|
De Brug 1 ![]()
Een abonnement op De Brug kost nu 15 euro. Stort vandaag nog
* * * * * * * * * * *
OVER EURITMIEEuritmie is de kunst die het nauwst met de antroposofie verbonden is. Rudolf Steiner zelf legde er de grondslag van maar vooral zijn vrouw, Marie von Sivers-Steiner heeft ze verder ontwikkeld. Euritmie is een verplicht vak in alle Steinerscholen, maar spijtig genoeg is er op dit ogenblik in België slechts één school waar de kinderen nog de kans hebben dit te beleven. Ook volwassenen hebben niet zoveel gelegenheid zelf euritmie te doen of zelfs maar te bekijken. Maar er is toch iéts :in de Vrije Volkshogeschool in Berchem kan men deelnemen aan de Jaarcursus (Iedere vrijdag ), en dan zijn er nog de initiatieven van de Vereniging ter Bevordering van de Euritmie.
Dank zij deze vereniging kunnen we dit jaar het Nederlands Euritmie Ensemble gaan bekijken op vrijdag 8 oktober in de zaal Arenberg in Antwerpen ( zie de aankondiging elders in dit blad) Er waren een dertigtal geïnteresseerden afgezakt naar Drongen en ze werden in twee groepen verdeeld: beginners en gevorderden. Arnold Sandhaus werkte rond de woordeuritmie, Orlando Morrone rond de tooneurimie ( begeleid door Jorien van Tuinen op piano en viool).
Voor de tweede groep had Arnold o.m. een gedicht van Hendrik Marsman uitgekozen: "Twee vrienden". De eerste twee regels werden dan als volgt gelopen ( van boven gezien ):
De maan maakt de nacht tot een sneeuwwit veld. 1 en 2 zijn de euritmisten, het bolletje stelt de beginpositie voor, het pijltje de eindpositie. Het gedicht gaat verder met de volgende bewegingen:
er is door dit spreken een wonder gebeurd:
dat de een als hij soms naar de ander ziet
een vrouw; nog een vrouw; een verterend gemis.
want één hart blijft thuis en één hart gaat op reis
Tot zover de bewegingen van de euritmisten over het toneel.
Tijdens de bewegingen zijn de euritmisten bijna steeds naar het publiek gewend.
Het zichtbaar maken van deze stemming, van dit karakter kunnen we nog meer nuanceren, met de passende armbewegingen. Het is wel zo dat bij iedere klank een specifiek gebaar past, maar men kan onmogelijk ieder woord, iedere letter uitbeelden; dat zou trouwens niet zeer kunstzinnig zijn. Daarom kiest men voor iedere zin enkele klanken die karakteristiek zijn voor de stemming in die bepaalde regel van het gedicht en beeldt die uit.
De maan maakt de nacht tot eem sneeuwwit veld Het is duidelijk dat, door op deze manier met poëzie om te gaan, men er een veel groter begrip voor krijgt en er ook meer kan van genieten. Hetzelfde geldt voor de muziek, waar in de tooneuritmie mee gewerkt is. Orlando Morrone koos voor de tweede groep een stukje van Villa-Lobos : "Acordei de Madrugada", een soort morgenstemming in het oerwoud. Eerst moet men een gevoel krijgen van de stemming die in dit muziekstuk heerst: we probeerden zowel de onder- als de bovenstem uit te beelden, en daarna zelfs de twee tegelijk. Dat laatste bleek nogal moeilijk, maar niet echt onmogelijk. Toch werd het muziekstuk niet individueel, noch per twee, maar met de ganse groep uitgebeeld. De opstelling zag er ongeveer zo uit:
De voorste groep, opgesteld als vijfster, bleef ter plaatse, maar sprong wel van de ene punt naar de andere, telkens een bepaald muzikaal motief terugkeerde. Van de andere groep beeldde de ene helft de bovenstem, de andere helft de onderstem uit. Zij bewogen zich links naar voor, in een boog rond de centrale groep. Een verandering in de muzikale lijn werd zichtbaar gemaakt door een verandering van richting. Zoals bij vele kunsten ziet het er allemaal eenvoudiger uit dan het is. Maar, netzomin men acteur moet zijn om zelf eens toneel te spelen, kan men gerust euritmie doen zonder daarom euritmist te moeten zijn.
Van alle kunsten is zij diegene die het meest schenkt aan een mens van deze tijd. Niet voor niets wordt er in Nederland en Duitsland al euritmie gedaan in bedrijven: alleen een jonge kunst, die echt iets te bieden heeft kan daar iets gaan doen. Zover zijn we nog niet, maar we houden U op de hoogte ! * * * * * * * * * * *
Over de temperamentendoor Jan Vermeir ![]() Op de afbeelding hierboven (uit Norbert Glas "Gang und Haltung des Menschen") zien wij 4 verschillende figuren die allen op een andere manier door het leven stappen. De eerste doet het met krachtige tred, de tweede huppelend, de volgende waggelend en de laatste sleept zich voort. Hoe komt het dat de mensen zich zo verschillend gedragen ? Wij zeggen : dat komt door zijn karakter. Maar dat is zo een algemeen gezegde, en eigenlijk komen we daarmee niet veel verder. Beter zou het zijn als we zeggen : dat komt door zijn temperament. Het woord stamt uit het Latijn en betekent "het bekomen van de juiste verhouding wanneer iets gemengd wordt. " Er moeten inderdaad twee dingen vermengd worden om het temperament als resultaat ervan te laten ontstaan. Laten we voor de gemakkelijkheid eens aannemen dat de mens samengesteld is uit twee bestanddelen : het fysieke lichaam en de geestelijke individualiteit. Het fysieke lichaam ontstaat uit de erfelijkheid en aangezien het fysieke slechts zijn eigen produkt- dus andere fysieke materie kan voortbrengen, moeten we aannemen dat de geestelijke entiteit stamt uit een geestelijke wereld. De geestelijke individualiteit wil zich op een bepaald ogenblik op aarde incarneren en kiest een ouderpaar uit om zich met de fysieke materie te verbinden. Nu is het zo dat de geest die neerdaalt niet altijd het gepaste erfelijk materiaal vindt bij het uitgekozen ouderpaar. Doordat het fysieke en het geestelijke niet helemaal in elkaar passen ontstaat er iets dat de verbinding tussen de twee moet mogelijk maken, en dat is het temperament. De laatste honderd jaar werden er door geleerden verschillende systemen van typologieën uitgevonden om de temperamenten te begrijpen. Wij houden ons bij de bron zoals ze door de Griekse wijsgeer Hippocrates als eerste werden beschreven en later verduidelijkt door Rudolf Steiner. Het gaat om het cholerische, sanguïnische, flegmatische en melancholische type. De Grieken wisten dat er een innerlijk verband bestaat tussen de temperamenten en de vier oerelementen aarde, water, lucht en vuur, en de temperamenten : water -> flegmatisch lucht -> sanguïnisch vuur -> cholerisch
1. het fysieke : het verband met het element "aarde" is duidelijk ; Ik moet er de nadruk op leggen dat er geen morele waardebepaling kan gegeven worden aan de verschillende temperamententypes op zichzelf : het ene is niet beter of niet slechter dan het andere. De manier waarop wij omgaan met ons temperament is wél van belang, want door ons temperament binnen de juiste banen te leiden kunnen wij onszelf veredelen; in het andere geval kan het tot ongecontroleerde uitspattingen leiden. Ieder mens heeft de vier temperamenten in zich, maar niet in dezelfde verhouding. Eén type treedt altijd krachtiger naar voren dan de drie andere. Welk type domineert hangt af van de mate waarin het geestelijke meer of minder weerstand ondervindt wanneer het zich verbindt met het fysieke. Wanneer het "Ik" op een grote weerstand stuit vanwege de erfelijke substantie, kan het fysieke lichaam moeilijk doordrongen worden. Het "Ik" heeft er geen vat op. Daarom voelt de melancholicus zijn lichaam aan als te zwaar en te lastig en gaat hij gebukt onder een verborgen innerlijke smart. Door deze last kan hij moeilijk belangstelling hebben voor de buitenwereld en blijft hij in zichzelf gekeerd ( figuur 4 ). Het "Ik" van de flegmaticus kan het vaste stoffelijke wel beheersen, maar het blijft steken in dat andere element, het vloeistofachtige. Dit waterachtige heeft in feite een grote hekel aan al het vaste en streeft ernaar om alles in zijn eigen element te handhaven. Vandaar dat de flegmaticus belust is op eten en drinken; hij wil a.h.w. blijven drijven in zijn eigen stofwisseling en daarbij ondervindt hij een groot welbehagen. Omdat hij daarmee zo intensief bezig is, heeft hij weinig belangstelling voor de buitenwereld ( figuur 3 ). In figuur 2 zien we de sanguïnicus in actie. Niets dat zwaar of lastig is kan men hier bespeuren, en het lijkt wel of het lichaam telkens opnieuw vanaf de bodem wil opzweven. Dit type gaat volledig op in het lucht-achtige. De sanguïnicus voelt zijn lichaam niet, zijn gewaarwordingen in en buiten hem voelt hij des te meer. Talloze gevoelens en gedachten komen in hem op, maar hij wil of kan er niet blijven bij stilstaan, want spoedig lossen ze zich weer op in het niets. Laten we tenslotte figuur 1 eens bekijken. Het is duidelijk dat we hier met een zeer vurig kereltje te maken hebben. Het "Ik" gaat resoluut zijn eigen gang en duldt van niets of niemand tegenspraak; het lichaam moet noodgedwongen volgen. Waar het sanguïnisch type in de buitenwereld leeft maar zonder er zich echt mee te verbinden, grijpt de cholericus actief in de buitenwereld in en wil er werkelijk zijn wil aan opdringen. Men mag nietvergeten dat het temperament slechts als bemiddelaar optreedt tussen het fysieke en het geestelijke in de mens. Indien men steeds willoos de impulsen van zijn temperament volgt, dan verliest men er de controle over en begint het een eigen leven te leiden. Het cholerisch temperament uit zich dan in een ontspoord driftleven, het sanguïnische in oppervlakkige en absurde handelingen en gedachten; het flegmatische neigt naar stompzinnigheid omdat het zich slechts voor zijn eigen spijsverteringsprocessen interesseert en het melancholische type, dat voortdurend onder smarten gebukt gaat, wordt depressief. Als we nu nog eens de vier figuren bekijken, dan kunnen we mits een beetje fantasie inzien dat de temperamenten in extreme gevallen kunnen leiden tot de volgende vormen van krankzinnigheid :
