|
De Brug 6 van december 1994 Waarheid en verdraagzaamheid
[...] "Geweldig, zinvol is de gang van de mensheidsontwikkeling. Iedere mensengroep heeft haar opdracht. Wat in het derde en vierde onderras noch als mythen en sagen voortleeft, de herinnering aan de oertijd, aan de godenwereld, daar heeft onze huidige mensheid niets meer van, zij heeft enkel nog de fysieke wereld. Met haar verschijnen op het fysische plan heeft de mensheid de samenhang met de godenwereld verloren; voor haar bestaat alleen nog maar de fysieke wereld. De antroposoof is geen reactionair, hij weet dat deze materiële tijd een noodzaak was. Juist zoals bij dieren die in grotten gaan leven bepaalde organen zeer sterk ontwikkelen en het gezichtsvermogen verkommert, zo geschiedt het overal in de geestelijke en zintuiglijke wereld: waar het ene vermogen zich ontwikkelt wordt het andere teruggedrongen. Het helderziend talent en de kracht van de herinnering moesten teruggedrongen worden opdat het fysieke zien zich zou kunnen ontwikkelen. Toen de mens leerde om de uiterlijke wereld te beheersen door natuurwetten moest hij de kracht van het geestelijk zien opofferen. Hoe gans anders zag men niet vroeger ! Copernicus bvb. heeft de mensheid van haar oude dwaling afgebracht als zou de aarde stilstaan. Volgens hem was het verkeerd om aan te nemen dat de zon rond de aarde draaide. Kepler en Galileï ontwikkelden deze leer verder. En toch hebben ze alletwee gelijk, zowel Copernicus als Ptolemeaus; het komt slechts op het standpunt aan dat men inneemt. Bekijkt men het zonnestelsel niet vanop het fysieke, maar vanop het astrale plan, dan is het ptolemaeïsche systeem het juiste. Daar staat de aarde in het middelpunt en alles draait zoals de antieke wereld het beschreef. Men moet zich slechts herinneren dat op het astrale plan alles omgekeerd verschijnt. Het ptolemaeïsche systeem is dus geldig op astraal niveau, het copernicaanse op het fysieke niveau. In de toekomst zal er nog een gans ander wereldbeeld ontstaan. Gewoonlijk denkt men dat Copernicus maar twee zaken aangetoond heeft: dat de aarde rond haar as draait en dat ze rond de zon draait. Men overziet dat hij nog een andere beweging aangetoond heeft, dat nl. het ganse systeem in een spiraal voortbeweegt. Dat blijft liggen tot de mensheid in de toekomst daar eens zal op terugkomen* . Copernicus stond aan de grens en droeg nog veel van het oude in sterke mate in zich.
Er bestaat geen absolute waarheid; iedere waarheid heeft haar missie op een bepaald ogenblik. En als we vandaag van antroposofie spreken, dan weten we dat we, als we opnieuw geboren worden, iets gans anders zullen horen en op een gans andere manier tot elkaar zullen staan. Kijken we eens terug op tijden waar we misschien reeds eens samengeweest zijn ergens in een streek in Noord-Europa, waar mensen zich rond een druïdenpriester verzamelden die hen de waarheid in de vorm van mythen en sagen vertelde. Hadden we hem toen niet toegehoord en had hij niet onze zielen gevormd, dan zouden we nu niet verstaan wat ons de antroposofie in een andere vorm als waarheid brengt. En als we weer eens terugkomen dan zal er terug in een andere vorm gesproken worden, een hogere vorm. De waarheid ontwikkelt zich zoals al het andere in de wereld Zij is de vorm van de goddelijke geest, maar de goddelijke geest heeft vele vormen. Als wij ons doordringen met dit karakter van de waarheid, dan verkrijgen we een gans andere verhouding tot haar. We prenten ons in: we leven wel in de waarheid, maar die kan de meest verschillende vormen hebben-. Dan zullen we ook met andere ogen naar de huidige mensheid kijken. We gaan niet zeggen dat wij de absolute waarheid bezitten, maar we zeggen: "kijk, deze mensenbroeders staan nu op een standpunt waar wij ook eens gestaan hebben". Wij hebben de plicht om in te gaan op wat de andere zegt; we moeten hem enkel duidelijk maken dat we hem respecteren op de waarheidstrap waar hij nu staat. Wij strijden niet tegen de mensen, maar proberen met hen te leven. De moderne mensheid heeft de vrijheid van persoonlijkheid ontwikkeld. De antroposofie zal vanuit dit principieel inzicht over de waarheid een innerlijke verdraagzaamheid koesteren. De liefde staat hoger dan de mening. De meest verschillende meningen verdragen zich als de mensen van elkaar houden. Het heeft derhalve een diepe zin dat in de antroposofische wereldbeschouwing geen enkele godsdienst aangevallen of speciaal gepropageerd wordt. Ze worden allemaal begrepen en zo kan er een broederbond ontstaan omdat de aanhangers van de meest verscheiden godsdiensten elkaar verstaan. Dat is een van de belangrijkste opgaven voor de mensheid van nu en van de toekomst: dit met-elkaar-leven, dit elkaar-verstaan. En zolang deze menselijke gemeenschapsstemming er niet komt kan er van een occulte ontwikkeling geen sprake zijn. * * * * * * * * * * *
* * * * * * * * * * *
Antroposofie in vraag en antwoord
1) Welke betekenis hebben mededelingen van een helderziende voor mensen die de hogere werelden zelf niet kunnen schouwen ?
Ik verwijs hier naar de mooie woorden van een jonge tijdgenote die door haar levensloop in brede kringen bekend is geraakt: Helen Keller. Zij werd blind en doof toen ze twee jaar was. Op haar zevende was dit mensenkind nog altijd een soort dier. Een liefdevolle ziel, een geniale leerkracht trok zich haar lot aan, en vandaag behoort Helen Keller, nu 26 jaar, tot de meest ontwikkelde personen van haar volk. Ze is doorgedrongen tot de wetenschappen en is ontzettend belezen; ze is vertrouwd niet alleen met de klassieke en moderne dichters, maar ze kent en studeert ook de filosofen zoals Plato, Spinoza enz. En hoewel de wereld van licht en klank voor haar ontoegankelijk is, koestert ze een aangrijpende levensmoed en innige vreugde over de schoonheid en heerlijkheid van de wereld. Enkele zinnen uit haar boek over "Optimisme" prenten zich diep in onze ziel. Ze zegt:" Om mij was er jarenlang nacht en duisternis, toen dook er plots een ziel op die mij onderrichtte, en in de plaats van nacht en duisternis kwam er vrede en hoop". Een ander citaat:" Door denken en voelen heb ik mij de hemel veroverd".
De belangrijke denker Subba Row heeft hierop een mooi antwoord gegeven. Hij zegt:" De ene bereikt het in zeventig incarnaties, de andere in zeven incarnaties, de ene in zeventig jaar, de andere in zeven jaar, nog een andere op zeven maanden, op zeven weken, op zeven dagen, op zeven uren". Dit schouwend vermogen kan ook komen zoals de Bijbel zegt:" Als een dief in de nacht". Ieder geestelijk oog kan geopend worden als de mens maar de nodige energie en het geduld heeft.
