheid.

Lucifer wil alle mensen opnemen in zijn geestelijke sfeer, losmaken van de aarde; een doorgroeien naar hogere sferen maakt hij onmogelijk, de mens blijft aan hem gekluisterd.

Ahriman wil alle mensen vasthouden in de aardesfeer, totaal on-geestelijk. Enerzijds overgeïndividualiseerd, het eigen brein door de ondoorlaatbare schedel afgesloten van een gemeenschappelijke geestelijke wereld; anderzijds opgenomen in één grote aarde-groepsgeest.

Hopelijk is met deze uitleg de tegenstrijdigheid wat minder scherp gesteld. We maken van de gelegenheid gebruik om te wijzen op het belang van lees- en studiegroepen, waar dergelijke onduidelijkheden een gemeenschappelijk zoeken stimuleren en dikwijls kunnen verklaard worden.


*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*

.

De noordse mythologie


Enkele jaren geleden verscheen in een of ander tijdschrift een aflevering van de belevenissen van Hägar, de bekende stripfiguur, aanvoerder van een bende Noormannen. Het verhaaltje trok onmiddellijk mijn aandacht omdat het minstens driemaal grappig is.


Ten eerste wordt de zgn. wetenschappelijke visie op een astronomisch gebeuren vertolkt door een kleuter, hoewel deze visie het abstracte verstand bezighoudt, en het is een volwassene die een mythologisch beeld schildert dat het gemoed aanspreekt. Ten tweede heeft de kunstenaar, Dik Browne, zowel de wetenschappelijke als de mythologische waarheid verkeerd weergegeven; de eerste misschien bewust, alhoewel: hij verwisselt een maanfase met een maansverduistering.

Dan is er natuurlijk de reactie van Hägar in het tweede kadertje: die is typerend voor menige reactie van antroposofen op zgn. wetenschappelijke verklaringen, en omgekeerd voor de reactie van de meeste mensen op het antroposofisch "gefantaseer".

In GA 121, de cyclus over de volkszielen, heeft Rudolf Steiner het over de Noordse mythologie. In de negende voordracht gaat het o.m. over verduisteringen van hemellichamen.
Maar eerst over de invloed van Lucifer ...

[ ... ]
"In de eerste plaats voelde de Germaans-Noordse mens in zijn helderziendheid Lucifer als datgene wat de mens tot een vrij mens maakt, die zich niet alleen wil overgeven aan welk uiterlijke macht dan ook, maar die in zichzelf de vaste wezenskern heeft en die uit zichzelf wil handelen. Deze luciferische invloed onderging de Germaans-Noordse mens als weldadig.

Maar nu merkt hij dat door deze invloed ook nog iets anders bewerkt wordt. Lucifer gaat schuil achter de figuur van Loki, die in een merkwaardige, steeds wisselende gedaante verschijnt. Omdat men de werkelijkheid zag, begreep men dat de gedachten van vrijheid en zelfstandigheid van de mens terug te voeren zijn op Loki. Maar men begreep ook, door de oude helderziendheid, dat het op Loki terug te voeren is dat de mens steeds weer door zijn begeerten en daden ertoe gebracht wordt met zijn hele wezen lager te blijven staan dan wanneer hij zich alleen onder de invloed van Odin en van de Asen zou stellen. En laten we nu vooral het huiveringwekkende grootse aanvoelen van deze Germaans-Noordse mythologie. Men beleefde intens de juistheid van hetgeen pas langzamerhand weer door de geesteswetenschap de mensen tot bewustzijn zal komen.

Hoe werkt de luciferische invloed nu ? Hij dringt binnen in het astrale lichaam, maar werkt van daaruit op alle drie de delen van de mens in, zowel op het astrale, alsook op het etherische en op het fysieke lichaam. Voor de buitenwereld kan men alleen maar aanduidingen geven over deze luciferische invloed. Wat u steeds meer zult gaan begrijpen is dat de luciferische invloed zich drievoudig laat gelden: in het astrale, het etherische en het fysieke lichaam van de mens.

