|
De Brug 5 van september 1994 Over waarheid en... efficiënt vergaderen
Onder deze titel is er nooit een boek of een voordracht van Rudolf Steiner verschenen. Wij gaven deze titel zelf aan het uittreksel uit de voordracht van 24 juni 1920 die Rudolf Steiner in Stuttgart hield.
[...]"In de wereld heerst er veel strijd, maar waar is er eigenlijk het meest strijd ? Het speelt zich slechts op een bepaalde manier af, men merkt het niet, maar het allermeest is dat in het geestesleven. En in de beweging die zich de antroposofische noemt, daar komt er geen einde aan die strijd.
Dat er conflicten ontstaan is nu eenmaal het wezen van iedere geestelijke beweging omdat iedere geestelijke beweging naar het individu toe werkt, maar het is natuurlijk de andere pool die moet ontwikkeld worden, de pool die de altijd aanwezige conflicten moet overwinnen. Maar zover komen we natuurlijk niet als er zich voortdurend dingen afspelen zoals wanneer men mij komt zeggen:" Daar is terug iets vreselijk gebeurd, er is daar een mens, wat die voortdurend uithaalt, dat is schadelijk voor alle anderen." Het kan zijn dat het zo is, het kan juist zijn, maar mij is het tot op heden niet gelukt, ofschoon het verschijnsel zich ontelbare malen voorgedaan heeft, om zo'n zaak na te gaan, en bij een tweede persoon uit te komen die mij juist hetzelfde als de eerste zei. En bij de vijfde of zesde hoorde ik reeds het tegendeel van wat de eerste verteld had. Ja, wat ik hier vertel dat zijn feiten. Ik wil geen kritiek uitoefenen, ik wil niet verwijten of loven, werkelijk ook het eerste niet, maar zo is het. Wat echter noodzakelijk is, wat zeker op antroposofische bodem zich moet ontwikkelen, ik heb het reeds meermaals erover gehad, dat is een absoluut, trefzeker waarheidsgevoel. Het is zeer moeilijk verder te werken als er niet een basis van waarheid, van onmiddelbare, werkelijke waarheid aanwezig is. Als deze basis van werkelijke waarheid er is, dan moet het toch zo zijn dat als men iets hoort en men gaat het na, dat men het bij de vijfde of zesde nog op dezelfde manier hoort. Maar ik maak het mee dat er mij iets gezegd wordt dat "vreselijk" is, en éénieder die ik ernaar vraag vertelt mij iets anders. Ik kan natuurlijk niet de dingen die ik uit andere bronnen weet in het uiterlijke leven gebruiken, dat heb ik reeds vroeger uitgelegd. Het gaat er niet om of ik van een zaak weet of ze juist is of niet, maar het gaat erom dat de eerste hetzelfde zegt als de zesde of zevende; niet om mijn weten gaat het, ik laat mij in de regel geen rad voor de ogen draaien, en als ik iets vraag is het niet om iets te weten te komen maar wegens gans andere redenen. Wat mij meegedeeld wordt interesseert mij gewoonlijk niet zeer sterk, maar het gaat erom dat ik kan horen wat de eerste en wat de zevende zegt, en dan is het dikwijls zo dat nummer één iets zegt, en nummer zeven zegt precies het tegenovergestelde. Daaruit volgt, geloof ik, met een zekere evidentie dat één van beide uitspraken niet waar is. Mij schijnt het in ieder geval zo.
Ja, in het uiterlijke fysieke leven, dat juist daardoor afstevent op een dieptepunt, heeft men nooit de functie, de doordringende betekenis van de onwaarheid willen opmerken. Zelfs als ze zo niet bedoeld is werkt de onwaarheid vernietigend. Op de bodem waarop de antroposofisch georiënteerde geesteswetenschap staat, zou men onder alle omstandigheden moeten inzien: wat in het fysieke leven een vernietigende bom is, dat is op het geestelijke vlak een onwaarheid. Zij is een vernietigende kracht, een vernietigend instrument, en wel een zeer reëel vernietigend instrument. Het zou feitelijk terug mogelijk zijn, ondanks de vele beginnende initiatieven, tot grote vruchtbare arbeid te komen, ook op geestelijk gebied, als men aan deze zaken maar een beetje aandacht zou besteden, maar dan wel een zakelijke aandacht, geen persoonlijke. Datgene waartoe de antroposofie geleid heeft, dat zal slagen ( driegeledingsbeweging, Waldorfschool, en andere initiatieven - vert.), maar als in bepaalde dingen geen verandering optreedt, dan zal het de oorspronkelijke geestelijke beweging verslinden, en dan zou men door de wil van de zgz. dragers van deze geestelijke beweging een nieuw materialisme hebben, doordat juist de geestelijke beweging die de grondslag was, is afgestoten. Het geestelijke dat wil onderhouden, verzorgd worden, anders gaat het ten gronde. En het materialisme, dat bestaat niet door zichzelf, men kan het materialisme niet invoeren, evenmin als men een kadaver kan invoeren. Een kadaver ontstaat als een organisme verlaten is door de ziel. Zo kan ook alles dat hier vanuit een geestelijke basis, uit bezieling geschapen is, iets puur materieel worden als daar niet de neiging voorhanden is om het geestelijke werkelijk in ere te houden. Daartoe is echter noodzakelijk dat vóór alles de morele basis, de ethische grondslag opmerkzaam in 't oog wordt gehouden. Vóór alles moet men opmerkzaam in 't oog houden dat men zich geen begoochelingen maakt, dat men zich niet tevreden stelt met beoordelingen die men zelf graag heeft, maar dat men het werkelijke leven bekijkt."[...]. "Dat moet men inzien. En nog veel meer moet onder ogen gezien worden, dat in dezelfde richting gaat. En hoewel er voor dit uur nog vele andere zaken voorzien waren, kan ik toch niet anders als juist dit uur te gebruiken, voor ik terug vertrek, om te wijzen op zaken die op de meest verscheidene wijze een vruchtbare arbeid in de weg staan.