Behalve de fysieke wereld die wij allen kennen, kan de helderziende schouwen in de
- zielewereld of astrale wereld, en de
De leerling die zintuigen voor de astrale wereld gekregen heeft, geraakt vooreerst in verwarring, want wat daar opduikt is niet goed te vergelijken met iets uit de zintuiglijke wereld. Hij moet vele dingen opnieuw leren. De astrale wereld wordt gekenmerkt door een reeks eigenschappen. Een vewarrende eigenschap voor de leerling is vooral dat de dingen omgekeerd, als een spiegelbeeld verschijnen, zodat hij zich moet gewoon maken om ze anders te bekijken. Hij moet bvb. leren om getallen van achter naar voor te lezen. Als wij een 3, een 4, een 5 zien staan, dan lezen wij 345; in de astrale wereld moeten wij 543 lezen. Alles keert zich om. Dat is zeer belangrijk om te weten.
Er bestaat een occulte regel die nu bekend mag worden : iedere leugen is in de astrale wereld een moord !
Hoe lichtzinnig spreken de mensen: och, dat is maar een gedachte, een gevoel, dat blijft in de ziel, een oorveeg mag ik niet geven, maar een gedachte, dat doet geen kwaad. Er is geen onwarer spreekwoord dan : de gedachten zijn tolvrij; want iedere gedachte, ieder gevoel is een realiteit, en als ik denk dat iemand een slecht mens is, of ik zie hem niet graag, dan is dat voor wie de astrale wereld kan zien als een pijl, als een bliksem, die op het astraallichaam van de ander afgaat als een geweerkogel en het beschadigt. Ieder gevoel, iedere gedachte is een wezenheid, een vorm in de astrale wereld, en voor wie kan schouwen in deze wereld is het dikwijls veel erger om te moeten aanzien hoe iemand slechte gedachten over zijn medemens heeft, dan om te zien hoe hij hem fysiek kwetst. Zegt men over iemand een waarheid, dan ontstaat er een gedachtenvorm die de ziener naar vorm en kleur herkent en die het leven van de naaste versterkt. De gedachte die een waarheid bevat, richt zich naar het wezen waar ze betrekking op heeft en beïnvloedt het gunstig. Als ik dus een waarheid denk over mijn medemens, dan versterk ik zijn leven. Zeg ik een leugen over hem, dan laat ik een vijandige kracht naar hem stromen die vernietigend, ja dodend werkt. Daarom is iedere leugen een moord. Iedere waarheid bevordert het leven, iedere leugen remt het leven. Wie dat weet zal zich meer in acht nemen wat betreft leugen en waarheid als iemand tegen wie men alleen maar preekt dat hij altijd lief de waarheid moet zeggen.
De astrale of zielewereld is hoofdzakelijk de wereld van vormen en kleuren. De geestelijke of devachanwereld is die van tonen, de sferenmuziek zoals Pythagoras hem beschreef.
Na deze vier gebieden staat men aan de grens van de geestelijke wereld. Zoals ons 's nachts de hemel verschijnt als een holle bol, omgeven door een sterrenkrans, zo is het met de grens van het devachan. Het is een betekenisvolle grens, ze heet "Akasha-kroniek". Alles wat de mens ooit gedaan en bewerkt heeft, zelfs als het niet door de geschiedenisboeken vermeld wordt, het blijft ingeschreven in dat onvergankelijke geschiedenisboek aan de grens van het devachan, de Akasha-kroniek. Daar kan men alles te weten komen wat ooit door bewuste wezens in de wereld verricht werd. Wil de ziener bvb. iets weten over Caesar, dan neemt hij ergens een kleinigheid uit de geschiedenis als houvast, om een vast punt te hebben waarop hij zich kan concentreren. Dat is geestelijke arbeid : dan verschijnen rond hem beelden van alles wat Caesar deed, wat in diens omgeving gebeurd is, hoe hij zijn legioenen geleid heeft, veldslagen gevoerd heeft, overwinningen behaald heeft. * * * * * * * * * * *
Ben ik een goede antroposoof ?De flipperkastproef In het flipperspel, ons allen welbekend, wordt een balletje in het spel gebracht. Het gaat erom dit balletje zoveel mogelijk te laten botsen met de verende buffertjes. Hoe meer het botst, hoe meer punten dat oplevert. Het spel is gedaan als het balletje verdwijnt in het gat. Dan heeft men een nieuw balletje nodig.
We kunnen een sociale entiteit (familie, werkgemeenschap, volksgemeenschap) ook beschouwen als een flipperkast : de buffertjes stellen dan mensen voor, het balletje een sociale interactie. Als het laatste (voorlopig nog altijd) het geval is, dan is er werk aan de winkel: we kunnen Rudolf Steiner toch niet teleurstellen ?
* * * * * * * * * * *
Over het kamaloka
De gebeurtenis op het einde van ons leven die men gewoonlijk de dood noemt, is in feite alleen maar het afsterven van ons fysieke lichaam. De andere wezensdelen maken zich ervan los en het wordt overgeleverd aan de elementen van de aarde: het vergaat. [...] "Het bewustzijn van de mens in zijn aardse leven hangt af van zijn zintuigen. Na de dood verandert zijn bewustzijnstoestand. Om ons daar een idee te kunnen van vormen, moeten we ons voorstellen dat alle zintuigen één na één wegvallen : duisternis treedt in na het verlies van de ogen, toonloosheid na het verlies van de oren, koude of warmte is er ook al niet meer na het verlies van de betreffende zintuigen. Wat blijft er dan over van al hetgeen de ziel vervult, van het dagbewustzijn, van wat we van 's morgens tot 's avonds via het lichaam beleven ? De ziele-inhoud. Als we ons dit duidelijk maken, dan begrijpen we hoe de levenstoestand na de dood is, nadat we ons fysiek lijk en ons etherisch lijk achtergelaten hebben. Men noemt deze toestand Kamaloka, d.i. begeertenoord. Maar dat is geen plaats ergens daarbuiten, neen, waar we nu zijn, daar is ook kamaloka, voortdurend zweven rond ons en leven rond ons de geesten van de afgestorvenen. Hun aanwezigheid wordt echter door een fysieke mens niet opgemerkt.
Wat wordt een dode nu gewaar ?
Hoe komt dit na de dood in de ziel tot bewustzijn ?
Waarom moet de ziel deze pijn lijden ?
Waaruit bestaat het leven in het kamaloka ?
Wat is de zin daarvan ?
Enkele aspecten van het kamaloka-leven moeten we nog belichten omdat ze bijzonder belangijk en leerrijk zijn.
Van alle gevoelens die een mens tijdens zijn leven heeft, is vooral het eigenlijke levensgevoel belangrijk, de levensvreugde, het gevoel van te bestaan, van in een fysiek lichaam te zitten. Daarom is het één van de grootste ontberingen om geen fysiek lichaam meer te hebben. Daardoor verstaan we het verschrikkelijk lot en de ontzettende kwellingen van de ongelukkigen die door zelfmoord het leven verlaten. Bij een natuurlijke dood gebeurt de scheiding van de drie wezensdelen tamelijk gemakkelijk. Zelfs bij een hartstilstand of een andere snelle manier van sterven is deze scheiding van de hogere wezensdelen in werkelijkheid reeds lang voorbereid. Ze scheiden gemakkelijk en men voelt het ontbreken van een fysiek lichaam maar als een klein gemis. Maar bij een gewelddadige plotselinge scheiding van het lichaam, zoals bij een zelfmoordenaar, bij wie nog alles gezond is en vast samenhangt, daar treedt onmiddellijk na de dood en sterk gemis van dit fysiek lichaam op dat een vreselijk lijden veroorzaakt. Het is een verschrikkelijk lot ! De zelfmoordenaar voelt zich uitgehold en begint een afgrijselijke zoektocht naar het fysieke lichaam dat zo plots verdwenen is. Niets laat zich daarmee vergelijken.
