De Brug 6 van december 1994

Waarheid en verdraagzaamheid


Bij wijze van kerstboodschap drukken we een fragment af uit een voordracht van Rudolf Steiner uit GA 95, gehouden op 1 septemder 1906 te Stuttgart. Het heeft niet direct iets met het Kerstgebeuren te maken, maar de boodschap is wel dezelfde:"Vrede op aarde aan alle mensen van goede wil".


[...] "Geweldig, zinvol is de gang van de mensheidsontwikkeling. Iedere mensengroep heeft haar opdracht. Wat in het derde en vierde onderras noch als mythen en sagen voortleeft, de herinnering aan de oertijd, aan de godenwereld, daar heeft onze huidige mensheid niets meer van, zij heeft enkel nog de fysieke wereld. Met haar verschijnen op het fysische plan heeft de mensheid de samenhang met de godenwereld verloren; voor haar bestaat alleen nog maar de fysieke wereld.

De antroposoof is geen reactionair, hij weet dat deze materiële tijd een noodzaak was. Juist zoals bij dieren die in grotten gaan leven bepaalde organen zeer sterk ontwikkelen en het gezichtsvermogen verkommert, zo geschiedt het overal in de geestelijke en zintuiglijke wereld: waar het ene vermogen zich ontwikkelt wordt het andere teruggedrongen. Het helderziend talent en de kracht van de herinnering moesten teruggedrongen worden opdat het fysieke zien zich zou kunnen ontwikkelen. Toen de mens leerde om de uiterlijke wereld te beheersen door natuurwetten moest hij de kracht van het geestelijk zien opofferen.

Hoe gans anders zag men niet vroeger ! Copernicus bvb. heeft de mensheid van haar oude dwaling afgebracht als zou de aarde stilstaan. Volgens hem was het verkeerd om aan te nemen dat de zon rond de aarde draaide. Kepler en Galileï ontwikkelden deze leer verder. En toch hebben ze alletwee gelijk, zowel Copernicus als Ptolemeaus; het komt slechts op het standpunt aan dat men inneemt. Bekijkt men het zonnestelsel niet vanop het fysieke, maar vanop het astrale plan, dan is het ptolemaeïsche systeem het juiste. Daar staat de aarde in het middelpunt en alles draait zoals de antieke wereld het beschreef. Men moet zich slechts herinneren dat op het astrale plan alles omgekeerd verschijnt. Het ptolemaeïsche systeem is dus geldig op astraal niveau, het copernicaanse op het fysieke niveau. In de toekomst zal er nog een gans ander wereldbeeld ontstaan. Gewoonlijk denkt men dat Copernicus maar twee zaken aangetoond heeft: dat de aarde rond haar as draait en dat ze rond de zon draait. Men overziet dat hij nog een andere beweging aangetoond heeft, dat nl. het ganse systeem in een spiraal voortbeweegt. Dat blijft liggen tot de mensheid in de toekomst daar eens zal op terugkomen* . Copernicus stond aan de grens en droeg nog veel van het oude in sterke mate in zich.

Er bestaat geen absolute waarheid; iedere waarheid heeft haar missie op een bepaald ogenblik. En als we vandaag van antroposofie spreken, dan weten we dat we, als we opnieuw geboren worden, iets gans anders zullen horen en op een gans andere manier tot elkaar zullen staan.

Kijken we eens terug op tijden waar we misschien reeds eens samengeweest zijn ergens in een streek in Noord-Europa, waar mensen zich rond een druïdenpriester verzamelden die hen de waarheid in de vorm van mythen en sagen vertelde. Hadden we hem toen niet toegehoord en had hij niet onze zielen gevormd, dan zouden we nu niet verstaan wat ons de antroposofie in een andere vorm als waarheid brengt. En als we weer eens terugkomen dan zal er terug in een andere vorm gesproken worden, een hogere vorm. De waarheid ontwikkelt zich zoals al het andere in de wereld Zij is de vorm van de goddelijke geest, maar de goddelijke geest heeft vele vormen. Als wij ons doordringen met dit karakter van de waarheid, dan verkrijgen we een gans andere verhouding tot haar. We prenten ons in: we leven wel in de waarheid, maar die kan de meest verschillende vormen hebben-. Dan zullen we ook met andere ogen naar de huidige mensheid kijken. We gaan niet zeggen dat wij de absolute waarheid bezitten, maar we zeggen: "kijk, deze mensenbroeders staan nu op een standpunt waar wij ook eens gestaan hebben". Wij hebben de plicht om in te gaan op wat de andere zegt; we moeten hem enkel duidelijk maken dat we hem respecteren op de waarheidstrap waar hij nu staat. Wij strijden niet tegen de mensen, maar proberen met hen te leven. De moderne mensheid heeft de vrijheid van persoonlijkheid ontwikkeld. De antroposofie zal vanuit dit principieel inzicht over de waarheid een innerlijke verdraagzaamheid koesteren.

De liefde staat hoger dan de mening. De meest verschillende meningen verdragen zich als de mensen van elkaar houden. Het heeft derhalve een diepe zin dat in de antroposofische wereldbeschouwing geen enkele godsdienst aangevallen of speciaal gepropageerd wordt. Ze worden allemaal begrepen en zo kan er een broederbond ontstaan omdat de aanhangers van de meest verscheiden godsdiensten elkaar verstaan.

Dat is een van de belangrijkste opgaven voor de mensheid van nu en van de toekomst: dit met-elkaar-leven, dit elkaar-verstaan. En zolang deze menselijke gemeenschapsstemming er niet komt kan er van een occulte ontwikkeling geen sprake zijn.

*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
Het artikel van Frans D'Herde over Luciferisch verleden - ahrimanische toekomst staat hier

*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*

.

Antroposofie in vraag en antwoord


Het 95ste deel van de Gesamtausgabe, "Vor dem Tore der Theosofie", bevat 14 voordrachten die Rudolf Steiner in 1906 hield voor de leden van de (toen nog theosofische) vereniging. Enkele toehoorders namen notities en op basis daarvan werden de voordrachten gereconstrueerd. Ze bestrijken het gehele gebied van de antroposofie, en dat op slechts 140 bladzijden.
Ieder onderwerp komt daardoor eerder beperkt aan bod; in plaats van uitgebreide theorieën worden er meer concrete voorbeelden gegeven, een beetje zoals in de voordrachten voor de arbeiders aan het Goetheanum.
We hebben ons daarom de vrijheid veroorloofd deze voordrachten te vertalen en tegelijk te bewerken in en vraag-en-antwoordvorm.

1) Welke betekenis hebben mededelingen van een helderziende voor mensen die de hogere werelden zelf niet kunnen schouwen ?

Ik verwijs hier naar de mooie woorden van een jonge tijdgenote die door haar levensloop in brede kringen bekend is geraakt: Helen Keller. Zij werd blind en doof toen ze twee jaar was. Op haar zevende was dit mensenkind nog altijd een soort dier. Een liefdevolle ziel, een geniale leerkracht trok zich haar lot aan, en vandaag behoort Helen Keller, nu 26 jaar, tot de meest ontwikkelde personen van haar volk. Ze is doorgedrongen tot de wetenschappen en is ontzettend belezen; ze is vertrouwd niet alleen met de klassieke en moderne dichters, maar ze kent en studeert ook de filosofen zoals Plato, Spinoza enz. En hoewel de wereld van licht en klank voor haar ontoegankelijk is, koestert ze een aangrijpende levensmoed en innige vreugde over de schoonheid en heerlijkheid van de wereld. Enkele zinnen uit haar boek over "Optimisme" prenten zich diep in onze ziel. Ze zegt:" Om mij was er jarenlang nacht en duisternis, toen dook er plots een ziel op die mij onderrichtte, en in de plaats van nacht en duisternis kwam er vrede en hoop". Een ander citaat:" Door denken en voelen heb ik mij de hemel veroverd".
Men kon deze ziel maar één ding geven; niet gezicht of gehoor, want de zintuiglijke wereld blijft voor haar gesloten, slechts door het bericht van anderen dringt die tot haar door. Maar de verheven gedachten van grote genieën vloeiden in haar ziel, door wat dezen medelen neemt zij deel aan de wereld die wij allen kennen.
Dat is nu ook de toestand van de mens die slechts door de mededelingen van anderen over de hogere werelden hoort en zelf niet kan schouwen.
Toch is er een verschil. Helen Keller moet zeggen:" De wereld zoals hij is zal ik nooit zien". Een ander mens kan zeggen:" De hogere werelden kan ook ik zien, als mijn geestesogen geopend zijn". De geestelijke ogen en oren van de ziel kan iedereen actief maken die maar het nodige geduld en uithoudingsvermogen bezit.


2) Hoelang duurt het eer men helderziend wordt ?

De belangrijke denker Subba Row heeft hierop een mooi antwoord gegeven. Hij zegt:" De ene bereikt het in zeventig incarnaties, de andere in zeven incarnaties, de ene in zeventig jaar, de andere in zeven jaar, nog een andere op zeven maanden, op zeven weken, op zeven dagen, op zeven uren". Dit schouwend vermogen kan ook komen zoals de Bijbel zegt:" Als een dief in de nacht". Ieder geestelijk oog kan geopend worden als de mens maar de nodige energie en het geduld heeft.


3) Welke zijn de hogere werelden die de helderziende leert kennen ?

Behalve de fysieke wereld die wij allen kennen, kan de helderziende schouwen in de

- zielewereld of astrale wereld, en de
- geestelijke wereld of devachanische wereld.


4) Wat zijn de kenmerken van de astrale wereld ?

