Inhoudstafel van Brug 69 (september 2010)Christian Lazarides in Namen – vervolg Willem Zeylmans van Emmichhoven Een bewezen geval van reïncarnatie
* * * * * * * * * * * * * * *
Beste Lezer,
Na het verschijnen van de vorige Brug kregen we enkele reacties van lezers, interessant genoeg om er even op in te gaan.
Een andere lezer vond dat het Eliant-logo te negatief beoordeeld werd : het Europese logo wordt daar immers ingesloten, omsingeld a.h.w. door ‘Aktion Eliant’. Men zou deze opstelling kunnen beschouwen als het symbool om Europa binnen de perken van de Aktie Eliant te houden …
4) Onbevangenheid. Onze maatschappij neigt al te zeer naar (ver)oordelen, naar kritiek. Zelfs onze kinderen worden in die zin opgevoed. In de plaats van kritiek zou meer aandacht moeten besteed worden aan eerbied, devotie. Er zijn kinderen die met een heilige schroom opkijken naar door hen vereerde personen; het is een weldaad voor kinderen die zulke gevoelens hebben, want die gevoelens leiden later tot eerbied voor waarheid en inzicht. De leerling moet verdraagzaamheid tegenover alle wezens betonen en alle overbodige kritiek proberen te vermijden. Aan de mening, aan de gevoelens, zelfs aan de vooroordelen van de andere moet hij meer aandacht schenken dan aan de eigen mening, en uit hoofde hiervan moet hij de andere tegemoet treden met de gedachte: "Waar het om gaat is niet dat mijn mening de juiste is, maar dat de ander in zichzelf het juiste vindt wanneer ik daartoe iets kan bijdragen". Een dergelijke denkwijze verjaagt de hardheid en maakt plaats voor mildheid. Mildheid is één van de belangrijkste voorwaarden om voorwaarts te komen op het pad der innerlijke scholing. Waarop de leerling eveneens acht moet slaan, is het aankweken van een gevoel van DANKBAARHEID. Hoeveel hebben wij niet aan alles te danken om ons leven in stand te kunnen houden ? Wie niet tot een gevoel van dankbaarheid in staat is, kan ook niet de alzijdige liefde opbrengen die noodzakelijk is voor het verwerven van hogere kennis.
We zouden deze passage in feite twee of driemaal moeten afdrukken om het goed te laten doordringen !
Het moet onze richtlijn zijn wanneer we willen uitmaken wat er in de wereld gegeven is en wat er op kortere of langere termijn voor verandering vatbaar is, en tot waar we met onze kritiek op de huidige situatie kunnen gaan. Wanneer we de wereld opvatten als een schouwtoneel, dan kunnen we rustig stellen dat het decor op dit ogenblik Ahrimanisch is. Maar dat belet ons niet om onze eigen rol te spelen. Ook met deze achtergrond kunnen we werken aan onze zelfverbetering, aan onze ontwikkelingsweg, het is niet nodig om iedereen te proberen te mobiliseren om tegen het decor te strijden. Het is nu eenmaal het enig mogelijke decor in deze tijd en het is er niet voor niets opgebouwd. Of wie weet moeten we niet wat radicaler een raad opvolgen die Rudolf Steiner gaf aan redacteuren en journalisten. Herbert Hahn vertelt in zijn boekje “Begegnungen mit Rudolf Steiner” (op blz. 58) :
“Het is overduidelijk dat er veel van onvervangbare waarde voor de wereld en de mensheid zou verloren gaan indien het gebed niet in ere zou worden gehouden. Vandaar dat Rudolf Steiner met de grootste eerbied sprak over wat in de loop van de aardeontwikkeling door het gebed bewerkstelligd werd. Daarom gaf hij het gebed zo’n grote plaats in de religieuze opvoeding van het kind en in het religieuze leven überhaupt. Ja, hij zag in het gebed een bron van moreel-vruchtbare krachten zonder dewelke er veel moet verdorren.
François De Wit * * * * * * * * * * * * * * *
Willem Zeylmans van EmmichhovenIn het tijdschrift “Der Europäer” van september 2009 werd de aandacht gevestigd op een nieuw boek van Peter Selg over Willem Zeylmans van Emmichhoven (23 november 1893 – 18 november 1961).Peter Selg noemt Zeylmans “een toekomstfiguur der antroposofie” en Thomas Meyer formuleerde daaromtrent enkele bedenkingen. We vertaalden een deel van dit artikel. Ter oriëntatie eerst enkele gegevens uit het leven van deze merkwaardige man (te vinden op http://www.antroposofie.nl/antroposofie/biografieen/ms/zeylmans) : Zie ook De Brug 17.
Willem Zeylmans werd in Helmond geboren, een kleine industriestad in Limburg. Zijn vader was chocoladefabrikant, zijn moeder van Duitse afkomst. ![]() Willem Zeylmans, met sigaar, alleen daarom al een man naar ons hart !
In december 1920 reisde hij naar Dornach, zijn jonge bruid studeerde daar euritmie. Samen bezochten ze een voordracht van Rudolf Steiner. Toen de spreker de zaal binnenkwam, gaf dit Zeylmans een duidelijk gevoel van herkenning en riep dit tegelijkertijd innerlijke beelden in hem op die vaag op eerdere situaties duidden. Na de voordracht werd hij aan Rudolf Steiner voorgesteld die tegen hem zei: "Ik had u hier al lang verwacht". Op de opmerking van Zeylmans dat hij pas laat in de middag was aangekomen, antwoordde Steiner met een glimlach: 'dat is helemaal niet wat ik bedoel'. Thomas Meyer :
Willem Zeylmans speelde een centrale rol in de Nederlandse Antroposofische Vereniging die vóór de Kerstbijeenkomst van 1923 opgericht werd. Het was de uitdrukkelijke wens van Rudolf Steiner dat Zeylmans het voorzitterschap zou opnemen. Volgens Steiner was voor die functie iemand nodig die niet alleen spirituele moed, waarachtigheid en een stevige antroposofische basis bezat, maar ook iemand “wiens naam bekend is”. Aan deze voorwaarden voldeed Zeylmans.
Het leugenachtig of het waarachtig vertegenwoordigen van de antroposofie – ook een impuls van de Kerstbijeenkomst
Met Kerstmis 1923 werd de Algemene Antroposofische Vereniging in Dornach opgericht en Willem Zeylmans vertegenwoordigde vanzelfsprekend de Nederlandse antroposofen.
“Nu, daarmee heeft Dr. Zeylmans eens de aandacht gevestigd - voor één gebied- op datgene wat het bestuur in Dornach zich nu voor alle gebieden van het antroposofisch werken tot zijn opdracht zal maken. Men zal bijgevolg in de toekomst weten hoe de dingen staan. Men zal niet zeggen : laat ons daar wat euritmie opvoeren; als de mensen eerst euritmie zien en niets horen van antroposofie, dan bevalt hun de euritmie. Misschien komen ze dan later : omdat de euritmie hun beviel en ze horen dat achter de euritmie de antroposofie staat, dan zal hun de antroposofie ook bevallen. – Of : we moeten de mensen eerst de resultaten van de geneesmiddelen tonen, we moeten hun tonen dat het echte geneesmiddelen zijn; dan zullen ze die kopen. Dan zullen ze later eens horen dat de antroposofie daar achter steekt en dan zullen ze ook tot de antroposofie komen.”