Wanneer nu iemand zich ervan bewust wordt dat hij zich teveel laat overheersen door zijn temperament, kan hij zich afvragen : wat kan ik daaraan doen ? De normale reactie zou bvb.zijn : ik ben te melancholisch, dus ik ga luchtige en prettige dingen opzoeken, en daarmee zal mijn zwaarmoedigheid wel verdwijnen. Dit is nu juist niét de goede methode, om de eenvoudige reden dat men iets niet kan ontwikkelen waarvoor men geen aanleg heeft. Een melancholicus moet omringd worden door andere mensen die lijden zodat hij er zich kan van bewust worden dat er, zoals hijzelf, nog andere mensen zijn die het lastig hebben. Zijn zwaarmoedigheid zal temperen en hij zal zich met medeleven tot zijn geestesgenoten keren. Voor de flegmaticus die zijn leven slijt op een vegeterende manier, zonder enige afwisseling, is het goed dat hij zich in die mate kan omringen met vervelende dingen, dat hij ze zelf beu wordt en uit eigen beweging afwisseling zal zoeken in de buitenwereld. Een kenmerk van de sanguïnische mens is zijn vermogen alles op te merken, zij het dikwijls met een oppervlakkige ingesteldheid. Om meer diepgang te verkrijgen moet hij zijn aandacht richten op allerlei beuzelarijen en onbelangrijke gebeurtenissen, en na een tijd krijgt hij het gevoel dat zijn ziel leeg is, dat hij geen vaste grond onder de voeten heeft. Hij zal dan vanuit zichzelf dingen en situaties opzoeken die meer standvastigheid vereisen. De Ik-wil van de cholericus kan zich zodanig opdringen dat hij alles en iedereen onder de voet dreigt te lopen, en het is een feit dat een dergelijk gedrag de oorzaak is van talrijke, dikwijls zware conflicten. Daarom zou de cholericus er goed aan doen voor zichzelf de moeilijkste situaties uit te kiezen, zodat hij a.h.w. zijn vuisten erop kan stukslaan. Zijn vuisten zullen genezen, en ook de scherpe kanten van zijn temperament zullen milderen : hij zal respect krijgen voor zijn omgeving. Naast het individuele temperament bestaat erook een leeftijdsgebonden temperament, en zelfs een cultuurgebonden temperament. Het temperament van onze cultuur is duidelijk sanguïnisch van aard. Wij leven in de tijd van de beelden-cultuur. Dagelijks gaan er duizenden beelden en indrukken aan ons voorbij zonder dat wij ze echt kunnen vatten. Het gaat allemaal veel te vlug, we kunnen de opeenvolging van moderne uitvindselen, driemaandelijks veranderende modetrends, solden, waspoeder, politieke en andere bla-bla-bla niet meer absorberen. Hoe zouden wij dan nog in staat zijn om de inhoud ervan op zijn waarde te schatten ? Wij zijn vrij - althans in een zekere mate - om ons al dan niet met dit cultuurtemperament te laten meeslepen. Anders is het gesteld met de leeftijdsgebonden temperamenten. Het is eigen aan de aard van de levensperiode dat hier één of ander temperament domineert. Vanaf de geboorte tot de puberteit domineert het sanguïnisch temperament : kinderen nemen alle indrukken, bewegingen, geluiden in hun omgeving op. Met de volwassen leeftijd overheerst het cholerisch temperament : men wordt zich bewust van zijn eigen individualiteit - de wil om zelf en eigenzinnig te handelen openbaart zich. Op middelbare leeftijd begint men de last van het lichaam en de stramheid van de botten te voelen. De moed zakt weg en de zwaarmoedigheid komt naar boven; men wordt melancholisch. Oudere mensen worden flegmatisch. Ze berusten en er is nog weinig waarvoor ze interesse kunnen opbrengen. Dikwijls geraken bejaarde mensen in beroering wanneer ze niet op tijd hun maaltijd kunnen verorberen, en dit is typisch voor het flegmatisch temperament. Het flegmatische hangt immers samen met de stofwisseling, de spijsvertering, en deze functies blijven hun werking uitoefenen tot het einde van het fysieke leven; in het functioneren van de stofwisseling voelt de bejaarde mens dat hij nog leeft. Individueel, cultuur- en leeftijdsgebonden temperament : het is niet gemakkelijk om te weten te komen welk temperament bij iemand domineert.
Over de temperamenten- deel tweeIn het eerste nummer werd beschreven hoe de temperamenten ontstaan, wanneer bij de conceptie het geestelijk wezen zich verenigt met de stoffelijke substantie. De temperamenten treden op als bemiddelaar tussen de twee; men kan ze vergelijken met de resultaten die ontstaan door de toegevingen die twee partijen moeten doen wanneer ze willen samenwerken. Naargelang de verhouding van de fysieke tot de geestelijke krachten, worden er vier temperamenten onderscheiden. Men heeft achtereenvolgens:
1. het melancholische type: het fysieke of aardse overheerst; Vooraleer verder te gaan met de beschrijving van de vier types, eerst een woordje uitleg over de betekenis van deze vreemde woorden. " Melan-cholè" (Grieks) betekent "zwarte gal". De gewone galafscheiding is geelgroen. " Zwarte gal" wordt zinnebeeldig gebruikt, in de zin van iets dat ons belast, zwaarmoedig maakt. " Flegma"(Grieks) is slijm. Slijm wordt afgescheiden door de klieren (bvb. de speekselklieren) en is van belang voor de werking van de spijsvertering en de stofwisseling. Het verband tussen "sanguis"(Latijn), dat bloed betekent, en het sanguïnisch temperament dat in nauwe verbinding staat met lucht en ademhaling, is een beetje moeilijker ; zo ook het verband tussen "cholè", het galvocht en het cholerisch temperament (warmte, bloed). Op het eerste gezicht is men geneigd "sanguis" met het cholerische te verbinden, en "cholè" dan maar met het sanguïnische. Maar Galenos, de arts uit de 2de eeuw die deze terminologie bedacht heeft, was niet zo dom dat hij zich zou vergist hebben. Wat betreft het verband tussen "sanguis" en het sanguïnisch type, komt het erop neer dat de ademhaling het bloed doet leven en bewegen doordat zij het van zuurstof voorziet. En door de "cholè" of het galvocht wordt de voedselbrij zodanig bewerkt dat ze in het bloed kan opgenomen worden. Via de gal wordt dus nieuwe energie aan het lichaam verschaft, en daarom wordt zij terecht als de stimulator van het cholerische temperament beschouwd. De melancholicus.
![]() F. Chopin Bij de melancholicus valt de zwaarte en de last op, die hij steeds schijnt mee te dragen op zijn levensweg. De slepende gang, zijn naar voren hangende hoofd en schouders, de triestige ogen en vermoeide oogleden geven een droefgeestige aanblik. Dikwijls lijkt het zelfs alsof hij ieder ogenblik in tranen zou kunnen uitbarsten. Eigenlijk begrijpt de melancholicus zelf niet waarom hem de kracht ontbreekt om vrolijk en energiek te zijn zoals de anderen. De energie is nochtans aanwezig, maar hij moet deze aanwenden om de zwaarte van zijn fysieke constitutie te overwinnen; doordat de fysieke organen moeilijk de geestelijke levenskrachten en impulsen tot zich laten doordringen, blijven zij meer onderhevig aan de zwaarte van de aarde. Het is zoals men zich voelt bij het ouder worden, hoe het steeds maar lastiger wordt om zich actief bezig te houden. Men hoeft echter helemaal niet oud te zijn om melancholisch te worden, want reeds vanaf de puberteit komt het temperament tot zijn volle ontwikkeling en dit draagt men mee tot het einde van het fysieke leven. De jonge melancholicus ervaart vlug dat zijn lichaam wat betreft soepelheid en energiekracht niet naar behoren functioneert. Dit hoeft zich niet zozeer in allerlei lichamelijke ongemakken te uiten, maar men voelt het meer- meestal onbewust- in de fijnere werking van ademhaling, bloedsomloop en spijsvertering. Hij moet derhalve zoveel krachten besteden aan het te boven komen van zijn fysieke lichaam dat er nauwelijks energie overblijft om zich te laten gelden in de buitenwereld. En aangezien dit laatste tegenwoordig vooral van belang blijkt te zijn, heeft de melancholicus het waarlijk hard te verduren. Zijn bestemming ligt echter niet in het streven naar uiterlijk succes. Veel meer dan andere types wordt hij aangetrokken tot situaties waarin lijden heerst, omdat hij hierin de aard van zijn eigen natuur herkent. En daarin ligt zijn ware bestemming: mede te lijden met de anderen en hierin de kracht te vinden om het lijden van de medemens te verlichten. De flegmaticus.