De leerling die zintuigen voor de astrale wereld gekregen heeft, geraakt vooreerst in verwarring, want wat daar opduikt is niet goed te vergelijken met iets uit de zintuiglijke wereld. Hij moet vele dingen opnieuw leren. De astrale wereld wordt gekenmerkt door een reeks eigenschappen. Een vewarrende eigenschap voor de leerling is vooral dat de dingen omgekeerd, als een spiegelbeeld verschijnen, zodat hij zich moet gewoon maken om ze anders te bekijken. Hij moet bvb. leren om getallen van achter naar voor te lezen. Als wij een 3, een 4, een 5 zien staan, dan lezen wij 345; in de astrale wereld moeten wij 543 lezen. Alles keert zich om. Dat is zeer belangrijk om te weten.
Het geldt ook voor hogere dingen: het morele verschijnt ook als spiegelbeeld. De mensen begrijpen dat niet zo goed. Vele mensen klagen tegenwoordig dat ze zich omringd voelen door boosaardige zwarte gestalten die hen bedreigen en schrik aanjagen en dergelijke. Dat is een verschijnsel dat zich tegenwoordig reeds bij vele mensen voordoet en dat men niet kan verklaren. In vele gevallen is er het volgende aan de hand : het zijn de eigen driften, begeerten, passies die in de mens leven, meer bepaald in zijn astraal lichaam. De gewone mens ziet zijn eigen passies niet, maar door bepaalde processen in de ziel en in de hersenen kan het gebeuren dat ze wel zichtbaar worden; dan verschijnen ze als in een spiegelbeeld. Zoals iemand die in een spiegel kijkt en de voorwerpen rond hem ziet, zo ziet hij nu de spiegelbeelden van zijn eigen driften enz. Alles wat uit hem uitstroomt ziet hij dan op hem toestromen.
Een andere verschijning is dat tijd en gebeurtenissen in omgekeerde richting bewegen. Wij zien bvb. in de gewone wereld eerst de kip en dan het ei dat deze kip gelegd heeft. In de astrale wereld zien we eerst het ei en dan de kip. De tijd beweegt zich achteruit : eerst ziet men het gevolg en dan de oorzaak. Vandaar de profetische blik; niemand zou toekomstige gebeurtenissen kunnen vooruitzien zonder dit terugbewegen van de tijd. . Het is niet zonder belang deze eigenaardigheden van de astrale wereld te leren kennen. Vele mythen en sagen van alle volkeren hebben zich ermee bezig gehouden, bvb. de sage van Hercules op de tweesprong. Er wordt verteld dat hij zich voor twee vrouwelijke figuren voelde staan. De ene was mooi en verleidelijk, ze beloofde hem lust, geluk en zaligheid. De andere was eenvoudig en ernstig, ze sprak van moeite, zware arbeid en onthouding. Deze figuren zijn Ondeugd en Deugd. De sage beschrijft heel juist hoe in het astrale twee ziele-eigenschappen van Hercules zelf voor hem treden; de ene zet hem aan tot het kwade, de andere tot het goede. En ze verschijnen als in een spiegelbeeld als twee vrouwengestalten met tegengestelde eigenschappen : De Ondeugd is schoon, weelderig, verlokkend, de Deugd lelijk en afstotelijk. Ieder beeld verschijnt in het astrale omgekeerd.

Er bestaat een occulte regel die nu bekend mag worden : iedere leugen is in de astrale wereld een moord !
Dat is een regel met een grote betekenis, slechts wie de hogere werelden kent ziet er het belang van in.

Hoe lichtzinnig spreken de mensen: och, dat is maar een gedachte, een gevoel, dat blijft in de ziel, een oorveeg mag ik niet geven, maar een gedachte, dat doet geen kwaad. Er is geen onwarer spreekwoord dan : de gedachten zijn tolvrij; want iedere gedachte, ieder gevoel is een realiteit, en als ik denk dat iemand een slecht mens is, of ik zie hem niet graag, dan is dat voor wie de astrale wereld kan zien als een pijl, als een bliksem, die op het astraallichaam van de ander afgaat als een geweerkogel en het beschadigt. Ieder gevoel, iedere gedachte is een wezenheid, een vorm in de astrale wereld, en voor wie kan schouwen in deze wereld is het dikwijls veel erger om te moeten aanzien hoe iemand slechte gedachten over zijn medemens heeft, dan om te zien hoe hij hem fysiek kwetst. Zegt men over iemand een waarheid, dan ontstaat er een gedachtenvorm die de ziener naar vorm en kleur herkent en die het leven van de naaste versterkt. De gedachte die een waarheid bevat, richt zich naar het wezen waar ze betrekking op heeft en beïnvloedt het gunstig.

Als ik dus een waarheid denk over mijn medemens, dan versterk ik zijn leven. Zeg ik een leugen over hem, dan laat ik een vijandige kracht naar hem stromen die vernietigend, ja dodend werkt. Daarom is iedere leugen een moord. Iedere waarheid bevordert het leven, iedere leugen remt het leven.

Wie dat weet zal zich meer in acht nemen wat betreft leugen en waarheid als iemand tegen wie men alleen maar preekt dat hij altijd lief de waarheid moet zeggen.


5) Wat zijn de kenmerken van de geestelijke wereld ?

De astrale of zielewereld is hoofdzakelijk de wereld van vormen en kleuren. De geestelijke of devachanwereld is die van tonen, de sferenmuziek zoals Pythagoras hem beschreef.
Men hoort de devachanwereld en ziet de astrale wereld. Als men de devachanwereld betreedt, doet zich iets merkwaardigs voor : men ziet ieder ding als negatief, zoals op een fotografische plaat. Waar een fysiek voorwerp is, ziet men niets; wat fysiek klaar is, is daar zwart en omgekeerd. Men ziet alles in de complementaire kleuren : in plaats van blauw geel, en groen in plaats van rood. In het eerste gebied van het devachan bevinden zich de oerbeelden van de fysieke wereld, voorzover daar geen leven in zit, dus de oerbeelden van mineralen, maar ook van planten, dieren en mensen wat betreft hun zuiver fysieke vorm. Het is het gebied dat de fundering van het geestesland omvat. Het kan vergeleken worden met het vasteland van onze fysieke aarde; daarom heet het de "continentaalmassa" van het devachan. Een mens die vóór een ingewijde staat verschijnt daar waar hij fysisch aanwezig is donker, maar daarrond omringd door een stralenmantel.
Als de zintuigen fijner worden komen daar de oerbeelden van het leven bij, en alles wat leven is, vloeit zoals het water over de aarde. Hier kan men een mineraal niet zien, omdat het geen stuwend leven heeft, daarentegen wel planten, dieren en mensen. Zoals het bloed in het lichaam, zo stroomt het leven in het devachan. Men noemt deze tweede afdeling de "zeeën" van het devachan.
In de derde afdeling, het "luchtgebied", stroomt alles wat aan gevoelens en gewaarwordingen, aan lust en leed in het fysieke leeft. Hier verschijnt alles wat op aarde genoten en geleden wordt, zowel door dieren als door mensen. Een oorlogstafereel bvb. verschijnt voor de ingewijde in het devachan als vurige, schokkende bliksemschichten, als een geweldige donder, men zou kunnen zeggen, als een hevig onweer. Het zijn echter niet de fysieke werkingen van de veldslag, maar de emoties van de vijandelijke legers die daar tegenover elkaar staan, die voor de ingewijde verschijnen als donkere wolken met donder en bliksem.
De vierde afdeling van het devachan overstijgt alles wat ook zonder de mens aanwezig zou zijn. Zij bevat alles wat aan originele gedachten in de mens leeft, waardoor hij iets nieuw op de wereld brengt en de wereld beïnvloedt, ongeacht of het de gedachten van een geleerde of een ongeletterde, een dichter of een boer zijn. Het moeten dus ook geen grote uitvindingen zijn, het kunnen evengoed alledaagse gedachten zijn.


6) Is er nog een hoger gebied dan de geestelijke wereld ?

Na deze vier gebieden staat men aan de grens van de geestelijke wereld. Zoals ons 's nachts de hemel verschijnt als een holle bol, omgeven door een sterrenkrans, zo is het met de grens van het devachan. Het is een betekenisvolle grens, ze heet "Akasha-kroniek". Alles wat de mens ooit gedaan en bewerkt heeft, zelfs als het niet door de geschiedenisboeken vermeld wordt, het blijft ingeschreven in dat onvergankelijke geschiedenisboek aan de grens van het devachan, de Akasha-kroniek. Daar kan men alles te weten komen wat ooit door bewuste wezens in de wereld verricht werd. Wil de ziener bvb. iets weten over Caesar, dan neemt hij ergens een kleinigheid uit de geschiedenis als houvast, om een vast punt te hebben waarop hij zich kan concentreren. Dat is geestelijke arbeid : dan verschijnen rond hem beelden van alles wat Caesar deed, wat in diens omgeving gebeurd is, hoe hij zijn legioenen geleid heeft, veldslagen gevoerd heeft, overwinningen behaald heeft.
Maar dat verschijnt wel op een eigenaardige manier : de ziener ziet niet alleen een abstracte schrift, maar een soort schaduwen, alles passeert in beelden. Het is niet wat ruimtelijk gebeurd is, dat zich afspeelt, maar iets helemaal anders. Als Caesar bvb. een overwinning behaalde, dan had hij bepaalde gedachten. Alles wat rond hem gebeurde, leefde ook in zijn gedachten; iedere armbeweging leeft immers ook in de gedachten. De bedoelingen, dus wat Caesar zich voorstelde en dacht toen hij zijn legioenen leidde, dat toont de Akasha-kroniek. Ook de voorstellingen van die legioenen. Zij is een getrouwe afbeelding van alles dat zich voorgedaan heeft. Wat bewuste wezens hoedanook beleefd hebben, dat wordt daar opgetekend. De ingewijde kan zo het ganse menselijke verleden aflezen.
Maar dat moet hij eerst leren. Deze Akasha-beelden zijn in een verwarrende taal gesteld, want Akasha is iets levendig. Zo mag men het Akasha-beeld van Caesar niet verwisselen met de individualiteit die in Caesar leefde. Die kan ondertussen opnieuw geïncarneerd zijn. Zo'n verwisseling doet zich gemakkelijk voor als men door uiterlijke middelen toegang verkrijgt tot de Akasha-beelden. Dikwijls spelen ze een rol in spiritistische sessies. De spiritist denkt een gestorven mens te zien, maar het is slechts diens Akasha-beeld. Een Akasha-beeld van Goethe bvb. kan opdoemen, zoals hij in het jaar 1796 gewerkt heeft; wie dat niet weet denkt de individualiteit van Goethe te zien. Het is dubbel verwarrend omdat dit beeld leeft en op vragen antwoord geeft, niet alleen antwoorden die toen gegeven werden, maar ook nieuwe, die nooit uitgesproken werden. Dat zijn geen herhalingen maar antwoorden zoals Goethe die toen zou kunnen gegeven hebben. Het is zelfs mogelijk dat dit Akasha-beeld van Goethe een gedicht maakt in de stijl en de zin van de toenmalige Goethe. Akasha-beelden zijn immers echt levende beelden.
Hoe wonderbaar deze feiten ook zijn, het zijn feiten.

*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*

.

Ben ik een goede antroposoof ?

De flipperkastproef

In het flipperspel, ons allen welbekend, wordt een balletje in het spel gebracht. Het gaat erom dit balletje zoveel mogelijk te laten botsen met de verende buffertjes. Hoe meer het botst, hoe meer punten dat oplevert. Het spel is gedaan als het balletje verdwijnt in het gat. Dan heeft men een nieuw balletje nodig.