En dan volgen de eigenlijke slotzinnen, met hun volle gewicht, als zwaardhouwen, die een dergelijke benadering volledig afschrijven :
“Wij moeten de moed hebben om een dergelijke benadering leugenachtig te vinden. Pas wanneer we de moed opbrengen om zo’n benadering leugenachtig te vinden, het innerlijk verafschuwen, dan zal antroposofie haar weg door de wereld vinden.”
Wie Zeylmans’ later werk voor de antroposofie – als arts, als schrijver, als spreker – overschouwt, die ziet dat hij zelf altijd zijn best deed om in de zin van deze richtinggevende woorden te handelen.
Antroposofische arbeid in verduisterende tijd
( … )
In het interne crisisjaar 1934, toen het bestuur in Dornach de twee Nederlandse bestuursleden Ita Wegman en Elisabeth Vreede de facto uitsloot, vinden we Zeylmans met zijn vrouw Ingeborg op een zomerbijeenkomst in Westonbirt in Engeland. Deze bijeenkomst was georganiseerd door D.N. Dunlop, de secretaris-generaal die door Steiner geschikt bevonden was om de Vereniging in Groot-Brittannië te leiden. Dunlop stond toen op het hoogtepunt van zijn actief ijveren voor een nieuwe wereldeconomische orde en voor een aangepaste verbreiding van de antroposofische impuls in het Westen. De sporen van zijn arbeid voor een economie van de toekomst, die ook door The Times erkend werd na zijn dood, zijn vandaag nog te vinden. Dunlop wilde met deze zomerbijeenkomst een versterkende en oriënterende terugblik introduceren op “The Work and Teachings of Rudolf Steiner”.
Een jaar later was Zeylmans, samen met Vreede, Wegman, Kolisko, von Grone en enkele anderen, geen lid meer van de Algemene Antroposofische Vereniging. De uitsluitingen betroffen evenwel niet alleen enkele leidende persoonlijkheden zoals dat vandaag meestal geloofd of gesuggereerd wordt. Een paar duizend mensen die lid waren van de Nederlandse en Engelse landelijke verenigingen (een precies aantal werd tot op heden nog nooit bekend gemaakt) werden en bloc niet meer erkend ook al waren ze als lid niet formeel uitgesloten. Ook Dunlop werd uitgesloten, hij stierf enkele weken later totaal onverwacht op 30 mei 1935.
Zeylmans beschouwde de uitsluitingen van april 1935 met een volkomen realistische blik als “een beschavingscatastrofe – als de vernietiging van de spirituele organisatie die geroepen was om de impulsen uit te stralen die de wereld zouden veranderen.” (Selg, blz. 150)
( … ) “Dr. Steiners uitlating (privé) dat het Christusgebeuren van 1935 noodzakelijk was opdat aarde en zon in hun zelfde banen zouden blijven. Indien het niet zou intreden, dan zou door Lucifer en Ahriman verwarring in het kosmische systeem komen. De banen zouden gestoord worden.”
Brengt men deze belangrijke uitspraak in verband met de uitsluitingen in Dornach in 1935 dan wordt duidelijk dat dit absoluut niet alleen maar een interne aangelegenheid was, maar een tragische storingsfactor in de kosmisch-planetaire dimensie van de nieuwe Christus-impuls.
Na de oorlog, de laatste jaren
Na de oorlog werd een Nederlandse Antroposofische Vereniging opgericht met Zeylmans als voorzitter. Alle voorstellen echter om deze Nederlandse vereniging terug op te nemen in de Algemene Vereniging, nadat deze in 1948 de uitsluitingen formeel ongedaan had gemaakt, wees Zeylmans af omdat de volgens hem noodzakelijke veranderingen toch niet tot stand gebracht werden.
Ondanks deze moedige stap en verschillende reizen en activiteiten werd Zeylmans’ laatste levensjaar meer tot een soort groot vraagteken. Er werd weliswaar voorgesteld dat hij in het bestuur van Dornach zou opgenomen worden, en Zeylmans verklaarde zich hiertoe bereid – nadat hij, net zoals in november 1923 grote innerlijke weerstanden had overwonnen.
In het teken van Michaël
Peter Selg benadrukt in het voorwoord van zijn monografie dat hij Zeylmans als “een toekomstfiguur der antroposofie” in de herinnering wil laten leven. En op de achterzijde van het boek staan de woorden die Rudolf Steiner in Den Haag sprak over de noodzaak om de “Antroposofische Vereniging tot een actief, in de wereld werkend wezen te maken.” En tenslotte beschrijft Selg Zeylmans besluit om de Nederlandse vereniging terug aan te sluiten bij de Algemene Vereniging als “een symbolische stap die dit mogelijk kan maken.”
Selgs monografie stelt door de accenten die hij plaatst, een grote en diepgaande vraag die in de eerste plaats aan de leden van de huidige Algemene Antroposofische Vereniging gericht is. Ik zou deze vraag als volgt willen formuleren :
Laat ons in verband met deze vraag eens een blik werpen op een doorslaggevende episode uit het recente verleden van de antroposofische werkzaamheid.
Dit soort machtconformistische vertegenwoordiging of “verdediging” van de antroposofie is sindsdien bij talrijke antroposofen in de mode. Op collectief vlak bekeken komt dit overeen met het moment in het leven van Petrus dat hij de geest van Christus verloochende.
Toevoeging op 16 juni 2011 :
Uit : http://www.antrovista.com/artikelen/de_verdieping/463_110310_heldens_zeylmans_van_emmic_075.pdf
Van Willem Zeylmans zijn de volgende twee eerdere incarnaties bekend geworden:
- Raymundus Lullus of Ramón Llull (Palma de Mallorca 1232 - Noord-Afrika 1315 / 1316), veelzijdig Catalaans priestergeleerde, theoloog en filosoof, die de bijnaam “doctor illuminatus” kreeg. Met 12 medebroeders richtte hij op Mallorca een eigen
academie in. Als missionaris ijverde hij jarenlang onder de Noord-Afrikaanse moslimbevolking voor het christelijk geloof, waarbij hij herhaaldelijk gevangen werd genomen en uiteindelijk gedood.
- Ptolemaeus I of Ptolemaeus Sotus van Egypte (367 - 247 voor Chr.), de oudere halfbroer van Alexander de Grote (356 - 323 voor Chr.) en Alexanders belangrijkste legeraanvoerder. Hij bracht na de dood van Alexander de Egyptische stad Alexandrië tot
bloei o.a. door de Serapis-mysteriën naar deze plaats te halen en ijverde voor de uit-
breiding van de hellenistische cultuur in Egypte en Noord-Afrika.
Primaire bronnen voor deze incarnaties:
- Wat Raymundus Lullus betreft, de voordracht van Rudolf Steiner gehouden op 5 januari 1924 te Dornach. GA 233-a: “Mysterienstätten des Mittelalters. Rosenkreutzertum und modernes Einweihungsprinziep”. Dornach 1991, 5e dr., Rudolf Steiner Verlag. In Nederlandse vertaling verschenen onder de titel: “Middeleeuwse mysteriën, Rozenkruisers en moderne inwijding”. Dit is het eerste deel in de boekuitgave “De opstanding van de geest”. Amsterdam 2008, Uitgeverij Pentagon.
- Voor beide incarnaties zie Frans Lutters: “Daniël van Bemmelen 1899-1982. Opnieuw geboren aan het begin van het Lichte Tijdperk”. Zeist 2005, Vereniging voor Vrije Opvoedkunst. Met name de pagina’s 108-114, 187-191 en 229-235 in dit boek.