Wat de grootste belemmering vormt is het feit dat het eigenlijk altijd nodig wordt om eindeloze debatten te houden over dingen die op een half uur kunnen geregeld worden, omdat er altijd zaken bijgesleurd worden die er niets mee te zien hebben. Als men tegenwoordig gewoon is aan een gezond denken - en dat moet men zich gewoon maken als men de geesteswetenschap wil tot stand brengen-, en men komt dan terecht,- het zijn geen theorieën die ik hier verkondig- midden in de praktijk van het zgn. zakelijke, dan kan men dat het beste karakteriseren als men zegt dat men daar eigenlijk zoveel mogelijk de tijd doodt, tijd verspilt. Want er zijn tegenwoordig mensen uit het praktische leven die zich erop beroemen dat ze de ganse dag bezig zijn. Indien ze niet zoveel tijd zouden verspillen, zouden ze hun werkdag van misschien tien uren op een klein uurtje kunnen afwerken. Tijd doden, dat doet men tegenwoordig in het zgz. praktische leven. En door de tijd te doden worden ook de gedachten uit elkaar gerukt. Eigenlijk heeft men het gevoel als men zo in het praktische leven terecht komt dat men in een spaghettifabriek beland is, waar gedachten die geconcentreerd zouden moeten zijn, uiteen worden getrokken, als een noedeldeeg. Het is ontzettend om deze uiteengetrokken gedachten tegen te komen, die tegenwoordig als praktisch leven gecultiveerd worden. Als men met zulke gedachten de wereld wil doorgronden, de dingen inzien, waar ik vandaag over gesproken heb, dan komt men nooit tot iets. Want dit spaghetti-denken is ontstaan uit tijdverspilling, doordat datgene wat geconcentreerd zou moeten zijn en slechts op die manier als gedachte werkzaam kan zijn, niets meer voorstelt eens het uiteengetrokken is. Want wat in een bepaalde concentratie zijn functie uitoefent, deugt natuurlijk niets meer als het dun en sliertig wordt. En zo deugt veel van wat in de huidige economie circuleert absoluut niet om de wereld op een of andere manier verder te helpen. Het zou eigenlijk onze opgave moeten zijn om ook met betrekking tot het praktische leven terug tot een meer gebald denken te komen, en niet de tijd te doden. Maar vandaag moet er nog altijd tijd gedood worden als de antroposofische beweging die achter onze ondernemingen staat niet is wat ze zou moeten zijn: een door en door ware beweging, waar datgene dat leugenachtig is zichzelf uitstoot, omdat men het niet kan gebruiken, omdat het zich onmiddellijk openbaart. * * * * * * * * * * * Euritmie
In het eerste nummer van De Brug, nu alweer een jaar geleden, stond een artikel over euritmie. De meeste lezers van dit tijdschrift - mensen die nog nooit een euritmievoorstelling gezien hebben- bleken na lectuur van het artikel even weinig te weten over euritmie als ervoor. Hoe kon het ook anders ? Iemand die nog nooit naar klassieke muziek heeft geluisterd moet men ook niet direct het verschil tussen Beethoven en Mozart uitleggen. Om dat te begrijpen moet hij eerst vele uren luisteren, of beter nog, zelf leren om het werk van deze componisten te vertolken. Zolang dit niet gebeurd is kan men zich beter beperken en hem de eerste beginselen van de muziek bijbrengen. Hetzelfde geldt voor euritmie. ![]()
Bij de A worden wij ons nog bewust van het oorspronkelijk gevoel wanneer ze als tussenwerpsel gebruikt wordt. Als we paf staan van iets, als de grootsheid, de verhevenheid van een verschijning ons doet verwonderen, misschien zelfs doet schrikken, dan drukken we dit gevoel uit als we uitroepen : aah ! De euritmist moet nu bij iedere A-klank die hij wil uitbeelden dit gevoel van verwondering, van verbluft zijn in zich oproepen. Ook afweer kan daarbij gevoeld worden ; de ziel verzet zich dikwijls tegen het overweldigende van een grote indruk. De bewegingsvorm voor de A is de hoek ; het is een "in twee richtingen gaan", in eerste instantie met de armen. Maar eigenlijk kan een A uitgedrukt worden in iedere hoek, zo bvb. in de hoek die tot stand komt tussen hand en onderarm door naar boven omgebogen handen, of in de hoek die tussen twee vingers ontstaat als deze gespreid worden enz. Ook de voeten kan men in een hoek uiteenzetten. Ook als men slechts de ene arm zijwaarts of in een of andere relatie tot het lichaam opheft, dan kan men in de hoek die zo tussen lichaam en arm ontstaan is, op een volledig correcte manier de A uitdrukken. Nu bestaat er in de taal een onderscheid tussen een lange en een korte A en alle gradaties daartussen. Op deze verschillen moet men letten, ze moeten ook weergegeven worden. In het woord ademen bvb. zal men de A langzamer en ook langer vorm geven, ze in de beweging groter laten uitsterven dan in het woord rap. Men moet kunnen luisteren naar de eigen beweging, de spieren intensief of minder intensief spannen, als speelt men op een instrument, vooral bij de klinkers, die het muzikale element van de taal zijn.
Om zich gans in het gevoel van de A in te leven moet men zich om te oefenen gedichten uitkiezen, waar de stemming van het verwonderen, het verbaasd zijn, door vele A-klanken door de dichter vanuit een kunstzinnig spraakgevoel, of bewust opgeroepen wordt. Een voorbeeld van een gedicht waar die nuance van schrikken voor het onverwachte grote door de vele A-klanken aangeduid wordt, is het begin van Dies Irae van Guido gezelle :
eens lijk asse weg zult vagen, zo 't Sibille en David zagen !
De E komt euritmisch tot uitdrukking door iedere zelfs maar aangeduide kruising der ledematen, of het nu de armen, handen of voeten zijn die gekruist worden, of dat het een arm is die aan het hoofd, de borst, de rug voorbijkruist. Oorspronkelijk zei Rudolf Steiner dat dit gebaar iets met vrees te doen heeft, maar ook met ontzag en ook, aan de andere kant van de gevoelsschaal, met afkeer. Deze korte aanwijzingen worden duidelijk uit de voordrachten over de woordeuritmie. Daar wordt benadrukt dat het bij het kruisen op het raken der ledematen aankomt; we citeren : "Het raken bootst na dat een gebeurtenis zich heeft voorgedaan ; het in de kruisvorm houden is dan het zichzelf bevestigen tegenover die gebeurtenis". De latere uitleg geeft hier, zoals zo vaak, de details van het innerlijk proces zoals ze zich na elkaar voordoen : de vrees heeft zich voorgedaan samen met de gebeurtenis, en de mens antwoordt met ontzag of verhardt in afkeer. Dit maar als voorbeeld om te tonen dat men zich niet eenzijdig met één omschrijving moet tevreden stellen. Voor iedere klank komt een breed gevoelsspectrum in aanmerking. En alleen door de verschillende omschrijvingen innerlijk te verbinden komt men tot een volledig klankbeleven. ![]() In de E-stemming kan men zich inleven door bvb. gedichten te nemen die een innerlijke vastheid tot uitdrukking brengen, of een religieuze inhoud hebben die respect oproept, en zich te concentreren op alle E-klanken die daarin voorkomen : de volgende strofe, eveneens uit Dies Irae : als Gij mij kwaamt 't leven schenken, was 't om me op dien dag te krenken ? Waar het aangewezen is een bijzondere plechtigheid en grootsheid in de E-beweging te leggen, kan de kruising zo uitgevoerd worden dat men de armen uitbreidt en met de ganse mensengestalte een kruis vormt. Komt bvb. in een gedicht het woord mens en kort daarop het woord wereld voor, dan kan het omvattende van het laatste woord door de grote kruising uitgevoerd worden.
In de I beleeft de mens zijn oerbeeld ; het is de klank van de zelfbevestiging. Dit sterk persoonlijkheidsgevoel komt tot uiting in ieder strekken; men benadrukt dat men zich vast in zijn beendergestel voelt. Het duidelijkst wordt men de I-lijn gewaar als men één arm naar onder en de andere naar boven uitstrekt, zodat er een schuine lijn van de ene hand naar de andere loopt. Dat is het duidelijkste beeld van de I. Maar de strekking kan ook bvb. met een vinger uitgevoerd worden, of met de richting van de blik aangeduid worden. In het woord IK zit reeds dit I-karakter ... ![]()
Zoals men bij de I de strekking als het wezenlijke voelt, zo ligt het O-beleven in iedere ronding van de ledematen die zich samenvoegen. Het gevoel van uit zichzelf uit te glippen, het liefdevolle, ook bewonderende omsluiten ligt in deze beweging. De armen nemen dezelfde stand in die het spraakorgaan, strottenhoofd, mond, lippen, bij het uitspreken van de O aannemen.
Dat geldt eigenlijk voor alle klanken.