Dat is een begoocheling, want juist de zelfmoordenaar hangt te zeer aan het leven. Het is maar omdat het leven hem de genoegens die hij gewoon is, niet meer biedt, omdat het leven hem misschien door veranderde omstandigheden veel ontzegt, dat hij in de dood gaat, en daarom is voor hem het gemis van een lichaam onbeschrijfelijk groot.
Maar niet voor iedereen is het kamaloka-leven even zwaar. Voor wie weinig aan materieel genot hing, is de ontwenning, de ontbering natuurlijk niet zo zwaar. Maar ook hij moet volledig van zijn fysieke leven loskomen, want het kamalokaleven heeft nog een andere zin.
Hoe lang blijft de mens nu in het kamaloka ?
Wat gebeurt er dan ?
Dat is ook iets dat in spiritistische seances kan verschijnen. Dit astrale lijk blijft nl. dikwijls lang bestaan en kan via een medium van zich laten horen. Vaak geloven de mensen dan dat het de gestorvene zelf is, terwijl het slechts zijn astrale overblijfsel is. Als een omhulsel bevat dit zijn lagere driften en gewoonten. Het kan antwoord geven op vragen, het kan inlichtingen geven, het kan even intelligent praten en zijn als de lagere mens intelligent was. Het is een oorzaak van vele verwisselingen. Een eclatant voorbeeld daarvan is de brochure van de spiritist Langsdorff, waar hij beweert contact te hebben gehad met Helena Blavatsky. De idee van reïncarnatie werkte nl. op Langsdorff als een rode lap op een stier. Hij zou alles bewogen hebben om deze leer te weerleggen. Hij haat Blavatsky omdat zij deze leer openbaar maakte en verspreidde. Nu bericht hij in deze brochure dat hij contact gezocht heeft met de geest van Blavatsky, en dat deze hem niet alleen meedeelde dat de reïncarnatieleer fout is, maar ook hoe zeer het haar speet om deze leer verspreid te hebben.
Dat kan allemaal echt gebeurd zijn, alleen: Langsdorff heeft geen contact gehad met Blavatsky, maar met haar lager astraallichaam. En dat dit lagere astrale overblijfsel van Blavatsky zo antwoordde is zeer goed begrijpelijk als men weet dat zij in de eerste periode van haar ontwikkeling, in het boek "Isis ontsluierd", werkelijk de reïncarnatieleer verwierp en bestreed. Achteraf kwam zij tot een hoger inzicht, maar haar dwaling bleef bij haar astrale lijk.
Dit derde overblijfsel, de astrale omhulling, lost geleidelijk op, en het is belangrijk dat het volledig opgenomen is in de astrale sfeer, als de mens voor een nieuwe incarnatie terugkomt. In de meeste gevallen gebeurt dat ook. Maar er zijn uitzonderingen, waar een mens te vlug reïncarneert, vooraleer zijn astrale lijk opgelost is. De mens geraakt in een moeilijke situatie als hij bij zijn wedergeboorte zijn eigen astraal lijk terugvindt dat nog alle onvolkomenheden uit zijn vorig leven bevat. Vóór hij geboren wordt bouwt de mens zich een nieuw astraallichaam op, maar het oude verbindt er zich mee, en de mens moet het meeslepen door zijn leven. Het oude astraallichaam treedt in boze dromen of visioenen voor hem als een tweede Ik en begoochelt, kwelt en pijnigt hem. Dat is dan de onberechtigde, valse "Wachter op de drempel". Dit oude astraallichaam treedt gemakkelijk uit de mens uit, omdat het niet vast met de andere wezensdelen verbonden is, en verschijnt dan als een dubbelganger".[...] * * * * * * * * * * *
Mikrokosmos en makrokosmos
Behalve een fysiek lichaam bestaat de mens ook uit een etherlichaam, een astraallichaam en een Ik, zijn zgz. wezensdelen. Alleen het eerste is tastbaar, materieel, de overige zijn onzichtbaar en dragers van de menselijke ziels- en geesteseigenschappen. Men moet niet denken dat ze daarom hoger te schatten zijn dan het fysieke lichaam, integendeel, het fysieke lichaam is het meest perfecte van de menselijke wezensdelen, want het heeft de langste ontwikkeling achter de rug. Die ontwikkeling begon reeds in een evolutiestadium van de aarde dat we Saturnus noemen (de planeet met dezelfde naam die we heden ten dage aan de hemel zien is een herinnering aan dat stadium). Rudolf Steiner gaat uitgebreid in op deze evolutie, o.m. in "De wetenschap van de geheimen van de ziel".
Nog meer in detail gaat hij in GA 110 :"Geistige Hierarchien und ihre Widerspiegelung in der physischen Welt". Daar heeft hij het ook over het verband tussen de dierenriem en het menselijk lichaam: het menselijk lichaam weerspiegelt de omringende kosmos, we kunnen de mens een mikrokosmos noemen waarin de geheimen van de makrokosmos verborgen zijn. Achter wat we aan de hemel zien als een teken van de dierenriem is een geestelijke macht werkzaam. Deze geestelijke machten, wezens uit de hiërarchieën, werken elk in op een ander aspect van de ontwikkeling van mens en aarde. In astrologische handboeken vindt men voor ieder sterreteken één of enkele organen aangegeven, maar het waarom van dit verband, daar heeft men het raden naar. Daarom dit uittreksel.
We vertaalden een deel van de achtste voordracht, een soort conclusie. De uiteenzettingen die eraan vooraf gaan zijn eerder gecompliceerd en daardoor niet samen te vatten, de liefhebber moet ze zelf maar nalezen.
"Van wat we vandaag het fysieke lichaam noemen werd de eerste kiem gevormd tijdens de vroegste vorming van Saturnus. Het fysieke lichaam was toen nog niet doortrokken van een etherlichaam, noch van een astraallichaam, maar kreeg toch reeds mee wat later, na vele omvormingen de drager van de huidige mensenwezenheid zou worden. Zeer traag en geleidelijk werd de kiem van het menselijk fysiek lichaam gelegd tijdens de oude Saturnusontwikkeling, en doordat de oude Saturnus zelf gevormd werd, wentelend langs de afzonderlijke tekens van de dierenriem, ontstond telkens de kiem van een ander deel van dat lichaam.
Toen Saturnus in het teken van de Leeuw stond, werd de kiem van het hart gevormd. De aanleg van de ribbenkast: in het teken van de Kreeft. Het plan voor een symmetrische bouw, zodat de mens er langs twee kanten gelijk uitziet, ontstond in het teken van de Tweelingen. En zo kunnen we stuk voor stuk het mensenlichaam nagaan. Kijken we naar dat deel van de dierenriem waar de Ram staat, dan kunnen we zeggen: toen de oude Saturnus op die plaats stond werd het bovendeel van ons hoofd aangelegd. De kiem van ons spraakorgaan kregen we mee toen Saturnus in Stier stond. En als u zich de mens aldus opgedeeld voorstelt, dan kunt u buiten in de dierenriem de scheppende krachten zien die instaan voor de leden van de mens.