* * * * * * * * * * * * * * *
Racisme bestaat nietAltijd weer duiken er mensen op die het als hun levenstaak beschouwen om Rudolf Steiner, de antroposofie, en ondertussen ook dit tijdschrift, te beschuldigen van racisme, antisemitisme, neonazisme. In discussie gaan met deze mensen is totaal zinloos. Gary North ( op http://www.lewrockwell.com/north/north866.html ) beschrijft dit soort critici, waar iedere bekende auteur mee af te rekenen krijgt als : “ jerks, big-mouths, ill-informed blow-hards, and nut cases”, ongeveer iets als “abnormalen, grote bekken, ongeïnformeerde stijfkoppen en regelrechte psychiatrische gevallen”. Vroeger stuurden ze een brief of email naar de schrijver of de uitgever, maar hun psychologisch profiel doet hen nu bloggen en internetforums oprichten.Wat ze allemaal gemeenschappelijk hebben is: 1. Tijd in overvloed 2. Uitgesproken opinies 3. Een overdreven gevoel van eigenwaarde 4. In de belangstelling willen staan 5. Een beperkt publiek, dat voortdurend kleiner wordt. Hun vrienden zijn het beu om naar hen te luisteren. Ze stellen vast dat niemand hen ernstig neemt. Dat doet hen niet nadenken over zichzelf, nee, daardoor kweken ze een rancune tegen al wie hun standpunt niet deelt en naar hen luistert. Zo gaan ze dan op zoek naar andere mensen die aandacht voor hen willen hebben. Ze zitten overal op internetforums en blogs. Als je één keer reageert, ben je gezien, je hebt geen penvriend, maar een penvijand voor de rest van je leven. Dus, in plaats van voor de zoveelste keer met handen en voeten uit te leggen dat bij Rudolf Steiner geen sprake kan zijn van racisme en antisemitisme, laten we nu een schrijver aan het woord met de eenvoudige boodschap dat racisme gewoon niet bestaat. Onderstaand artikel is een licht verkorte vertaling van een tekst van Israel Shamir, te vinden op http://www.israelshamir.net/English/immigration.htm Wie is Israel Shamir? Hij werd geboren in Novosibirsk in Siberië en emigreerde naar Israël in 1969. Hij ging naar het leger als paracommando en vocht mee in de oorlog van 1973. Na de oorlog begon hij te schrijven. In 1975 kwam hij bij de BBC en verhuisde naar Londen. Van 1977 tot 79 leefde hij in Japan . In 1980 keerde hij terug naar Israël, schreef voor het dagblad Haaretz, en was woordvoerder in de Knesset voor de Israëlische Socialistische Partij. Hij vertaalde en commentarieerde verschillende boeken. Maar de droevige geschiedenis van Palestina bleef zijn belangrijkste onderwerp. Zijn inzichten zijn te vinden in The Pine and the Olive (1988 en 2004). In 2004 werd hij christen, hij werd gedoopt door de aartsbisschop van de orthodoxe Kerk van Jeruzalem. Shamir (60) woont in Jaffa en is geregeld in Moskou en Stockholm ; hij is vader van drie zonen.
Een mens heeft geen gevoel van rassuperioriteit nodig om tegen massa-immigratie te zijn.
Zelfs in het verhaal van Winnie the Pooh zien we dat de bosbewoners helemaal niet opgetogen zijn wanneer er een nieuweling in het bos opduikt (Kanga). Op het eind worden ze allemaal vriendjes natuurlijk, maar schrijver Milne zou het moeilijk gehad hebben om er een happy-end van te maken hebben indien de Kanga’s met duizenden het bos hadden overspoeld.
Massa-immigratie is een fenomeen dat ofwel invasie is ofwel slavenhandel. Als de immigranten het goed hebben, dan is het invasie; als ze het slecht hebben, dan is het slavenhandel. Wat het ook is, er is maar een klein deel van de bevolking dat er voordeel bij heeft. Algemeen gezien zijn het de beter gegoeden die voordeel hebben bij de immigratie terwijl de armen er de lasten van dragen. Nochtans zijn het niet alle rijken die profiteren. Zoals in alle bevolkingsgroepen bestaan er ook in hun groep verschillende attitudes t.o.v. de maatschappij waarin ze ingebed zijn. Je kunt ze onderscheiden in Herders en Rovers. De Herders halen de wol van hun kudde, de Rovers nemen de wol, het vel en eventueel ook nog het bloed.
Er is nog iets met immigratie, zoals Robert Putnam ontdekte. Deze onderzoeker staat bekend om zijn pro-immigratie standpunt, maar hij zag zich genoodzaakt om de volgende conclusie onder ogen te zien :
“Diversiteit levert geen ‘slechte rasssenrelaties’ op of groepsvijandigheid gebaseerd op ethniciteit. Ons onderzoek schijnt uit te wijzen dat leden van gediversifieerde gemeenschappen de neiging ontwikkelen om zich terug te trekken uit het gemeenschapsleven en hun buren te wantrouwen, zelfs die met dezelfde huidskleur, zelfs zich van goede vrienden te verwijderen. Ze verwachten het slechtste van hun gemeenschap en van hun leiders, ze doen minder vrijwilligerswerk, geven minder aan liefdadigheid en werken minder voor gemeenschapsprojecten, gaan minder stemmen; ze ageren wel meer voor sociale hervorming maar ze hebben er minder vertrouwen in dat ze er feitelijk iets kunnen aan veranderen, ongelukkig hokken ze samen voor het televisiescherm.
En dat is juist wat de Rovers willen : een gebroken, geatomiseerde, onzekere populatie in een toestand van eeuwige koude (burger)oorlog. Ze hokken ze samen voor het televisiescherm …
Racisme zoals dat in een woordenboek gedefinieerd wordt (een mysterieuze, irrationele haat t.o.v. minderwaardig beschouwde rassen) bestaat gewoonweg niet.
Mensen denken in stereotypen, maar dat is geen slecht ouderwets racisme (= irrationele haat). Stereotypen en vooroordelen zijn een legitiem deel van ons dagelijks leven. Zij maken ons leven eenvoudiger. Als je in een duistere straat loopt in een stadsgetto en je ziet dat een groepje jonge mannen je tegemoet komt met geen enkele vrouw in hun midden, dan zegt je vooroordeel dat het wijselijk is om een omweg te maken. Als een haveloze bedelaar je voorstelt om een gouden uurwerk te kopen, dan zegt je vooroordeel dat daar iets niet klopt. Als een verleidelijke onbekende laat verstaan dat ze met jou naar bed wil, dan zegt je vooroordeel dat het aangewezen is om een condoom te gebruiken of om . . . hard weg te lopen.
stelt zeer correct dat er een stereotyp bestaat van een ‘kwaadaardige samenzwering van joden’ die aanstuurt op oorlogen, evenals een stereotype van ‘joodse mediagiganten’ die de politieke partijen in hun zak hebben en de standpunten bepalen.
Wat ik ooit zag dat het dichtst de definitie van het woordenboek benaderde is het pseudo-racisme in oorlogstijd. En daar is niets mysterieus aan, noch irrationeel. Een mens doodt van nature geen andere mens. Wanneer hij verplicht wordt om dit te doen, dan treedt er een mechanisme in werking dat zijn mentale integriteit beschermt : de reflex om te ontkennen dat zijn vijand ook een mens is. Die moet iets ondermenselijks krijgen. Lees maar eens hoe in de oorlogspropaganda de Duitser zowel door de Russen als door de Engelsen en Amerikanen afgeschilderd werd. Na de oorlog verdwijnt dit soort pseudo-racisme.