We kunnen een sociale entiteit (familie, werkgemeenschap, volksgemeenschap) ook beschouwen als een flipperkast : de buffertjes stellen dan mensen voor, het balletje een sociale interactie.
Ter wille van de proef beschouwen we het balletje als een negatieve sociale interactie: een onvriendelijk woord, een gebrek aan interesse, een roddel, een afwijzing enz. Dit gegeven wordt ingevoerd in het spel (de familie of werkkring), en we zien hoe vlug en hoe lang het een eigen leven gaat leiden. Het klassieke voorbeeld is de man die van zijn chef een uitbrander krijgt, op zijn beurt zijn medewerkers uitkaffert, die viesgezind naar huis gaan, daar het eten bekritiseren, en tegelijk de echtgenote die het heeft klaargemaakt. Deze laatste straft dan voor een niemendal de kinderen, die dan maar uit frustratie de hond een trap geven, die zich afreageert op de schoen van de baas, die de volgende morgen alweer een reden heeft om humeurig op het werk te verschijnen enzovoort, enzovoort.
Hoe komt er nu een einde aan deze duivelse kringloop ? Ergens moet er eens iemand zijn die incasseert zonder door te geven, iemand die over een zekere offervaardigheid beschikt. Vroeger was dat in een gezin dikwijls de moeder, maar door de emancipatie en het assertiever worden der vrouwen is nu de tijd gekomen dat ook mánnen deze rol kunnen spelen. De mannen en vrouwen die deze offervaardigheid kunnen opbrengen hoeven geen antroposofen te zijn, maar antroposofen moeten in ieder geval tot dat soort mensen behoren.
Rudolf Steiner zei dat het voor een groep mensen niet onverschillig was of er al dan niet een antroposoof onder hen was: antroposofen bevorderen immers de broederlijkheid.
Dus, antroposofen die deze proef wilt uitvoeren, ga voor julliezelf eens na : helpen jullie mee om negatieve sociale interacties uit te doven, of helpen jullie mee om het spel naar een TILT te leiden ?

Als het laatste (voorlopig nog altijd) het geval is, dan is er werk aan de winkel: we kunnen Rudolf Steiner toch niet teleurstellen ?




*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*

.

Over het kamaloka

De gebeurtenis op het einde van ons leven die men gewoonlijk de dood noemt, is in feite alleen maar het afsterven van ons fysieke lichaam. De andere wezensdelen maken zich ervan los en het wordt overgeleverd aan de elementen van de aarde: het vergaat.
Wat gebeurt er nu met de andere wezensdelen ? Ze vergaan ook. Eerst het etherlichaam: drie dagen na de dood valt dit, bij manier van spreken uiteen en lost op in de etherwereld. Het astraallichaam lost op in de astrale wereld. Dat duurt wel wat langer.
Daarover gaat het in dit uittreksel uit de derde voordracht van GA 95.

[...]

"Het bewustzijn van de mens in zijn aardse leven hangt af van zijn zintuigen. Na de dood verandert zijn bewustzijnstoestand. Om ons daar een idee te kunnen van vormen, moeten we ons voorstellen dat alle zintuigen één na één wegvallen : duisternis treedt in na het verlies van de ogen, toonloosheid na het verlies van de oren, koude of warmte is er ook al niet meer na het verlies van de betreffende zintuigen. Wat blijft er dan over van al hetgeen de ziel vervult, van het dagbewustzijn, van wat we van 's morgens tot 's avonds via het lichaam beleven ? De ziele-inhoud. Als we ons dit duidelijk maken, dan begrijpen we hoe de levenstoestand na de dood is, nadat we ons fysiek lijk en ons etherisch lijk achtergelaten hebben. Men noemt deze toestand Kamaloka, d.i. begeertenoord. Maar dat is geen plaats ergens daarbuiten, neen, waar we nu zijn, daar is ook kamaloka, voortdurend zweven rond ons en leven rond ons de geesten van de afgestorvenen. Hun aanwezigheid wordt echter door een fysieke mens niet opgemerkt.

Wat wordt een dode nu gewaar ?
Een eenvoudig voorbeeld zal dat duidelijk maken : een mens eet met begeerte en werkelijk genot. De helderziende ziet bij hem in het bovenste deel van zijn astraallichaam de bevrediging van het genot als een bruinrode gedachtenvorm. Nu sterft deze mens; wat hem blijft is de begeerte en het vermogen om te genieten. Aan het fysieke hangt alleen het fysieke, het materiaal om te genieten; we moeten een mondholte enz. hebben om te kunnen eten. Het genot en de begeerte zitten echter in de ziel; daarom blijven ze ook na de dood. Alleen heeft de mens dan niet meer de mogelijkheid om de begeerte te bevredigen, want de organen daartoe zijn er niet. Zo is het met alle genoegens : iemand heeft een begeerte naar een mooie kleurencombinatie : geen ogen; naar harmonische muziek : geen oren.

Hoe komt dit na de dood in de ziel tot bewustzijn ?
Zoals een reiziger in de woestijn, gekweld door een brandende dorst ronddoolt en een bron zoekt om zijn dorst te lessen, zo lijdt de ziel brandende dorst omdat ze geen organen, geen werktuigen meer tot haar beschikking heeft. Ze moet alles ontberen, daarom is "brandende dorst" een zeer toepasselijke benaming die de toestand van kamaloka goed uitdrukt. Het is geen kwelling van buitenaf, maar de pijn van het niet kunnen vervullen van nog bestaande begeerten.

Waarom moet de ziel deze pijn lijden ?
Opdat de mens geleidelijk van deze zinnelijke begeerten en wensen zou af geraken, zodat de ziel loskomt van de aarde en gelouterd en gereinigd wordt. Als het zover is dan is de kamaloka-tijd ten einde, dan stijgt de mens op tot het devachan.

Waaruit bestaat het leven in het kamaloka ?
In het kamaloka beleeft de mens nog eens zijn ganse leven, maar dan wel achterstevoren. Hij doorloopt de tijd omgekeerd, van zijn stervensuur tot zijn geboorte, dag voor dag, met alle belevenissen, gebeurtenissen en daden.

Wat is de zin daarvan ?
Bij iedere gebeurtenis blijft de mens terug staan, om zijn hang naar het fysiek-zintuiglijke af te leren. Hij beleeft nogmaals alle genoegens, maar zo dat hij ze moet ontberen, dat hij ze niet kan bevredigen. Daardoor verliest hij zijn hang naar het fysieke leven. En als hij zo zijn leven tot zijn geboorte doorlopen heeft, dan kan hij, met de bijbelse uitdrukking, in het "Rijk der Hemelen" binnengaan, zoals Christus het zegt:" Als ge niet wordt als de kinderen, kunt ge niet in het rijk der hemelen binnentreden." .

Enkele aspecten van het kamaloka-leven moeten we nog belichten omdat ze bijzonder belangijk en leerrijk zijn.

.

Van alle gevoelens die een mens tijdens zijn leven heeft, is vooral het eigenlijke levensgevoel belangrijk, de levensvreugde, het gevoel van te bestaan, van in een fysiek lichaam te zitten. Daarom is het één van de grootste ontberingen om geen fysiek lichaam meer te hebben. Daardoor verstaan we het verschrikkelijk lot en de ontzettende kwellingen van de ongelukkigen die door zelfmoord het leven verlaten. Bij een natuurlijke dood gebeurt de scheiding van de drie wezensdelen tamelijk gemakkelijk. Zelfs bij een hartstilstand of een andere snelle manier van sterven is deze scheiding van de hogere wezensdelen in werkelijkheid reeds lang voorbereid. Ze scheiden gemakkelijk en men voelt het ontbreken van een fysiek lichaam maar als een klein gemis. Maar bij een gewelddadige plotselinge scheiding van het lichaam, zoals bij een zelfmoordenaar, bij wie nog alles gezond is en vast samenhangt, daar treedt onmiddellijk na de dood en sterk gemis van dit fysiek lichaam op dat een vreselijk lijden veroorzaakt. Het is een verschrikkelijk lot ! De zelfmoordenaar voelt zich uitgehold en begint een afgrijselijke zoektocht naar het fysieke lichaam dat zo plots verdwenen is. Niets laat zich daarmee vergelijken.
Velen zullen nu zeggen: wie het leven moe is, die verlangt toch niet naar het leven, anders had hij het zich toch niet benomen.

Dat is een begoocheling, want juist de zelfmoordenaar hangt te zeer aan het leven. Het is maar omdat het leven hem de genoegens die hij gewoon is, niet meer biedt, omdat het leven hem misschien door veranderde omstandigheden veel ontzegt, dat hij in de dood gaat, en daarom is voor hem het gemis van een lichaam onbeschrijfelijk groot.

Maar niet voor iedereen is het kamaloka-leven even zwaar. Voor wie weinig aan materieel genot hing, is de ontwenning, de ontbering natuurlijk niet zo zwaar. Maar ook hij moet volledig van zijn fysieke leven loskomen, want het kamalokaleven heeft nog een andere zin.
De mens volbrengt tijdens zijn leven niet alleen daden die genot brengen. Hij leeft hier samen met andere mensen en schepsels. Bewust of onbewust veroorzaakt hij bij mens en dier vreugde en leed, lust en pijn. Ook dat komt men terug tegen bij het doorlopen van de kamalokatijd. Men komt terug aan de plaats en het ogenblik waar men andere wezens pijn heeft gedaan. De pijn die men toen anderen doen voelen heeft, moet men nu in de eigen ziel ondergaan. Alle kwaad dat ik ooit een ander wezen heb aangedaan, moet ik nu in de eigen ziel doormaken. Het is alsof ik in de andere mens, of het dier inzit en leer kennen wat het andere wezen door mij geleden heeft; dezelfde kwellingen en pijnen moet ik nu zelf ondergaan. Daaraan kan men niet ontsnappen. Dat is zelfs niet de werking van karma, alleen maar het loskomen van het aardse. Bijzonder verschrikkelijk is daardoor het kamaloka van wie vivisectie uitvoert. De antroposoof mag niet bekritiseren wat er in de wereld gebeurt, hij kan wel begrijpen hoe de moderne mens tot zulke praktijken is kunnen komen. In de middeleeuwen zou geen mens daaraan gedacht hebben, en het leven vernietigen om het leven te leren kennen, dat zou in oudere tijden iedere arts voor de grootste onzin gehouden hebben. In de middeleeuwen was nog een groot deel van de artsen helderziend, ze konden de mens bekijken en zien wat aan hem beschadigd was en wat hij mankeerde. Zo bvb. Paracelsus, die doorzag het fysieke lichaam. Maar de tijd van de materiële cultuur moest komen, en het helderzien verlorengaan. Dat is dan ook gebeurd bij de huidige artsen en natuurvorsers en één van de gevolgen daarvan is de vivisectie.
Die is dus te begrijpen, maar op geen manier te verontschuldigen of te rechtvaardigen. Onontkoombaar treden treden de gevolgen op van een leven dat zo'n kwellingen veroorzaakt heeft: de vivisector moet na de dood precies dezelfde folteringen doormaken die hij de dieren heeft aangedaan, zijn ziel steekt om zo te zeggen in iedere pijnscheut die hij teweeggebracht heeft. Dat hij het niet opzettelijk deed, het voorwenden van wetenschappelijkheid, het "goede doel", zijn geen verontschuldigingen. De wet van het geestelijke leven is onbuigzaam.

Hoe lang blijft de mens nu in het kamaloka ?
Een derde van zijn levenstijd. Is een mens 75 jaar geworden, dan blijft hij ongeveer 25 jaar in het kamaloka.