In de oude mysteriën heeft men dat voorgesteld zoals hier op het plafond van de zaal. We bevinden ons toevallig, zoals men zegt -toeval bestaat echter niet- in een zaal die met een dierenriem versierd is. Men beeldde de dierenriem vroeger niet af, uiteengelegd in de verschillende dierfiguren, maar men tekende in de betreffende regionen het overeenkomstige deel van het menselijk lichaam: het hoofd in Ram, het strottenhoofd in Stier; dat wat het best de symmetrie uitdrukt, de armen, in Tweelingen; de ribbenkast in Kreeft, het hart in Leeuw; en zo ging men verder tot de onderbenen in Waterman en de voeten in Vissen. Denkt u zich dus zo'n dierenriem als mens in de kosmos getekend, dan hebt u wat uit de kosmos, d.i. uit de betreffende krachten van de hiërarchieën van Thronen, Serafijnen en Cherubijnen de oorspronkelijke aanleg geschapen heeft voor het menselijke fysieke lichaam. Dat is de grote kosmische mens, de mens die door alle wereldsagen en wereldmythen gaat, en waaruit de afzonderlijke mens gevormd werd in de meest verschillende gestalten. Denkt u aan de reus Ymir die uitgebreid is in de grote kosmos, want de mikrokosmische mens wordt gevormd uit de reus. U vindt hem overal, de grote makrokosmische mens, die daar schepper is, die daarbuiten alles bevat wat de mens in zijn binnenste heeft. Want aan de basis van zulke voorstellingen ligt een diepe waarheid, een waarheid die naargelang het helderziend vermogen van de verschillende volkeren min of meer gebroken tevoorschijn treedt. Ze treedt ook tevoorschijn in de wijsheid die in het Oude Testament uitgedrukt wordt. Ze treedt tevoorschijn in de wijsheid die als Oudhebreeuwse geheime leer steunt op de geheime leer die aan de basis ligt van het Oude Testament: in Adam Kadmon van de Kabbala. De makrokosmosche mens is geen andere dan de mens die we hierjuist in de kosmos getekend hebben. we moeten er ons slechts op de juiste manier een voorstelling van maken.
De leer van de makrokosmische mens zoals we die hier nu ontvouwd hebben, is een leer die inderdaad de diepste wereldgeheimen bevat, een leer die beetje bij beetje in de algemene mensencultuur zal instromen. Men is er vandaag nog ver van verwijderd om deze leer te verstaan, want indien iemand die maar een gewone geleerde is, deze voordrachten beluisterd zou hebben, dan zou hij het publiek waarschijnlijk voor iets anders gehouden hebben dan voor snuggere mensen. Men is er tegenwoordig zeer ver van verwijderd, van het begrijpen van zulke zaken. Maar we staan aan het beginpunt van een tijd waar de feiten die niet in overeenstemming te brengen zijn met de theorie-fantasieën van de huidige wetenschap de mensen ertoe zullen aanzetten om de weg te zoeken naar de grote waarheden van de wereldwijsheid.
En men zal nooit achter het geheim van bvb. het conceptiegebeuren komen, waarover de mensen nu zo kinderlijk speculeren, vooraleer men niet kan vruchtbaar maken de leer van de makrokosmische mens. Precies datgene wat zich als een reëel mysterie afspeelt en wat zich als een echt mysterie onttrekt aan instrumenten en werktuigen, dat zal zijn verklaring krijgen als om zo te zeggen het kleinste punt van het onderzoek. Want hoe klein is niet de cel waarin zich de bevruchting voltrekt, vergeleken met de kosmos ! Maar enkel en alleen de geheimen van de grote kosmos zullen openbaar maken wat in de kleinste cel gebeurt. Niets anders kan de geheimen van dit gebeuren in de cel verklaren. In verband met het probleem van de bevruchting zijn de onderzoeken van de uiterlijke wetenschap niet zinloos, ze hebben een bepaalde verdienste. Ze zijn echter allemaal kinderspel, vergeleken met het grote mysterie dat bestaat en alleen kan ontraadseld worden als men zal inzien dat de antwoorden over hetgeen in een punt ligt, op de omtrek moet worden gezocht. Daarom zei de oude mysterieleraar : wilt ge het punt begrijpen, onderzoek de omtrek, want die bevat de oplossing. Dat is het waarop het aankomt: dat men het punt slechts begrijpen kan als men de omtrek begrepen heeft."[...]
![]()
* * * * * * * * * * *
Van mens tot mens, de drempel van de geestelijke wereldHet Franse antroposofisch tijdschrift "Tournant" verschijnt maandelijks (sinds en bevat vele interessante artikels. In het nummer van januari 1994 dat gewijd was aan het fenomeen man-vrouw, schreef de hoofdredacteur, Michel Joseph, een artikel met als titel: "La rencontre des êtres et le seuil du monde spirituel". We vertaalden deze tekst en drukken hem af met toestemming van de auteur.
De drempel is de smalle doorgang tussen de zintuiglijke wereld en de bovenzinnelijke. De mens passeert hem niet uitsluitend bij de geboorte en de dood, want deze drempel begeleidt ons onzichtbaar gans ons leven. Niet alleen overschrijden we hem iedere dag bij het inslapen en het ontwaken, maar op begenadigde momenten en kritische ogenblikken in ons bestaan zien wij onszelf eveneens -bewust of niet- voor deze drempel staan. In het bijzonder is iedere ontmoeting van mens tot mens een overschrijden van de drempel. Wat is dit overschrijden van de drempel ? Het is vooral een inwijdingsbelevenis: allerhande zaken, zelfs als ze vroeger vertrouwd waren, komen in een nieuw licht te staan en onthullen ons aspecten die we tot dan toe niet kenden. Zaken en wezens beginnen hun geheime taal te spreken, ze krijgen een innerlijk, ze treden in samenklank met onszelf door hun innerlijk. Een groot deel van wat men bovenzinnelijk waarnemen noemt bestaat precies daaruit: allerhande verbindingen worden duidelijk, banden tussen de delen en het Al, tussen de microkosmos en de macrokosmos. Nochtans kan ons gewoon lager Ik deze drempel niet zomaar overschrijden, het wordt er streng van verwijderd gehouden - daarom ook laat onze normale bewustzijnstoestand geen herinneringen toe van wat we beleven tijdens de slaap als we ons buiten ons lichaam bevinden. Om bewust deze drempel te benaderen moet een ander Ik gewekt worden, een Ik dat veel omvattender is dan het gewone Ik, maar dat toch evenzeer Ik is; een groter Ik dat om zo te zeggen het omgekeerde van het andere is, want het is oneindig, terwijl het lager Ik in het hier en nu leeft. De meditatie is nu precies wat ons toelaat om beetje bij beetje van het lager Ik op te stijgen naar het hoger Ik. Door de meditatie maken we kennis met de activiteit die in de gedachte leeft, van het punt gaan we naar de omtrek. Maar dat het voor het lager Ik onmogelijk is om de drempel van de geestelijke wereld te overschrijden heeft tot gevolg dat het naderen van de drempel noodzakelijkerwijs samengaat met een louteringsproces. De geestelijke wereld beschermt zich tegen het binnendringen van het lager Ik door zijn spiegelwerking. Deze spiegel is de drempel, en wij kunnen slechts zien wat er aan de andere kant is voorzover we de beelden die hij weerkaatst kunnen omvormen. Daarom is de moeilijkste beproeving voor wie de drempel nadert de ontmoeting met zijn eigen beeld. Dit beeld stelt het lager Ik voor in al zijn