Ik voel veel medeleven voor immigranten. Gedurende een periode in mijn leven dreef ik zelf op de golven van massa-immigratie en het was een miserabele tijd. Massa-immigratie is fout, het is iets dat te allen tijde moet vermeden worden. Het is beter om in je eigen land te blijven, met je eigen vrienden en je eigen taal. Als je echt ergens anders moet gaan, ga dan naar een plek waar vreemdelingen een zeldzaamheid zijn.
Daarmee mogen we de mythe van het racisme gerust ten grave dragen. Oppositie t.o.v. immigratie is geen gevolg van ‘geloof in rassuperioriteit’ of ‘rassenhaat’. Het is een perfect normale verdedigingsreactie van de werkende klasse (en van de leden van hogere klassen die met hen meevoelen).
Antiracistische militanten weten dit zeer goed en hun belangrijkste taak is om de joden te verdedigen vermits die het zijn die hen betalen. Wanneer ze een persoon aanvallen die een niet-joodse minderheid beledigt, dan kan je er zeker van zijn dat die persoon ook al dingen over de joden heeft gezegd. Indien David Duke alleen maar over zwarten zou praten en nooit over joden, dan zou hij zeer waarschijnlijk weinig tegenkanting ondervinden. Indien Horst Mahler alleen maar tegen Turken was, dan zat hij nu niet in de gevangenis. Want kijk, de grote vijand van de bruine immigratie, de Nederlander Geert Wilders, die geeft lezingen in de V.S. en in Engeland, met joodse steun, en de antiracisten doen niets om hem het spreken te beletten. Een andere vorm van zgz. racisme is dat men de voorkeur geeft aan iemand van het eigen volk ten koste van de vreemdeling. Dit is perfect normaal en legitiem. Het is een houding die in de bijbel bevolen wordt, deze houding houdt de intieme relaties in stand tussen een mens en zijn geboortegrond. In een joods gebed wordt aan God gevraagd om regen te brengen en niet te luisteren naar de gebeden van een vreemdeling die bidt voor droog weer.
Zogezegd racistische praat is gewoonlijk niet meer dan kwaadaardige roddel en het is een slechte gewoonte. Het is een zonde, en wel een zeer verleidelijke om kwaad te spreken van anderen. Het is leuk om de draak te steken met gierige Hollandse kaaskoppen, met de luie Walen, met de spaghetti-etende Italianen. Tegenwoordig wordt iemand racist genoemd als hij gehecht is aan zijn land en gemeenschap. Simone Weil is de opperracist volgens deze visie, want zij was een groot tegenstander van ontworteling. Het is zo dat iedereen die pro-immigratie is, ontworteling bepleit. Als men je verwijt “Je bent racist” omdat je tegen massa-immigratie bent, dan antwoord je : “En jij bent ontwortelingsvergif !”, zoals Simone Weil deed.
In feite is dit geen nieuw inzicht, vijftig jaar geleden vond de Gaulle dit ook al. De Franse politicus, oud-minister en auteur Alain Peyrefitte noteerde de woorden die generaal Charles de Gaulle op 5 maart 1959 sprak : "Het is heel goed, dat er gele, zwarte en bruine Fransen zijn. Zij tonen aan, dat Frankrijk openstaat voor alle rassen en dat dit land een universele roeping heeft. Maar wel op voorwaarde, dat zij een kleine minderheid blijven. Zoniet, zal Frankrijk niet Frankrijk blijven. Wij zijn tenslotte voor alles een Europees volk van het blanke ras, met Griekse en Latijnse culturele achtergrond, en we behoren tot de christelijke godsdienst. We moeten mekaar geen verhaaltjes op de mouw spelden. Bent u de moslims al gaan bekijken met hun tulbanden en djellabas ? U ziet toch onmiddellijk dat dat geen Fransen zijn. Zij die de integratie prediken, hebben het brein van een colibri, ook al zijn ze heel geleerd. Probeert u olie en azijn samen te voegen door met de fles te schudden. Na enige ogenblikken scheiden ze zich terug. Arabieren zijn Arabieren en Fransen zijn Fransen. Gelooft u dat de Franse gemeenschap 10 miljoen moslims kan opslorpen, die er morgen 20 miljoen en overmorgen 40 miljoen zullen zijn ? Als we de integratie mochten nastreven en als alle Arabieren en Berbers van Algerië beschouwd zouden worden als Fransen, hoe zouden we kunnen verhinderen dat zij afzakken naar onze steden, waar een hogere levensstandaard bestaat ? Mijn dorp zou niet langer Colombey-les-Deux-Eglises heten, maar Colombey-les-Deux-Mosquées". Ondertussen is het al zover, de Arabieren zijn er, en ze zullen hier blijven. Ze brengen hun eigen cultuurvorm mee en onderhouden hem. Het is onvermijdelijk. Na de Eerste Wereldoorlog had Europa een nieuwe impuls moeten opnemen maar dat is niet gebeurd. En zo is er een geestelijk vacuüm ontstaan dat gewoon een andere geestelijke inhoud naar hier zuigt, een Arabische blijkbaar. Mensen die in een grote boog om een katholieke kerk lopen, staan op de eerste rij om hun schoenen uit te trekken wanneer een moskee opendeurdag houdt :
Pleidooi voor diversiteit Dat gaat niet gebeuren natuurlijk, en het zou ook geen zin hebben. Waarom nog aandacht besteden aan een vermolmd instituut als de katholieke kerk dat ook geen antwoord heeft op de vragen van deze tijd. We moeten gewoon het positieve van dit arabisme onder ogen zien : wanneer onder invloed van deze impuls al onze traditionele waarden, die we tot hiertoe niet bewust verworven hadden, wanneer die dus gaan afgeschaft worden – vrijheid van meningsuiting, gelijke behandeling der geslachten, dierenwelzijn, scheiding van kerk en staat – dan misschien zullen de mensen zich gaan bezinnen over de waarden van het christendom die het Avondland groot hebben gemaakt, dan zal men misschien wat aandacht besteden aan de antroposofie die zoveel vernieuwend potentieel heeft, die ons bvb. aanspoort tot wakkerheid en bewustzijn zowel voor de eigen taalgeest en volksziel als voor die van de ons omringende volkeren. Pas vanuit zo’n wakkerheid en bewustzijn kan een echte Europese impuls ontstaan. * * * * * * * * * * * * * * *
De Nederlandse euritmie
Door Erna van Deventer- Wolfram Erna Wolfram ( 1894 – 1976) kon al op 15-jarige leeftijd voordrachten van Rudolf Steiner bijwonen omdat haar moeder Elise Wolfram een antroposofe van het eerste uur was. Vanaf 1913 begon ze euritmie te studeren. Het was op haar vraag dat Rudolf Steiner de aanwijzingen voor de heileuritmie gaf (in een cursus in 1921). Ze huwde een Nederlander en kwam zo in de Nederlandse taalgeest terecht.Onderstaande tekst komt uit “Rudolf Steiner in Nederland”, een uitgave van Pentagon uit 1994. We hebben de vrijheid genomen om overal in de tekst het woord ‘consonant’ te veranderen in ‘medeklinker’.
‘De Nederlandse taal is de uitdrukking van het Nederlandse landschap, wisselend tussen licht en schaduw, licht en donker, zon en wind, zoals Rembrandt het schildert: wereld van licht en schaduw’
Deze woorden van Rudolf Steiner kunnen voor ons een wegwijzer zijn voor het beleven van de Nederlandse euritmie zoals hij ons die heeft geleerd. Het was toen maart 1922; de meesten die bij deze bespreking waren en echt als peten om dit pas geboren kind, de Nederlandse euritmie, heen stonden, zijn al lang niet meer op aarde.