Wat gebeurt er dan ?
Als de mens zijn kamaloka-tijd doorgemaakt heeft, dan is hij rijp om het gelouterde deel van zijn astraallichaam van het lagere deel los te maken. Dit lagere deel blijft achter, en het deel dat hij zelf bewerkt heeft, dat maakt hij los. Bij een wilde en een weinig ontwikkelde mens blijft een groot deel als lager astraallichaam achter, bij een ontwikkeld mens minder. Als iemand als bvb. Franciscus van Assisi sterft dan blijft er zeer weinig achter, en een groot, machtig, hoger astraallichaam wordt vrijgemaakt, omdat deze mens veel aan zichzelf gewerkt heeft. Wat achterblijft is het derde lijk van de mens: de lagere driften en instincten die de mens nog niet veredeld heeft. Dit lijk zweeft voortaan overal in de astrale ruimte rond, en velerlei schadelijke invloed gaat ervan uit.

Dat is ook iets dat in spiritistische seances kan verschijnen. Dit astrale lijk blijft nl. dikwijls lang bestaan en kan via een medium van zich laten horen. Vaak geloven de mensen dan dat het de gestorvene zelf is, terwijl het slechts zijn astrale overblijfsel is. Als een omhulsel bevat dit zijn lagere driften en gewoonten. Het kan antwoord geven op vragen, het kan inlichtingen geven, het kan even intelligent praten en zijn als de lagere mens intelligent was. Het is een oorzaak van vele verwisselingen.

Een eclatant voorbeeld daarvan is de brochure van de spiritist Langsdorff, waar hij beweert contact te hebben gehad met Helena Blavatsky. De idee van reïncarnatie werkte nl. op Langsdorff als een rode lap op een stier. Hij zou alles bewogen hebben om deze leer te weerleggen. Hij haat Blavatsky omdat zij deze leer openbaar maakte en verspreidde. Nu bericht hij in deze brochure dat hij contact gezocht heeft met de geest van Blavatsky, en dat deze hem niet alleen meedeelde dat de reïncarnatieleer fout is, maar ook hoe zeer het haar speet om deze leer verspreid te hebben.

Dat kan allemaal echt gebeurd zijn, alleen: Langsdorff heeft geen contact gehad met Blavatsky, maar met haar lager astraallichaam. En dat dit lagere astrale overblijfsel van Blavatsky zo antwoordde is zeer goed begrijpelijk als men weet dat zij in de eerste periode van haar ontwikkeling, in het boek "Isis ontsluierd", werkelijk de reïncarnatieleer verwierp en bestreed. Achteraf kwam zij tot een hoger inzicht, maar haar dwaling bleef bij haar astrale lijk.

Dit derde overblijfsel, de astrale omhulling, lost geleidelijk op, en het is belangrijk dat het volledig opgenomen is in de astrale sfeer, als de mens voor een nieuwe incarnatie terugkomt. In de meeste gevallen gebeurt dat ook. Maar er zijn uitzonderingen, waar een mens te vlug reïncarneert, vooraleer zijn astrale lijk opgelost is. De mens geraakt in een moeilijke situatie als hij bij zijn wedergeboorte zijn eigen astraal lijk terugvindt dat nog alle onvolkomenheden uit zijn vorig leven bevat. Vóór hij geboren wordt bouwt de mens zich een nieuw astraallichaam op, maar het oude verbindt er zich mee, en de mens moet het meeslepen door zijn leven. Het oude astraallichaam treedt in boze dromen of visioenen voor hem als een tweede Ik en begoochelt, kwelt en pijnigt hem. Dat is dan de onberechtigde, valse "Wachter op de drempel". Dit oude astraallichaam treedt gemakkelijk uit de mens uit, omdat het niet vast met de andere wezensdelen verbonden is, en verschijnt dan als een dubbelganger".[...]

*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*

.

Mikrokosmos en makrokosmos

Behalve een fysiek lichaam bestaat de mens ook uit een etherlichaam, een astraallichaam en een Ik, zijn zgz. wezensdelen. Alleen het eerste is tastbaar, materieel, de overige zijn onzichtbaar en dragers van de menselijke ziels- en geesteseigenschappen. Men moet niet denken dat ze daarom hoger te schatten zijn dan het fysieke lichaam, integendeel, het fysieke lichaam is het meest perfecte van de menselijke wezensdelen, want het heeft de langste ontwikkeling achter de rug. Die ontwikkeling begon reeds in een evolutiestadium van de aarde dat we Saturnus noemen (de planeet met dezelfde naam die we heden ten dage aan de hemel zien is een herinnering aan dat stadium). Rudolf Steiner gaat uitgebreid in op deze evolutie, o.m. in "De wetenschap van de geheimen van de ziel".

Nog meer in detail gaat hij in GA 110 :"Geistige Hierarchien und ihre Widerspiegelung in der physischen Welt". Daar heeft hij het ook over het verband tussen de dierenriem en het menselijk lichaam: het menselijk lichaam weerspiegelt de omringende kosmos, we kunnen de mens een mikrokosmos noemen waarin de geheimen van de makrokosmos verborgen zijn. Achter wat we aan de hemel zien als een teken van de dierenriem is een geestelijke macht werkzaam. Deze geestelijke machten, wezens uit de hiërarchieën, werken elk in op een ander aspect van de ontwikkeling van mens en aarde. In astrologische handboeken vindt men voor ieder sterreteken één of enkele organen aangegeven, maar het waarom van dit verband, daar heeft men het raden naar. Daarom dit uittreksel.

We vertaalden een deel van de achtste voordracht, een soort conclusie. De uiteenzettingen die eraan vooraf gaan zijn eerder gecompliceerd en daardoor niet samen te vatten, de liefhebber moet ze zelf maar nalezen.
Nogmaals: met Saturnus wordt een vroeger stadium van onze aarde bedoeld.


[...]

"Van wat we vandaag het fysieke lichaam noemen werd de eerste kiem gevormd tijdens de vroegste vorming van Saturnus. Het fysieke lichaam was toen nog niet doortrokken van een etherlichaam, noch van een astraallichaam, maar kreeg toch reeds mee wat later, na vele omvormingen de drager van de huidige mensenwezenheid zou worden. Zeer traag en geleidelijk werd de kiem van het menselijk fysiek lichaam gelegd tijdens de oude Saturnusontwikkeling, en doordat de oude Saturnus zelf gevormd werd, wentelend langs de afzonderlijke tekens van de dierenriem, ontstond telkens de kiem van een ander deel van dat lichaam.

Toen Saturnus in het teken van de Leeuw stond, werd de kiem van het hart gevormd. De aanleg van de ribbenkast: in het teken van de Kreeft. Het plan voor een symmetrische bouw, zodat de mens er langs twee kanten gelijk uitziet, ontstond in het teken van de Tweelingen. En zo kunnen we stuk voor stuk het mensenlichaam nagaan. Kijken we naar dat deel van de dierenriem waar de Ram staat, dan kunnen we zeggen: toen de oude Saturnus op die plaats stond werd het bovendeel van ons hoofd aangelegd. De kiem van ons spraakorgaan kregen we mee toen Saturnus in Stier stond. En als u zich de mens aldus opgedeeld voorstelt, dan kunt u buiten in de dierenriem de scheppende krachten zien die instaan voor de leden van de mens.

In de oude mysteriën heeft men dat voorgesteld zoals hier op het plafond van de zaal. We bevinden ons toevallig, zoals men zegt -toeval bestaat echter niet- in een zaal die met een dierenriem versierd is. Men beeldde de dierenriem vroeger niet af, uiteengelegd in de verschillende dierfiguren, maar men tekende in de betreffende regionen het overeenkomstige deel van het menselijk lichaam: het hoofd in Ram, het strottenhoofd in Stier; dat wat het best de symmetrie uitdrukt, de armen, in Tweelingen; de ribbenkast in Kreeft, het hart in Leeuw; en zo ging men verder tot de onderbenen in Waterman en de voeten in Vissen. Denkt u zich dus zo'n dierenriem als mens in de kosmos getekend, dan hebt u wat uit de kosmos, d.i. uit de betreffende krachten van de hiërarchieën van Thronen, Serafijnen en Cherubijnen de oorspronkelijke aanleg geschapen heeft voor het menselijke fysieke lichaam. Dat is de grote kosmische mens, de mens die door alle wereldsagen en wereldmythen gaat, en waaruit de afzonderlijke mens gevormd werd in de meest verschillende gestalten. Denkt u aan de reus Ymir die uitgebreid is in de grote kosmos, want de mikrokosmische mens wordt gevormd uit de reus. U vindt hem overal, de grote makrokosmische mens, die daar schepper is, die daarbuiten alles bevat wat de mens in zijn binnenste heeft. Want aan de basis van zulke voorstellingen ligt een diepe waarheid, een waarheid die naargelang het helderziend vermogen van de verschillende volkeren min of meer gebroken tevoorschijn treedt. Ze treedt ook tevoorschijn in de wijsheid die in het Oude Testament uitgedrukt wordt. Ze treedt tevoorschijn in de wijsheid die als Oudhebreeuwse geheime leer steunt op de geheime leer die aan de basis ligt van het Oude Testament: in Adam Kadmon van de Kabbala. De makrokosmosche mens is geen andere dan de mens die we hierjuist in de kosmos getekend hebben. we moeten er ons slechts op de juiste manier een voorstelling van maken.

De leer van de makrokosmische mens zoals we die hier nu ontvouwd hebben, is een leer die inderdaad de diepste wereldgeheimen bevat, een leer die beetje bij beetje in de algemene mensencultuur zal instromen. Men is er vandaag nog ver van verwijderd om deze leer te verstaan, want indien iemand die maar een gewone geleerde is, deze voordrachten beluisterd zou hebben, dan zou hij het publiek waarschijnlijk voor iets anders gehouden hebben dan voor snuggere mensen. Men is er tegenwoordig zeer ver van verwijderd, van het begrijpen van zulke zaken. Maar we staan aan het beginpunt van een tijd waar de feiten die niet in overeenstemming te brengen zijn met de theorie-fantasieën van de huidige wetenschap de mensen ertoe zullen aanzetten om de weg te zoeken naar de grote waarheden van de wereldwijsheid.

En men zal nooit achter het geheim van bvb. het conceptiegebeuren komen, waarover de mensen nu zo kinderlijk speculeren, vooraleer men niet kan vruchtbaar maken de leer van de makrokosmische mens. Precies datgene wat zich als een reëel mysterie afspeelt en wat zich als een echt mysterie onttrekt aan instrumenten en werktuigen, dat zal zijn verklaring krijgen als om zo te zeggen het kleinste punt van het onderzoek. Want hoe klein is niet de cel waarin zich de bevruchting voltrekt, vergeleken met de kosmos ! Maar enkel en alleen de geheimen van de grote kosmos zullen openbaar maken wat in de kleinste cel gebeurt. Niets anders kan de geheimen van dit gebeuren in de cel verklaren. In verband met het probleem van de bevruchting zijn de onderzoeken van de uiterlijke wetenschap niet zinloos, ze hebben een bepaalde verdienste. Ze zijn echter allemaal kinderspel, vergeleken met het grote mysterie dat bestaat en alleen kan ontraadseld worden als men zal inzien dat de antwoorden over hetgeen in een punt ligt, op de omtrek moet worden gezocht. Daarom zei de oude mysterieleraar : wilt ge het punt begrijpen, onderzoek de omtrek, want die bevat de oplossing. Dat is het waarop het aankomt: dat men het punt slechts begrijpen kan als men de omtrek begrepen heeft."[...]