In het etherische lichaam wordt teweeggebracht wat in de mens optreedt als neiging tot onwaarachtigheid, tot leugen. Leugen en onwaarachtigheid overschrijden de grenzen van het innerlijk van de mens. In het astrale lichaam, het zuiver innerlijke van de mens, daar wordt het zelf doordrongen met de aandrift om onwaarachtig te zijn en daardoor voorbestemd tot de mogelijkheid om te liegen. In het fysieke lichaam worden ziekte en dood teweeg gebracht.

Voor degenen die aan mijn vorige cursus ("De openbaringen van het karma", GA 120 ) hebben deelgenomen zal dat gemakkelijk te begrijpen zijn. Maar hier wil ik er toch nog eens met nadruk op wijzen dat alles wat in het menselijke fysieke lichaam optreedt als ziekte en dood, karmisch verbonden is met wat we de luciferische invloed noemen. Als we dit alles nog eens kort samenvatten dan veroorzaakt Lucifer

in het astrale lichaam : zelfzucht
in het etherisch lichaam : leugen en onwaarachtigheid
in het fysieke lichaam : ziekte en dood.

Natuurlijk zullen alle materialistisch denkende mensen heel verwonderd zijn dat ziekte en dood in de geesteswetenschap teruggebracht worden op een luciferische invloed. Dat hangt namelijk ook met karma samen. Nooit zouden ziekte en dood bij de mens kunnen optreden als de luciferische invloed niet had plaatsgevonden. Juist dat is de karmische uitwerking van de luciferische invloed dat de mens dieper in het lichamelijke afdaalt en dat wordt aan de andere kant vereffend door ziekte en dood.

Wij kunnen daarom zeggen: omdat de luciferische invloed op de mens ging inwerken, werden fysiek, etherisch en astraal lichaam aangetast door ziekte en dood, leugen en onwaarachtigheid en zelfzucht. Ik zou er nog willen op wijzen dat de tegenwoordige materialistische wetenschap dezelfde verklaring geeft voor de dood van het dieren- en van het plantenlichaam als voor de dood van de mens. Deze materialistisch denkende mensen kunnen niet begrijpen dat het ene uiterlijke verschijnsel er net zo kan uitzien als het andere en toch heel andere oorzaken kan hebben.

Een uiterlijke gebeurtenis kan heel verschillende oorzaken hebben. Zo treedt de dood bij het dier niet in door dezelfde oorzaken als bij de mens hoewel het als uiterlijk verschijnsel hetzelfde is. Dit zijn dingen waarvan de kennistheoretische bewijzen veel te veel tijd zouden vergen. Feitelijk wilde ik hier alleen maar zeggen dat men er bij de toepassing van het causaliteitsprincipe behoorlijk kan naast zitten. Fouten die stammen uit zulke onduidelijkheden worden voortdurend overal gemaakt.

Bedenkt u bvb. eens het volgende: iemand is op het dak geklommen, valt naar beneden, heeft een dodelijke wond opgelopen en wordt dood aangetroffen. Wat ligt nu meer voor de hand dan te zeggen: de mens is van het dak gevallen, heeft een dodelijke wond gekregen en is aan de verwonding gestorven. Maar dit geval zou ook heel anders kunnen liggen: de mens zou daarboven door een hersenbloeding getroffen kunnen zijn en dood neergevallen zijn; de verwonding zou door de val kunnen veroorzaakt zijn zodat het geval uiterlijk juist zo zou liggen zoals het eerst geschetst is maar de dood zou door een heel andere oorzaak zijn ingetreden. Dit geval is heel scherp gesteld maar de wetenschap maakt heel vaak zulk soort fouten. De uiterlijke feiten kunnen dikwijls volkomen gelijk zijn en toch zijn de innerlijke oorzaken absoluut verschillend.