In ons moet het bewustzijn leven dat de Nederlandse euritmie een uitdrukking is van het Nederlandse wezen. In 1922 leefde in de kringen van onze beweging een stemming, waaruit helemaal geen behoefte sprak om de Nederlandse euritmie te ontwikkelen! Dat euritmie belangrijk was begreep men, en er werd veel moeite gedaan om door cursussen in verschillende plaatsen belangstelling voor euritmie te wekken. Maar Nederlandse euritmie? Nee, de Duitse euritmie was toch veel mooier; en de Duitse gedichten van Steiner, Morgenstern, Steffen enzovoort waren toch ook veel mooier dan de gedichten van Vondel, Perk, Nijhoff, Roland Holst, om er maar enkele te noemen. Laten we met enige humor op deze tijd terugkijken. Toen we begonnen Nederlandse euritmie te leren, de Nederlandse klanken, de sfeer van de bewegingen die Rudolf Steiner als karakteristiek voor het Nederlandse wezen gaf, hoe vaak — zeker meerdere malen tijdens elke cursus — kregen we het verzoek: ‘0, doet u het toch liever in het Duits, onze Nederlandse klanken zijn zo lelijk; bijvoorbeeld de Nederlandse ui in huis is lang niet zo mooi als de Duitse au in Haus!’ Ja, nog sterker, men vond zelfs de aanwijzingen van Steiner voor deze klanken zo ‘merkwaardig’, zo ‘vreemd’.
“Ik ben geboren uit zonnegloren”. (Gedicht van J. Perk, volledige tekst)
Ze deed het en Steiner zei: ‘Ziet u wel, dat is Nederlands: wijde bewegingen, heel ver naar voren, alsof ze aan het strand de wijde zee wil omvatten’.
‘de zon troont boven onze hoofden’,
dan wisselen naar binnen en naar buiten gekeerde handen elkaar voortdurend af; en dat geeft een zeer beweeglijk beeld. Toen we dat uitvoerden riep Steiner plotseling:’Kijk, dat doet de zon hier nou ook:
Ik heb vooral willen wijzen op de verplichting die op ons rust doordat Steiner ons de Nederlandse euritmie heeft gegeven. Hij zag daarin de spiegeling van het Nederlandse wezen en landschap, zodat de mens door euritmie in zijn moedertaal te beoefenen, tegelijkertijd een sleutel ontvangt tot het begrijpen van zijn eigen wezen, voorzover dat gebonden is aan eigen land en taal ...
Aan het eind van zijn aanwijzingen zei Steiner: “Maar liefhebben moet je je moedertaal, liefdevol oefenen en weten dat elke taal één stralenglans is van het wereldwoord zelf.”
Hier wil ik laten zien hoe belangrijk het kennen van de Nederlandse euritmie is als medium van onze volksziel. Wil men hierin de gedachtengang van de antroposofie volgen, dan moet men in plaats van de ‘Hollandse’ euritmie spreken over de ‘Nederlandse’ euritmie. Historisch gesproken raakt het woord Hollands alleen Noord- en Zuid-Holland, terwijl het Nederlands werkelijk de taal van ‘de lage landen bij de zee’ is, dus geheel Nederland omvat, zoals wij het nu kennen.
Hierna vroeg Steiner om gedichten uit de tijd van Vondel — hij zelf kende geen Nederlands — en zei: “Daar (bij Vondel) moet u voor mij vinden, dat men de H, deze gedeeltelijke CH, nog schrijft!” En werkelijk, in de oude uitgave stond: ‘wat God behaaght, is wel’, en ‘Gods oneindigh wezen’, en ‘eeuwigh’ enzovoort. En hij ging verder: “Wat u nu hoort moet u euritmiseren, vele malen, zodat u voelt: wie ‘God’ euritmiseert beleeft iets anders dan wie ‘Gott’ uitbeeldt. Maar dit verschil tussen Duits en Nederlands is pas ontstaan, toen de Nederlandse tijdgeest een andere opgave kreeg; en “toen het Nederlandse volk zich afsplitste van het fundament dat het gemeen had met het Duitse volk”, toen begon het verschil tussen Duits en Nederlands groter te worden. Beschreven zijn de feiten in de 3e voordracht van Steiners ‘De volkszielen’ uit Oslo 1910.
Niemand van ons had een wetenschappelijke opleiding gehad, noch in taalwetenschap, noch in historische vakken. De tegenwoordige generatie met haar veel bewustere wijze van reageren zou zeker op andere wijze door Steiner zijn opgeleid. Bijvoorbeeld, bij de bespreking van de Nederlandse euritmie werd door Steiner geheel onverwachts de opmerking gemaakt:
En om ook hierbij weer terug te komen op ons uitgangspunt: wat leert ons de Nederlandse euritmie door haar verschil met de Duitse, over de Nederlandse volksziel? Zoals we weten is de euritmische beweging die we met onze armen en handen uitvoeren, de metamorfose van de spraakbeweging die onze spraakorganen grotendeels onbewust uitvoeren tijdens het spreken. Wordt nu tijdens het spreken het luciferische element van de germaanse taal in het Nederlands werkelijk versterkt, zoals het door de Franse invloed vanaf het begin van de 10e eeuw echt gebeurt — een stroming die volgens Steiner haar begin al vroeger had— wat gebeurt er dan? Dan wordt het gebruik van de ademhaling bij het spreken, bij de vele, ontelbare medeklinkers zonder H werkelijk veranderd; minder ademkracht dringt bij het spreken van de zachte medeklinkers (zonder H) naar buiten. Maar ook dit is nog van diepere invloed op de mens die zo spreekt, want hij laat minder adem met de medeklinkers meestromen, en dat betekent dat hij een verandering brengt in het psychische equivalent van de ademhaling: het euritmische wezen.
In de euritmie is dit nog veel sterker, Ik heb bijvoorbeeld eens op verzoek van Rudolf Steiner het Onze Vader ge-euritmiseerd in het Latijn, Frans, Duits en Engels. Dezelfde inhoud, maar in verschillende talen, brengt verschillende aspekten van het wezen mens tot uitdrukking. Bij deze gelegenheid beschreef Steiner uitvoerig wat het spreken van deze verschillende talen, respectievelijk het euritmiseren betekent ten opzichte van de inhoud die men uitdrukt. Hij maakte ons duidelijk dat degene die het Onze Vader zegt iets anders bedoelt, een fijne maar wezenlijk andere nuance dan degene die zegt ‘Notre Père’, of ‘Pater Noster’, of ‘Our Father’.
En als ons Nederlands van na de middeleeuwen een luciferische tendens naar de romaanse talen toe heeft, waar de stootklanken niet zo scherp zijn gevormd, dan zou men de ahrimanische tendens in de Duitse taal moeten vinden, die méér gevormd wordt, volgens Steiners aanwijzingen? Ja, luister maar eens naar het Duits in de buurt van Hannover, Westfalen, waarvan taalkundigen zeggen dat dat het zuiverste Duits is. Daar hoor je een ongelofelijk sterk gevormde taal, daar ‘stolpert man über einen spitzen Stein’, daar ‘springt die Spitzmaus über die Spalten im Stall’, terwijl men verder in Duitsland ST uitspreekt als ‘scht’, en SP als ‘schp’. Als je deze manier van spreken euritmiseert kun je sterk de vormkracht van het Duits beleven, veel meer ademstroom wordt door wilskracht omgezet en verbruikt!