*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*

.

Van mens tot mens, de drempel van de geestelijke wereld

Het Franse antroposofisch tijdschrift "Tournant" verschijnt maandelijks (sinds en bevat vele interessante artikels. In het nummer van januari 1994 dat gewijd was aan het fenomeen man-vrouw, schreef de hoofdredacteur, Michel Joseph, een artikel met als titel: "La rencontre des êtres et le seuil du monde spirituel". We vertaalden deze tekst en drukken hem af met toestemming van de auteur.


De drempel is de smalle doorgang tussen de zintuiglijke wereld en de bovenzinnelijke. De mens passeert hem niet uitsluitend bij de geboorte en de dood, want deze drempel begeleidt ons onzichtbaar gans ons leven. Niet alleen overschrijden we hem iedere dag bij het inslapen en het ontwaken, maar op begenadigde momenten en kritische ogenblikken in ons bestaan zien wij onszelf eveneens -bewust of niet- voor deze drempel staan. In het bijzonder is iedere ontmoeting van mens tot mens een overschrijden van de drempel.

Wat is dit overschrijden van de drempel ? Het is vooral een inwijdingsbelevenis: allerhande zaken, zelfs als ze vroeger vertrouwd waren, komen in een nieuw licht te staan en onthullen ons aspecten die we tot dan toe niet kenden. Zaken en wezens beginnen hun geheime taal te spreken, ze krijgen een innerlijk, ze treden in samenklank met onszelf door hun innerlijk. Een groot deel van wat men bovenzinnelijk waarnemen noemt bestaat precies daaruit: allerhande verbindingen worden duidelijk, banden tussen de delen en het Al, tussen de microkosmos en de macrokosmos.

Nochtans kan ons gewoon lager Ik deze drempel niet zomaar overschrijden, het wordt er streng van verwijderd gehouden - daarom ook laat onze normale bewustzijnstoestand geen herinneringen toe van wat we beleven tijdens de slaap als we ons buiten ons lichaam bevinden. Om bewust deze drempel te benaderen moet een ander Ik gewekt worden, een Ik dat veel omvattender is dan het gewone Ik, maar dat toch evenzeer Ik is; een groter Ik dat om zo te zeggen het omgekeerde van het andere is, want het is oneindig, terwijl het lager Ik in het hier en nu leeft. De meditatie is nu precies wat ons toelaat om beetje bij beetje van het lager Ik op te stijgen naar het hoger Ik. Door de meditatie maken we kennis met de activiteit die in de gedachte leeft, van het punt gaan we naar de omtrek.

Maar dat het voor het lager Ik onmogelijk is om de drempel van de geestelijke wereld te overschrijden heeft tot gevolg dat het naderen van de drempel noodzakelijkerwijs samengaat met een louteringsproces. De geestelijke wereld beschermt zich tegen het binnendringen van het lager Ik door zijn spiegelwerking. Deze spiegel is de drempel, en wij kunnen slechts zien wat er aan de andere kant is voorzover we de beelden die hij weerkaatst kunnen omvormen. Daarom is de moeilijkste beproeving voor wie de drempel nadert de ontmoeting met zijn eigen beeld. Dit beeld stelt het lager Ik voor in al zijn bewuste en onbewuste dimensies en met al wat er nog niet perfect is. Wat deze ervaring zo onverdraaglijk maakt is dat, in tegenstelling tot de gewone wereld, het beeld hier een zelfstandige werkelijkheid verkrijgt, begiftigd met leven en uitdrukking. Men noemt het daarom de dubbelganger of de kleine wachter aan de drempel, want dat is de taak die hem toebedeeld is. De beproeving van de wachter aan de drempel betekent dat men, vooraleer te passeren, zijn moed moet samenrapen om het beeld te aanschouwen van al wat ons gevangen houdt, en om daarenboven te beginnen met om te vormen wat ons getoond wordt door de wachter.

Deze eerste karakterisering van de drempel laat ons nu toe om te begrijpen wat we in 't begin zeiden, nl. dat iedere inter-individuele ontmoeting een overschrijden van de drempel betekent. Want wat gebeurt er in feite als we bvb. in een gesprek iemand tegenover ons hebben ? Allerlei zaken doen zich over en weer voor, bewust en onbewust, en een groot aantal van deze zaken raken eventjes zeer vlug het bewustzijn, zonder dat we er in de meeste gevallen in slagen deze zaken vast te houden, dat zouden we zelfs niet willen. Wij willen dat niet omdat juist de andere voor ons het raadsel van de Sfinks is, voor ons en onze gewoontes, voor ons lager Ik, een gevaarlijk en storend raadsel.

Wij zien dit reeds waar het om een eenvoudige beroepsrelatie of om een persoon gaat waar we geen speciale band mee hebben. In dat geval zijn er sociale omgangsvormen, beleefdheidsformules, al wat ons toelaat om aan de oppervlakte te blijven. Want een stap verder zetten naar de ander, hem echt bekijken, zou betekenen dat wij ook aan hem het recht toekennen om ons te bekijken, en misschien reeds om ons echte vragen te stellen. Is er hier geen sprake van een spel van weerkaatsing en projectie ? Ik houd de ander binnen de perken door te letten op wat hij van mij weerkaatst, en daar is het essentieel voor mijn gemoedsrust dat de weerkaatsing conventioneel blijft. En nochtans, terzelfdertijd dat dit spel zich voordoet zonder dat we er echt weet van hebben, komt er een andere ervaring in ons op. Het is een zeer scherpe ervaring, een onmiddellijk waarnemen van de ander, een waarneming die veel verder reikt dan wat we op dat moment horen en zien. Het is iets als een "eerste indruk" die, ver van ons innerlijk onverschillig te laten, in ons een menigte reacties en weerklanken oproept. Het resultaat is die onredelijke gewaarwording van sympathie of antipathie, een beetje alsof ons innerlijk verwarmt of verkilt door in het innerlijk van de ander te treden. Over 't algemeen, als men die persoon dan vaker tegenkomt, zal men deze eerste indruk totaal opzij schuiven om zich open te stellen voor de verschillende aspecten van zijn persoonlijkheid.

Maar dikwijls doet zich vroeg of laat een situatie voor waar men de eerste indruk in zijn geheel terugvindt en tot zijn verbazing vaststelt dat deze op veel vlakken overeenstemde met de realiteit. Dat betekent dat daar werkelijk sprake was van een reële, zeer diepe waarneming, maar die zich desondanks inkleedde, vertaalde in onze eigen subjectiviteit. Men heeft dus gelijk als men op zijn hoede is voor een eerste indruk, want deze komt overeen met een geestelijke waarneming die bang is om zich te tonen, en daarom spiegelt hij zich in wat bij ons subjectiviteit is. M.a.w. tegenover een mens die we voor 't eerst ontmoeten bevinden we ons werkelijk voor de drempel: de totale perceptie van het ziele-geestelijk wezen van de ander -en deze perceptie gaat zeer ver, zelfs tot aan het aanvoelen van vroegere levens- stroomt naar ons toe vanachter de drempel, maar ervoor plaatst zich onmiddellijk ons eigen Ik, of liever onze dubbelganger. En deze laatste verandert de zuiver geestelijke perceptie in de subjectieve indrukken van sympathie en antipathie, hij filtert het beeld van de ander door zijn eigen beeld, met als resultaat dat hetgeen vluchtig opduikt in ons bewustzijn eerder een waarneming wordt van de interactie van de twee dubbelgangers. In iedere ontmoeting schuilt er dus een machtig geestelijk beeld, en we zouden zeer ver geraken als we door meditatie zouden verdiepen wat daar bovenkomt. Maar ook daar hebben we te maken met de drempel: dit verdiepen kan maar tot iets objectief leiden als het egoïsme voorafgaandelijk werd gelouterd, t.t.z. als we moedig genoeg zijn om onze eigen dubbelganger te confronteren die er wil tussen komen, als we hem om zo te zeggen transparant maken. Hem doorschijnend maken wil niet zeggen uitschakelen -hoe zouden we hem dan nog kunnen omvormen ?- maar hem zijn plaats wijzen. Deze omvorming is in zich een opstijgen van het lager Ik naar het hoger Ik, het kosmisch Ik.

We kunnen nu verder gaan en de liefdesrelatie bekijken en de relatie met het andere geslacht. Dat is een nog complexer gebied, maar hiervan weet ieder dat liefde en kennis er tegenover elkaar staan. Men meent algemeen dat liefde eenvoudigweg tot het domein van de gevoelens behoort, net zoals de kennis met het denken samengaat. Dat is maar gedeeltelijk waar. Om goed te begrijpen waar het om gaat moet men de tegenstellingen in het menselijk wezen duidelijk maken en de beweging van deze polariteiten overdenken. De eerste polariteit is die van liefde-kennis. Beminnen is samensmelten met de ander, branden met hem in het vuur van het leven. Kennen integendeel, dat is afstand nemen, zich afsluiten van wat buiten is, het universele leven afstoten om er zich buiten te plaatsen. De eerste pool heeft vooral te maken met de krachten van het leven, het gebied van de wil, overal aanwezig in het heelal. Zich er totaal aan overgeven zou betekenen dat men zichzelf verliest, dat men het bewustzijn van te bestaan verliest. De tweede pool is de antithese van het leven en dat maakt dat de bewustzijnspool identiek is aan de pool van de doodskrachten: bewustzijn vernietigt het leven, wat zelfs fysiologisch reeds waar is.

Het grote drama van de mensheid is dat zij in deze twee onverzoenlijke polen opgedeeld is, die nochtans in ieder van ons naast elkaar bestaan. De bijbelse mythe van de twee bomen, die van de kennis en die van het leven, is een kosmische herinnering aan het statuut van de mens als sterfelijk-onsterfelijk wezen. Sindsdien is gans de geschiedenis van de ontwikkeling van de mensheid een illustratie van de steeds hernieuwde pogingen om deze polen te verenigen. Maar waar er een polariteit bestaat, daar schept de tegenstelling tussen de uitersten altijd een derde centrum, een bemiddelingspool tussen deze uitersten. Ook bij de mens vindt men die terug, het is wat men noemt het gevoel, en die men beter zou noemen: de pool van het ritme, van hart en longen, het echt midden van ons wezen. Hier ontmoet het denken de wil, de levenskrachten en de doodskrachten vermengen zich, en het mirakel van het evenwicht komt tot stand. Kennen betekent hier: in het hart doen samenkomen het bewuste denken dat uit het hoofd, het doods aspect komt, met de levenskrachten die opstijgen uit de rest van het organisme. Beminnen is hier: doen samensmelten in het centrum de liefdeskrachten uit de levenspool met de denkkrachten uit de "doodspool". Kennen en beminnen worden hetzelfde want alletwee verenigen ze in het midden van het wezen wat van onder en wat van boven komt.