bewuste en onbewuste dimensies en met al wat er nog niet perfect is. Wat deze ervaring zo onverdraaglijk maakt is dat, in tegenstelling tot de gewone wereld, het beeld hier een zelfstandige werkelijkheid verkrijgt, begiftigd met leven en uitdrukking. Men noemt het daarom de dubbelganger of de kleine wachter aan de drempel, want dat is de taak die hem toebedeeld is. De beproeving van de wachter aan de drempel betekent dat men, vooraleer te passeren, zijn moed moet samenrapen om het beeld te aanschouwen van al wat ons gevangen houdt, en om daarenboven te beginnen met om te vormen wat ons getoond wordt door de wachter. Deze eerste karakterisering van de drempel laat ons nu toe om te begrijpen wat we in 't begin zeiden, nl. dat iedere inter-individuele ontmoeting een overschrijden van de drempel betekent. Want wat gebeurt er in feite als we bvb. in een gesprek iemand tegenover ons hebben ? Allerlei zaken doen zich over en weer voor, bewust en onbewust, en een groot aantal van deze zaken raken eventjes zeer vlug het bewustzijn, zonder dat we er in de meeste gevallen in slagen deze zaken vast te houden, dat zouden we zelfs niet willen. Wij willen dat niet omdat juist de andere voor ons het raadsel van de Sfinks is, voor ons en onze gewoontes, voor ons lager Ik, een gevaarlijk en storend raadsel. Wij zien dit reeds waar het om een eenvoudige beroepsrelatie of om een persoon gaat waar we geen speciale band mee hebben. In dat geval zijn er sociale omgangsvormen, beleefdheidsformules, al wat ons toelaat om aan de oppervlakte te blijven. Want een stap verder zetten naar de ander, hem echt bekijken, zou betekenen dat wij ook aan hem het recht toekennen om ons te bekijken, en misschien reeds om ons echte vragen te stellen. Is er hier geen sprake van een spel van weerkaatsing en projectie ? Ik houd de ander binnen de perken door te letten op wat hij van mij weerkaatst, en daar is het essentieel voor mijn gemoedsrust dat de weerkaatsing conventioneel blijft. En nochtans, terzelfdertijd dat dit spel zich voordoet zonder dat we er echt weet van hebben, komt er een andere ervaring in ons op. Het is een zeer scherpe ervaring, een onmiddellijk waarnemen van de ander, een waarneming die veel verder reikt dan wat we op dat moment horen en zien. Het is iets als een "eerste indruk" die, ver van ons innerlijk onverschillig te laten, in ons een menigte reacties en weerklanken oproept. Het resultaat is die onredelijke gewaarwording van sympathie of antipathie, een beetje alsof ons innerlijk verwarmt of verkilt door in het innerlijk van de ander te treden. Over 't algemeen, als men die persoon dan vaker tegenkomt, zal men deze eerste indruk totaal opzij schuiven om zich open te stellen voor de verschillende aspecten van zijn persoonlijkheid. Maar dikwijls doet zich vroeg of laat een situatie voor waar men de eerste indruk in zijn geheel terugvindt en tot zijn verbazing vaststelt dat deze op veel vlakken overeenstemde met de realiteit. Dat betekent dat daar werkelijk sprake was van een reële, zeer diepe waarneming, maar die zich desondanks inkleedde, vertaalde in onze eigen subjectiviteit. Men heeft dus gelijk als men op zijn hoede is voor een eerste indruk, want deze komt overeen met een geestelijke waarneming die bang is om zich te tonen, en daarom spiegelt hij zich in wat bij ons subjectiviteit is. M.a.w. tegenover een mens die we voor 't eerst ontmoeten bevinden we ons werkelijk voor de drempel: de totale perceptie van het ziele-geestelijk wezen van de ander -en deze perceptie gaat zeer ver, zelfs tot aan het aanvoelen van vroegere levens- stroomt naar ons toe vanachter de drempel, maar ervoor plaatst zich onmiddellijk ons eigen Ik, of liever onze dubbelganger. En deze laatste verandert de zuiver geestelijke perceptie in de subjectieve indrukken van sympathie en antipathie, hij filtert het beeld van de ander door zijn eigen beeld, met als resultaat dat hetgeen vluchtig opduikt in ons bewustzijn eerder een waarneming wordt van de interactie van de twee dubbelgangers. In iedere ontmoeting schuilt er dus een machtig geestelijk beeld, en we zouden zeer ver geraken als we door meditatie zouden verdiepen wat daar bovenkomt. Maar ook daar hebben we te maken met de drempel: dit verdiepen kan maar tot iets objectief leiden als het egoïsme voorafgaandelijk werd gelouterd, t.t.z. als we moedig genoeg zijn om onze eigen dubbelganger te confronteren die er wil tussen komen, als we hem om zo te zeggen transparant maken. Hem doorschijnend maken wil niet zeggen uitschakelen -hoe zouden we hem dan nog kunnen omvormen ?- maar hem zijn plaats wijzen. Deze omvorming is in zich een opstijgen van het lager Ik naar het hoger Ik, het kosmisch Ik. We kunnen nu verder gaan en de liefdesrelatie bekijken en de relatie met het andere geslacht. Dat is een nog complexer gebied, maar hiervan weet ieder dat liefde en kennis er tegenover elkaar staan. Men meent algemeen dat liefde eenvoudigweg tot het domein van de gevoelens behoort, net zoals de kennis met het denken samengaat. Dat is maar gedeeltelijk waar. Om goed te begrijpen waar het om gaat moet men de tegenstellingen in het menselijk wezen duidelijk maken en de beweging van deze polariteiten overdenken. De eerste polariteit is die van liefde-kennis. Beminnen is samensmelten met de ander, branden met hem in het vuur van het leven. Kennen integendeel, dat is afstand nemen, zich afsluiten van wat buiten is, het universele leven afstoten om er zich buiten te plaatsen. De eerste pool heeft vooral te maken met de krachten van het leven, het gebied van de wil, overal aanwezig in het heelal. Zich er totaal aan overgeven zou betekenen dat men zichzelf verliest, dat men het bewustzijn van te bestaan verliest. De tweede pool is de antithese van het leven en dat maakt dat de bewustzijnspool identiek is aan de pool van de doodskrachten: bewustzijn vernietigt het leven, wat zelfs fysiologisch reeds waar is. Het grote drama van de mensheid is dat zij in deze twee onverzoenlijke polen opgedeeld is, die nochtans in ieder van ons naast elkaar bestaan. De bijbelse mythe van de twee bomen, die van de kennis en die van het leven, is een kosmische herinnering aan het statuut van de mens als sterfelijk-onsterfelijk wezen. Sindsdien is gans de geschiedenis van de ontwikkeling van de mensheid een illustratie van de steeds hernieuwde pogingen om deze polen te verenigen. Maar waar er een polariteit bestaat, daar schept de tegenstelling tussen de uitersten altijd een derde centrum, een bemiddelingspool tussen deze uitersten. Ook bij de mens vindt men die terug, het is wat men noemt het gevoel, en die men beter zou noemen: de pool van het ritme, van hart en longen, het echt midden van ons wezen. Hier ontmoet het denken de wil, de levenskrachten en de doodskrachten vermengen zich, en het mirakel van het evenwicht komt tot stand. Kennen betekent hier: in het hart doen samenkomen het bewuste denken dat uit het hoofd, het doods aspect komt, met de