Zeer duidelijk merkt men dat als men eens na elkaar A O OE euritmiseert. Eerst de wijdgeopende hoek van de armen, in overeenstemming met de stand van de mond, van boven- en onderkaak, bij de A. Dan de ronding van de armen, zoals de lippen staan bij O ; en de OE sluit zich in het euritmisch gebaar op dezelfde manier dicht en vast samen, zoals de lippen dat doen om de klank door te laten. De armen komen eng bijeen ; het is evenwel voldoende dat dit zover aangeduid wordt dat ze parallel naast elkaar lopen, maar ze kunnen ook nauw aan het lichaam gedrukt worden, angstig en verkillend. De beweging die Rudolf Steiner eerst voor de OE aangaf, was het naar boven richten, de armen dicht evenwijdig. "De mystieke vereniging met het goddelijke" kan zo in het OE-gebaar aangeduid worden, waarbij men ook een verbaasd-staan kan voelen (meer een stomme verbazing). U is een nauw aaneenpersen van armen of benen; de armen worden daarbij een beetje gedraaid, zodat de binnenkant van de onderarmen naar buiten keert. Daarbij moet er ook altijd iets glijdend zijn in de beweging, de ene arm aan de andere voorbijstrijken. Twee personen kunnen een U uitbeelden door langs mekaar voorbij te dansen. Daar de klank iets van een vreugdevol verbazen heeft, kan hij ook door een kleine hoogtesprong begeleid worden (waar nodig kan dat ook bij een OE, bvb. in een woord als joepie!) ![]()
* * * * * * * * * * * Luciferisch verleden, ahrimanische toekomstdoor Frans D'HerdeDit boekje van Rudolf Steiner telt slechts 68 blz. en geeft de inhoud weer van twee belangrijke voordrachten die Rudolf Steiner hield in 1919 te Zürich en Bern. Hierin waarschuwt hij ons voor de werking van het Boze, vertegenwoordigd door LUCIFER (= de duivel) en door AHRIMAN (= de satan) in de evolutie van de mensheid. En deze waarschuwing zouden we heel ernstig moeten nemen omdat in een zeer nabije toekomst deze Ahriman in hoogsteigen persoon zal incarneren onder de mensheid. Als vertegenwoordiger van de geesteswetenschap(= antroposofie) mag Rudolf Steiner beschouwd worden als één van de grote geestelijke wereldleiders. Zijn helderziende begaafdheid liet ons een omvangrijk geestelijk onderricht na, dat voor een doorsnee-mens te omvangrijk is om in één leven begrepen en geassimileerd te kunnen worden. Vele eerlijke zoekers vinden in de ernstige bestudering ervan de troost, de kracht, en de leiding om hun persoonlijk bestaan te leren zien in een levende samenhang met de aarde en de kosmos. Daardoor leert onze geestelijke blik zich uit te breiden over onze totale menselijke evolutie vanaf het oerbegin tot de uiteindelijke, hoge geestelijke bestemming, waartoe we geschapen en geroepen zijn. Maar daar doorheen laat Steiner ook Christus' uitspraak klinken: "Velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren ..." Deze bekende uitspraak heeft in het alledaagse gebruik haar volle betekenis zien verbleken. Maar door de geestelijke verdieping die uitgaat van de antroposofie, moet het evangelie opnieuw geherwaardeerd worden in de nabije toekomst. En vanuit die verdieping zal opnieuw de oorspronkelijke waarschuwende dreiging ervan weerklinken. Niet alleen troost en hoop brengt ons de geesteswetenschap, maar ook beklemming en angst. Wanneer het om de fundamentele ontwikkelingen in het menselijk leven gaat, is het opmerkelijk dat ook de geesteswetenschap geen aangename boodschap kan brengen. En dat is niet haar schuld, maar ze is gewoon in overeenstemming met de voorziene objectieve feiten die in de toekomst moeten gebeuren. Zo spreekt immers ook de APOKALYPS of Openbaring van Johannes, waarin de toekomst wordt geschetst in aangrijpende, onheilspellende en majesteitelijke beelden. Uiteindelijk loopt het uit op de definitieve scheiding van de "verlosten" en de "verdoemden". Voor velen wordt het dus een noodlottig verloop. Maar wat wordt het voor MIJ, als enkeling ? Als het ooit zover komt, kan ik dan dit noodlot ontwijken, en hoe ? Met deze vragen roepen we er zovele andere op ! Zal het allemaal zo'n vaart wel lopen ? Is het bla-bla van onheilsprofeten, of hebben we nog een zee van tijd, indien het zich toch moet voordoen ? Heb ik daar als enkeling mede en beslissende rol in te spelen ? Of wordt alles voor een "eenvoudige" gelovige als ik, in orde gebracht door Christus ? Een volledig bevredigend antwoord op al deze levensbelangrijke vragen bestaat. Maar dat antwoord moeten we overwegend zelf verwerven daar het, van iemand anders gegeven, toch maar gedeeltelijk zou overtuigen. Alleen de juiste richting in dewelke moet worden gezocht kan duidelijk worden aangegeven. En dat is: VERGEESTELIJKEN. Ooit waren we in de geestelijke werelden en zijn vanuit "den hoge" geleidelijk afgedaald in de materie, het aardse. Nog verder afdalen is ja-zeggen tegen Ahriman, de satan. Dat leidt onze individualiteit naar de afgrond, zijn verderf en verdierlijking. Omhoog streven terug naar de geestelijke werelden, is ja-zeggen tegen Christus, onze Verlosser (uit het materiële). Dat is loskomen uit de aardesfeer en ons verheffen naar een verheven geestelijk niveau, waar de wereld- en mensheidsontwikkeling voor ons een persoonlijke aangelegenheid wordt. Een geestelijk bestaansniveau moeten we nastreven waardoor onze kleine verworven menselijke persoonlijkheid zich kan verwijden tot een gezond verruimd egoïsme, dat mee zorg wil dragen voor gans ons planetair stelsel. Concreter, of nog meer persoonlijk uitgedrukt gaat het over een geleidelijk groeiproces van ons aards menselijk Ik (= onze sterfelijke persoonlijkheid) naar de hoogten van ons geestelijk Ik (= onze onsterfelijke geestelijke individualiteit) dat steeds opnieuw incarneert in een menselijk lichaam.
Dit vergeestelijken is een reëel groeiproces, een persoonlijke worsteling waarin alle levensvragen geleidelijk tot helderheid komen en door hun klaarheid ons volledig kunnen overtuigen en bevredigen, wars van elk bang getwijfel. Dit kan iemand anders ons niet geven want het betreft een strict persoonlijke inzet. En deze inzet heeft inmiddels een heel dringend karakter gekregen. Het is hoog tijd dat we loskomen van het naïeve, kinderlijk geloof dat Christus zelf het ooit wel allemaal voor ons in orde brengt. Als mensheid is onze kleutertijd (de ontwikkeling van de gewaarwordingsziel in de Egyptische cultuurperiode) en onze kindertijd (de ontwikkeling van de verstands- en gemoedsziel in de Grieks-Latijnse cultuurperiode) voorbij. Sedert 1450 n.C. begint onze groei naar volwassenheid, d.i. onze huidige cultuurperiode waarin de bewustzijnsziel tot ontwikkeling komt ; deze periode duurt tot ong. 3610 n.C. (zie verklarend schema 1 ). Tegelijkertijd begint de opgang van het materialisme onder de invloed van Ahriman, d.i. de volledige verduistering van de geestelijke wezens en werelden. Hij bezit de macht om een waas van de illusie omheen het fysieke te kunnen hangen, als zou het aardse zelfstandig op zichzelf kunnen bestaan, los van de astrale (=ziele)wereld en van het lager en hoger devachaan (= de geestelijke sferen), waaruit het fysieke zich heeft ontwikkeld. Het is belangrijk om duidelijk in te zien dat in de strijd tussen de goede machten en het Boze ons menselijk Ik de inzet is. Ons Ik heeft zich in het na-Atlantische tijdvak kunnen ontwikkelen doorheen de vier afgelopen cultuurperiodes. De vijfde cultuurperiode is die waarin de huidige mensheid leeft. Ze duurt van ong. 1450 tot 3610 n.C. en is gekenmerkt door het ontstaan en verdere opgang van het MATERIALISME onder invloed