Dat leidt ons naar een tweede fundamentele polariteit, die van de geslachten. De oude kosmogonieën vertellen ons dat het teken van de dierenriem dat zowel de dood als de sexualiteit voorstelt, het teken van de schorpioen, vroeger een arend was. De arend die met zijn doordringende blik alle dingen overschouwt, heeft zijn vleugels verloren en is de schorpioen geworden die nauwelijks over de bodem ziet en zich pantsert. Dat is de geschiedenis van de zondeval: het kennen was kosmische wijsheid, levensdoordrongen - ze heeft zich in het binnenste teruggetrokken, in de hersenen, en tegelijkertijd verschenen de twee geslachten. Het verstandelijk denken is even oud als de geslachtelijke voortplanting, ze hebben dezelfde oorsprong. De sexualiteit, net zoals het bewustzijn, komt voort uit het ontstaan van de pool van de doodskrachten. Maar de grote paradox die ons bestaan op aarde zeer grondig tekent, is dat deze dood op zijn beurt een bron van leven wordt. Is niet iedere bevruchting een doodsproces, het binnendringen van een vreemd lichaam in een levende cel die daardoor totaal overhoop gegooid wordt, een nieuwe structuur krijgt, en in zekere zin zelf moet afsterven ? Het leven ontspringt uit de dood en daarom is ons leven op aarde sterfelijk.

Deze beschrijving komt precies overeen met de drempelervaring waar we 't over hadden: het lager Ik moet zelf sterven, transformeren, om een overschrijden van de drempel mogelijk te maken. De tweede polariteit laat ons toe om dit beter te begrijpen. Welk zijn die twee polen man-vrouw ? Men voelt direct aan dat de eerste eerder aanknoopt bij de pool van de doods- en bewustzijnskrachten, de tweede bij de levenskrachten. De zaken zijn nochtans niet zo eenvoudig want er is hier een dubbele polariteit: wat op het fysiek niveau mannelijk is, is vrouwelijk op het etherisch niveau, en vice-versa. En als Rudolf Steiner zegt dat de man een vrouwelijke ziel heeft en de vrouw een mannelijke ziel, dan betekent dat dat de ziel van de man zich laat bevruchten door de kosmos, door de geest, terwijl de vrouw in zekere zin de kosmos, de geest bevrucht. Er bestaat een reëel verband van vader en moeder wat betreft de wereld van de ideeën, dat het omgekeerde is van wat bestaat op het fysieke niveau. Dit dubbel verband ten andere maakt dat wij in werkelijkheid in onze ziel androgyn (= man-vrouw) zijn. Het is dus alleen in zijn etherlichaam of levenskrachtenlichaam, waar o.a. de groei, het geheugen en het denken zetelen, dat de man vrouwelijk is, t.t.z. meer verbonden met de pool van het bewustzijn en de voorstelling. En het is ook daar dat het mannelijk aspect van de vrouw zich openbaart.

Dit alles versterkt noch het spel van spiegelingen en projecties tussen vrouw en man, het spel, of liever het avontuur van het passeren van de drempel. Want de liefde-kennis is het krachtigste middel om de drempel te overschrijden. De liefde van de ander voor mij laat mij mijn hoger kosmisch wezen voorvoelen dat zich manifesteert van over de drempel. Zij loutert mij want ik moet tonen dat ik haar waard ben. En de liefde die ikzelf voor een ander voel is reeds een soort visioen van zijn hoger wezen waarin ik geloof en dat ik hem op mijn beurt kan laten aanvoelen. Maar deze liefde alleen, zonder de afstand die toelaat om te kennen, zou overeenkomen met slapen, een verlies van bewustzijn. Het is de aanwezigheid van de dubbelgangers van beide mensen die, door een schaduwzone te scheppen, het beleven van de drempel laat bewust worden. En in deze zone verenigen zich liefde en kennis.

Het komt ook dikwijls voor dat twee partners één-worden langs onder, langs hun schaduwzone, door gewoonte en routine zonder diepgang. Deze situatie, die spijtig genoeg zeer verbreid is, is niets anders dan een falen vóór de drempel. De vurige intuïtie is reeds lang vergeten en de relatie wordt in stand gehouden zo goed en zo kwaad als het gaat, door toegevingen en conventies, door een soort verbond tussen de twee dubbelgangers. Men kan vaststellen dat dit soort koppels een instinctieve, egoïstische kuddegeest onderhoudt, omdat men er afstand gedaan heeft van zijn individualiteit, t.t.z. geweigerd heeft rekening te houden met de spiegelbeelden en verder te gaan.

Al deze verschillende observaties vinden we ook terug op het niveau van de sexualiteit. Die stond vroeger uitsluitend in dienst van de voortplanting en is geëvolueerd, parallel met de ontwikkeling van het menselijk bewustzijn. De schorpioen wil zijn vleugels terugvinden, wil terug arend worden ! In een zeer grijs verleden was de geslachtsdaad een groot mysterie; de vereniging werd beleefd op een bewustzijnsniveau als dat van de slaap of de droom. Tegenwoordig ontwikkelt ze zich tot een proces dat ons de ander en onszelf laat kennen. Het mysterie is nog altijd even groot -men kan eens te meer spreken van een drempelervaring- maar het bewustzijn verruimt, het bewustzijn van aanwezig te zijn van de aarde tot aan de sterren, m.a.w. met lichaam, ziel en geest.

Hier, vóór de drempel, manifesteert de man-vrouw polariteit zich o.m. door de bewustzijnstoestand. Tijdens het voorspel zijn beide zeer wakker. Maar vervolgens kan men zien hoe het één-worden dat het orgasme kan zijn een soort ommekeer veroorzaakt: de vrouw kan het dikwijls niet volledig doorleven als ze niet haar gewone bewustzijn achterlaat, terwijl de man om zo te zeggen zijn waaktoestand moet opvoeren. Zij verinnerlijkt, daalt af naar de diepten, terwijl hij veruiterlijkt, kosmos wil worden. Het is een overschrijden van de drempel in twee tegengestelde richtingen. En omgekeerd, tijdens de fase die volgt op het één-worden, heeft de man de neiging om naar de slaaptoestand te gaan, en de vrouw om wakkerder te worden. Bij hem zijn het nu de levenskrachten die overheersen en bij haar de bewustzijnskrachten. Deze laatste fase kan zeer kort zijn en gevolgd worden door een andere tijdens dewelke de zielen direct communiceren. In dit alles heeft men werkelijk een beeld van de drempel: het één-worden van microkosmos en macrokosmos, waarbij elk van beide principes zich nu eens bij de vrouw, dan bij de man manifesteert, naargelang de fase.

Zo verkrijgt de geslachtsdaad waar liefde en kennen zich verenigen, terug het gewijd karakter van weleer. Iedere menselijke ontmoeting moet een sacrament worden, want zij bezegelt het samenkomen van het aardse en het geestelijke. Het is deze ervaring die de beschaving van de toekomst zal grondvesten, en daarom moet de mensheid leren om zich te handhaven voor de drempel.

*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*

.

Over sekten

Jan Vermeir steunde voor dit artikel op de resultaten van eigen opzoekingswerk en officiële documenten.


Recentelijk verscheen op de boekenmarkt de Nederlandstalige versie van het boek "Les sectes en Belgique" van de Franstalige journalist Alain Lallemand. Hierin worden een groot aantal sekten doorgelicht die in België actief zijn, en het minste wat over het boek kan gezegd worden, is dat het goed gedocumenteerd is.
Ook de antroposofie van Rudolf Steiner wordt door de auteur als sectarisch beschouwd.

Het woord 'sekte' heeft -terecht- een negatieve bijklank. Nu rijst de vraag: wat is een sekte ? - en vervolgens: is de antroposofische beweging een sekte ?

Een pasklare definitie van wat een sekte is kan niet gegeven worden. De enige vereniging in Vlaanderen die het fenomeen van de sekten bestudeert, de "Vereniging ter Verdediging van Persoon en Gezin" (V.V.P.G.), gevestigd in Brasschaat, geeft de volgende kenmerken, wij citeren:

- een grenzeloze, kritiekloze bewondering voor een leider en zijn geschriften, die onaantastbaar zijn;
- achter de filosofielessen, de meditatietechniek, de bijbelstudie zit een ganse organisatie, maar vragen daarover worden afgewimpeld;
- kritiek wordt afgewezen door te zeggen dat men eerst verder, hoger in de leer moet zijn om het te kunnen begrijpen;
- alleen de groep is juist en de buitenwereld is dom en/of slecht;
- men wordt aangespoord om steeds meer tijd in de beweging te stoppen en zijn lectuur en activiteiten tot die van de beweging te beperken.

Alain Lallemand geeft in zijn boek de volgende definitie: "Een sekte is een groep die zich structureert rond het geloof in een goddelijk beginsel (of in een menselijke mythe die tot op die hoogte wordt getild) en waarvan de mythologie en/of de dogma's de leden ertoe aanzetten zich van de wereld af te keren door in hun dagelijks leven geheel of gedeeltelijk de natrekbare, toetsbare realiteit te negeren. Die realiteit kan medisch, wetenschappelijk, sociaal, economisch of historisch zijn."

Is de antroposofie sektarisch ? Laat Rudolf Steiner hierover zelf aan het woord: "Met de antroposofisch gerichte geesteswetenschap die een wereldblik onontbeerlijk acht, een blik op werkelijk alles wat het mensenleven en het wereldleven beroert, is datgene onverenigbaar wat in bepaalde kringen aangehangen wordt, in de kleine afgesloten, obscure kringen die eigenlijk slechts vanuit een zekere zielewellust gevormd worden, waar men zich aan allerlei illusies kan overgeven en allerhande duistere mystiek beoefenen en dergelijke. Met zulke dingen is de antroposofisch georiënteerde geesteswetenschap die met een wijde wereldblik op alle levensverhoudingen moet gericht zijn, nu eenmaal hoegenaamd niet verenigbaar. En het is noodzakelijk dat onze leden zich er klaar en duidelijk moeten van bewust zijn dat zij zich verre houden van alles wat doet denken aan sektarische praktijken."

Deze twee definities komen wonderbaarlijk goed met elkaar overeen, behalve dan dat Lallemand het heeft over een (materieel) wetenschappelijk natrekbare realiteit, en Rudolf Steiner over "een wijde wereldblik op alle levensverhoudingen".
De V.V.P.G. heeft een vijftigtal sekten geregistreerd die in Vlaanderen actief zijn; en om diegenen die zich op een ernstige manier met antroposofie bezig te houden gerust te stellen: de antroposofie wordt door de V.V.P.G. niet aangemerkt als een secte, maar als een wereldbeschouwing.
Alain Lallemand doet in zijn boek het relaas van de dood van een tweejarig leukemiepatiëntje dat behandeld werd door "antroposofische genezers", die consult hielden "vanop afstand", werkten "met geestelijke energieën" en niets moesten weten van de traditionele geneeskunde. Door dergelijke kwakzalvers wordt de antroposofie inderdaad in een slecht daglicht gesteld. Nochtans heeft Rudolf Steiner altijd geëist dat zou samengewerkt worden met de bestaande geneeskunde, en dat zijn eigen medische inzichten nauwkeurig wetenschappelijk zouden onderzocht en uitgewerkt worden.