Veel zou men nog kunnen zeggen, maar we moeten het doen en beleven, dan ontstaat er vanzelf een enthousiasme voor deze problemen van het wezen ‘mens’. Dan sluit zich de kring met de woorden die ik eerder ook al gebruikt heb, met Steiners woorden: ‘Aber liebhaben muß man seine Muttersprache, liebevoll üben und wissen, daß jede Sprache ein Strahlenglanz ist des Weltenwortes selbst”.
“Maar liefhebben moet je je moedertaal, liefdevol oefenen en weten dat elke taal één stralenglans is van het wereldwoord zelf.’
Het was Perks derde en laatste vlam -Joanna Blancke- die hem inspireerde tot 'Iris'.
* * * * * * * * * * * * * * *
Een bewezen geval van reïncarnatieOnderstaand artikel is van Jos Verhulst. In het eerste deel gaat hij even dieper in op het begrip ‘geloven’. Wat antwoord je als iemand verklaart dat hij niet in God gelooft ? Als het kinderen zijn die dat zeggen, dan kan men het pedagogisch aanpakken. Preken helpt weinig, dus antwoord ikzelf meestal : “Of jij gelooft in God, dat is niet belangrijk, zolang God maar in jou gelooft !” – Dan bekijken ze je even twijfelend, en ik vermoed dat ze de mogelijkheid nog open laten. Zijn het volwassenen, dan antwoord ik meestal schouderophalend : “Je kunt ook zeggen : ik geloof niet in de lente of in de zomer, maar even goed zal het lente en daarna zomer worden, of jij er nu in gelooft of niet.”Jos Verhulst legt het iets academischer uit : “Toen stelden de leerlingen Hem de vraag: ‘Waarom zeggen de schriftgeleerden toch dat eerst Elia moet komen?’. Hij gaf hun ten antwoord: ‘Inderdaad, Elia zal komen om alles te herstellen. Ik zeg u zelfs: Elia is reeds gekomen, maar zij hebben hem niet erkend, doch naar willekeur met hem gehandeld, zoals ook de Mensenzoon van hen te lijden zal hebben’. Nu begrepen de leerlingen dat Hij hun over Johannes de Doper gesproken had”. Mattheüs 17: 10-13 Bruce & Andrea Leininger, Ken Gross (2009) “Soul survivor. The reincarnation of a world war II fighter pilot” - Londen: Hay House Ik ‘geloof’ in reïncarnatie. Dat werkwoord plaats ik tussen aanhalingstekens, niet om het te verzwakken of weg te nuanceren, maar wel omdat het woord ‘geloven’ verbonden is met allerhande connotaties, die in mijn geval zeker niet van toepassing zijn. Het gaat niet om een geloof dat voortvloeit uit enige traditie, of geöriënteerd is op enige autoriteit. Als kind had ik van het idee nooit gehoord, en nooit had ik iemand ontmoet die het denkbeeld aanhing of zelfs maar plausibel vond. Maar tussen mijn 20 en 25 jaren is de overtuiging gaandeweg opgedoken, als een soort natuurkracht die uit de diepte opsteeg. Zeker, ik las wel enige boekjes over het onderwerp, het ene al serieuzer dan het andere, maar die lectuur lag niet aan de oorsprong van mijn ‘geloof’. Veeleer zocht ik al lezende toelichting over wat zich van binnenuit bij mij aandiende. Ik heb dit geloof, zoals ook mijn geloof in bijvoorbeeld de Drievuldige godheid, steeds meer aangevoeld als uitdrukkingen van mijn eigen diepere wezen, en tegelijk als een algemeen menselijke kracht die zich naar de oppervlakte van het dagdagelijkse bewustzijn omhoogwerkte en daar, temidden van de verwarring, de gebrekkigheid en boosaardigheid, een heilzame, verwarmende en lichtbrengende invloed uitoefende.
De mens heeft niet één middelpunt. Hij is een elliptisch wezen, met twee brandpunten die elkaar impliceren. De oppervlakte van het waakbewustzijn bereikend ontmoet het geloof het verstand, dat om bewijzen en argumenten vraagt. Geloof en verstandelijk denken zijn geen tegengestelden, ook geen instanties die ieder een eigen gescheiden ‘domein’ moeten toegewezen krijgen, maar twee aspecten van éénzelfde menselijke munt, net zoals stof en bewustzijn twee onverbrekelijke aspecten vormen van het Zijn. Het natuurlijk geloof in de werkelijkheid van de reïncarnatie gaat dus, door zijn eigen aard, gepaard met zoeken naar wat men bewijs zou kunnen noemen. In werkelijkheid gaat het niet zozeer om formele bewijsvoering, zoals we zullen zien, maar eerder om het streven naar kennis betreffende een werkelijkheid waarvan men reeds weet heeft doch die men steeds beter wil leren kennen. De hoofdweg naar inzicht betreffende het wezen van reïncarnatie loopt natuurlijk, Plato achterna, over de volgehouden redelijke meditatie betreffende de aard van zelfbewustzijn, en betreffende ons vermogen om conceptueel te kunnen denken en begrippen te kunnen vormen. Diegenen die geloven dat zelfbewustzijn en denkvermogen op één of andere manier opwasemen uit de stof, verkeren in dezelfde situatie als diegenen die enkele eeuwen geleden geloofden in spontane generatie (leg een hoop graan en oude vodden op een zolder, en na een tijdje ontstaan in die hoop spontaan muizen). Ex ovo omnia geldt mutatis mutandis ook voor de geest. En geloven dat de menselijke geest, niet het denken zelf doch datgene wat het denken draagt, door één of andere magische act uit het niets ontstaat rond het moment van de conceptie, is logisch gelijkwaardig met de acceptatie van vergelijkbare derivaten van het solipsisme (bijvoorbeeld aannemen dat de hele kosmos door een magische act is ontstaan, 5 minuten geleden, of 6.000 jaar geleden). Onderzoek via rationele meditatie leidt enkel tot principiële inzichten. De meeste mensen, waaronder ikzelf, herinneren zich echter niets van enig vorig leven, zodat we verstoken blijven van concrete en gedetailleerde kennis. Voor dat laatste is men aangewezen op de getuigenissen en verklaringen van diegenen die beweren wél te zien. Die verklaringen dienen dan met het scalpel van de rede te worden ontleed. Een bijzondere groep mensen zijn de zeer jonge kinderen, die zich een voorbij leven herinneren. Over dit onderwerp bestaat interessante literatuur, die ik in de loop der decennia min of meer heb opgevolgd. In de jaren zeventig heb ik op dit vlak veel gehad aan het werk van Ian Stevenson. Ook het meer recente van Carol Bowman (zie bv. “Return from Heaven. Beloved relatives reincarnated within your family” New York: HarperCollins Publishers; 2001) vond ik inspirerend. De verhalen van zo’n kinderen hebben wel een bijzonderheid, waarvan men zich scherp bewust dient te zijn. Het gaat bijna zonder uitzondering over abnormale of zeer ongewone biografieën, doorgaans met voortijdig of zeer bruusk afgebroken levens die dan vrij kort daarna via reïncarnatie lijken te worden hernomen. Men kan de verschijnselen die in zo’n gevallen lijken op te treden niet zonder meer veralgemenen. Bovendien dient men ook altijd op te letten voor datgene wat door Steiner het ‘principe van de spirituele economie’ wordt genoemd, en dat inhoudt dat kostbare wezensdelen, bijvoorbeeld onafgewerkte impulsen van mensheidsbelang, door andere individuen ter voortzetting of afwerking zouden kunnen opgepikt worden. Het meest gedetailleerde recente voorbeeld van een herinnerend kind wordt beschreven in het boek “Soul survivor”. Het gaat over een jongetje, James Leininger, geboren op Goede Vrijdag van het jaar 1998 (een datum die met name bij antroposofen een belletje doet rinkelen). Op 1 mei 2000, kort na zijn tweede verjaardag, krijgt James de eerste van een lange reeks nachtmerries (p.33). In juni begrijpt zijn moeder voor de eerste maal wat hij tijdens deze nachtmerries uitroept: “Airplane crash. Plane on fire. Little man can’t get out” (p.47). Er dient opgemerkt dat James met zijn vader in februari 2000 het “James Cavanaugh Flight Museum” had bezocht (p.19), waar James een buitengewoon intensieve belangstelling had getoond voor de aldaar opgestelde WO II- vliegtuigen. Die belangstelling kan als een aanwijzing worden beschouwd voor één of andere vorm van ‘herkenning’, maar anderzijds is het ook mogelijk dat precies dit museumbezoek, en alles wat de peuter daar te horen en te zien kreeg, het materiaal leverde voor de nachtmerries. Spoedig geeft de peuter details die erg specifiek zijn en onmogelijk in het museum of in de familiale kring konden opgepikt worden. Hij zou door de Japanners zijn neergeschoten en daarbij omgekomen. De Japanse vliegtuigen waren volgens hem herkenbaar aan de grote rode zon die op de toestellen was geschilderd (p.59). James laat weten dat zijn vliegtuig behoorde tot een kleiner Amerikaans vliegdekschip dat hij de ‘Natoma’ noemde (p.66-68). Vader Bruce Leininger ging ervan uit dat ‘Natoma’ een Japans woord is, doch ontdekte internetgewijs het vroegere bestaan van een Amerikaans vliegdekschip de “Natoma Bay”, dat inderdaad in de slag in de Stille Oceaan was ingezet. Er bestond nog een kleine veteranenvereniging van het schip, dat zelf allang tot schroot was verwerkt.