van de ahrimanische heirscharen. Sedert 1450 heeft de geestelijke wereld zich volledig teruggetrokken en heeft het menselijk Ik zijn zelfstandigheid en vrijheid kunnen ontwikkelen t.o.v. de geestelijke wezens uit wiens moederschoot dit Ik is ontstaan. Om deze zelfstandigheid en vrijheid te kunnen verwerven is ons Ik moeten afdalen in de materie, in de aardesfeer, door een toenemende verdichting en verharding van ons fysiek lichaam. Ons menselijk Ik komt uit de astrale of zielewereld en heeft zich geleidelijk ontwikkeld tot gewaarwordingsziel, verstandsziel en bewustzijnsziel in respectievelijk het astraal lichaam, etherlichaam en fysiek lichaam. Ons menselijk Ik is dus een zielsmatige drieëenheid die steunt op de genoemde drie wezensdelen (zie verklarend schema 2). De afdaling in de materie was noodzakelijk om de bewustzijnsziel, het hoogste lid van ons persoonlijk Ik, tot volledige ontwikkeling te brengen, maar moet nu stoppen. De uiterste grens van afdalen is bereikt, we verwierven zelfstandige vrijheid met een keuzemogelijkheid op de tweesprong : met de Christus-kracht naar omhoog, naar de vereniging met onze geestelijke individualiteit, ons hoger Ik; of verder afdalen met Ahriman en verharden in aardse lichamen die ooit dierlijk zullen worden en ons persoonlijk verworven menselijk Ik zullen degraderen tot groepszielen in een uiterst verderfelijk bestaan. De godenwereld heeft geleidelijk de leiding uit handen gegeven. Zij beschouwt ons als "volwassenen" en de verdere evolutie neigt meer en meer naar menselijk zelfbestuur. Moge het goed doordringen en ons verantwoordelijkheidsgevoel doen toenemen : de tijd is rijp, we worden niet meer door een vreemde autoriteit aan de hand geleid, we moeten ALLEEN een keuze maken : spiritualiseren of materialiseren. In het evangelie volgens Mattheüs, hoodstuk 4, wordt de Christus Jezus naar de woestijn gevoerd om er op de proef te worden gesteld door de Boze. Er wordt daar vrij onduidelijk gesproken over de duivel en over satan. Maar in de antroposofie wordt een duidelijk onderscheid gemaakt tussen de duivel, verpersoonlijkt door LUCIFER en tussen de satan, verpersoonlijkt door AHRIMAN. Beiden hebben tot doel de mens te misleiden. De rechtlijnige evolutie die van de Christus uitgaat willen ze telkens opnieuw dwarsbomen, doorkruisen. Maar in hun streven naar vertroebelen van de juiste weg zijn ze wel tegengesteld. Lucifer of de duivel stelt zich tot doel de mens van het juiste streven af te houden door zijn blik te verduisteren wanneer deze binnenwaarts gericht is, geconcentreerd op het eigen innerlijk. Lucifer heeft de bedoeling de mens in de geestelijke wereld omhoog te voeren door zelftucht, concentratie en meditatie. Hij wil ons geestelijk begeleiden en omhoog voeren voorbij de sferen van de Engelen, Aartsengelen, Oerkrachten, Krachten, tot in de sferen der Machten of de lagere geestelijke wereld (zie verklarend schema 3). En de verraderlijke misleiding bestaat hierin dat hij in ons de illusie probeert te wekken dat we dan het einddoel hebben bereikt. Hij probeert ons ertoe te verleiden op die hoogte volledige bevrediging te vinden en niet meer hoger te willen streven tot de sferen van het hoger devachan. Hij wil ons de indruk geven op die hoogte zo vrij te zijn als God, terwijl we definitief gevangen zouden blijven van een illusoire wereld.
Ahriman of de satan poogt de mens te misleiden wanneer diens blik gericht is op de uiterlijke, fysieke wereld. Hij probeert de mens wiens blik en aandacht naar buiten gaan, in de illusie gevangen te houden als zou de aarde en de rest van ons planetair stelsel op zichzelf bestaan. Hij wil ons absoluut beletten door te dringen tot de uiteindelijke waarheid, nl. dat de fysieke wereld drijft op de astrale of zielewereld, waaruit ons persoonlijk Ik stamt, en op de geestelijke wereld, waarin ons geestelijk hoger Ik wortelt.
Verklarend schema 1 : de tijdvakken
Verklarend schema 2 : de wezensdelen
Verklarend schema 3 : de hiërarchieën * * * * * * * * *
Luciferisch verleden, ahrimanische toekomst - deel tweeIn ons vorig artikel hebben we een onderscheid gemaakt tussen de twee boze tegenmachten: Lucifer (=de duivel) en Ahriman (=de satan). Beiden streven ernaar de goede scheppingskracht die door Christus wordt vertegenwoordigd, te dwarsbomen. Christus heeft voor het menselijk Ik een rechte evolutieweg uitgestippeld, die aanving in de astrale wereld, geleidelijk afdaalde naar de fysieke wereld, en die nu in onze tijd opnieuw naar omhoog moet, de weg terug naar de geestelijke werelden.
Het bovenstaande kruis heeft natuurlijk meerdere betekenissen. Eén daarvan is de herinnering aan het Mysterie van Golgotha, toen Jezus Christus aan het kruishout werd genageld en stierf. Het kan ook symbool staan voor het menselijk lijden in de wereld: "Ieder huis heeft zijn kruis", maar de geesteswetenschap van Rudolf Steiner geeft er nog een diepere betekenis aan. Aan het kruishout werd het fysieke lichaam van Jezus van Nazareth gehangen. Dit lichaam is de representant van het menselijke persoonlijke Ik (ons huidig, nog sterfelijk dagbewustzijn) in zijn totale evolutie van het oerbegin naar de voltooiing van ons planetair universum. De kruislatten zijn de fysieke uitdrukking van de drie geestelijke bovennatuurlijke machten die deze mensheidsevolutie bewerkstelligen en doorstromen. De verticale balk vertegenwoordigt de Christusweg die de mensheid normaal moet doorlopen. De linkerbalk vertegenwoordigt Lucifer die de rechtlijnige evolutie zoals Christus die gewild heeft, doorkruist. De rechterbalk staat voor Ahriman als tweede tegenmacht die eveneens het rechtlijnig verloop belemmert. Dit kruiselings doorheen en over elkaar lopen van de kwade tegenmachten brengt leed en verderf over de mensheid. En dit is door de Triniteit zo gewild. Het is haar bedoeling dat de evoluerende mensheid eerst onnoemelijk veel leed leert verdragen en zich zo door bovenmenselijke inzet leert te louteren, om zo haar uiteindelijke levensdoel te bereiken. Ons huidig menselijk en sterfelijk Ik krijgt de gelegenheid zich op de rechte weg van Christus te metamorfoseren tot een geestelijk en onsterfelijk Ik. Maar deze evolutie wordt bemoeilijkt, vertraagd en voor velen zelfs belemmerd door de luciferische en ahrimanische heirscharen, een leger van boosaardige, misleidende wezens. De moeilijke levensomstandigheden moeten ons geestelijk Ik weerbaarheid, taaiheid en degelijkheid verlenen, vooraleer we kunnen toegevoegd worden aan de negen hiërarchieën van geestelijke wezens die boven ons tronen. Pas daardoor zullen we ooit de vereiste waardigheid verwerven om als tiende hiërarchie medescheppers te worden van nieuwe werelden. Dan zullen we het genoegen smaken onder een nieuwe naam te mogen schitteren als de "Geesten van de Vrijheid en de Liefde" ! Nu vestigen we onze aandacht terug op het kruis waarvan de balken genummerd zijn van 1 tot 3. Elk cijfer staat voor een incarnatie (letterlijk= vleeswording). Lucifer, Christus en Ahriman zijn vertegenwoordigen de drie belangrijkste geestesstromingen die ononderbroken doorheen de mensheidsevolutie vloeien om bij te dragen tot de vorming van ons persoonlijk Ik, ten goede of ten kwade. Lucifer incarneerde zich als eerste, in China, in het derde millenium v.C. Deze belangrijke gebeurtenis geschiedde in het grootste geheim en was zelfs voor de terugschouwende helderziende blik van Rudolf Steiner moeilijk te achterhalen. De naam van die persoonlijkheid heeft Steiner