Wil men zich op de juiste manier tot de antroposofie verhouden, dan moet men ernaar streven een klaar inzicht te verkrijgen in de bestemming van de mensheid, nl. het ontwikkelen van de menselijke individualiteit volgens het Christus-principe, en dan dient men er zich tegelijkertijd van bewust te worden dat twee gevaren deze ontwikkeling willen tegenhouden: de luciferische en de ahrimanische impuls.
Ahriman wil de aarde vermaterialiseren en verintellectualiseren zodanig dat zij één groot mechanisme wordt dat een eigen leven begint te leiden waarop de menselijke individualiteit geen vat meer heeft en aldus ondergeschikt en afhankelijk wordt. Lucifer wil verhinderen dat de mens zich verbindt met de aardse realiteit, hij wil dat de mens a.h.w. boven de aarde blijft zweven in een irreële, droomachtige toestand, verbonden met en "wereldziel", waarin de afzonderlijke zielen vervloeien.
Deze beide machten willen, elk op hun eigen manier, de aarde tot één gemeenschappelijke klomp maken waarin de afzonderlijke zielen hun individualiteit verliezen.
Wat de zoeker naar het spirituele bedreigt is niet zozeer het ahrimanische dan wel het luciferische gevaar. En wil men de antroposofische wetenschap -geen gemakkelijke materie !- beoefenen vanuit een mystieke oosters getinte zielegesteldheid, dan verwordt antroposofie tot een soort New-Age of Waterman-beweging.
Rudolf Steiner hierover: " Bekijken wij maar eens gans onbevangen onze tijd. Hoevelen zijn er niet die zich op een totaal verkeerde manier terug willen verplaatsen in de geestesopvatting van het Oosten, die een zekere mystieke drang voelen om niet deel te nemen aan wat nu in de uiterlijke wereld gebeurt, die willen vluchten in een mystiek-dweperige levensbeschouwing, die dat wat eens gerechtigd was voor het oosterse leven van vroeger tijden maar nu decadent geworden is, willen binnenvoeren in ons leven dat nu van een geheel andere aard is ... Er is iets dat in de eminentste zin luciferisch is in deze zielestemming, en dit luciferische waait vanuit het Oosten naar hier over !"

Wil men wegvluchten in een mystieke droomwereld, dan wordt men beter niet een antroposoof, maar een theosoof ! Rudolf Steiner: "Nu kan men zich besparen om geconfronteerd te worden met de huidige werkelijkheid door en dweperig mystieker of een theosoof te worden en op een oppervlakkige manier het "Ex oriente lux"* te herhalen. Dan kan men zich in een innerlijk welgevoelen wentelen en vluchten voor de gebeurtenissen van het heden. Men kan zich erover heen tillen, men kan zich zelfs een uitgelezen mens in deze mystiek of deze theosofie voelen en men kan alles verachten wat rond zich gebeurt, als "de slechte wereld", als de wereld der materie, die minderwaardig is."

Antroposofie moet men niet verwarren met theosofie. Antroposofie betekent letterlijk: kennis over de mens; theosofie betekent letterlijk: kennis over God.
De antroposofie heeft tot doel de individuele mens en de mens in verhouding tot zijn medemens, tot de aarde, tot de kosmos en tot de geestelijke wereld te bestuderen. De theosofie heeft tot doel kennis te verwerven over het goddelijke. De theosofie bestaat sedert de vroege middeleeuwen en haar invloed was gebaseerd op instinctieve kennis van de geestelijke wereld die sommigen (zoals Paracelsus) toen nog bezaten. Deze instinctieve kennis is nu verloren gegaan, zodat de theosofie geen bestaansrecht meer heeft. Nochtans bestaat zij nog steeds, maar zij is een karikatuur van zichzelf geworden. De stichteres van de hedendaagse theosofie was Helena Petrovna Blavatsky (1831-1891). Zij bezat nog instinctieve, mediamieke gaven; haar inzichten heeft zij in een aantal omvangrijke publicaties nagelaten.
Rudolf Steiner had reeds de grondslag gelegd voor zijn antroposofische wetenschap toen hij in contact kwam met de theosofie. Hij zag hierin een aantal raakpunten met zijn eigen inzichten aangaande het ontstaan en de evolutie van de wereld, maar hij zag ook de halve waarheden, de onwaarheden en het bedrog waarop de theosofie gebaseerd is. Niettemin werd hij voorzitter van de Theosofische Vereniging in Duitsland, zij het dan met de bedoeling om de goede elementen, die ongetwijfeld in de theosofie aanwezig zijn, verder uit te diepen, en om de bedrieglijke elementen eruit te halen. Na een tiental jaren werd hij uit de Theosofische Vereniging gestoten wegens onoverbrugbare meningsverschillen. Eén van deze meningsverschillen betrof het feit dat de toenmalige theosofische leiders een jonge Indische knaap, Giddu Krishnamurti, aangewezen hadden als zijnde de nieuwe Christus. Hiermee kon Rudolf Steiner zich absoluut niet verzoenen, gezien volgens hem de menswording van Christus een éénmalige gebeurtenis geweest was.
De theosofische beweging kende in ieder geval een overdonderend succes en Krishnamurti werd over de ganse wereld door miljoenen mensen aanzien als de nieuwe Christus, totdat Krishnamurti zelf, eenmaal volwassen, alle aanspraken op de titel van Messias afzwoer en zich volledig distantieerde van de theosofie, van haar leiders en haar praktijken.
Na de breuk met Krishnamurti, dat was in 1929, verdween de theosofische beweging naar het achterplan, tot het laatste decennium. Want de laatste jaren is er opnieuw een beduidende opleving van de theosofie waar te nemen, onder de invloed van de geschriften van twijfelachtige "mediums" zoals de Amerikaanse Alice Bailey en de Bulgaar Oomraam Mikhaïl Aïvanhov, maar vooral ook door het optreden van enkele Indische "avatars" (vleesgeworden goden), die gretig uit de theosofische literatuur putten, die "grote" mirakelen verrichten, jongleren met zgn. materialisaties (het tevoorschijn toveren van o.a. "vibhuti", of heilige asse, van gouden armbanden en ringen e.d., het uitbraken van "lingams", dit zijn heilige stenen in de vorm van een ei ... ).
Alleen al in West-Europa hebben deze Indische "avatars" miljoenen aanhangers. Ook België blijft niet gespaard van deze theosofische invasie, en bovendien zijn er dan nog de plaatselijke charlatans die munt willen slaan uit de goedgelovigheid van mensen die op zoek zijn naar antwoorden op de levensraadsels. Zo bestaat er in Vlaanderen een keten van V.Z.W.'s en centra die samenwerken, die via onderlinge afspraken elk hun eigen "specialiteit" hebben en hun klanten aan elkaar doorgeven; de "specalisatie" is immers beperkt in de tijd (men kan niet blijven beloven) en zodoende moet aan de klanten op geregelde tijden iets nieuws aangeboden worden. Eén van deze "specialisaties" zijn bvb. de "Meesters" uit de theosofie. De Meesters -de belangrijkste zijn Meester Kuthumi en Meester Morya- zouden geestelijke wezens van grote wijsheid zijn die langs telepathische weg als bemiddelaar zouden fungeren tussen de geestelijke wereld en een aantal uitgelezen persoonlijkheden met "hoge morele" geaardheid. Dergelijke "hoge morele persoonlijkheden" die dikwijls beweren allerlei studies te hebben gedaan en zich als autoriteit voorstellen op het gebied van geestelijke inzichten, maar in feite geen enkel diploma of referentie kunnen voorleggen, en bovendien de grootste onzin uitkramen, incasseren tot honderdduizenden franken per maand ...
Uiteraard zijn er ook ernstige theosofen, maar deze dingen wezen vermeld omdat antroposofie dikwijls in één adem vernoemd wordt met de theosofie, en om onze lezers -voorzover dat nodig is- te waarschuwen voor de bedrieglijke praktijken die in het milieu van de grenswetenschappen niet de uitzondering, maar de regel zijn.

"Wanneer dan iemand tot u zegt: "Ziet ! Hier is de Christus" of: "Daar is Hij !", gelooft het niet. Want er zullen valse Christussen en valse profeten opstaan, die grote tekenen en wonderen zullen doen ten einde, indien mogelijk zelfs de uitverkorenen te misleiden. Ziet ! Ik heb u van te voren gewaarschuwd." (Mattheus 24: 23-25) Deze tekst uit het evangelie spreekt voor zichzelf, en nochtans zijn er vele secten die hun succes danken aan het feit dat hun leider zich voordoet als de nieuwe Messias.
Eén der hoofdpunten van Rudolf Steiners geesteswetenschappelijke leer betreft de wederkomst van Jezus Christus, niet in een fysiek lichaam, maar in de geestelijke etherische sfeer rond de aarde. In feite betreft het geen wederkomst, maar een weerzien, omdat Christus zich sedert zijn dood reeds met deze geestelijke aardesfeer verbonden heeft: het is aan de mens om in deze geestelijke sfeer binnen te groeien. In de toekomst zal dat ook gebeuren, en dan zal men daar de geestelijke Christus kunnen aanschouwen (zie De Brug van maart '93 - derde deel van het het artikel).

Momenteel zijn er een tiental gekende "nieuwe Christusen" actief in de wereld, allen met een grote aanhang (het gaat over miljoenen mensen).
Rudolf Steiner voorzag dat er deze en volgende eeuwen verscheidene valse messiassen zouden verschijnen, en hij heeft hiervoor ook meer dan eens gewaarschuwd:

"Nu dat men met de ontwikkelde eigenschappen van de mensen de wederkomst van een vleesgeworden Christus als een dwaling zou moeten inzien, en zijn verschijning in het etherische als juist en waar, nu is het een noodzaak dit duidelijk te onderkennen; een vergissing zou zich bitter wreken."

Zelf doet hij het verhaal van een man, Sabbataï Zevi, die optrad als Christus in Smyrna (Turkije) in de 17de eeuw. Deze man had een buitengewoon grote aanhang en men vereerde hem over gans Europa, in grote delen van Azië en Afrika. Deze "Christus" werd echter ontmaskerd. Hij had nl. een concurrent die ook Christus wilde zijn, en deze laatste overtuigde de Turkse sultan ervan dat Sabbataï Zevi plannnen smeedde om het Turkse rijk omver te werpen. De sultan liet Sabbataï gevangen nemen en liet hem de keuze: ofwel onthoofd worden, ofwel zich bekeren tot de Islam en een goedbetaalde job aan het Turkse hof aannemen. En Sabbataï koos voor het laatste, en werd muzelman.