![]() Leoncavallo Deze voelt zich pas goed in zijn element wanneer hij kan opgaan in de werking van zijn spijsvertering en stofwisseling, en daarom heeft hij een voorliefde voor eten en drinken. Doorgaans is hij weldoorvoed. De overvloedige vochtafscheiding, veroorzaakt door de klierwerking, bewerkt dat de lichaamsvormen de neiging hebben om gemakkelijk uit te zetten. Zijn lichaam wil in het vloeibare blijven en verzet zich tegen iedere vorm van vast worden. Let er maar eens op hoeveel nagelbijters voorkomen onder de flegmatici: onbewust kunnen zij niet verdragen dat er vaste substantie aan hun lichaam wordt gevormd. Door de behaaglijkheid die hij ondervindt in de innerlijke werking van zijn stofwisseling, zal de flegmaticus niet vlug tot actie overgaan; in feite wil hij het liefst van al niet gestoord worden. Ik wil hem niet vergelijken met een koe, maar iets in het volgende beeld is toch op hem van toepassing: men moet weten dat bij de koe de stofwisseling tot in de hoogste graad is doorgedreven, zij doet niets anders dan grazen en herkauwen. Men kan zich voorstellen dat een koe die rustig in de wei ligt te herkauwen, ineens de kop opricht bij het horen van een vreemd geluid en zich verwonderd schijnt af te vragen: waarom richt ik nu mijn kop op, die dient toch alleen maar om te grazen en te herkauwen ? Hierin ligt iets van het gevaar dat de flegmaticus bedreigt: als hij te zeer opgaat in het vegeterende element verliest hij alle belangstelling voor wat rondom hem is, en tenslotte wordt hij stompzinnig. Wellicht zal de tegenwoordige tijd met zijn onophoudelijke toevoer van beelden en indrukken hem hiervoor behoeden. In tegenstelling tot de melancholicus die het ritme van de moderne tijd niet kán volgen, wíl de flegmaticus dit niet volgen: op gezette tijden trekt hij zich terug uit de buitenwereld en sluit hij zich op- tegenwoordig heet dit "cocooning"- in de gezelligheid van de huiselijke sfeer. Of hij zoekt de natuur op, want daarvan is hij een groot liefhebber: in het aanschouwen van het plantenrijk beleeft hij immers het groeiende en gedijende, het wezen van zijn eigen aard. De sanguïnicus.
![]() N. Paganini De sanguïnicus is uiterlijk een afspiegeling van wat hij innerlijk is: licht en beweeglijk. Vooral aan de ogen is hij zeer herkenbaar. Deze hebben een blauwe of groene kleur en een zeer klare, open blik. Doordat het driftmatige zijn zieleleven niet bezwaart, kan de sanguïnicus vrij de wereld inschouwen en ontvankelijk zijn voor alles wat rondom hem gebeurt. Hij merkt alles op en zijn gedachtengang is snel, maar daardoor ook vatbaar voor opppervlakkigheid. Dikwijls heeft hij de gewoonte om te fluiten, te neuriën of te zingen. Zijn innerlijke impulsen zijn immers nauw verwant met de tonen der muziek: beide worden door de lucht gedragen, en beide lossen even vlug op als zij ontstaan zijn.
De sanguïnische aard is zeer in trek in onze tijd. Wie modern wil zijn- en de allermeesten willen dat- moet sanguïnisch zijn. Kalmte en bezadigdheid worden als ouderwets ervaren; waar het op aankomt is om zoveel mogelijk te praten en woorden en zinnen aan elkaar te rijgen, om van hier naar daar te lopen en om zoveel mogelijk drukte te maken. Men denkt dat het zo hoort, en niet zelden is men vol eigendunk over zijn prestatie terwijl men slechts open deuren intrapt.
De cholericus.
![]() Beethoven Twee houdingen zijn bijzonder karakteristiek voor de cholericus: de ene waarbij hij trots en zelfbewust de borst vooruit steekt en het hoofd naar achteren werpt. De andere, met voorovergebogen hoofd en romp, de houding van een stier die op het punt staat tot de aanval over te gaan, verraadt een agressief karakter. Zijn priemende ogen zijn even opvallend als de flitsende ogen van de sanguïnicus. In deze-meestal donkere- ogen wordt het innerlijke vuur van de persoonlijkheid naar buiten gestuwd.
In de wil komt het hoogste geestelijke wezensdeel van de mens, het Ik, tot uitdrukking. De wil zet de mens ertoe aan een afdruk van zijn persoonlijkheid in de wereld neer te zetten. Dit impliceert dat cholerische mensen in staat zijn hun wil op te dringen aan hun omgeving, zelfs aan een ganse samenleving.
In de regel vindt men een uitgesproken cholerische aanleg bij politiekers en legeraanvoerders. Zo was dit het geval bij Napoleon. Zijn cholerische aard stuwde hem naar het toppunt van macht, maar ook naar de ondergang. Wanneer het cholerische temperament niet in bedwang gehouden wordt, leidt dit allicht tot egoïsme en machtswellust, en daaraan is Napoleon ten onder gegaan. Tot zover de beschrijving van de temperamenten.
* * * * * * * * * * *
Over de ontwikkeling van het "Ik"door Jan Vermeir Wellicht is het U ook al opgevallen dat iedere mens zijn eigen expressieve gezichtsvorm heeft, terwijl de kop van een dier nooit wezenlijk verschilt van die van zijn soortgenoten. Fysieke veranderingen in de diergestalte kunnen slechts tot stand komen door uiterlijke factoren, bvb. door een wijziging in de klimatologische omstandigheden ; het dier kan vanuit zijn innerlijk niet aan zichzelf werken omdat het daartoe de aanleg niet heeft. Anders is het bij de mens. Het menselijk hoofd ondergaat veranderingen in de loop van het individuele leven, en ook in de loop van de mensheidsevolutie. Wij vermoeden dat achter het mensengelaat iets individueels schuilgaat, dat in staat is om in zekere mate het fysieke om te vormen. Dit individuele, of dit "Ik" manifesteert zich in het eigen denken, voelen en willen van de mens. Om het "Ik" op zijn ontwikkelingstrap te volgen moeten we een eindje teruggaan in de mensheidsgeschiedenis. Tot in andere wereldtijden kunnen we teruggaan om het "Ik" te vinden, maar dat zou ons hier te ver leiden. Wij verplaatsen ons hooguit 10.000 jaar terug in de geschiedenis, tot in de tijd van Atlantis, dat raadselachtige continent dat wij kennen uit de Griekse overlevering, en dat door de zee verzwolgen werd. In die tijd was de lucht doordrongen van een dichte waterdamp, maar doordat er een andere constellatie in de atmosfeer optrad, begon deze nevel naar de oppervlakte te zakken zodat lagere continenten stilaan overspoeld werden. In een andere versie vinden we hetzelfde verhaal terug in de Bijbel, het verhaal over de zondvloed. "Zondvloed" heeft niets te maken met het begrip 'zonde', het woord stamt van het oudgermaanse 'sinfluot', wat betekent : zinkende vloed. Niet alleen de luchtatmosfeer was anders in het oude Atlantis, ook de mens was innerlijk ( en uiterlijk ) anders dan nu. De Atlantische mens had een instinctief gevoel voor de geestelijke wereld. Zijn daden, gedachten en gevoelens werden niet bepaald vanuit zijn individuele wil, maar door innerlijke impulsen die hem door geestelijke wezens werden ingegeven. De ondergang van Atlantis was een groot keerpunt in de evolutie van het mensen-Ik. De band tussen menselijke en geestelijke wezens werd verbroken, en ware dit niet gebeurd, dan had de mensheid nooit haar uiteindelijk doel kunnen bereiken. Nu stellen we eigenlijk een levensvraag : wat ís het doel van de mensheid dan wel ? De bedoeling van ons leven is om in een verre toekomst zelf de wereld mee te besturen en in stand te houden. Een noodzakelijke voorwaarde daartoe is de vrijheid om zélf te denken, te voelen en te handelen; als wij niet vrij zijn, dan kunnen we ook niet de verantwoordelijkheid voor iets op ons nemen. De Atlantiër was niet vrij omdat zijn doen en laten bepaald werd door de invloed van geestelijke wezens. En de mens werd losgelaten door deze wezens opdat hij vrij zijn "Ik" zou kunnen ontwikkelen. De oude Indiërs uit de na-Atlantische cultuur hadden nog een groot heimwee naar Atlantis en ze weigerden de fysieke wereld te aanvaarden. Voor hen was deze wereld slechts een illusie, een afspiegeling van de geestelijke wereld. Desondanks moesten de mensen toch het belang van de fysieke realiteit erkennen en langzamerhand begon zich een eigen denken, voelen en willen te ontwikkelen. Het is interessant om deze drie begrippen in de loop der tijden te zien evolueren in het menselijk gelaat, dat kan onderverdeeld worden in 3 delen : ogen en neus = voelen mond en kin = willen
In onze tijd zijn wij zover gekomen dat ook het denken zich begint te bevrijden van het voelen. Het is duidelijk dat ieder van ons nu zichzelf ontwikkelt tot een individueel wezen; het probleem is echter of dit op de juiste manier gebeurt. Denken, voelen en willen moeten harmonisch naast elkaar kunnen functioneren, maar dikwijls treedt er een discordantie op : het ene is zwakker dan de twee andere, of overheerst meer de twee andere.