niet genoemd. Wel zegt hij ervan dat hij aan de mensheid een oerwijsheid schonk die "buitengewoon stralend en uitermate ingrijpend was". Deze wijsheid drong diep door in de werkelijkheid, was koud, zonder gevoelswarmte en hield verband met ideeën. Het was een lichtende wijsheid die zich verbreidde over heel Azië, en daarna grote invloed had op de Babylonische en Egyptische cultuur, om tenslotte uit te monden in de Griekse cultuur. Als tweede incarneerde Christus in Jezus van Nazareth, meer dan tweeduizend jaar ná Lucifer. De derde belangrijke incarnatie moet nog geschieden, in de nabije toekomst. Dat zal de menswording van Ahriman zijn in onze Westerse cultuur. In welk volk en op welke plaats hij zal geboren worden, werd niet nader bepaald. Ahriman zou op aarde komen in het begin van het derde millenium n.C. Zijn komst zou evenwel iets kunnen worden vervroegd indien hij meent dat de levensomstandigheden op aarde voor hem gunstig zijn om het verhoopte succes te behalen. De oerwijsheid die Lucifer aan de mensheid schonk is omstreeks 1450 uitgedoofd. Sedertdien is het materialisme sterk komen opzetten, en dat gaat in de toekomst nog toenemen. Het zijn ahrimanische wezens die dit bewerkstelligen om zo de komst van hun heer zorgvuldig voor te bereiden. Wordt door hun toedoen de verwarring en de chaos onder de mensheid groot genoeg, dan zou Ahriman reeds incarneren in 1998. Zo zien we hoe het kruis het symbool is van de drie geestelijke wezens die ononderbroken door de menselijke ziel vloeien om bij te dragen tot de vorming van ons menselijk Ik. Deze verheven geestelijke wezens schrikten er ook niet voor terug zelf achtereenvolgens te incarneren om hun streven op aarde gestalte te geven en zo vruchtbaar mogelijk te maken. Jezus aan het kruis toont publiekelijk dat een menselijke persoonlijkheid erin geslaagd is in zichzelf de Christuskracht zo sterk te maken dat de twee tegenmachten daardoor worden bedwongen en in evenwicht gehouden. Ook wij moeten dit nastreven, het werd ons daarom voorgedaan ... Hoe kunnen we ons een nog concreter beeld opbouwen van de bedreiging die Ahriman voor ons mensen betekent ? Voor een beter begrip omtrent de vorming van onze menselijke persoonlijkheid is het goed nog eens te benadrukken dat de inwerkingen van de luciferische machten niet onverdeeld kwaadaardig waren. Benevens het menselijk verderfelijk egoïsme bezorgden ze toch ons Ik zelfstandigheid en vrijheid. Voorheen behoorden we tot een groepsziel en het was voor de mens onmogelijk om Ik te zeggen. Vanuit ons fysiek of ether- of astraallichaam konden wij niet tot zelfbewustzijn komen, evenmin als de afzonderlijke leeuw bvb. ik tegen zichzelf zou kunnen zeggen. De diersoort "leeuw" heeft wel een Ik maar dit is een groepsziel die niet in een afzonderlijk leeuwenlichaam kan incarneren, ze kan enkel vanuit de zielewereld alle leeuwenlichamen op aarde dirigeren. Dit gold ook voor de mens vóór de zgn. verleiding van Adam en Eva. Pas toen dezen onder invloed van Lucifer tot opstandigheid werden verleid, werden ze uit het paradijs verdreven, zo verhaalt ons de legende. Toen de mens tijdens het Lemurisch tijdvak buiten de groepsziel kwam te staan, zag hij dat hij naakt was: van soortmens was hij individuele mens geworden. Geleidelijk daalde hij af in de materie, steeds verder weg van de geestelijke wereld, tot hij er tenslotte alle contact mee verloor, een proces dat duizenden jaren duurde. Sedert 1450 is het laatste helderziend contact met de geestelijke wereld praktisch volledig verdwenen. En dat maakte de opkomst van het materialisme mogelijk ... We weten reeds dat dit materialisme het bouwwerk is van de ahrimanische krachten, die daarin de menselijke persoonlijkheid gevangen willen houden. Het zielewezen van de huidige mens bestaat uit de gewaarwordingsziel, de verstands- en gemoedsziel en de bewustzijnsziel. Deze laatste is het edelste en meest naar de geest neigende lid. Het is met de bewustzijnsziel dat de mens van onze tijd zich hoogdringend moet losmaken uit de knellende wurggreep van de materie waarin Ahriman hem wil vasthouden. Het onderste deel van de bewustzijnsziel neigt naar het stoffelijke, het bovenste naar het geestelijke en het is dit deel dat zich moet kunnen vergeestelijken. Zo moet de bewustzijnsziel zich door het bestuderen van de geesteswetenschap van Rudolf Steiner, of door ander geestelijk onderricht, ontvankelijk openstellen voor de geestelijke werelden. Dan kunnen die zich individualiseren in de mens. Ons aldus verrijkt persoonlijk Ik zou de kracht verwerven zijn andere wezensdelen om te vormen tot een nieuw onsterfelijk geesteswezen. Het zou dan bestaan uit Manas of geestzelf (= ons omgewerkt astraal lichaam), uit Buddhi of levensgeest (= ons vergeestelijkt etherlichaam), en uit Atman of geestmens (= ons vernieuwd, onsterfelijke "fysieke" lichaam). Ahriman is veruit de meest te duchten tegenmacht voor onze hierboven beschreven vergeestelijking. Hij stelt zich tot doel om de ontwikkelingsweg van ons ziele-Ik dat uit de astrale hoogten is afgedaald tot in het grof-stoffelijke van het fysieke bestaan, verder en onomkeerbaar in neergaande lijn te doen verlopen. De uiterste grens is reeds bereikt. Sommigen zijn misschien zelfs al te ver in het materiële verstrikt om de weg omhoog, naar de geesteshoogten, nog te kunnen vinden. Als Ahriman erin slaagt de mensheid in het stoffelijke gekluisterd te houden dan kan ons Ik niet vergeestelijken. Er zou een verharding optreden, een vergroven van ons zielewezen, een geleidelijke verdierlijking. Ons duur-verworven Ik zou zijn bewustzijn zien uitdoven, zijn zelfstandigheid verspelen om uiteindelijk zijn Zelf te verliezen en terug op te gaan in de groepszielen waaruit het ooit werd geboren.
* * * * * * * * * * * Antroposofie is een gevaarlijke zaak
Eén van de vele personen die Rudolf Steiner van dichtbij gekend hebben was Adelheid Petersen. In 1914 en 1915 bevond zij zich in Dornach. Uit die tijd herinnert zij zich de volgende gebeurtenis:
Terwijl hij sprak schreef hij zijn notities aan de rand en op de lege ruimte van de brief.
Rudolf Steiner had het bij het rechte eind in het geval van deze droom.
Met zware nadruk:
Terug naar de anecdotes.
* * * * * * * * * * * Antroposofie voor beginners
Antroposofie gaat ervan uit dat achter de werkelijkheid zoals ze zich aan onze zintuigen voordoet een geestelijke wereld ten grondslag ligt. De meeste mensen kunnen deze wereld niet waarnemen omdat ze de waarnemingsorganen die daarvoor nodig zijn nog niet ontwikkeld hebben. Daarom ontkennen de meesten ook het bestaan van deze wereld.
Lang geleden (!) nam de mens de hogere wezens waar die in onze wereld werkzaam zijn. Hij handelde dan ook vanzelfsprekend in overeenstemming met hetgeen deze wezens hem a.h.w. influisterden. Een beetje op de manier zoals dieren nu allerlei dingen doen zonder dat ze weten waarom, zonder dat daar een vrije wil in meespeelt (nesten bouwen, voedsel verzamelen, jongen kweken). 1) Abraham-tijdvak: de mens heeft geen directe kennis meer van de hogere werelden, maar er groeit een godsbewustzijn dat meer en meer naar een Ik-bewustzijn evolueert. De mens stelt zich God voor als verwant met een Ik-bewustzijn. 2) Mozes-tijdvak: God wordt niet meer beleefd als een wereld-Ik dat het leven van de mens, van het volk leidt, maar als een god die in de elementen werkzaam is ( brandende doornstruik, bliksem, donder). 3) Tijdvak van Salomon: God (Jahwe) begint een menselijke gedaante aan te nemen.