levenskrachten die opstijgen uit de rest van het organisme. Beminnen is hier: doen samensmelten in het centrum de liefdeskrachten uit de levenspool met de denkkrachten uit de "doodspool". Kennen en beminnen worden hetzelfde want alletwee verenigen ze in het midden van het wezen wat van onder en wat van boven komt. Dat leidt ons naar een tweede fundamentele polariteit, die van de geslachten. De oude kosmogonieën vertellen ons dat het teken van de dierenriem dat zowel de dood als de sexualiteit voorstelt, het teken van de schorpioen, vroeger een arend was. De arend die met zijn doordringende blik alle dingen overschouwt, heeft zijn vleugels verloren en is de schorpioen geworden die nauwelijks over de bodem ziet en zich pantsert. Dat is de geschiedenis van de zondeval: het kennen was kosmische wijsheid, levensdoordrongen - ze heeft zich in het binnenste teruggetrokken, in de hersenen, en tegelijkertijd verschenen de twee geslachten. Het verstandelijk denken is even oud als de geslachtelijke voortplanting, ze hebben dezelfde oorsprong. De sexualiteit, net zoals het bewustzijn, komt voort uit het ontstaan van de pool van de doodskrachten. Maar de grote paradox die ons bestaan op aarde zeer grondig tekent, is dat deze dood op zijn beurt een bron van leven wordt. Is niet iedere bevruchting een doodsproces, het binnendringen van een vreemd lichaam in een levende cel die daardoor totaal overhoop gegooid wordt, een nieuwe structuur krijgt, en in zekere zin zelf moet afsterven ? Het leven ontspringt uit de dood en daarom is ons leven op aarde sterfelijk. Deze beschrijving komt precies overeen met de drempelervaring waar we 't over hadden: het lager Ik moet zelf sterven, transformeren, om een overschrijden van de drempel mogelijk te maken. De tweede polariteit laat ons toe om dit beter te begrijpen. Welk zijn die twee polen man-vrouw ? Men voelt direct aan dat de eerste eerder aanknoopt bij de pool van de doods- en bewustzijnskrachten, de tweede bij de levenskrachten. De zaken zijn nochtans niet zo eenvoudig want er is hier een dubbele polariteit: wat op het fysiek niveau mannelijk is, is vrouwelijk op het etherisch niveau, en vice-versa. En als Rudolf Steiner zegt dat de man een vrouwelijke ziel heeft en de vrouw een mannelijke ziel, dan betekent dat dat de ziel van de man zich laat bevruchten door de kosmos, door de geest, terwijl de vrouw in zekere zin de kosmos, de geest bevrucht. Er bestaat een reëel verband van vader en moeder wat betreft de wereld van de ideeën, dat het omgekeerde is van wat bestaat op het fysieke niveau. Dit dubbel verband ten andere maakt dat wij in werkelijkheid in onze ziel androgyn (= man-vrouw) zijn. Het is dus alleen in zijn etherlichaam of levenskrachtenlichaam, waar o.a. de groei, het geheugen en het denken zetelen, dat de man vrouwelijk is, t.t.z. meer verbonden met de pool van het bewustzijn en de voorstelling. En het is ook daar dat het mannelijk aspect van de vrouw zich openbaart.
![]()
Dit alles versterkt noch het spel van spiegelingen en projecties tussen vrouw en man, het spel, of liever het avontuur van het passeren van de drempel. Want de liefde-kennis is het krachtigste middel om de drempel te overschrijden. De liefde van de ander voor mij laat mij mijn hoger kosmisch wezen voorvoelen dat zich manifesteert van over de drempel. Zij loutert mij want ik moet tonen dat ik haar waard ben. En de liefde die ikzelf voor een ander voel is reeds een soort visioen van zijn hoger wezen waarin ik geloof en dat ik hem op mijn beurt kan laten aanvoelen. Maar deze liefde alleen, zonder de afstand die toelaat om te kennen, zou overeenkomen met slapen, een verlies van bewustzijn. Het is de aanwezigheid van de dubbelgangers van beide mensen die, door een schaduwzone te scheppen, het beleven van de drempel laat bewust worden. En in deze zone verenigen zich liefde en kennis. Het komt ook dikwijls voor dat twee partners één-worden langs onder, langs hun schaduwzone, door gewoonte en routine zonder diepgang. Deze situatie, die spijtig genoeg zeer verbreid is, is niets anders dan een falen vóór de drempel. De vurige intuïtie is reeds lang vergeten en de relatie wordt in stand gehouden zo goed en zo kwaad als het gaat, door toegevingen en conventies, door een soort verbond tussen de twee dubbelgangers. Men kan vaststellen dat dit soort koppels een instinctieve, egoïstische kuddegeest onderhoudt, omdat men er afstand gedaan heeft van zijn individualiteit, t.t.z. geweigerd heeft rekening te houden met de spiegelbeelden en verder te gaan. Al deze verschillende observaties vinden we ook terug op het niveau van de sexualiteit. Die stond vroeger uitsluitend in dienst van de voortplanting en is geëvolueerd, parallel met de ontwikkeling van het menselijk bewustzijn. De schorpioen wil zijn vleugels terugvinden, wil terug arend worden ! In een zeer grijs verleden was de geslachtsdaad een groot mysterie; de vereniging werd beleefd op een bewustzijnsniveau als dat van de slaap of de droom. Tegenwoordig ontwikkelt ze zich tot een proces dat ons de ander en onszelf laat kennen. Het mysterie is nog altijd even groot -men kan eens te meer spreken van een drempelervaring- maar het bewustzijn verruimt, het bewustzijn van aanwezig te zijn van de aarde tot aan de sterren, m.a.w. met lichaam, ziel en geest. Hier, vóór de drempel, manifesteert de man-vrouw polariteit zich o.m. door de bewustzijnstoestand. Tijdens het voorspel zijn beide zeer wakker. Maar vervolgens kan men zien hoe het één-worden dat het orgasme kan zijn een soort ommekeer veroorzaakt: de vrouw kan het dikwijls niet volledig doorleven als ze niet haar gewone bewustzijn achterlaat, terwijl de man om zo te zeggen zijn waaktoestand moet opvoeren. Zij verinnerlijkt, daalt af naar de diepten, terwijl hij veruiterlijkt, kosmos wil worden. Het is een overschrijden van de drempel in twee tegengestelde richtingen. En omgekeerd, tijdens de fase die volgt op het één-worden, heeft de man de neiging om naar de slaaptoestand te gaan, en de vrouw om wakkerder te worden. Bij hem zijn het nu de levenskrachten die overheersen en bij haar de bewustzijnskrachten. Deze laatste fase kan zeer kort zijn en gevolgd worden door een andere tijdens dewelke de zielen direct communiceren. In dit alles heeft men werkelijk een beeld van de drempel: het één-worden van microkosmos en macrokosmos, waarbij elk van beide principes zich nu eens bij de vrouw, dan bij de man manifesteert, naargelang de fase. Zo verkrijgt de geslachtsdaad waar liefde en kennen zich verenigen, terug het gewijd karakter van weleer. Iedere menselijke ontmoeting moet een sacrament worden, want zij bezegelt het samenkomen van het aardse en het geestelijke. Het is deze ervaring die de beschaving van de toekomst zal grondvesten, en daarom moet de mensheid leren om zich te handhaven voor de drempel. * * * * * * * * * * *
Over sektenJan Vermeir steunde voor dit artikel op de resultaten van eigen opzoekingswerk en officiële documenten.