Bovendien zijn deze drie functies te eenzijdig ontwikkeld : wij denken materialistisch, voelen materialistisch en willen materialistisch, want wij zijn dieper in het fysieke gezakt dan noodzakelijk was.
Op aarde is er eens een god gekomen om ons een voor-beeld te geven hoe wij ons "Ik" moeten omvormen.
Over de ontwikkeling van het Ik en Christus (deel twee)In het vorig nummer hebben wij gezien dat de mens en de aarde ten tijde van Atlantis grondig verschilden van de huidige mens en wereld. In die lang vervlogen tijd was het persoonlijk bewustzijn van de mens nauwelijks ontwikkeld; hij leefde a.h.w. in een wereld van geestelijke wezens, en in zijn voelen, denken en willen liet hij zich instinctief door deze wezens leiden. Na de ondergang van Atlantis verloor de mens het contact met deze geestelijke wezens en was hij op zichzelf aangewezen. Hij moest zijn eigen denken, voelen en willen nu zelf leren ontwikkelen. Wij hebben gezien hoe deze drie vermogens die aanvankelijk nog in een onbestemd geheel versmolten waren, stilaan een eigen vorm beginnen aan te nemen. Zolang denken, voelen en willen zich in onwillekeurige impulsen manifesteren, kan er geen continuïteit heersen in de menselijke Ik-structuur. Het Ik kan slechts vrij functioneren indien het bij machte is deze drie gebieden te beheersen en volgens zijn eigen beschikking aan te wenden. Het spreekt vanzelf dat het Ik het bewuste denken, voelen, willen slechts geleidelijk aan ontwikkelde, en dit gebeurde niet overal op dezelfde manier en aan hetzelfde tempo. Vóór het individuele Ik ontstond, bestond het groeps-Ik. De mens voelde zich niet als een zelfstandige individualiteit binnen zijn volk maar als een lid, als een afgevaardigde van zijn volk of zijn stam. Al wie tot één stam behoorde was omsloten door een overkoepelend Ik, dat van de stam. De inspirator achter dit groeps-Ik was een geestelijk wezen, de zgn. volksziel. Ieder volk had(en heeft nog altijd) zijn eigen volksziel, en hoe krachtiger dit wezen inwerkte op zijn volk, des te meer vertoonde dit volk het specifieke karakter van zijn volksziel. De volksziel van bvb. de Germanen oefende bij het begin van onze jaartelling nog een bijzonder krachtige werking uit, terwijl de invloed van deze van de Latijnse volkeren reeds was uitgewerkt. Aangezien de Romeinen niet meer onder invloed stonden van hun volksziel, konden zij zich ongehinderd op hun eigen persoon concentreren. In de Latijnse cultuur kwam de zelfstandige individualiteit voor het eerst tot ontplooïng; voor het eerst werd ook de uiterlijke wereld ervaren als een abstracte en objectieve realiteit. Zo ontstond, uit wat voorheen "volk" was, het begrip "staat". De staat werd opgevat als de som van al haar individuen; de onderlinge verhoudingen tussen staat en individu werden geregeld, en als dusdanig is de Romeinse rechtsopvatting de voorloper van het moderne rechtswezen. Zij dachten het testament uit, vermits zij van oordeel waren dat het persoonlijk verworvene niet meer naar de gemeenschap mocht gaan, maar moest overgaan in de handen van degenen die de erflater zelf voortgebracht had, nl. de erfgenamen.
Op de schets is aangeduid op welk punt van ontwikkeling de mens gekomen was in de Romeinse tijd. Hij kreeg er zijn Ik-bewustzijn en hij vond zijn plaats op het fysieke plan; de geestelijke wereld was voor hem echter afgesloten. Hoe moest het nu verder ? De mens is een wezen in ontwikkeling, en op het punt, aangeduid op de schets, kon hij niet blijven staan; er vindt een beweging plaats, naar boven of naar beneden. Ofwel duikt hij onder in de uiterlijke wereld, met de reële mogelijkheid dat het materiële en abstracte denken het Ik insluit, zodat dit laatste tenslotte verdwijnt; ofwel richt hij zich naar de spirituele wereld, maar nu in volledig bewustzijn. In de tijd van Rome was het menselijk bewustzijn echter zodanig op de uiterlijke wereld gericht dat de impuls ontbrak om naar omhoog te streven. Daarom moest de geestelijke wereld zelf naar beneden komen om deze impuls in de mens wakker te roepen; dit gebeurde door de menswording van Jezus Christus. Op deze manier kunnen wij het mysterie inzien van de menswording van dit goddelijk wezen, en kunnen wij begrijpen waarom dit moest plaatsvinden in die tijd en in die cultuur. Christus heeft ons getoond hoe het Ik verder moest evolueren. Hij zei van zichzelf:" Ik ben de Ik-ben" en daarmee bedoelde hij: het ware Ik is niet aan een volk gebonden, noch aan bloedverwantschap, noch aan enig fysisch begrip, het verheft zich vrij en in volledig bewustzijn naar de geestelijke wereld, vanwaar het afkomstig is. En om het belang van de menswording van Christus te onderstrepen, volgt hieronder een passage uit een voordracht van Rudolf Steiner (uit de cyclus over de Apokalyps): " Stelt U zich eens voor dat U verplaatst bent van de aarde naar een ver verwijderde ster en dat U met een helderziende blik van die ster naar de aarde kijkt.[...] U zou kunnen zien dat de aarde omgeven is door een aura en U zou de ontwikkeling van deze aura van de aarde over een reeks van duizenden jaren kunnen volgen. U zou zien dat deze aarde aan alle kanten omsloten is door allerlei kleuren: in het midden de fysieke kern, en daaromheen stromend de aura, de geestelijke atmosfeer van de aarde, in de meest verschillende vormen en kleuren. U zou zien dat deze kleuren en vormen in de loop van duizenden jaren veelvuldig aan veranderingen onderhevig zijn, maar er zou een ogenblik aanbreken, een zeer belangrijk ogenblik: dan neemt de aura in haar geheel een andere vorm en een andere kleur aan. De aarde verschijnt, aanvankelijk alleen van buitenaf gezien,in een nieuw licht. En dat gebeurt met een ongelooflijke snelheid, zodat men wel moet zeggen: van dit ogenblik af is de aarde fundamenteel veranderd, de aura van de aarde is volledig veranderd. Op welk moment gebeurde dit ? Op het moment dat op Golgotha het bloed uit de wonden van de Verlosser stroomde. Dit moment is een zeer belangrijk moment, het belangrijkste moment in de gehele ontwikkeling van de aarde. Op hetzelfde ogenblik dat het bloed uit de wonden van de Verlosser stroomde, kreeg de aura van de aarde een nieuwe gestalte. Een geheel nieuwe kracht begint te werken, de kracht die de belangrijkste impuls voor de evolutie van de aarde is; [...]"