Dit willen we dus eens eenvoudig als resultaat van de geesteswetenschappelijke onderzoekingen vaststellen, dat de luciferische invloed in het astrale lichaam zelfzucht, in het etherische lichaam leugen en onwaarachtigheid, in het fysieke lichaam ziekte en dood bewerkstelligt.
Wat moest de Germaans-Noordse mythologie nu zeggen als zij aan Loki deze drievoudige werking toeschreef ? Zij moest zeggen: Loki heeft drie nakomelingen. De eerste is diegene die tot zelfzucht leidt. Dat is de Midgardslang, waarmee de invloed van de luciferische geest op het astrale lichaam wordt uitgedrukt. Het tweede is wat zich in het menselijk weten mengt als het onjuiste. Bij de mens op het fysieke plan zijn het de dingen die in zijn geest leven en niet overeenstemmen met de buitenwereld. Daar is dat wat niet waar is. Bij de noordse mensen die nog meer op het astrale plan leefden, manifesteerde zich dat wat bij ons abstracte leugen is, direct als een astraal wezen dat als zodanig op het astrale plan leefde. Alles wat verduistering is, het niet juiste zien, dat drukt zich uit in het éen of andere dier, hier in het Noorden voornamelijk in de Fenriswolf. Dat is het tweede: Loki's invloed op het etherische lichaam, die maakt dat de mens van binnenuit de neiging heeft zich te vergissen, op onware wijze over de dingen te denken. De dingen uit de buitenwereld verschijnen niet op de juiste wijze voor hem. Dat werd in de Germaans-Noordse mythologie dus als het ware uitgedrukt in een wolvengestalte. Dat is de astrale figuur voor de leugen en voor alles wat onwaarachtigheid van binnenuit is.

Maar hier waar de mens in een verhouding tot de buitenwereld komt ontmoet Lucifer Ahriman al, zodat alle dwalingen die binnensluipen in het werkelijke weten -ook in het helderziende weten- alle illusies en alle maja, het gevolg zijn van de neiging tot onwaarachtigheid die daarin speelt.

In de Fenriswolf hebben we dus de gedaante te zien die de mens in zijn omgeving heeft doordat hij de dingen niet in hun ware gestalte ziet. Daar waar voor de oude Germaans-Noordse mens iets van het uiterlijk licht van de waarheid verduistert, daar spreekt hij van een wolf. Dat geldt zo voor het hele noordse bewustzijn en u zult vinden dat dit beeld tot op de uiterlijke feiten overal in deze zin wordt gebruikt.

Als de oude noordse mens begrip wilde krijgen over wat hij zag bij een zonsverduistering -natuurlijk zag de mens toen hij nog helderziende was iets anders dan nu we de verrekijker kunnen gebruiken- dan koos hij het beeld van een wolf die de zon achtervolgt en die op het moment dat hij haar bereikt de zonsverduistering veroorzaakt.
Dat klopt volkomen met de feiten.
Deze terminologie behoort ook weer tot het grootse, ja zelfs huiveringwekkend grootse in de noordse mythologie. Ik kan deze dingen alleen maar aanduiden. Maar zelfs als we wekenlang over de noordse mythologie zouden kunnen spreken dan zouden we zien hoe dit in alle opzichten doorgevoerd is in haar voorstellingswereld. Dat komt omdat deze mythologie resultaat is van de oude helderziendheid, maar dan zo, dat het Ik overal meespeelt.

De materialistische mensen van nu zullen zeggen: maar dat is toch bijgeloof. Er is toch geen wolf die de zon achtervolgt. De oude noordse imaginatieve mens zag nu juist deze feiten in beelden en ik zou u wellicht veel zgn. wetenschappelijke waarheden kunnen noemen die meer invloed van Ahriman, grotere dwaling in zich bergen dan er zijn in de astrale aanschouwing die zegt: de wolf achtervolgt de zon.

Voor de occultist bestaat er iets wat in hogere mate bijgeloof is. Dat is dat een zonsverduistering ontstaat doordat de maan zich voor de zon plaatst. Dat is voor de uiterlijke beschouwing heel juist, even juist als de voorstelling van de wolf voor de astrale beschouwing juist is. De astrale beschouwing is zelfs juister dan die in de tegenwoordige boeken beschreven wordt, want die laatste berust nog meer op dwaling. Als de mens in plaats van deze uiterlijke feiten eens de waarheid zal kennen, dan zal hij zien dat de noordse mythe gelijk heeft. Ik weet dat ik voor de huidige opvatting iets afschuwelijk absurd zeg, maar ik weet ook dat men in antroposofische kringen al zo ver is, dat men erop mag wijzen waar juist onze op het fysieke ingestelde wereldbeschouwing het meest beïnvloed wordt door Maja, dwaling of illusie." [ ... ]


Voor de volledigheid: de derde nakomeling van Loki, die ziekte en dood veroorzaakt in het fysieke lichaam werd Hel genoemd.