Het woord 'sekte' heeft -terecht- een negatieve bijklank. Nu rijst de vraag: wat is een sekte ? - en vervolgens: is de antroposofische beweging een sekte ? Een pasklare definitie van wat een sekte is kan niet gegeven worden. De enige vereniging in Vlaanderen die het fenomeen van de sekten bestudeert, de "Vereniging ter Verdediging van Persoon en Gezin" (V.V.P.G.), gevestigd in Brasschaat, geeft de volgende kenmerken, wij citeren:
- een grenzeloze, kritiekloze bewondering voor een leider en zijn geschriften, die onaantastbaar zijn; Alain Lallemand geeft in zijn boek de volgende definitie: "Een sekte is een groep die zich structureert rond het geloof in een goddelijk beginsel (of in een menselijke mythe die tot op die hoogte wordt getild) en waarvan de mythologie en/of de dogma's de leden ertoe aanzetten zich van de wereld af te keren door in hun dagelijks leven geheel of gedeeltelijk de natrekbare, toetsbare realiteit te negeren. Die realiteit kan medisch, wetenschappelijk, sociaal, economisch of historisch zijn." Is de antroposofie sektarisch ? Laat Rudolf Steiner hierover zelf aan het woord: "Met de antroposofisch gerichte geesteswetenschap die een wereldblik onontbeerlijk acht, een blik op werkelijk alles wat het mensenleven en het wereldleven beroert, is datgene onverenigbaar wat in bepaalde kringen aangehangen wordt, in de kleine afgesloten, obscure kringen die eigenlijk slechts vanuit een zekere zielewellust gevormd worden, waar men zich aan allerlei illusies kan overgeven en allerhande duistere mystiek beoefenen en dergelijke. Met zulke dingen is de antroposofisch georiënteerde geesteswetenschap die met een wijde wereldblik op alle levensverhoudingen moet gericht zijn, nu eenmaal hoegenaamd niet verenigbaar. En het is noodzakelijk dat onze leden zich er klaar en duidelijk moeten van bewust zijn dat zij zich verre houden van alles wat doet denken aan sektarische praktijken."
Deze twee definities komen wonderbaarlijk goed met elkaar overeen, behalve dan dat Lallemand het heeft over een (materieel) wetenschappelijk natrekbare realiteit, en Rudolf Steiner over "een wijde wereldblik op alle levensverhoudingen".
Wil men zich op de juiste manier tot de antroposofie verhouden, dan moet men ernaar streven een klaar inzicht te verkrijgen in de bestemming van de mensheid, nl. het ontwikkelen van de menselijke individualiteit volgens het Christus-principe, en dan dient men er zich tegelijkertijd van bewust te worden dat twee gevaren deze ontwikkeling willen tegenhouden: de luciferische en de ahrimanische impuls. Wil men wegvluchten in een mystieke droomwereld, dan wordt men beter niet een antroposoof, maar een theosoof ! Rudolf Steiner: "Nu kan men zich besparen om geconfronteerd te worden met de huidige werkelijkheid door en dweperig mystieker of een theosoof te worden en op een oppervlakkige manier het "Ex oriente lux"* te herhalen. Dan kan men zich in een innerlijk welgevoelen wentelen en vluchten voor de gebeurtenissen van het heden. Men kan zich erover heen tillen, men kan zich zelfs een uitgelezen mens in deze mystiek of deze theosofie voelen en men kan alles verachten wat rond zich gebeurt, als "de slechte wereld", als de wereld der materie, die minderwaardig is."
Antroposofie moet men niet verwarren met theosofie. Antroposofie betekent letterlijk: kennis over de mens; theosofie betekent letterlijk: kennis over God.
"Wanneer dan iemand tot u zegt: "Ziet ! Hier is de Christus" of: "Daar is Hij !", gelooft het niet. Want er zullen valse Christussen en valse profeten opstaan, die grote tekenen en wonderen zullen doen ten einde, indien mogelijk zelfs de uitverkorenen te misleiden. Ziet ! Ik heb u van te voren gewaarschuwd." (Mattheus 24: 23-25)
Deze tekst uit het evangelie spreekt voor zichzelf, en nochtans zijn er vele secten die hun succes danken aan het feit dat hun leider zich voordoet als de nieuwe Messias.
Momenteel zijn er een tiental gekende "nieuwe Christusen" actief in de wereld, allen met een grote aanhang (het gaat over miljoenen mensen). "Nu dat men met de ontwikkelde eigenschappen van de mensen de wederkomst van een vleesgeworden Christus als een dwaling zou moeten inzien, en zijn verschijning in het etherische als juist en waar, nu is het een noodzaak dit duidelijk te onderkennen; een vergissing zou zich bitter wreken." Zelf doet hij het verhaal van een man, Sabbataï Zevi, die optrad als Christus in Smyrna (Turkije) in de 17de eeuw. Deze man had een buitengewoon grote aanhang en men vereerde hem over gans Europa, in grote delen van Azië en Afrika. Deze "Christus" werd echter ontmaskerd. Hij had nl. een concurrent die ook Christus wilde zijn, en deze laatste overtuigde de Turkse sultan ervan dat Sabbataï Zevi plannnen smeedde om het Turkse rijk omver te werpen. De sultan liet Sabbataï gevangen nemen en liet hem de keuze: ofwel onthoofd worden, ofwel zich bekeren tot de Islam en een goedbetaalde job aan het Turkse hof aannemen. En Sabbataï koos voor het laatste, en werd muzelman.
Wat drijft iemand ertoe om een sektarische beweging of een spiritueel centrum op te richten ? Er kunnen drie redenen onderscheiden worden die dikwijls in combinatie met elkaar voorkomen. "De mensheid moet er nu voor boeten doordat alle mogelijke occulte mensen zich nu van mediums bedienen, occultistische mensen die niet zuiver occultistische wegen bewandelen, maar die één of ander particulier doel voor ogen hebben. Ik heb het al vaker gezegd: wie werkelijk occultist wil zijn, kan niet slechts een specifiek menselijk belang dienen, maar alleen het algemeen menselijk belang, algemeen menselijke idealen, en hij mag vooral nooit slechte middelen aanwenden, onjuiste middelen aanwenden om een bepaald doel te bereiken."
Een derde reden is dat de leider van de sektarische beweging of van het spiritueel centrum er zelf van overtuigd is dat hij of zij boodschappen ontvangt uit de geestyelijke wereld, of dat hij een profeet is of zelfs Christus of God is. Deze overtuiging berust op een vorm van geesteswaanzin. De meest voorkomende vorm is paranoïa: men heeft waanideeën, ideeën die niet met de werkelijkheid overeenstemmen, terwijl men niettegenstaande dat perfect kan functioneren in het dagelijks leven. De bovenvermelde Sabbataï Zevi leed aan een erge vorm van paranoïa, gecombineerd met manisch-depressieve toestanden.