Over Christus en de ontwikkeling van het Ik (deel drie)De mensheid heeft te allen tijde de mogelijkheid gehad om het Christus-wezen te aanschouwen. Ook in de tijden vóór de menswording van Christus, maar toen voltrok deze waarneming zich d.m.v. een instinctief helderziend schouwen in de geestelijke wereld, waar het Christus-wezen vertoefde. In die tijden, die ver in het verleden liggen, handelde de mens onder invloed van wezens uit deze geestelijke regionen. De mensheid bezat de vrijheid niet om te leven volgens zijn eigen wilsbesluiten, zij werd geleid door deze geestelijke wezens. Aangezien het de bestemming van de mens is om een vrij en individueel wezen te worden, en aangezien deze ontwikkeling in geen andere omstandigheid kan gebeuren dan in het gebied van de aardesfeer, moest de mensheid zich vrijmaken van deze geestelijke wezens en zijn aandacht richten op de aardse wetmatigheden. Die metamorfose gebeurde langzaam maar zeker, en in het Grieks-Romeinse tijdperk was de mensheid zodanig geëvolueerd dat zij nog enkel begrip kon opbrengen voor dat, wat met de uiterlijke zintuigen kon waargenomen worden en voor hetgeen met het logisch denken kon gevat worden; de verbinding met de spirituele wereld, en de mogelijkheid om het Christus-wezen te aanschouwen, was verloren gegaan. Om de verbinding opnieuw tot stand te brengen, lag het in de lijn van de logische gebeurtenissen dat Christus zelf in die tijd als een fysiek wezen naar het aardse plan afdaalde want alleen door een fysieke verschijning kon het Christuswezen toen begrepen worden. Op dit moment is de mensheid reeds voorbij het ontwikkelingspunt dat bereikt werd in de Grieks-Romeinse tijdsperiode; het heeft geen enkele zin dat Christus nu (of later) opnieuw in een fysieke gedaante op aarde zou verschijnen, omdat hij niet meer zou herkend worden. Daarom moeten diegenen die beweren Christus (of God) te zijn of die hun persoon op één of andere manier gelijkstellen met het Christuswezen, beschouwd worden als valse Messiassen. De menswording van Christus was een eenmalige gebeurtenis en is niet meer voor herhaling vatbaar. De dood van Christus op Golgotha betekent niet dat hij niet meer in ons midden is. Door zijn dood heeft hij zich verbonden met de mensheid en met de aardesfeer. In Mat.,28 zegt Christus:"Ik ben bij u alle dagen, tot aan het einde der aarde-tijden." Christus bevindt zich nu in de etherische wereld, d.i. de geestelijke wereld die het dichtst bij de fysieke aarde staat, en daar kan hij waargenomen worden. De mens kan door de ontwikkeling van zijn Ik -volgens het voorbeeld van Christus- in deze etherische wereld binnengroeien. Paulus was de eerste mens die Christus kon schouwen in de etherische wereld. Paulus -toen hij nog Saulus was- kon niet aannemen dat Christus in een fysieke gestalte op aarde verschenen was, en pas toen hij Christus in de geestelijke atmosfeer van de aarde schouwde, was hij ervan overtuigd dat het fysieke leven en de dood van Christus werkelijk had plaatsgevonden. Paulus spreekt over zichzelf als de "ontijdig geborene" (Kor.1,15,8 -in vele bijbeluitgaven vertaald als "misgeboorte", of "misdracht"!), omdat hij wist dat deze gave van het geestelijk waarnemen in de etherische wereld pas in een later stadium van de mensheidsevolutie zou te voorschijn komen. De mensheidsontwikkeling is nu in een stadium gekomen dat dit mogelijk geworden is; een enkeling is al zo ver, maar in de nabije toekomst zullen steeds meer mensen de gave ontwikkelen om het etherische leven in en om de aarde te beleven en daar het Christuswezen te aanschouwen. De menswording van Christus leidt een totaal nieuwe periode in de mensheidsevolutie in. De mens moet nu in zichzelf de krachten vinden om opnieuw naar de geestelijke wereld te groeien. Daarom zegt Christus (Mat. 4,17):"Verandert uw zielegesteldheid want het Rijk der Hemelen is nabij gekomen". Hier wordt duidelijk gemaakt dat de geestelijke wereld die vlakbij is, door de eigen innerlijke kracht kan waargenomen worden. Op welke manier dit kan gebeuren maakt Christus duidelijk in de negen zaligsprekingen van de Bergrede (Mat.5,3 tot12). Deze negen zaligsprekingen verwijzen naar de ontwikkelingsstadia van de mens in zijn wezensdelen (zie De Brug 2 voor de wezensdelen). De volgende uitleg zal dit hopelijk verduidelijken. . De BergredeIn het begin der aardetijden was het menselijke fysieke lichaam zeer week. Deze toestand liet toe dat de ziel niet erg aan het lichamelijke gebonden was zodat zij zich gemakkelijk kon verenigen met de geestelijke wereld. In de loop der tijden werd de fysieke constitutie steviger en kon de ziel zich moeilijker van het lichaam losmaken, totdat zij tenslotte geen verbinding meer kon krijgen met het geestelijke. Daarom moet de mens nu op een andere manier -vanuit zijn eigen innerlijke krachten- zijn weg naar de geestelijke wereld zoeken. Zo komt de eerste zaligspreking tot stand :"Zalig zijn zij die zoeken naar de geest want hun behoort het rijk der hemelen" (in de meeste bijbels staat vertaald :"Zalig de armen van geest"; dit betekent : wie zoekt naar iets, ontbeert dit, is er dus arm aan). De tweede zaligspreking duidt op het etherlichaam. Het etherlichaam is een kracht die in de geestelijke atmosfeer van de aarde te zoeken is; zij doordringt echter ook het fysieke lichaam. Deze kracht doet het fysieke lichaam groeien en houdt het levensvatbaar. Laat ons een elementair voorbeeld nemen om het verband te verduidelijken : snijdt men zich in de vinger, dan doet dit pijn. De fysieke vinger zelf ondervindt geen pijn omdat een zuiver fysiek lichaam (bvb. een steen) niet aan pijn onderhevig is. Het etherlichaam echter, dat het fysieke lichaam levensvatbaar houdt, wordt in zijn normale werkzaamheid gestoord door de beschadiging aan de vinger en zal zijn krachten samenbundelen teneinde het gekwetste deel te genezen. Het astrale lichaam merkt deze storing in het etherlichaam op en daardoor ontstaat het pijngevoel. De pijn wordt men weliswaar gewaar door het astraallichaam, maar de oorzaak van de pijn moet gezocht worden in het etherlichaam. Dit principe is niet alleen geldig voor de fysieke pijn, maar ook voor de psychische pijn. De tweede zaligspreking :"Zalig de treurenden want zij zullen getroost worden", wordt dan als volgt verklaard : zij die lijden omdat zij in hun ziel het gemis van het Christuswezen ervaren, zullen getroost worden wanneer ze een nieuwe verbinding met Christus aangaan. De derde zaligspreking heeft betrekking op het astrale lichaam. Dit zielewezen omvat alle lagere gevoelens die verband houden met instincten, driften, begeerten, hartstochten e.d. Wanneer men in vroegere tijden deze gevoelens wilde overwinnen, dan richtte men zich naar de hemelse rijken en kreeg men vandaar de kracht, als een gave van de goden. Nu kan deze gave niet meer vanuit de hemelse rijken ontvangen worden. Nu moet de mens in zijn eigen wezen de kracht vinden om zijn hartstochten en emoties te beteugelen. De bestemming van de mens bestaat erin op aarde zijn hogere Ik tot ontwikkeling te laten komen door zijn astraallichaam te zuiveren. Vandaar de derde zaligspreking : "Zalig de zachtmoedigen want zij zullen het aarderijk beërven". Het volgende lid van het mensenwezen is de gewaarwordingsziel. Met de ontwikkeling van dit wezensdeel begint de mens zichzelf te ervaren als een afzonderlijk, op zich zelf staand wezen. Dit betekent nog niet dat hij zich ten volle van zichzelf bewust is; hij komt eerder gevoelsmatig tot de bevinding dat zijn eigen wezen geen deel uitmaakt van de wereld rond hem. Het besef van zijn eigen individualiteit geeft hem tegelijkertijd de aanzet om zijn egoîstische behoeften te bevredigen. Hierop zinspeelt de vierde spreuk van de Bergrede;"Zalig die hongeren en dorsten naar gerechtigheid want zij zullen verzadigd worden". Christus wijst erop dat men niet mag hongeren en dorsten naar aardse genoegens, maar dat men moet streven naar een rechtvaardige wereldorde. Het wezensdeel dat na de gewaarwordingsziel komt, is de verstandsziel. Deze kwam ten tijde van Christus, in de Grieks-Romeinse periode tot ontwikkeling. Eerst door de ontplooiing van dit wezensdeel vormt de mens zich, door eigen denken, een idee van zichzelf en van de buitenwereld, en kan hij zich echt als een zelfbewust wezen ervaren. Vanaf dan kan hij ook de medemens als een volwaardig individueel wezen en als zijn evenmens beschouwen. Daarom luidt de middenste van de negen zaligsprekingen :"Wie barmhartig is (dus wie medeleven heeft met zijn naaste), zal barmhartigheid ondervinden". Merkwaardig in deze spreuk is dat hetzelfde wordt teruggekregen wat gegeven werd (barmhartigheid). In de vorige spreuken is dit niet zo :
Wie zoekt naar de geest, zal het hemelrijk ten deel vallen, Wat in de eerste vier spreuken tot uiting komt is eerder een verlangen van de mens, een smeekbede aan de goden, om te verkrijgen waaraan hij nood heeft. Vermits hij in zijn laagste vier wezensdelen nog geen mens is in de volle betekenis van het woord, en hij nog niet ten volle zijn verantwoordelijkheid kan opnemen in het wereldgebeuren, worden hem deze noden gelenigd door de hemelse wereld. In de vijfde spreuk komt tot uitdrukking dat de mens niet meer vraagt, maar dat hij geeft. Geven kan men slechts vanuit een vrije wilsbeschikking, wanneer men een volkomen mens is geworden. Als deze voorwaarde vervuld is hoeft men niet méér terug te krijgen dan wat men gegeven heeft, want anders zou het opnieuw een vragen worden. Ons tegenwoordig tijdperk is dat van de bewustzijnsziel. De ontplooiing van de bewustzijnsziel leidt nog een dimensie verder dan deze van de verstandsziel. In de bewustzijnsziel moet de mens uitgroeien tot een volmaakt zelfstandig Ik-wezen, dat zijn eigen plaats en doel heeft in het wereldgebeuren, en er zich bovendien van bewust is dat zijn persoonlijke bijdrage onontbeerlijk is voor het instandhouden van de wereld. Het centrum van de bewustzijnsziel ligt in het hart -men duidt met de vinger naar het hart wanneer men zijn Ik aanwijst. Het rein ontwikkelde Ik zoals God het bedoeld heeft, leidt tot de zesde zaligspreking van de Bergrede : "Zalig de reinen van hart, want zij zullen God zien". De drie volgende spreuken hebben betrekking op de drie hogere wezensdelen van de mens. Hoewel deze pas in de toekomst zullen ontwikkeld worden bij het grootste deel van de mensheid, is er niets dat in de weg staat om individueel hiermee reeds te beginnen. Het eerste van deze hogere wezensdelen is het geestzelf. Het geestzelf kan omschreven worden als een bewuste omvorming van het astraallichaam, van emoties, sympathie, antipathie, subjectieve overtuigingen enz. tot een hogere waarheid. Er is slechts één waarheid, deze van de goddelijke wereldorde. Door persoonlijke sympathie en antipathie te overwinnen, zal vrede ontstaan, en de hogere waarheid zal in het hart geboren worden (kinderen van God) : "Zalig die vrede brengen want zij zullen kinderen van God genoemd worden". Het volgende wezensdeel, de levensgeest, ontstaat wanneer de Ik-kracht in staat is om het etherlichaam om te werken. Eerder in dit artikel werd het etherlichaam omschreven als groei- en vormkrachten die het fysieke lichaam in stand houden. In het etherlichaam liggen echter ook de volksaard en het nationaliteitsgevoel. Deze eigenschappen liggen diep ingebed in de menselijke aard, en het is dan ook zeer moeilijk om deze te overwinnen. Wie daartoe in staat is zal ieder mens als een gelijkwaardig wezen beschouwen, ongeacht diens ras of nationaliteit, afkomst of maatschappelijke rang, en dit inzicht zal hij ook verdedigen en in de praktijk omzetten. Enkelen zijn reeds zover, maar omdat dit ontwikkelingsstadium pas in een verre toekomst zal plaatsvinden voor het grootste deel van de mensheid, worden deze enkelingen niet begrepen. Daarom zei Christus in de achtste zaligspreking : "Zalig die vervolgd worden om der wille van de gerechtigheid, want hun behoort het rijk der hemelen". Het laatste wezenslid van de mens betreft de geestmens. De geestmens wordt gevormd wanneer de Ik-krachten zo sterk zijn dat ze zelfs het stoffelijk lichaam kunnen beheersen : de mens doordringt zich tot in zijn fysieke lichaam met de geest. De invloed van het Ik op het fysieke lichaam kan ook nu reeds opgemerkt worden, bvb. in het rood worden of verbleken van het aangezicht, maar hier is de mogelijkheid nog niet om deze krachten te beheersen. Ooit zal de mens echter een volledige controle verwerven over zijn fysieke constitutie; hij zal dan tot in zijn lichaam doordrongen zijn van de hoogste waarheid, van het Christus-Ik. Ook nu reeds kan met deze omvorming een begin gemaakt worden, maar voor de meesten zal dit stadium in de ontwikkeling van de mensheid zich in een zeer verre toekomst afspelen. De meesten zullen nu en in de nabije toekomst dan ook geen enkel begrip kunnen opbrengen voor deze enkelingen die vóór hun tijd beginnen aan de omvorming van het geestzelf. Voor dezen die hun tijd vooruit zijn heeft Christus de negende zaligspreking uitgesproken : "Zalig zijt gij, wanneer de mensen u om mijnentwil beschimpen en vervolgen, want uw loon zal groot zijn in de hemel".