De profeten moet men zich voorstellen als individuen die voorop liepen op de algemene ontwikkeling van de mensheid. Zo konden zij reeds wijzen op het licht dat de mensheid zou beschijnen in het midden van de donkere tunnel die het Kali Yuga voorstelt. Het Kali Yuga duurde 5000 jaar, tot ongeveer 1899. Nu krijgen we een heropleving van het Abraham-tijdvak. Toentertijd hebben we daarmee een godsbewustzijn verworven, dat echter nauw aan de fysieke, zintuiglijke wereld verbonden was. Nu komt het erop aan om terug te keren tot het niveau van de natuurlijke helderziendheid zoals dat bestond vóór de tijd van Abraham, maar deze keer in 't bezit van een Ik-bewustzijn.
Zoals men uit de schets kan opmaken bevinden we ons nu aan het laatste deel van de tunnel. In de volgende 2500 jaar gaan steeds meer mensen meemaken wat Paulus in Damascus meemaakte: ze zullen Christus zien, niet in de fysieke wereld zoals 2000 jaar geleden, maar wel in de etherische wereld. * * * * * * * * * * * Scheppende berusting
Weleda is de naam van een bedrijf dat geneesmiddelen vervaardigt op basis van de antroposofische geneeskunde. In 1984 gaf dit bedrijf een brochure uit, de Weleda Almanach, met bijdragen van verschillende dokters. In het hoofdstuk over ouderdom staat er een artikel van Dr. Horst Lindenberg over "scheppende berusting".
Wie in de vorige afleveringen van De Brug gelezen heeft wat FD over ouderdom wist te vertellen, en zich misschien opgemonterd voelde door het vruchtbare perspectief dat daar aan bod kwam, zal zeker ook met interesse dit artikel van Horst Lindenberg lezen.
"Er zijn mensen die zich erop verheugen om oud te worden, om eindelijk wat afstand van het leven te kunnen nemen, en dan de vele ervaringen en inzichten, die in de levensstrijd rijp zijn geworden, willen inzamelen. Voor hen zijn de crisismomenten in het leven bij het ouderworden tot een gevecht met de engel geworden, tot wie ze zoals Jacob zeggen:"Ik laat u niet gaan, tenzij ge me zegent!" * Tot dezen behoort Goethe, die in zijn oude dag kon zeggen:" Er blijft mij genoeg! Er blijft idee en liefde." Al wie door het leven tot daar gebracht is, die heeft uit zijn levenscrisissen ontwikkelingsstapppen naar het ware mens-zijn gemaakt; de beperkingen heeft hij tot treden gemaakt, langs waar hij zijn doel nastreeft. Vele tijdgenoten echter, hebben angst voor het oud worden, beginnen te panikeren, wanneer ze plotseling merken dat hun jeugd voorbij is, dat ze langzaam maar zeker ouder worden. Alle tekenen van lichamelijk en geestelijk verval worden als drukkend ervaren: of het nu het gemakkelijker ziek worden is, het onelastisch-worden van het lichaam, de ledematen, de behoefte aan slaap of de kwellende slapeloosheid, het verminderen van de opmerkzaamheid, en de vergeetachtigheid. De jongeren laten hen achter, bouwen hun eigen wereld; vrienden van dezelfde leeftijd, tijdgenoten, beginnen, de een na de ander af te sterven. Dingen waarvan men vroeger dacht dat men nog tijd had om ze te leren, het idee dat men zichzelf nog zou kunnen veranderen, opeens is het voorbij, zo veel is zelfs voorgoed voorbij. Moet men berusten, moet men de jeugd proberen vast te houden, de eigen jeugd of de andere die van ons wegloopt ? De oude G.B. Shaw, Engels toneelschrijver en essayist, zei op zijn grimmig-grappige manier: "Jeugd is zo iets prachtigs, het is te gek om het door jonge mensen te laten verkwisten." Levenscrises als ontwikkelingsstappen Bij de crises die men reeds doorgemaakt heeft, komen door het ouder worden en de negatieve houding daartegenover, nog eens andere, nieuwe, die ook moeten overwonnen worden: bvb. als men merkt hoe eenzaam men eigenlijk is. In plaats van de bonte afwisseling is er de monotonie gekomen. Menigeen zoekt dan nog aansluiting aan het "Leven" door geforceerd te willen meedoen en een jong-geschminkt levensmasker op te zetten. Hopelijk ziet hij vroeg of laat in hoe belachelijk hij zich daarbij maakt, niet zozeer tegenover anderen, dan wel tegenover zijn eigen hogere wezen. Is er niet iemand in ons binnenste die zwijgend meeleeft en begrijpend in 't oog houdt - we kunnen hem met de dichter Morgenstern " Gij Wijsheid van mijn hoger Ik" noemen - en waar we minstens eenmaal per 24 uur vóór staan ? Namelijk als we slapen, wanneer onze geest/ziel op een ander bewustzijnsvlak vertoeft, en het fysiek-levendige buiten onze waarneming valt en als een plant de nacht doorbrengt. En ontmoeten we daar ook niet onze engel, die het onvergankelijke in ons, dat wat we eigenlijk zijn, wil behoeden ? Hij toont ons ons oerbeeld en hoe ver we er overdag van afgeweken zijn. Maar wat moet hij die niets weet van engel en oerbeeld ? Opnieuw antwoordt Christian Morgenstern:
"Wie van het doel niets weet, Vele moeilijkheden van het oud worden liggen blijkbaar daarin dat er geen inzicht is en geen innerlijk branden om tot het goddelijk-ware te komen. Maar vandaag de dag zijn er genoeg mogelijkheden om zich een waar beeld van de mens te vormen, waarin het ouder worden een zinvolle plaats heeft. De mens die oud en rijp geworden is, beleeft ook dan dat hij tot een grotere wijsheid kan komen door op de juiste manier oud te zijn. Eén van die mogelijkheden is het bestuderen van de geesteswetenschap van Rudolf Steiner. Bij zulke pogingen om tot inzicht te komen zal men waarschijnlijk ook enkele bittere zaken moeten aannemen, bvb. het kunnen loslaten. Hoeveel zou men niet nog graag behouden; men kan er zich, net zoals van het willen jong zijn, niet van losmaken. Maar een onzichtbaar woord staat vanaf nu boven iedere nieuwe dag: verzaking. Op 't eerste zicht kan dit pessimistisch klinken, maar dat is het niet. Er is een scheppend element in verzaking. Rudolf Steiner haalt in zijn "Wetenschap van de geheimen der ziel" eens de uitdrukking van Nietzsche aan : scheppende berusting. Berusting in deze betekenis betekent: de eigen grenzen, die ons voor dit leven gegeven zijn, altijd duidelijker leren kennen; betekent ook: inzien wat men voor dit leven meegekregen heeft, met welke "talenten men gewoekerd" heeft, waar men is blijven steken, wat niet gelukt is, wat men verkeken, verzuimd heeft, waar men schuldig is gebleven. Kortom, men moet daar een soms zwaar stuk zelfkennis opbrengen en het lot bekijken zonder zich aan kinderachtige wensen over te geven om de raadselen van het eigen bestaan langzamerhand te leren ontcijferen - "zo moet ge zijn, ge kunt niet van uzelf weglopen". En zodoende leert men "het voorgevormde model, dat zich levend ontwikkelt" intiemer kennen. Dit dus hoort bij de scheppende berusting, waarbij men dan de trekken van dit voorgevormde model, dat men zelf is, verder en definitiever kan afwerken, zoals de beeldhouwer dit met beitel en hamer bij de halfafgewerkte steen doet. Het aanvaarden van het oud worden bestaat er ook in, toe te stemmen in de eenzaamheid die altijd groter wordt rondom ons en in ons. Ook hier moet men niet in negatieve zin daarover zuchten of verbitterd verstarren, maar proberen aan te voelen hoe hier trossen gekapt worden opdat ginds een band naar het eigenlijke, hogere