De antroposofie is een geesteswetenschap die de geestelijke fenomen achter de mens en de wereld op een wetenschappelijke manier bestudeert. Maar omdat zij begrippen zoals karma en reïncarnatie hanteert, trekt zij dikwijls ook fantasten aan, bedriegers die haar in een duister daglicht plaatsen. * * * * * * * * * * *
Actief karma en temperamentHet volgende uittreksel komt eveneens uit GA 95, meer bepaald uit de zevende voordracht. Zoals we het eerste uittreksel, afgedrukt op p. 3 gebruikten als Kerstboodschap, zo willen we dit fragment gebruiken als Nieuwjaarsboodschap. [...] "Voorstellingen , gewaarwordingen enz. die men een leven lang gekoesterd heeft, die het astraallichaam omvormen, zullen pas in het volgende leven een ingrijpende verandering in het etherlichaam bewerkstelligen. Als men er dus wil voor zorgen om in een volgend leven met goede neigingen en gewoontes geboren te worden, dan moet men proberen om in dit leven reeds zoveel mogelijk zijn astraalllichaam voor te bereiden. Als dus iemand zijn best doet om vele goede daden te verrichten, dan wordt hij met een neiging tot goede daden teruggeboren. Dat wordt dan een eigenschap van het etherlichaam. Als iemand bvb. met een goed geheugen wil geboren worden, dan moet hij hier zoveel hij kan geheugenoefeningen maken, hij moet dikwijls terugblikken op voorbije jaren van zijn leven en op zijn ganse levensloop. Daardoor vormt hij in het astraallichaam iets dat in het volgende leven een eigenschap van het etherlichaam zal zijn: een vermogen om te onthouden. Een mens die tijdens zijn leven zomaar door de wereld raast, die zal in zijn volgend leven zo geboren worden dat hij weinig aan de afzonderlijke dingen in zijn omgeving zal kunnen vasthouden. Wie daarentegen veel intiem samenleeft met een bepaalde omgeving, die zal met een bijzondere voorliefde voor alles wat zo'n omgeving gevormd heeft, geboren worden. Men kan ook de verschillende temperamenten afleiden uit een vorig leven, want het temperament is een eigenschap van het etherlichaam. De cholericus heeft een sterke wil, hij is moedig, koen, verlangt naar daden en voelt de drang om heel actief te zijn. Grote persoonlijkheden uit de wereldgeschiedenis waren cholerici, bvb. Alexander de Grote, Hannibal, Caesar, Napoleon. Deze karaktertrek ziet men reeds bij het kind. Zo'n kind wil een leidende rol spelen bij zijn speelkameraden. De melancholicus is teveel met zichzelf bezig; daardoor gaat hij zich gemakkelijk afzonderen. Hij denkt veel na, voornamelijk over hoe de omgeving op hem werkt. Hij trekt zich graag terug, is vlug wantrouwig. Dat is ook reeds bij het kind te zien: het toont niet graag zijn speelgoed, het heeft schrik dat er hem iets afgenomen wordt, het zou voor alles graag een sleuteltje hebben. De flegmaticus heeft voor niets bepaald interesse, hij verdroomt veel tijd, doet niets, is lui en zoekt zintuiglijk genot. De sanguïnicus heeft dan weer een levendige interesse voor alles, maar hij houdt niets vol, het vervliegt gemakkelijk en snel, hij wisselt dikwijls en veel zijn liefhebberijen. Dat zijn de vier grondkaraktertrekken die een mens kan hebben. Gewoonlijk heeft hij een mengeling van alle vier, maar men kan toch altijd een grondtoon vinden. Deze vier temperamenten drukken zich in het etherlichaam uit. Er zijn dus vier verschillende hoofdsoorten van etherlichamen. Deze hebben op hun beurt verschillende stromingen en bewegingen die zich uitdrukken in een bepaalde grondkleur in het astraallichaam. Dat is niet van het astraallichaam afhankelijk, het toont er zich slechts in. Het melancholische temperament treedt karmisch bijzonder naar voor als een mens in een voorgaand leven gedwongen was in een zeer kleine,nauwe kring te leven, veel voor zich alleen te zijn en zich altijd alleen met zichzelf bezig te houden zodat hij geen interesse voor iets anders in zich kon wakker maken. Wie daarentegen veel heeft leren kennen, wie met vele zaken contact heeft gehad en die zaken niet alleen maar aangekeken heeft, wie door het leven hard is aangepakt, die wordt een cholericus. Had men een aangenaam leventje zonder veel strijd of moeite, of als men anderzijds veel gezien heeft, aan veel voorbij gekomen is, maar het alleen maar aangekeken heeft, dan wordt men flegmaticus of sanguïnicus. Al wat in dit leven in het astraallichaam geschiedt gaat karmisch in het volgende leven over op het grondwezen van het lichaam dat eronder staat, het etherlichaam. Hieraan kan men zien hoe men voor zijn volgend leven kan zorgen, en in de occulte scholen wordt bewust in deze zin aan de mens gewerkt. Vroeger was dat wel meer het geval als nu. Dat hangt samen met cyclische veranderingen in de ontwikkeling. Ongeveer 5000 jaar geleden had een geheimleraar een gans andere opdracht. Toentertijd moest hij voor mensen als groep zorg dragen; de mensen waren nog niet zo ver dat ieder voor zichzelf kon zorgen. Men werkte er bewust naar om categorieën en groepen van mensen in een volgend leven harmonisch te doen overeenkomen. Maar de mensen zijn individueler geworden, zelfstandiger, zodat de geheimleraar niet meer een mens als middel tot een doel kan gebruiken: ieder afzonderlijke mens moet hij als doel behandelen, iedere enkeling moet hij zo ver brengen als mogelijk is. In de oudste culturen, bvb. in Indië, werd de ganse bevolking in vier kasten ingedeeld en er werd zo aan hen gewerkt dat de mensen in een volgend leven in een kaste inpasten. Het opvoeden van de mensen was er systematisch op ingericht om voor duizenden jaren te zorgen, om het wereldbeeld voor duizenden jaren vorm te geven, en precies dat gaf de occulte scholen zo'n grote macht. Hoe werkt de mens nu op zijn etherlichhaam in met het oog op een volgend leven ? Al wat de mens in zijn etherlichaam gestalte geeft, ontwikkelt zich, hoe traag dan ook, en de opvoeding kan ervoor zorgen bepaalde gewoontes aan te kweken. Wat in het ene leven in het etherlichaam gebeurt, komt in het volgende leven in het fysieke lichaam tevoorschijn. Alle neigingen en gewoontes van het huidige etherlichaam geven in het volgende leven de dispositie voor gezondheid of ziekte. Slechte neigingen, verkeerde gewoontes verschijnen in een volgend leven als een aanleg voor bepaalde ziektes. Het voornemen, de vaste wil om van een slechte gewoonte vanaf te geraken, werkt reeds door tot in het diepergelegen lichaam en geeft zo de dispositie voor gezondheid. Bijzonder goed is waargenomen hoe de vatbaarheid voor infectieziekten in het fysieke lichaam optreedt. Niet of men een ziekte krijgt -dat hangt van de omstandigheden af- maar of men er aanleg toe heeft, of men er meer of minder vatbaar voor is, dát hangt af van de neigingen in een voorgaand leven. Infectieziekten zijn merkwaardigerwijze terug te voeren op een bijzonder goed ontwikkelde egoïstische gewinzucht in het vorige leven."[...] * * * * * * * * * * *
|