![]() Toen de ouders op 5 oktober 2000 aan James vroegen wat zijn naam was als piloot, antwoordde hij “James”. Zijn ouders dachten dat het kind de vraag verkeerd begreep en zijn huidige naam gaf. James bevestigde evenwel dat zijn vroegere voornaam ook ‘James’ was, maar dat hij zijn achternaam was vergeten. Gevraagd of hij de namen van andere personen aan boord van de Natoma kon geven, kwam als zeer specifiek antwoord “Jack Larsen”, die volgens James Leininger ook een piloot zou zijn geweest (p.76-77). Op p.91 lezen we dan dat Bruce een boek gekocht had als kerstgeschenk voor zijn vader (“...who cherished anything about the Marine Corps in World War II’s Pacific theater”, wat suggereert dat binnen de familie toch wel belangstelling voorhanden was voor dit onderwerp). Het boek behandelde de verbeten en bloedige slag om het eiland Iwo Jima, de eerste plaats waar de Amerikanen in 1945 Japans grondgebied veroverden. Bladerend door het boek met zijn vader wijst James plots de plaats aan waar hij in zijn vroeger leven zou zijn neergeschoten. Bruce doet onderzoek en vindt dat de Natoma Bay inderdaad bij deze slag was betrokken. Er zijn ook tegenindicaties. James zegt dat hij piloot was van een welbepaald type vliegtuig, genaamd de Corsair. Evenwel waren op de Natoma Bay geen vliegtuigen van dit type voorhanden (p.68; p.99).
![]() Chance Vought F4U Corsair In hoofdstuk 15 wordt Bruce’s bezoek beschreven aan een bijeenkomst van Natoma Bay – veteranen in september 2002. Hier verneemt de vader van James ondermeer dat Jack Larsen, die wel degelijk piloot op dat schip geweest, bovendien ook nog leeft.
Zoals iedere peuter begon James Leininger na zijn derde verjaardag te tekenen:
Dit raadsel wordt opgelost wanneer op de lijst van 18 Natoma Bay – gesneuvelden een piloot James M. Huston Jr. wordt gevonden. De vader van deze piloot heette dus blijkbaar ook James, zodat James Leininger zichzelf inderdaad logischerwijs als ‘James three’ kon betitelen (p.125). Uit nader onderzoek bleek vervolgens dat deze James M. Huston Jr inderdaad bij de slag bij Iwo Jima was omgekomen. Vanaf dit punt was duidelijk dat, indien het reïncarnatieverhaal inderdaad zou kloppen, James Leininger (geboren op 10 April 1998) inderdaad de reïncarnatie zou moeten zijn van de op de Natoma Bay gelegerde piloot James M. Huston (geboren op 22 oktober 1923 en overleden op 3 maart 1945, toen zijn vliegtuig werd neergehaald bij de slag om Iwo Jima). Korte blik op enkele verdere lijnen van onderzoek Na uitvoerig zoeken slagen de ouders van James Leininger erin om de familie van piloot James Huston Jr. te identificeren. Het blijkt dat de jongste zuster nog leeft. Anne Huston Barron, op dat ogenblik 84 jaar, wordt door Bruce en Andrea Leininger gecontacteerd. Omdat James Leininger weet blijkt te hebben van allerhande kleine famililale details geraakt zij snel overtuigd van de individuele gelijkheid tussen het kind en haar gesneuvelde broer. Deze zuster bezorgde de familie Leininger ook enkele foto’s van haar broer als piloot. Op deze afbeeldingen, opgenomen in het boek, is James Huston inderdaad te zien bij een Corsair. Nader onderzoek leerde dat Huston van januari tot augustus 1944 deel uitmaakte van een elite-eenheid die als opdracht had om de omgebouwde Corsair uit te testen voor gebruik op vliegdekschepen.
![]() James Leininger met de jongste zuster van de in 1945 gesneuvelde piloot James Huston Jr. Op basis van een aantal preciese details die James Leininger kon geven accepteert Anne Huston Barron de jongen als de reïncarnatie van haar in 1945 gesneuvelde broer James Huston.
Eén van de merkwaardigste, in het boek uitvoerig beschreven onderzoeks-lijnen betreft de drie medestrijders van James Huston Jr., namelijk Walter John Devlin (+ 26 oktober 1944), Billie Rufus Peeler (+ 17 november 1944) en Leon Stevens Connor (+ 25 oktober 1944).
James had twee GI-speelgoedpoppen die hij Billie en Leon noemde en waarmee hij iedere dag speelde. Die poppen gingen mee in bad en in bed. Met kerstmis 2002 kreeg hij van een tante een nieuwe, soortgelijke pop met blond haar, die hij Walter noemde (p.157). Dat was een ietwat verrassende keuze, omdat de Leiningers niemand met die naam in hun kennissenkring hadden. Bruce vroeg hem waarom hij zijn drie poppen de namen Billy, Leon en Walter had gegeven. Het verrassende antwoord van de vierjarige luidde: “Omdat dat de mannen zijn die me tegemoet kwamen toen ik in de hemel kwam (Because that’s who met me when I got to heaven)”.