* * * * * * * * * * *
Reïncarnatie en karmadoor François De Wit Er is een tijd geweest dat de mensen geloofden dat de Aarde plat was en dat de zon eromheen draaide. Zij die beweerden dat dit niet zo was, werden in het beste geval uitgelachen, in het slechtste geval, verjaagd, vervolgd, zelfs gedood.De wereld is nog niet veranderd : als men bvb. in Café DB iets vertelt over karma of reïncarnatie, dan rollen de aanwezigen zich van 't lachen. Toen Anaxagoras in de vijfde eeuw v.C. betoogde dat de zon een vurig rotsblok was en groter dan de Peloponnesus, is er in Griekenland ook zo gelachen.
Ten onrechte bleek achteraf. De manier van denken veranderde, het denken werd 'wetenschappelijk' en 'objectief'. Een aantal feiten over de ons omringende wereld werden in een juister daglicht gesteld, een aantal zaken konden nu pas correct verklaard worden. Voor mensen die geen basiskennis van antroposofie bezitten, klinkt dit soms waanzinnig. Nochtans, karma is logisch. Stel je eens voor: een mens komt 's avonds thuis, hij is heel moe, heeft misschien gedronken, zijn kleren zijn vuil geworden. Hij trekt ze uit en zwiert ze waar ze vallen. 's Morgens wordt hij wakker en hij stelt vast : zijn kleren zijn niet proper, niet gestreken, sommige kledingstukken vindt hij zelfs niet meer. Zal dit hem verbazen ? Eigenlijk niet, want hij weet dat hij de vorige avond nogal slordig geweest is. Maar stel je nu eens voor dat als een mens gaat slapen, hij niet alleen zijn bewustzijn verliest, maar ook zijn geheugen. Zo iemand zou dan 's morgens op straat verschijnen in lompen, terwijl sommige andere mensen piekfijn gekleed lopen. Hij zal waarschijnlijk boos worden op het toeval, op het lot, dat hem in die kleren doet rondlopen, maar in feite heeft hij zijn belabberde toestand alleen aan zijn eigen nalatigheid te danken. Dat is nu het principe van karma : een groot deel van wat je overkomt, heb je te danken aan je eigen daden in een vorig leven. Spijtig genoeg verliezen we als we sterven ons gewone bewustzijn, en ook ons gewone geheugen. Bij een nieuwe geboorte lijkt het alsof dit voor de eerste (en enige) keer gebeurt .Vele mensen die in ongunstige* omstandigheden geboren worden, hebben dan ook de neiging om afgunstig te worden op hen die het zgz. beter getroffen hebben. Meestal echter hebben ze dit aan hun eigen daden in een vorig leven te wijten.
Rudolf Steiner gaat meer concreet in op de wetmatigheden van het karma in het 235ste deel van de Verzamelde Werken, in de voordracht van 24 februari 1924. Hij legt uit dat wij in het 'leven' tussen dood en een nieuwe geboorte samen zijn met de zielen van onze tijdgenoten, met wie we samen op aarde waren. Al wat wij gedaan hebben voor deze mensen, daar was telkens een gevoel bij, sympathie of antipathie, liefde of haat. Deze gevoelens nu, die spiegelen zich in de zielen van die mensen en komen terug naar ons in gewijzigde vorm. [ ...] "Beleeft U in dit leven door een mens vreugde, mijn beste vrienden, dan kunt U er zeker van zijn dat deze vreugde het resultaat is van de liefde die U hem hebt toegedragen in een vorig leven. Tijdens uw huidig leven stroomt deze vreugde nu in uw ziel. U kent dit innerlijk verwarmend gevoel der vreugde, U weet wat vreugde betekent, vooral als ze van mensen komt. Zij verwarmt het leven, zij draagt het leven, zij geeft het leven vleugels, zouden we kunnen zeggen. Karmisch is zij het resultaat van liefde. Maar door deze vreugde krijgen wij opnieuw een speciale band met de mensen. Een mens die vreugde beleeft in het leven is voor andere mensen ook een bron van warmte. Deze vreugde wordt dan opnieuw gespiegeld na de dood, in de zielen van de mensen met wie men samen op aarde was, en dit spiegelbeeld werkt dan in op onze ziel, als we aan het derde aardeleven beginnen. En nu is het resultaat dat wij de mens en de wereld gemakkelijk begrijpen. Als wij plezier beleven aan het interessante gedrag van de mensen, dan wijst dit op vreugde in een vorige incarnatie ( aardeleven ), en die vreugde wijst terug op liefde in het aardeleven dáárvoor.
Mensen die met een vrije, open zin zo door de wereld gaan, dat ze die wereld in zich laten binnendringen, dat ze begrijpend staan tegenover de wereld, dat zijn mensen die zich dat verworven hebben door liefde en vreugde. Nu zijn er ook mensen, die niets uit liefde kunnen doen. Die doen wat ze moeten doen, alleen uit plichtsgevoel. De daden die men zo stelt, vanuit een star plichtsbesef of conventie," omdat het zo hoort", die veroorzaken in een volgend leven niet vreugde, maar iets anders: zulke starre plichtsmensen worden door anderen onverschillig voorbijgegaan. Daar zien ze dan van af, en terecht, want de mensen zijn er voor elkaar, ze zijn ertoe bestemd niét onverschillig voor elkaar te zijn. En wat men zo door het leven draagt, wat men meeemaakt door deze onverschilligheid, dat is het gevolg van een gebrek aan liefde in een vorig aardeleven, waar men zich als een zgz. behoorlijk mens gedragen heeft.
Dat is dan het tweede aardeleven. Wat nu als onverschilligheid vanwege andere mensen naar ons toestroomt, en wat wij daardoor beleven in dat leven, dat maakt ons in een derde aardeleven tot een mens die niet goed weet wat hij met zichzelf moet aanvangen. Als hij naar school gaat, weet hij niet wat hij moet beginnen met hetgeen de leraar met hem doet. Wordt hij wat ouder, dan weet hij niet of hij bankwerker dan wel staatssecretaris moet worden. Hij kan met zijn eigen leven niets aanvangen. Hij gaat eigenlijk zonder richting, zinloos door het leven. Hijk is niet direct stompzinnig, hij kan bvb. muziek begrijpen, maar hij beleeft er geen vreugde aan. Het is hem in feite allemaal eender of het nu goede of slechte muziek is. Heeft hij een gevoel voor schoonheid in de schilderkunst of een andere kunst, altijd schuurt er iets in zijn ziel : waartoe dient dat nu allemaal ? Zoiets speelt zich dan af, als een karmisch gevolg, in een derde aardeleven. Nu kan het nog anders zijn : een mens kan antipathie, of regelrecht haatgevoelens koesteren voor zijn medemens. Daarin zijn vele schakeringen mogelijk : men kan bvb. criticus zijn. Om criticus te zijn moet men altijd een beetje haten. Welnu, haatgevoelens spiegelen zich tussen de dood en een nieuwe geboorte en komen terug als leed, dat van buiten af veroorzaakt wordt, het tegendeel van vreugde.
Dat is veel algemener dan men denkt ! Stel je maar eens een koffieklets voor, hoeveel antipathie daar in een anderhalf uur op de medemens afgevuurd wordt. De mensen bemerken niet dat die gevoelens zo uitstromen, maar als ze in een volgend leven terugkomen, bemerken ze het maar al te goed. En terugkomen doén ze !