*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*

.

"Ik geloof niet in God"



Als men al eens mensen tegenkomt met wie een gesprek over meer geestelijke zaken mogelijk is dan hoort men regelmatig bovenstaande uitlating. Bij de meeste mensen echter zit de materialistische wereldbeschouwing al zo diep dat een gesprek over God gewoon onmogelijk is. God of geest, dat lijkt hen al zo lang achterhaald. Ze krijgen heel vlug het gevoel of iemand hen er wil van overtuigen dat de aarde plat is. En dat terwijl de wetenschap al zo lang aangetoond heeft dat zowel het een (God) als het ander (de voorstelling dat de aarde plat is) tot het rijk der fabels behoort. Een vroegere, domme mensheid hield zich daar mee bezig, maar gelukkig heeft de beschaving dat stadium achter zich gelaten.

"Ik geloof niet in God" wordt er schouderophalend gezegd. Zelfs indien er een God zou zijn, dan nog raakt het mijn kouwe kleren niet, dat wordt er bedoeld.
Rudolf Steiner legt uit wat hier aan de hand is.


[ ... ]
" Als we de mens van vandaag geesteswetenschappelijk beschouwen, dan kunnen we zeggen dat in zijn zieleleven, voorzover het aan de ene kant met het lichamelijke leven en aan de andere kant met het geestelijk leven samenhangt, een drievoudige neiging naar de bovenzintuiglijke wereld bestaat.

Deze drievoudige aantrekkingskracht tot de bovenzintuiglijke wereld moet eigenlijk verloochend worden als men niets wil weten van de bovenzintuiglijke wereld. De mens vertoont een neiging om inzicht te verkrijgen in hetgeen men het goddelijke in 't algemeen zou kunnen noemen. Een tweede neiging heeft hij - we spreken natuurlijk altijd over de mens in zijn huidige ontwikkelingscyclus- om de Christus te leren kennen. En een derde neiging om datgene te leren kennen wat gewoonlijk de geest of ook de Heilige Geest genoemd wordt.

U weet dat er mensen zijn die deze drie neigingen verloochenen. Men heeft het tot in den treure meegemaakt, in de loop van de 19de eeuw, toen de dingen - in de Europese cultuur althans - ten top werden gedreven, dat de mensen ontkend hebben dat er ooit iets goddelijks werkzaam was in de wereld.

Nu kan men geesteswetenschappelijk de vraag stellen - aangezien de geesteswetenschap aan het goddelijke, dat om zo te zeggen in het bovenzintuiglijke woont, niet kan twijfelen:

Wat brengt een mens ertoe om het goddelijke, om datgene wat in de Drievuldigheid God de Vader genoemd wordt, te loochenen ?

De geesteswetenschap stelt vast dat telkens een mens God de Vader verloochent, dus het algemeen goddelijke in de wereld, het goddelijke dat bvb. ook in de israëlitische godsdienst erkend wordt, dat daar sprake is van een reëel, echt fysiek defect, een fysiek ziek-zijn, een fysiek mankement in het menselijk lichaam.
Atheïst zijn betekent voor de geesteswetenschapper: op een of andere manier ziek zijn.
Het is natuurlijk een ziekte die de dokters niet behandelen; ze lijden zeer dikwijls zelf aan deze ziekte; deze ziekte wordt als dusdanig niet als ziekte beschouwd door de huidige geneeskunde. Maar het is een ziekte die de geesteswetenschap in de mens vindt wanneer de mens datgene ontkent wat hij niet door zijn zieleconstitutie, maar door zijn lichaamsconstitutie moet voelen. Loochent hij wat een gezond gevoel hem ingeeft, nl. dat de wereld doorweven is met het goddelijke, dan is hij volgens geesteswetenschappelijke begrippen ziek, lichamelijk ziek.