kan ontstaan. En verder: kan de eenzame mens zich nog langer eenzaam voelen als hij op deze manier gewaarwordt hoe mensen die hem lief waren en die hem voorgegaan zijn, 's nachts of op beslissende momenten dicht bij hem zijn ? Kan hij zich niet hier reeds opgenomen voelen door een kring van daarginds levenden: afgestorvenen, ongeborenen en engelen ? En is dat gindse zó ver weg? Bespeurt men het niet heel dicht, gans in onze nabijheid ? Dat zijn vragen waarmee de ouderwordende zou moeten omgaan voorzover hij dit al niet vroeger gedaan heeft. Dan begint hij het licht te zien dat in zijn eenzaamheid schijnt, hij voelt de wezens die troosten en bemoedigen, helpen en beschermen. Wat daar allemaal aan te voelen en in te zien is, dat is iets dat de materialistische wereldbeschouwing niet kan geven, zij houdt de mens eng en begrensd gekluisterd aan het zintuiglijk-fysieke, tegen alle ouderdomservaring in, terwijl juist in de oude dag het verlangen naar het boven-zintuiglijke toeneemt. Bij dit scheppende verzaken, bij deze lichtgeworden eenzaamheid komt nog als derde punt: dat men inziet dat men innerlijk weggevoerd wordt uit hetgeen men eens thuis noemde. Letterlijk: wie leeft er vandaag de dag nog in zijn thuisstreek, op de plek waar hij geboren is ? Heeft het lot niet sowieso reeds de meeste mensen eruit weggeleid ? Alsof het wou zeggen: "Laat los ! Dat wat ge thuis noemt is toch niet het werkelijke, het blijvende !" Hoeveel is er ons ondertussen niet afgenomen van wat wij in onze jeugd hadden, hoeveel hebben wij niet reeds achtergelaten, vrijwillig of gedwongen ? Onthechting van onze geboortestreek in deze zin is noodzakelijk voor een volle arbeids- en levensrijpheid. Wie met deze "door God gewilde onthechting" geen innerlijke waarde meer verbindt, die komt in een vacuüm terecht. Hij verliest iets zonder iets te winnen. De kunst van het verouderen moet geleerd worden, om de levenscrises door te komen die onontkoombaar zijn, en waartegenover men in de ouderdom weerlozer staat nu de illusies en de bloemendromen van de jeugd voorbij zijn. Daarom is die scheppende berusting nodig, die van boven vervulde eenzaamheid en dat vinden van het ware thuisland. Uit inzicht, eenzaamheid, verzaking en scheppende verwerking van het leed ontstaat een diepere kennis, dankbaarheid tegenover het lot en grotere liefde tot God en de mensen. Zo leert de ouderdom om de levenscrises die in deze periode ontstaan met wijsheid tegemoet te treden: getroffen-zijn verandert in ervaring, pijn in wijsheid, verzaking in dankbare liefde, die open staat voor de wereld. In de oude dag leert men over het leven te beschikken, het te handhaven en men is jong op een volledig nieuwe manier. Ja, men is waarachtig jonger dan menig jongeling. [...] Eigenlijk wordt slechts het lichaam oud, de ziel wordt jonger. En het sterven, oud en wijs, is dan, wanneer de ziel altijd jonger is geworden, een geboren worden in een hogere wereld die men betreedt net zoals men als klein kind, als zuigeling bij het begin van zijn leven hier op aarde opduikt. Hier beëindigt een oude mens na vele levenscrises zijn weg op aarde, om heel jong daarginds een nieuwe weg te beginnen. Het begin daar hangt samen met het rijpen hier. Ik ontwaak ginder met nieuwe, jonge krachten voorzover ik hier de levenscrises van de oude dag tot ontwikkelingsstappen kon maken. * Zie hiervoor: Genesis 32-22. Jacob, de zoon van Isaak en Rebecca, vreesde de wraak van Esau, die hij zijn eerstgeboorterecht en de vaderlijke zegen ontfutseld had. Hij vluchtte naar zijn oom Laban en werkte daar zeven jaar voor de hand van diens jongste dochter Rachel. Maar dan moest hij met de oudste trouwen, Lea, en nog eens zeven jaar daarvoor werken. Daarna hield Laban hem nog zes jaar in dienst. Uiteindelijk vluchtte Jacob met zijn vrouwen, kinderen, knechten en kudden. Maar na twintig jaar moest hij zich nog altijd verzoenen met zijn broer Esau. Het gevecht met de engel vond plaats op de vooravond van de ontmoeting met Esau, een crisismoment (één van de vele) in Jacobs leven. * * * * * * * * * * * De engel in het leven van de mensHet is nog niet zo lang geleden dat in onze streken het begrip "engelbewaarder" een volkomen vanzelfsprekend gegeven was. Het werd de kinderen bijgebracht door volwassenen die daar zelf in geloofden. Intussen is ieder gevoel voor een geestelijke grondslag van de wereld zo verkommerd dat engelen samen met de kabouters afgedaan worden als voortbrengselen van een achterlijke volksfantasie.
Dat het bestaan van deze wezens een verklaring zou kunnen zijn voor sommige gebeurtenissen in het persoonlijk leven, wordt beschouwd als een bijgeloof, de moderne mens onwaardig. [...] "Aanvankelijk begon ik te spelen omdat ik mijn bijdragegeld hoopte te betalen met de winst: dit lukte, en toen begeesterde mij het vooruitzicht alle schulden die ik tot nu toe gemaakt had, op dezelfde manier door speelwinst te kunnen afbetalen. Juist zoals ik gehoopt had heel vlug te leren componeren dankzij Logiers methode en dit door onvoorziene moeilijkheden veel langer bleek te duren, net zo verging het mij met het plan mijn financiële toestand eens vlug in orde te brengen: het winnen ging niet al te snel en drie maand lang was ik zo bezeten door de speelzucht, dat daardoor alle andere passies hun macht over mij verloren. Noch op de worstelvloer, noch in 't café, nach op de duelleerplaats was ik nog te zien. Overdag bedacht ik in mijn beklagenswaardige toestand alle mogelijke manieren om aan het geld te geraken dat ik in de loop van de avond en de nacht verspeelde. Tevergeefs probeerde mijn moeder - die geen idee had van mijn onwaardige ontsporingen- met alle zwakke middelen die zij had, mij van mijn nachtelijk uitzitten te weerhouden : wanneer ik 's namiddags het huis verlaten had, kwam ik nooit weer thuis tenzij bij het krieken van de volgende dag; ik moest dan nog over de poort klimmen waarvan ik geen sleutel kreeg, om tot in mijn kamer te geraken. De vertwijfeling over het ongeluk in het spel dreef de speelzucht tot waanzin: ik werd ongevoelig voor alles wat mij vroeger zo aantrekkelijk scheen aan het studentenleven, toonde een zinloze onverschilligheid tegenover mijn vroegere kameraden, verdween uit hun leven en begaf mij in de enge speelholen van Leipzig in gezelschap van de meest uitgelezen liederlijke studenten. Ik verdroeg met totale stompzin zelfs de verachting van mijn zuster Rosalie, die samen met mijn moeder de onbegrijpelijke jonge woesteling, die bleek en ontstemd zich zelden vertoonde, nauwelijks een blik waardig keurde. In mijn groeiende vertwijfeling greep ik eindelijk naar het middel om, door een koene behandeling van het geluk dat mij zo vijandig gezind was, een verbetering te forceren. Ik was de mening toegedaan dat ik slechts winst kon maken door grotere sommen in te zetten, en een relatief grote som geld die mij toevetrouwd was -het pensioen van mijn moeder dat ik moest afhalen- gebruikte ik voor dit doel. In die bewuste nacht verloor ik alles op een enkele daalder na: de opwinding die zich van mij meester maakte