Wie onverschillig en flegmatisch in de wereld staat, die mensen en dingen niet met een open hart tegemoet treedt, die heeft zich deze stompzinnigheid zelf aangedaan door de miserie in een vorig leven, die hij dan weer te danken had aan haatgevoelens in een derde laatste leven. We kunnen het zo samenvatten :
liefde --------------> vreugde ----------------> een open hart Nu moeten we dit inzicht in het karma niet alleen gebruiken om het leven te begrijpen, maar ook om zelf aan een toekomstig leven vorm te geven. Want niet alles dat ons overkomt vindt zijn oorzaak in een vorig leven, sommige zaken gebeuren voor het eerst en hebben pas gevolgen in een later leven. Aldus kan men karma zien als een impuls voor de toekomst : wie binnen drie levens met een vrije, open mentaliteit in de wereld wil staan, die moet nu bijzonder veel liefhebben, en wie binnen drie levens een grote domoor wil zijn, die moet nu zeer veel haten ! " [...]
* * * * * * * * * * *
Enthousiasme
* * * * * * * * * * *
Rudolf Steiner, de filosoof van de vrijheid.Het volgende komt uit Steiners hoofdwerk : "De Filosofie der Vrijheid".
" Leben in der Liebe zum Handeln, [...] Waarom zou ik het algemeen welzijn minder dienen wanneer ik iets doe uit liefde dan wanneer ik hetzelfde doe , louter en alleen omdat ik het mijn plicht acht het algemeen welzijn te dienen ? Het begrip 'plicht' zonder meer, sluit vrijheid uit, omdat dit begrip het individuele niet wil erkennen, doch van dit individuele onderwerping aan een algemene norm eist. Vrijheid van handelen is slechts denkbaar vanuit het standpunt van het ethisch individualisme. Hoe is echter een menselijke samenleving mogelijk, wanneer éénieder er slechts op bedacht is zijn eigen individualiteit te laten gelden ? Dit is een kenmerkend bezwaar van een verkeerd begrepen zedenkunde. Deze gelooft dat een gemeenschap van mensen slechts mogelijk is, wanneer een gemeenschappelijk vastgelegde zedelijke orde allen omvat. Deze zedekunde begrijpt juist het karakter van het enig-zijn der ideeënwereld niet. Zij begrijpt niet dat de wereld van de idee, die in mij werkzaam is, dezelfde is die in mijn medemensen werkt. [...] Het onderscheid tussen mij en mijn medemens bestaat geenszins daarin dat wij in twee geheel verschillende werelden van de geest leven, doch dat hij uit de ons gemeenschappelijke ideeënwereld andere intuïties ontvangt dan ik. Hij wil zijn intuïties uitleven, en ik de mijne.
Wanneer voor ons beiden de idee werkelijk de bron is waaruit wij putten en wij geen uiterlijke( fysieke of geestelijke) aandriften volgen, dan kunnen wij niet anders dan ons in een gelijk streven, in dezelfde intenties vinden. Zedelijk misverstand, met elkaar in botsing komen, is bij zedelijk vrije mensen uitgesloten. Slechts de zedelijk onvrije, die een natuurdrift of een aangenomen plichtsgebod volgt, neemt een terugstotende houding aan, wanneer zijn medemens niet hetzelfde instinct of hetzelfde gebod volgt. Leven in de liefde tot het handelen, en laten leven met begrip voor wat een ander wil, is het basisprincipe van een vrije mens. * * * * * * * * * * *
Vrijheid, Gelijkheid, Broederlijkheid
De inzichten uit de antroposofie zouden ook vernieuwend kunnen werken in het maatschappelijk leven als geheel, en niet alleen in enkele afzonderlijke deelgebieden zoals pedagogie, geneeskunde, kunst enz.
Wat er nodig is om een gezonde maatschappij op te bouwen is o.m. dat er lessen getrokken worden uit het verleden. Ten tijde van de Franse Revolutie was iedereen razend enthousiast over de leuze "vrijheid, gelijkheid, broederlijkheid", maar wat is daar sindsdien van geworden ?
Kapitalisten denken bij vrijheid aan economie en het resultaat was en is een onmenselijk, onrechtvaardig uitbuitingssysteem. De communisten verkozen gelijkheid en deden ganse werelddelen op een gelijke manier denken : miljoenen onschuldige, onnodige levens werden daartoe opgeofferd.
Is de leuze "Vrijheid, Gelijkheid, Broederlijkheid" dan zo slecht ?
Bijlange niet, alleen moet men duidelijk weten wáár ieder van de drie begrippen zijn geldingskracht heeft. In 't kort ziet het er zo uit :
1) Vrijheid moet heersen in het zgz. geestesleven, iedereen heeft het recht om te denken wat hij wil.
Men ziet : 3 gebieden, vandaar de naam "sociale driegeleding" voor het geheel van antroposofische inzichten dat betrekking heeft op de maatschappij.
Wat ( of beter : wie ) in het sociale hét belangrijke is, is : de andere, onze medemens. In onze verhouding tot onze medemens moeten wij nog één en ander afleren, vooraleer er iets beter kan opgebouwd worden.
Daarover schreef Dieter Brüll een hoofdstuk in zijn boek "Waldorfschule und Dreigliederung". Een uittreksel : Van sociaal standpunt gezien is de ander taboe. Zijn eigenaardigheden, zijn manier van doen, zijn (slechte) gewoonten, kortom, hoe hij is, dat heb ik niet te beoordelen. Op het ogenblik dat ik de andere corrigeer, is hij reeds een voorwerp geworden. Dan ontken ik zijn principiële gelijkheid met mij. Het gaat daarbij niet alleen om het "die daar eens flink de waarheid te zeggen", het gaat ook om het verdoken verwijt "maar waarom doet ge dat eigenlijk zo ?", of hoe men zijn afkeuring ook inkleedt. In al deze gevallen zou men de andere liever anders hebben dan hij is. Wat geeft ons daar eigenlijk het recht toe ? Met dit inzicht te bereiken is zelfs nog niets sociaal gedaan, daarmee blijft men in het geestesleven. Het sociale leeft uitsluitend in de daad, al was het dan het niet-doen, de terughouding. Het inzicht dat de andere evenzeer recht heeft op zijn eigen aard als ik, ook als die mij verkeerd schijnt, is alleen maar de voorwaarde dat het sociale kan ontstaan : de nood van de ander tot motief van mijn handelen maken.
Zolang ik zijn nood nog aanvoel als verbeterbaar, dan help ik hoogstens mijn-nood-met-hem uit de wereld.
Er is slechts één uitzondering : als de ander mij zelf vraagt om een beoordeling. Dan mag ik ze geven, omdat ik hem dan niet wil doen veranderen, maar omdat hij zichzelf wil veranderen.[...] "Ik wou dat iemand mij het roken kon afleren" kan een rhetorische vraag zijn, maar kan ook een zoeken naar de juiste helper zijn, en zelfs een vraag om hulp die tot mij gericht is. Is men van dat laatste niet 100% zeker, dan is het beter om te zwijgen. Hetzelfde geldt voor een onuitgesproken vraag. Niet iedereen krijgt een vraag om hulp over zijn lippen. Maar velen denken dat ze "helderhorend" zijn en horen hulpgeroep waar er geen is. Ook daar gebiedt de sociale impuls om te zwijgen, als men niet zeker van zijn zaak is- al was het maar om de mens-in-nood de tijd te gunnen zijn hulpbehoefte in de gepaste vorm te gieten. Deze terughouding is on-modern. Vroeger was dit een zaak van etiquette en zede binnen een bepaalde stand en gold niet tegenover iemand van een lagere stand. Deze terughouding had ieder individu zich eigenlijk moeten verwerven, maar de positieve kant ervan heeft men niet ingezien, het tegendeel is tevoorschijn gekomen. Tegenwoordig moet alles "bespreekbaar" zijn, waarbij men meent : alles wat men over de ander denkt, moet men hem ook in 't gezicht kunnen zeggen. Dat vermindert de spanningen, verkondigen ons bedrijfspsychologen. Er wordt grof geld betaald voor zulke professioneel ingerichte scheldpartijen. Het is zelfs niet nieuw. De Tibetanen weten al lang wat een goed gevoel zo'n zielsontlasting geeft. Eenmaal per jaar mag iedereen de andere in 't gezicht zeggen wat hij hem te zeggen heeft. Maar op de andere dagen van het jaar was het streng verboden. En men was slim genoeg zich op die dag de oren toe te stoppen.
Het is nl. niét waar dat uitspraken, die de ander als persoonlijkheid (dis)kwalificeren ergens een probleem oplossen, behalve dan dat van zijn eigen ergernis. "Dat lucht op"- maar wel op kosten van de ander. Met uitzondering van heiligen verdraagt niemand het in zijn eigen-zijn bekritiseerd te worden, alhoewel er natuurlijk mensen zijn die dit beledigd-zijn kunnen verbergen. Meestal onbewust, maar daarom niet minder existentieel ervaart men bij kritiek, dat men niet als individualiteit, maar als object bekeken wordt, als ding dat men kan veranderen zoals een instrument dat niet goed in de hand ligt. Steiner noemt zulke kritiek de moderne manier van folteren. Wij weten dat dit kan leiden tot sociale moord. [...]
Persoonlijk weiger ik iedere ongevraagde kritiek op mijn persoon te aanvaarden. Als iemand het nodig vindt om achter mijn opvatting een innerlijke afwijking te zoeken, of het nu de veronderstelling is dat ik met het verkeerde been uit bed ben gestapt, of dat een bepaalde tekortkoming mij ongeschikt maakt om enz. enz. ... is het gesprek gedaan.