Dan zijn er ook nog zeer veel mensen die de Christus verloochenen. Het loochenen van de Christus moet de geesteswetenschap beschouwen als iets dat eigenlijk een kwestie van het lot is en dat het menselijk zieleleven betreft. Christus verloochenen moet de geesteswetenschap een ongeluk noemen; God verloochenen een ziekte, Christus verloochenen een ongeluk.
Christus kunnen vinden is op een bepaalde manier een zaak van het lot, is op een bepaalde manier iets dat in het karma van de mens moet liggen. Het is een ongeluk om geen verhouding tot Christus te kunnen hebben.

De geest of de Heilige Geest verloochenen betekent een botheid (eine Stumpfheit) van de eigen geest.

De mens bestaat uit lichaam, ziel en geest. Hij kan in elk van de drie een defect hebben.
Bij atheïsme is er sprake van een werkelijke, fysieke ziekte.
Vindt men in het leven geen aansluiting bij de wereld die ons inzicht geeft omtrent de Christus, dan is dat een ongeluk.
De geest in zijn innerlijk niet te vinden, dat is afgestomptheid (eine Stumpfheit), in zekere zin een idiotisme, hoewel een subtieler en als dusdanig terug niet herkend idiotisme."

[ ... ]




Bron : GA 182 "Der Tod als Lebenswandlung", voordracht van 16 oktober 1918 te Zürich


*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*

.

Waarheid en vreugde

Om een goed opvoeder te zijn moet men niet alleen vakkennis hebben, maar vooral : enthousiast kunnen zijn.
De drie deelnemers tot wie Rudolf Steiner het woord richtte in de heilpedagogische cursus zullen dit voor de rest van hun leven niet meer vergeten zijn ...


[ ... ]
"Derhalve is het nodig, beste vrienden, dat als u werkelijk opvoeders wilt worden, in het bijzonder van gehandicapte kinderen, dat u dan die eerbied voor het kleine heel, heel erg bescheiden tot ontwikkeling brengt. En dat u daarvan uitgaande dan ook wederom die eerbied voor het kleine binnen de overige jeugdbeweging tot ontwikkeling helpt brengen. Dan doen zich zulke gelegenheden voor, dat er op iets kan worden gewezen, wat dan -zoals in dit geval is gebeurd- uiterlijk kan worden geverifieerd. Met het oog daarop moet ik nu uitspreken, dat ik bij ondernemingen die uit de antroposofische beweging zijn voortgekomen de grofste fouten zie maken. Ziet u, hier doet zich dus het volgende geval voor :
ik zei u dat bij dit meisje er ergens een abnormaliteit opgetreden is tussen het derde en vierde levensjaar. U hebt het nagevraagd bij de moeder en die heeft dat bevestigd.

Wat hebt u dan gedaan ? Wilt u nu eens heel eerlijk en oprecht schetsen wat u gedaan hebt toen de moeder het bevestigde ?

Zwijgen.

Wilt u nu eens heel esoterisch eerlijk zijn, jullie drie ? Wat hebben jullie gedaan ?

Zwijgen.

Als jullie het juiste hadden gedaan, dan zouden jullie zeggen : wij hebben een gat in de lucht gesprongen ! Dan zou ook nu nog de nawerking van die sprong niet alleen spreken uit jullie, maar stralen ! Dat is het : het enthousiasme bij het ervaren van een waarheid ! Dat is het wat er moet zijn. En dat is wat mij al jaren zoveel pijn doet in de antroposofische beweging dat de mensen zo vast op hun benen staan, de jonge mensen bijna even erg als de oude. Ziet u, dan was in de grond Nietzsche toch een heel andere kerel, al is hij er dan ziek van geworden. Hij liet zijn Zarathoestra een danser worden. Wordt u toch ook dansers in de zin zoals het bij Zarathoestra bedoeld is. Leeft u toch met de innerlijkste vreugde aan de waarheid ! Er is toch niets meer verrukkelijks dan het ervaren van de waarheid. Dat is iets wat een veel belangrijker en wezenlijker esoterie is dan al wat daar met lange gezichten rondloopt. Dit innerlijk beleven van de waarheid, dat is iets wat moet voorafgaan, lang voorafgaan aan al het overige zich-aanpraten van een missie.”


*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
Terug naar de inhoudstafel