toen ik ook die op één kaart zette, was in mijn jonge leven, nadat ik al zoveel meegemaakt had, toch volledig nieuw: zonder dat ik ook maar iets gegeten had, moest ik mij verschillende keren van de speeltafel verwijderen om over te geven. Met deze laatste daalder speelde ik mijn leven uit, want van een terugkeer naar mijn familie kon geen sprake zijn. Ik zag mijzelf reeds in de morgenschemering als een verloren zoon over de velden en door de bossen dwalen op weg naar nergens. Deze vertwijfelde stemming bleef duren met zo'n energie dat ik, toen mijn kaart won, de opbrengst opnieuw volledig inzette, en dit deed ik enkele keren na elkaar tot werkelijk de winst enigszins aanzienlijk geworden was. Nu won ik voortdurend. Ik kreeg zo'n vertrouwen dat ik de stoutmoedigste zetten deed: want opeens werd het mij klaar dat ik vandaag voor de laatste maal speelde. Mijn geluk was zo opvallend dat de bankhouder besloot om te sluiten. En werkelijk had ik in die nacht niet alleen alles teruggewonnen wat ik tot dan toe verloren was, maar daarbij nog het bedrag van al mijn overige schulden. De warmte die ik tijdens gans dit gebeuren in mij voelde opwellen had iets gewijd. Naarmate mijn geluk toenam voelde ik duidelijk alsof God of zijn engel naast mij stond en mij zijn waarschuwing en troost toefluisterde. Nog eenmaal moest ik in de vroege morgen over de poort tot in mijn woning geraken. Daar viel ik in een diepe en krachtige slaap, waaruit ik laat, gesterkt, als herboren ontwaakte. Geen schaamgevoel weerhield mij ervan om mijn moeder, die ik haar geld teruggaf, te vertellen over deze beslissende nacht en haar mijn misbruik van haar geld op te biechten. Zij vouwde de handen en dankte God voor de genade die hij mij bewezen had, verzekerde mij dat ze mij voor gered hield en dat ik in de toekomst onmogelijk nog in dezelfde ondeugden zou kunnen vervallen. En werkelijk had ook hiermee iedere verlokking voor altijd haar macht over mij verloren. Dezelfde wereld waarin ik mij zo tomeloos begeven had, scheen mij opeens het alleronbegrijpelijkste en onaantrekkelijkste te zijn: de speelzucht had mij reeds tegenover alle andere studentenbeuzelarijen volkomen onverschillig gemaakt; nu ik ook bevrijd was van deze passie stond ik opeens tegenover een volledig nieuwe wereld. Tot deze wereld ging ik behoren door een ijver voor muziekstudie die mij tot nu toe onbekend was en die een nieuwe fase in mijn leven inleidde: die van de waarachtige ernst voor de studie." [...]
* * * * * * * * * * * EnthousiasmeDe synoniemen van het woord "enthousiasme" duiden allemaal op iets dat boven het lichamelijke, fysieke ligt: geestdrift, bezieling, verrukking (uit het fysieke ontrukt, in hogere sferen). Wij zijn ons daar meestal niet bewust van, omdat in onze tijd de tendens bestaat de taal oppervlakkig, en woorden alleen met een standaard-inhoud te gebruiken. Dat er een verband is tussen enthousiasme en de goddelijke wereld wisten de Grieken maar al te goed: enthousiasmos stamt van het woord en-theos: vervuld van, bezield door een god. Als we ons dit verband voor ogen houden dan zal het ons niet verbazen dat het enthousiasme in ons karma een grote rol speelt. Aldus Rudolf Steiner: Dan kan de ziener schouwen hoe op een bepaalde manier de mensenziel tussen dood en nieuwe geboorte dienaar wordt van de geestelijke wezens van de hogere hiërarchieën die de heilfactoren, gezondheidsfactoren, groeifactoren uit de bovenzinnelijke in de fysieke wereld laten vloeien. We zien daar menige ziel een bepaalde tijd van haar verblijf tussen dood en nieuwe geboorte wijden aan de arbeid in dienst van de zojuist beschreven wezens der hogere hiërarchieën. Zulke mensenzielen beleven het als een zaligheid om dienaar te mogen zijn van die wezens.
Dat deze zielen dat mogen doen voor een bepaalde periode na hun dood, zo dienaar zijn van de wezens der hogere hiërarchieën die in goede, in de beste zin het mensenleven doen gedijen en bevorderen, dat hangt ervan af -dat kan men constateren als men deze zielen in hun vorig aardeleven volgt- of zo een mensenziel tijdens zijn fysieke incarnatie een aantal zaken op een bepaalde manier verricht heeft.
De mens kan hier in de fysieke wereld dat wat hij te doen heeft uitvoeren op zo'n manier dat hij bij iedere gelegenheid knort, dat het hem tegensteekt wat hij doet, maar dat hij toch, als onder een juk, zijn plicht vervult. We zien dikwijls uitermate gewetensvolle mensen, maar we zien ze dikwijls hun arbeid volbrengen zonder toewijding, zonder enthousiasme, zonder liefde tot de zaak.
Dit moet men bedenken, en men moet ook bedenken hoe belangrijk het is voor de ganse samenhang van het menselijk bestaan dat zij die hier inzicht in hebben alles doen wat in hun macht ligt, speciaal in onze huidige, sociaal zo moeilijke tijd, om de mensen die dikwijls gebukt gaan onder de last en het juk van een leven dat hoegenaamd niet tot enthousiasme en offervaardigheid leidt, maar een leven dat met veel moeite en tegenzin wordt volbracht- welnu de mensen die dit kunnen overzien zouden zich diep verplicht moeten voelen om zich met een sociaal werk bezig te houden dat precies diegenen die sociaal gezien a.h.w. in het duister blijven, die afgestompt blijven, dat zo'n mensen tenminste voor enkele ogenblikken de mogelijkheid gegeven wordt iets te voelen en te denken dat kan enthousiast maken, al zijn het maar gedachtengangen die met enthousiasme kunnen uitgevoerd worden. Alleen al daarom moet ons het idee verheugen dat de antroposofische beweging zich uitbreidt, dat ze een sociale activiteit ontwikkelt, hier en daar zgz. de mensen van straat roept die anders dof zouden verder leven, die niet weten dat er een denken en voelen bestaat dat het hart verheft, dat de gevoelens met enthousiasme warm maakt.
Tot zo'n enthousiasme zouden de mensen moeten opgevoed worden.
In deze richting zal onze arbeid altijd meer werkzaam zijn want precies de samenhang tussen dit aardeleven en het verblijf tussen dood en nieuwe geboorte toont ons iets heel bijzonders voor deze gedachte. Alles wat we hier op aarde mogen doen met toewijding, met liefde tot het werk, zodat we er volledig bij zijn, dat we ons bewust zijn: dit is menswaardig, wat ik doe is een mensenopdracht, - dat alles maakt ons na onze dood tot dienende geesten van de wezens der hogere hiërarchieën die de gezondmakende, groeibevorderende krachten vanuit de bovenzinnelijke wereld in de zintuiglijke wereld zenden.
We zien hoe betekenisvol het is dat er enthousiasme heerst in het menselijk handelen hier op aarde; want zou het enthousiasme in de fysieke wereld afsterven, dan stierf ook de liefde in de fysieke wereld, dan zouden in de toekomst de mensen een aardebestaan beginnen dat in fysiek opzicht weinig gezondmakende krachten -die groeien en bloeien mogelijk maken- uit de bovenzinnelijke wereld ontvangen.
Zo'n samenhang tussen bovenzinnelijke en zintuiglijke wereld bekijken de zielen niet die zich vandaag uit vrees van de geestelijke wereld afkeren. Maar deze samenhang tussen morele en fysieke wereldorde bestaat."[...]
* * * * * * * * * * *
|