Overigens heeft dit niet alleen sociaal-theoretische en sociaal-hygiënische redenen, maar ook praktische : want zo'n gesprek eindigt toch bijna altijd in ruzie en haat. [...]
Moet men dan van iedereen zomaar alles verdragen ?
Natuurlijk niet ! Maar hoe kan men de andere laten verstaan dat er ons iets op de maag ligt, zonder daarbij kritiek uit te spreken ?
Dat wordt iets voor het volgende nummer... Vrijheid, gelijkheid, broederlijkheid
Onder deze titel waren we in het vorige nummer begonnen, duidelijk te maken waar het om gaat in de sociale driegeleding. Ter herinnering nog even het schema.
In de maatschappij onderscheiden we drie gebieden:
Hou er wel rekening mee dat deze drie gebieden overal terug te vinden zijn waar mensen samen naar hetzelfde doel werken. Zo is bvb. een school een instelling die weliswaar in het geestesleven actief is, maar toch liggen bepaalde facetten van het schoolleven in het rechts- of economisch gebied.
In het geestesleven is er geen sprake van sociaal zijn, zoals we verder zullen zien. In de andere gebieden wel.
De vorige aflevering leerde ons dat het begin van ieder sociaal handelen moet zijn: de ander nemen zoals hij is, en niet proberen hem te verbeteren.
Wat kunnen we nu doen als een ander echt onverdraaglijk is voor ons ?
Dieter Brüll legt uit ( in "Waldorfschule und Dreigliederung", p. 116 e.v.) [...]
" Wat we zeker niét moeten doen, is de ander op zijn fout wijzen. We kunnen hem vragen of hij geen rekening wil houden met onze eigen zwakte, met ons eigen onvermogen.
De vraag: " Het spijt me, ik verdraag geen rook, zoudt U in dit lokaal het roken niet kunnen laten ?" geeft als oorzaak van het niet-overeenkomen, het eigen onvermogen aan om mij te veranderen (ook wanneer dit lichamelijk is).
In deze vraag zit geen moreel veroordelen besloten. Het gaat hem hier om een intermenselijk gegeven, dat we niet graag onder ogen zien: dat we in een conflict altijd eerder de splinter in andermans oog zien dan de balk in ons eigen oog, en daarom moet de ándere veranderen. Dat men zelf zou kunnen veranderen, is een gedachte die maar zelden opkomt. Het is nog altijd onze normale ingesteldheid dat wij de ander als een voorwerp dat ons ergert willen veranderen. De mensen tot een maatschappelijk functioneren willen brengen, dat ligt ook aan de basis van onze technokratie.
Maar als het gedrag van de ander onuitstaanbaar wordt, en de vraag om rekening te willen houden met ónze zwakte niet helpt, dan helpt ook geen diskwalificeren. Dan kan men nog beter een rechter, als neutrale instantie inschakelen. Die geeft ons wat ons van rechtswege toekomt, en op meer kunnen we geen aanspraak maken. Deze houding moeten we niet overal aannemen. In het geestesleven is ze niet op haar plaats, want daar gaat het niet om de ander, maar om de waarheid. Hier moet er gevochten worden, bij wijze van spreken. Tegenover de vrijheid van de andersdenkende om zijn mening te uiten, staat mijn eigen vrijheid om hetzelfde te doen, eventueel om de eerste radicaal te bestrijden. Hier is er geen recht op, noch plicht tot mededogen... zolang men zich pijnlijk precies beperkt tot datgene wat de ander naar buiten, in de openbaarheid brengt. Wie zijn geestesproduct rijp genoeg acht om er openlijk voor uit te komen, moet tegen kritiek kunnen. Omgekeerd geldt dat men wat niet voor de openbaarheid is bestemd, ignoreert ( vb. wat men weet uit persoonlijke gesprekken). Daartoe behoren de redenen of motieven, die iemand tot een standpunt geleid hebben. Dikwijls vindt de ander het zelf nodig zijn redenen uiteen te zetten, maar in alle andere gevallen getuigen hypothesen en veronderstellingen van een gebrek aan respect voor het zieleleven van een ander. [...]
Voorbeeld:
Wanneer hij echter die vergeten komma wijt aan mijn problemen met leestekens, en deze misschien toeschrijft aan een psychisch defect, dan komt hij op een terrein dat hem niet aangaat, en waarmee men geen stap dichter komt tot de oplossing van het probleem. Men kan hem alleen scherp terugwijzen.
Als hij mijn standpunt over driegeleding zuiver communisme noemt, dan kan men daarover discussiëren, wanneer hij echter mij een communist noemt, dan heeft hij het respect dat ieder mens van ons verdient, verloren en dan moet hij zich niet verwonderen over een oorvijg- figuurlijk uiteraard.
Er zijn uitzonderingen. Als iemand bewust leugens verkondigt- iets dat men slechts zelden kan weten- dan verdient hij geen bescherming. Zonder hem- ook hier weer- persoonlijk te onteren, mag men, na het bekendmaken van zijn werkwijze constateren dat hij niet serieus moet genomen worden en dat het overbodig is verder op zijn uitlatingen in te gaan, omdat deze persoon zichzelf als gesprekspartner geëlimineerd heeft. [...] Tot hiertoe bleven we in de mikro-sfeer, van persoon tot persoon. Hoe passen we deze principes nu toe in de meso-sfeer, t.t.z. waar mensen gemeenschappelijk naar eenzelfde doel toewerken ? Precies hier werken persoonlijke oordelen als gif, en toch kan het nodig zijn dat medewerkers gecorrigeerd worden, met het oog op het te bereiken doel.
Laat de sociale impuls ons hier in de steek ?
Eerste vaststelling: om 't even tot welk gebied van de maatschappij een instelling behoort, men vindt er altijd geestesleven, rechtsleven, economisch leven. Door haar eigen rechtsleven kan de instelling de manier van handelen in de drie verschillende gebieden structureren.
Zo is bvb. in het geestesleven iedere kritiek die bevorderlijk is voor de waarheid (voorzover niet persoonlijk ! ) toegelaten, maar dat betekent nog niet dat deze kritiek ten allen tijde en overal mag geuit worden. De instelling werkt naar een doel toe, en dit doel kan beperkingen nodig maken. Ze mag echter niet voor altijd en overal onmogelijk maken welk standpunt dan ook te uiten.
De manier om kritiek in de instelling een gepaste vorm te geven hangt samen met het demokratisch-republikeins principe. We behandelen hier slechts twee aspecten:
1. Afspraken omtrent de opdrachten. Demokratisch worden daarvoor mandaten verleend. Zolang deze lopen is iedere kritiek op de manier hoe de mandataris zijn werk verricht, verboden; ook onder de vorm van "vragen" en "voorstellen". Slechts in een noodgeval mag men- niet de mandataris bekritiseren- maar het mandaat voortijdig intrekken. 2. Afspraken in het eigenlijke rechtsgebied van de instelling: de verboden, dikwijls ook de geboden. Deze komen demokratisch tot stand en confronteren de medewerkers met het feit dat ze hetgeen ze mentaal aanvaarden, vitaal niet altijd kunnen waarmaken. Men kan inzien (= mentaal) dat men niet te laat op zijn werk mag komen, maar toch te laat opstaan (= vitaal). Men kan inzien dat men de vrouwen op het werk moet gerust laten... en toch zijn handen niet kunnen thuishouden. Nu is het niet mogelijk dat om 't even wie de moralist komt spelen, als de demokratische afspraken overtreden worden. Want precies daarmee komt die persoonlijke kritiek, die we leerden kennen als onsociaal, vergiftigend in de instelling werken. Hoe lost men dit dilemma op ?
De uitkomst is de "supervisor" !
Deze wordt demokratisch verkozen vanuit het inzicht dat het naleven van afspraken moet gecontroleerd en, indien nodig, afgedwongen worden. Ook de supervisor- dit onaangename ambt moet snel roteren- moraliseert niet. Hij maakt de "dader" attent op de niet-naleving van een afspraak en, als dat niet helpt, rapporteert hij het feit aan het rechtsorgaan van de instelling. Ook daar wordt niet gemoraliseerd. " Hoe is het mogelijk dat een ontwikkeld mens als U, nu terug....." , is mensonwaardig. Het rechtsorgaan gaat niets meer doen dan uitmaken welke gevolgen de overtreding zal hebben.
Men kan natuurlijk niet alles reglementeren wat ooit misschien zal voorvallen. Bepaalde onbeleefdheden die schadelijk zijn voor het doel van de instelling kan men verbieden, maar men kan niet beleefdheid opleggen. " Gooi toch niet altijd die deur voor mijn neus dicht !" , kan men nauwelijks verhinderen, noch het onbeleefde dichtgooien, noch de onbeleefde reactie.
In een vergadering echter is het alleen de gespreksleider die een spreker mag onderbreken. Hij is immers door zijn functie neutraal. Niet: " Onderbreek mij toch niet altijd ! ", maar " Voorzitter, kunt U ervoor zorgen dat ik niet steeds onderbroken word ?" Terug moet ik zeggen: het gebruik in de meeste instituten is anders. Men verbiedt niet graag: " Zulke zaken worden geregeld in de dagelijkse onderlinge omgang. " En zo worden de medewerkers door allerhande personen die zich daartoe berechtigd voelen lastig gevallen met "goede raad" , tot de instelling moreel verzuurd is en de medewerkers er pisnijdig bijlopen.
Dan verschijnen de psychologen die met hun zieltechnische know-how beginnen te conditioneren en te motiveren.
" DE MENSELIJKE WAARDIGHEID IS ONAANTASTBAAR " [...]
* * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * *
|