![]() James Leininger met Jack Larsen, de gewezen collega piloot op de Natoma Bay waarvan James zich de naam herinnerde. Ook Jack Larsen, de medepiloot van James Huston, bleek nog te leven en ook hij werd opgezocht. Hij maakte deel uit van de esquadron waarin ook James Huston was opgenomen. Hij schonk aan James Leininger de pilotenhelm die hijzelf droeg op die fatale dag. James Leininger is nu elf jaar en, zoals bijna altijd blijkt te gebeuren (zie bv. de boeken van Bowman) zijn de herinneringen aan het vorig leven na het verloop van de eerste zevenjarenperiode weggedeemsterd. Ook over de tussengeboortelijke tijd weet de jongen nu niets meer. Het weinige wat hij op het laatste gebied als klein kind zei was erg interessant. Zo bevestigde James, als vele andere kinderen, dat het kind zijn ouders doelgericht opzoekt (p.153-154). Dit bevestigt de stelling die Steiner op dit vlak formuleert: het kind ontwikkelt eerst liefde voor zijn toekomstige ouders en de liefde van de ouders voor het kind is hierop een antwoordende liefde. Een test ‘Soul Survivor’ is een uitzonderlijk goed gedocumenteerd voorbeeld van een reïncarnatiegeval. Ofwel is het een authentiek geval, ofwel gaat het om een extreem voorbeeld van bedrog en/of infectueuze autosuggestie, waarbij dan enkele tientallen personen moeten betrokken zijn. En natuurlijk, bedrog, autosuggestie en extreem besmettelijke vormen van zelfbedrog bestààn.
In verband met het geval werden door de media ook skeptici aan het woord gelaten. Die gingen blijkbaar onmiddellijk uit van zelfmisleiding, zonder enige vorm van nader onderzoek. Dat lijkt mij, gegeven de a priori plausibiliteit van de reïncarnatie-hypothese en de ogenschijnlijk goede gedocumenteerdheid van dit geval, absoluut geen rationele werkwijze, die enkel wordt ingegeven door het feit dat deze ‘skeptici’ bij voorbaat uitgaan van de extreem hoge plausibiliteit van de door hen aangehangen materialistische opvattingen. Maar dat belet natuurlijk niet dat de skeptische these in dit dossier bij daadwerkelijk onderzoek toch de juiste zou kunnen zijn. Wat ik nodig had was een onafhankelijke test. Maar hoe kan men een occult fenomeen als reïncarnatie daadwerkelijk testen? Ik zag slechts één opening. In tegenstelling tot de gevallen die beschreven staan in het vermelde boek van Carol Bowman, bevat “Soul survivor” de geboortedatum en geboorteplaats van de twee betrokken personen. James Huston Jr. Is geboren in South Bend, Indiana, op 22 oktober 1923. James Leininger is geboren op Goede Vrijdag 10 April 1998. Ik had dus de mogelijkheid om de geboortehoroscopen van de James II en James III te berekenen. Doch hoe zou ik moeten te werk gaan en welke conclusies zou ik uit een vergelijking kunnen trekken? Het is evident dat ik uit een gebrek aan overeenkomst tussen beide horoscopen niets zou kunnen concluderen. Ik ben geen astroloog. In de loop van mijn leven heb ik genoeg waarnemingen kunnen verrichten om de realiteit van minstens bepaalde soorten astrologische correlaties ernstig te nemen. Doch tegelijk vermoed ik, alweer op basis van overweging, waarneming en ervaring, dat het onbegonnen werk is om met betrekking tot de eigenschappen van een individu op basis van een horoscoop enige conclusie te trekken. Ik heb bijvoorbeeld opgemerkt dat topnatuurwetenschappers en topwiskundigen veel meer met de zon en/of maan in de Aries worden geboren, dan op basis van toeval redelijkerwijs kan worden verwacht (J. Verhulst Nonuniform distribution of the ecliptical longitudes of Sun and Moon at the birthdays of top scientists. Psychological Reports, 85, p.35-40, 1999). Doch hieruit volgt geenszins dat men uit het al dan niet aanwezig zijn van de Zon of de Maan in Aries iets kan besluiten over de wetenschappelijke of wiskundige talenten van een welbepaalde persoon. De vraag of een gegeven geboorteconstellatie bij een gegeven persoon hoort is dan weer van een andere orde. Ik ken het antwoord op die vraag niet, maar het is denkbaar dat het antwoord bevestigend is. In dat laatste geval zou men een gelijkende geboortehoroscoop mogen verwachten voor James 2 en James 3, ttz voor James Huston Jr en James Leininger. Met andere woorden: een sterke overeenkomst tussen de geboortehoroscopen kan als een bewijs gelden voor de authenticiteit van dit vermeende reïncarnatie-geval, terwijl omgekeerd uit een gebrek aan zo’n sterke overeenkomst niets zou kunnen besloten worden. Maar wat is een “...uitzonderlijke overeenkomst”? Het enige wat ik direct uit de datum kon afleiden was het feit, dat James Huston en James Leininger niet met de zon in hetzelfde teken zijn geboren. Voor het overige is geen echt objectief criterium te vinden om “...uitzonderlijke overeenkomst” ondubbelzinnig vast te stellen, aangezien astrologen het helemaal niet eens zijn over het belang dat aan de verschillende componenten van een horoscoop moet worden gehecht. Moet ik bijvoorbeeld maanknopen, gelukspunten, en de posities van allerhande grotere en kleinere, met het blote oog niet zichtbare planeten meebeschouwen en op overeenkomsten controleren? Ik besloot om de meest elementair denkbare test uit te voeren. Vooreerst maakte ik een keuze voor de eenvoud: ik zou enkel de posities van de zeven klassieke dwaalsterren ten opzichte van de twaalf traditionele dierenriemtekens beschouwen. Voor het al dan niet aanwezig zijn van de overeenkomst legde ik mezelf uiteindelijk een simpel, subjectief maar zeer streng criterium op: ik diende in één oogopslag, zodra de tweede horoscoop naast de eerste op mijn computerscherm verscheen, een evidente en overrompelende overeenkomst tussen beide horoscopen te zien. Indien ik langer dan pakweg vijf of tien seconden nodig zou hebben om die overeenkomst op te merken, dan diende ik de testuitkomst als ‘negatief’ te beoordelen, in de zin dat uit de test dan niets kon worden besloten, en dan zou ik ook mijn oordeel over de authenticiteit van het Soul Survivor-rapport opschorten. Toen ik beide horoscopen op het computerscherm naast elkaar had, bleek er inderdaad een onmiddelijke en zeer uitzonderlijke gelijkenis tussen beide horoscopen te bestaan (zie hieronder). Beide horoscopen vertonen, zoals men in een oogopslag kan zien, dezelfde partitie van de zeven planeten. In beide gevallen staan Zon, Mercurius, Mars en Saturnus op een kluitje in hetzelfde teken. In beide gevallen staan Venus en Jupiter samen in een aangrenzend teken. De maan staat alleen in een derde teken. De preciese kans op zo’n identieke partitie is moeilijk precies te bepalen, omdat de posities van de dwaalsterren langs de ecliptica natuurlijk niet onderling onafhankelijk zijn; maar de waarde ligt zeker beneden 0,001. In beide gevallen is de nauwe conjunctie tussen Zon en Saturnus het hoofdaspect (het is ook opvallend dat de posities van Saturnus in beide horoscopen bijna exact opposiet staan). De maan staat op beide dagen in dezelfde fase (een kleine twee dagen voor volle maan). Ik heb op basis van deze test de deur achter me dicht getrokken. Ik heb geconcludeerd dat het geval van James Leininger wel degelijk authentiek is. De gevolgen zijn vérstrekkend, want het dubbele besluit luidt dat redelijkerwijs niet enkel reïncarnatie, maar ook één of andere vorm van verband tussen persoonlijkheid en geboorteconstellatie geaccepteerd moeten worden. Voor deze implicaties schrik ik evenwel niet terug.
![]()
![]()
* * * * * * * * * * * * * * * Terug naar het thuisblad
|