Wat drijft iemand ertoe om een sektarische beweging of een spiritueel centrum op te richten ? Er kunnen drie redenen onderscheiden worden die dikwijls in combinatie met elkaar voorkomen.
De meest voorkomende is geldgewin: zich persoonlijk willen verrijken door het onderwijzen van spirituele ontwikkeling kan nooit deugen. De tweede reden is ijdelheid en machtswellust: men stelt zich graag op een voetstuk, en men geniet van de macht die men uitoefent op de volgelingen.
Deze twee redenen gaan altijd samen met bedrieglijke of misleidende praktijken: men stelt zich voor als een autoriteit op het gebied van spirituele kennis, men beweert in contact te staan met geestelijke wezens ... Rudolf Steiner hierover in "Beroep en karma"(tiende voordracht):

"De mensheid moet er nu voor boeten doordat alle mogelijke occulte mensen zich nu van mediums bedienen, occultistische mensen die niet zuiver occultistische wegen bewandelen, maar die één of ander particulier doel voor ogen hebben. Ik heb het al vaker gezegd: wie werkelijk occultist wil zijn, kan niet slechts een specifiek menselijk belang dienen, maar alleen het algemeen menselijk belang, algemeen menselijke idealen, en hij mag vooral nooit slechte middelen aanwenden, onjuiste middelen aanwenden om een bepaald doel te bereiken."

Een derde reden is dat de leider van de sektarische beweging of van het spiritueel centrum er zelf van overtuigd is dat hij of zij boodschappen ontvangt uit de geestyelijke wereld, of dat hij een profeet is of zelfs Christus of God is. Deze overtuiging berust op een vorm van geesteswaanzin. De meest voorkomende vorm is paranoïa: men heeft waanideeën, ideeën die niet met de werkelijkheid overeenstemmen, terwijl men niettegenstaande dat perfect kan functioneren in het dagelijks leven. De bovenvermelde Sabbataï Zevi leed aan een erge vorm van paranoïa, gecombineerd met manisch-depressieve toestanden.
Een andere vorm van krankzinnigheid betreft de hallucinatie: (zintuiglijke) verschijningen en waarnemingen die in het bewustzijn optreden maar er in werkelijkheid niet zijn. De oorzaak van hallucinatorische toestanden werd door Rudolf Steiner uitgelegd, we proberen het hier weer te geven:
De structuur van het menselijk lichaam ontstaat door het ingrijpen van kosmische, vormgevende krachten (het werk van hogere geestelijke wezens), waarrond de fysische elementen het lichaam opbouwen. Die vormende krachten werken gedurende het ganse leven verder aan de opbouw en instandhouding van het fysieke lichaam. Het zijn innerlijke krachten die voor het normale bewustzijn onbewust blijven en die zich vooral concentreren in en rond de organen zoals hart, lever, nieren en longen.
Het menselijk lichaam kan door een abnormale verhouding van zijn (chemische) bestanddelen (water, vaste elementen, maar ook lucht en warmte) iets in elkaar "krimpen" waardoor die latente innerlijke krachten in de organen a.h.w. uit het lichaam "geperst" worden. Die uitgeperste krachten komen in het bewustzijn en worden daar als realiteiten ervaren. Het zijn vormgevende krachten die -wanneer zij uit het onbewuste naar buiten treden- ervaren worden als dwingend, als dwangmatige gedachten of verschijningen en de hallucinerende kan niet anders dan deze voor werkelijkheid aanzien. In feite zijn het echter hallucinaties die een beeld zijn van de innerlijke werking van de fysieke organen.
Rudolf Steiner geeft ook voorbeelden van typische hallucinaties: hij vernoemt de mystieke verschijningen van de heilige Mechtild van Magdeburg en de heilige Theresa van Avila, die de mooiste mystieke poëzie nagelaten hebben, maar die uiteindelijk slechts de beschrijving was van de innerlijke processen van hun spijsvertering.

De antroposofie is een geesteswetenschap die de geestelijke fenomen achter de mens en de wereld op een wetenschappelijke manier bestudeert. Maar omdat zij begrippen zoals karma en reïncarnatie hanteert, trekt zij dikwijls ook fantasten aan, bedriegers die haar in een duister daglicht plaatsen.
De antroposofie zelf zal nochtans altijd intact blijven omdat zij de onware elementen die haar benaderen niet verdraagt; deze worden afgestoten omdat de antroposofie in haar innerlijk wezen onkreukbaar en onantastbaar is.

*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*

.

Actief karma en temperament

Het volgende uittreksel komt eveneens uit GA 95, meer bepaald uit de zevende voordracht. Zoals we het eerste uittreksel, afgedrukt op p. 3 gebruikten als Kerstboodschap, zo willen we dit fragment gebruiken als Nieuwjaarsboodschap.

[...]

"Voorstellingen , gewaarwordingen enz. die men een leven lang gekoesterd heeft, die het astraallichaam omvormen, zullen pas in het volgende leven een ingrijpende verandering in het etherlichaam bewerkstelligen. Als men er dus wil voor zorgen om in een volgend leven met goede neigingen en gewoontes geboren te worden, dan moet men proberen om in dit leven reeds zoveel mogelijk zijn astraalllichaam voor te bereiden. Als dus iemand zijn best doet om vele goede daden te verrichten, dan wordt hij met een neiging tot goede daden teruggeboren. Dat wordt dan een eigenschap van het etherlichaam. Als iemand bvb. met een goed geheugen wil geboren worden, dan moet hij hier zoveel hij kan geheugenoefeningen maken, hij moet dikwijls terugblikken op voorbije jaren van zijn leven en op zijn ganse levensloop. Daardoor vormt hij in het astraallichaam iets dat in het volgende leven een eigenschap van het etherlichaam zal zijn: een vermogen om te onthouden. Een mens die tijdens zijn leven zomaar door de wereld raast, die zal in zijn volgend leven zo geboren worden dat hij weinig aan de afzonderlijke dingen in zijn omgeving zal kunnen vasthouden. Wie daarentegen veel intiem samenleeft met een bepaalde omgeving, die zal met een bijzondere voorliefde voor alles wat zo'n omgeving gevormd heeft, geboren worden.

Men kan ook de verschillende temperamenten afleiden uit een vorig leven, want het temperament is een eigenschap van het etherlichaam.

De cholericus heeft een sterke wil, hij is moedig, koen, verlangt naar daden en voelt de drang om heel actief te zijn. Grote persoonlijkheden uit de wereldgeschiedenis waren cholerici, bvb. Alexander de Grote, Hannibal, Caesar, Napoleon. Deze karaktertrek ziet men reeds bij het kind. Zo'n kind wil een leidende rol spelen bij zijn speelkameraden.

De melancholicus is teveel met zichzelf bezig; daardoor gaat hij zich gemakkelijk afzonderen. Hij denkt veel na, voornamelijk over hoe de omgeving op hem werkt. Hij trekt zich graag terug, is vlug wantrouwig. Dat is ook reeds bij het kind te zien: het toont niet graag zijn speelgoed, het heeft schrik dat er hem iets afgenomen wordt, het zou voor alles graag een sleuteltje hebben.

De flegmaticus heeft voor niets bepaald interesse, hij verdroomt veel tijd, doet niets, is lui en zoekt zintuiglijk genot.

De sanguïnicus heeft dan weer een levendige interesse voor alles, maar hij houdt niets vol, het vervliegt gemakkelijk en snel, hij wisselt dikwijls en veel zijn liefhebberijen.

Dat zijn de vier grondkaraktertrekken die een mens kan hebben. Gewoonlijk heeft hij een mengeling van alle vier, maar men kan toch altijd een grondtoon vinden. Deze vier temperamenten drukken zich in het etherlichaam uit. Er zijn dus vier verschillende hoofdsoorten van etherlichamen. Deze hebben op hun beurt verschillende stromingen en bewegingen die zich uitdrukken in een bepaalde grondkleur in het astraallichaam. Dat is niet van het astraallichaam afhankelijk, het toont er zich slechts in.

Het melancholische temperament treedt karmisch bijzonder naar voor als een mens in een voorgaand leven gedwongen was in een zeer kleine,nauwe kring te leven, veel voor zich alleen te zijn en zich altijd alleen met zichzelf bezig te houden zodat hij geen interesse voor iets anders in zich kon wakker maken. Wie daarentegen veel heeft leren kennen, wie met vele zaken contact heeft gehad en die zaken niet alleen maar aangekeken heeft, wie door het leven hard is aangepakt, die wordt een cholericus. Had men een aangenaam leventje zonder veel strijd of moeite, of als men anderzijds veel gezien heeft, aan veel voorbij gekomen is, maar het alleen maar aangekeken heeft, dan wordt men flegmaticus of sanguïnicus. Al wat in dit leven in het astraallichaam geschiedt gaat karmisch in het volgende leven over op het grondwezen van het lichaam dat eronder staat, het etherlichaam.

Hieraan kan men zien hoe men voor zijn volgend leven kan zorgen, en in de occulte scholen wordt bewust in deze zin aan de mens gewerkt. Vroeger was dat wel meer het geval als nu. Dat hangt samen met cyclische veranderingen in de ontwikkeling. Ongeveer 5000 jaar geleden had een geheimleraar een gans andere opdracht. Toentertijd moest hij voor mensen als groep zorg dragen; de mensen waren nog niet zo ver dat ieder voor zichzelf kon zorgen. Men werkte er bewust naar om categorieën en groepen van mensen in een volgend leven harmonisch te doen overeenkomen. Maar de mensen zijn individueler geworden, zelfstandiger, zodat de geheimleraar niet meer een mens als middel tot een doel kan gebruiken: ieder afzonderlijke mens moet hij als doel behandelen, iedere enkeling moet hij zo ver brengen als mogelijk is. In de oudste culturen, bvb. in Indië, werd de ganse bevolking in vier kasten ingedeeld en er werd zo aan hen gewerkt dat de mensen in een volgend leven in een kaste inpasten. Het opvoeden van de mensen was er systematisch op ingericht om voor duizenden jaren te zorgen, om het wereldbeeld voor duizenden jaren vorm te geven, en precies dat gaf de occulte scholen zo'n grote macht.

Hoe werkt de mens nu op zijn etherlichhaam in met het oog op een volgend leven ? Al wat de mens in zijn etherlichaam gestalte geeft, ontwikkelt zich, hoe traag dan ook, en de opvoeding kan ervoor zorgen bepaalde gewoontes aan te kweken. Wat in het ene leven in het etherlichaam gebeurt, komt in het volgende leven in het fysieke lichaam tevoorschijn. Alle neigingen en gewoontes van het huidige etherlichaam geven in het volgende leven de dispositie voor gezondheid of ziekte. Slechte neigingen, verkeerde gewoontes verschijnen in een volgend leven als een aanleg voor bepaalde ziektes. Het voornemen, de vaste wil om van een slechte gewoonte vanaf te geraken, werkt reeds door tot in het diepergelegen lichaam en geeft zo de dispositie voor gezondheid. Bijzonder goed is waargenomen hoe de vatbaarheid voor infectieziekten in het fysieke lichaam optreedt. Niet of men een ziekte krijgt -dat hangt van de omstandigheden af- maar of men er aanleg toe heeft, of men er meer of minder vatbaar voor is, dát hangt af van de neigingen in een voorgaand leven. Infectieziekten zijn merkwaardigerwijze terug te voeren op een bijzonder goed ontwikkelde egoïstische gewinzucht in het vorige leven."[...]

*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
Terug naar de inhoudstafel .