|
De Brug 9 van september 1995 Beste lezer,Voor deze aflevering van De Brug, het eerste nummer van de derde jaargang, kozen en vertaalden we o.m. een fragment uit GA 59 "Pfade der Seelenerlebnisse".In dat artikel gaat het over de positieve en de negatieve mens. Wij hebben natuurlijk direct de neiging om te denken . "Ah, positief, dat is goed, en negatief, dat is slecht", maar zo eenvoudig is het niet. We verwijzen daarvoor naar de volgende pagina. Maar op gevaar af van de zaken een beetje uit hun verband te trekken, laten we toch Rudolf Steiner reeds hier aan het woord met een stukje uit het einde van de betreffende voordracht (p. 207 in de Taschenbuch-uitgave). Dit uittreksel zou moeten dienen om sommige lezers aan te moedigen om de inspanning die de lectuur van dit tijdschrift vraagt toch maar vol te houden .
" Aldus ligt er in de geesteswetenschap of antroposofie iets voor de mens dat
zonder twijfel het positieve stimuleert.
De antroposofie heeft het niet zo gemakkelijk. Ze kan hooguit haar zaken symbolisch in
beeldvorm brengen. Voor de zaken die naar de geestelijke wereld leiden is er geen
andere ingangspoort dan het menselijke zieleleven. Wie werkelijk vruchtbaar in de
geesteswetenschap wil binnendringen, die moet het er maar bijnemen dat hem over de
belangrijkste zaken niets via prent, dia of film kan getoond worden. Hij is erop
aangewezen om in zijn ziel zelf mee te werken, om uit zijn ziel de meest positieve
stemmingen los te maken. Daarom is de geesteswetenschap er bij uitstek toe geschikt
om positieve eigenschappen in de mensenziel te cultiveren.
Doordat antroposofie
appelleert aan de zelfwerkzaamheid die in iedere ziel aanwezig is, roept ze tevoorschijn wat in iedere ziel verborgen ligt, en doordringt ze alle sappen en krachten van het lichaam, werkt ze in de volste zin gezondmakend op de ganse mens. En daar de antroposofie aan niets anders appelleert dan aan het gezond verstand dat niet door massasuggestie kan worden gewekt, het gezond verstand van de enkeling. en daar ze
afziet van al wat door massasuggestie kan worden teweeggebracht, daarom rekent ze
precies met de positiefste ziele-eigenschappen van de mens."
François De Wit De positieve en de negatieve mens
De voordrachten van Rudolf Steiner vertonen een logische opbouw, zonder daarbij schematisch te zijn. Het is moeilijk om zo'n voordracht verkort weer te geven, iedere alinea heeft zijn organische plaats in het geheel.
"Als we zo eens onze blik laten gaan van mens tot mens, dan stellen we vast dat er de grootste verscheidenheid heerst wat betreft het menselijke zieleleven. In de loop van deze voordrachtenreeks hebben we het gehad over typische verschillen tussen de mensen qua zieleleven en de oorzaken daarvan; we hebben gewezen op verschillen tussen mensenzielen wat betreft karakter, temperament, ook wat betreft andere aspecten van het zieleleven, bekwaamheden, krachten enzovoort. Een belangrijk onderscheid zien we bij mensenzielen -en daarmee bij alle menselijke individualiteiten- bij hetgeen in de voordracht van vandaag zal bekeken worden als de positieve en de negatieve mens. We zouden eerst kunnen proberen om een soort definitie, een soort begripsverklaring te geven van wat een positieve of een negatieve mens is. Als we zo'n begripsomschrijving zouden willen opstellen, zouden we ongeveer kunnen zeggen : in de zin van een waarachtige en diepgaande zieleleer en mensenleer kunnen we iemand een positieve mens noemen als hij t.o.v. de uiterlijke indrukken die op hem afkomen tot op een zekere hoogte de vastheid en zekerheid van zijn innerlijk kan handhaven; zodat hij in zijn innerlijk vastomlijnde begrippen en voorstellingen heeft, een bepaald aantal zaken waartoe hij neigt of waarvan hij een afkeer heeft, gevoelsimpulsen waarin hij niet kan misleid worden door indrukken van buitenaf. Evenzeer kan iemand als een positieve mens aanzien worden als hij voor zijn handelen bepaalde motieven en impulsen heeft die hij niet verandert ter wille van om 't even welke willekeurige, voorbijgaande indruk.
En een negatieve mens zouden we iemand kunnen noemen die zich gemakkelijk aan de wisselende indrukken van het leven overgeeft, die sterk gegrepen wordt door een of andere voorstelling waarmee hij hetzij bij een andere mens, hetzij in een bijeenkomst kennis maakt, en waardoor hij vlug een neiging voelt om datgene wat hij tot dan toe gedacht en gevoeld had te veranderen en iets anders in de plaats in zijn ziel op te nemen. Wat betreft het handelen zouden we iemand een negatieve mens kunnen noemen als hij zich in zijn motieven en impulsen tot handelen gemakkelijk door alle mogelijke influisteringen van deze of gene mens laat afbrengen.
Daarmee zouden we dan zo ongeveer een soort definitie verkregen hebben van wat een positieve of een negatieve mens is. Maar juist zulke eigenaardigheden van de menselijke natuur die diep ingrijpen in het leven bewijzen ons dat we met begripsverklaringen, met definities, in de grond zeer weinig vooruitkomen en dat het een tamelijk ijdel streven is om dat te willen bereiken. Want als we afstappen van een dergelijke abstracte begripsdefinitie en tot het werkelijke leven komen, dan kunnen we zeggen : een mens met sterke driften, met sterke passies die sinds zijn vroege jeugd een bepaalde vorm aangenomen hebben, die in het leven gewoontegetrouw dezelfde blijven, zo'n mens zal a.h.w. alle mogelijke goede en slechte voorbeelden aan zich hebben laten voorbijgaan, en hij zal zijn gewone driften en passies trouw blijven. Hij heeft zich misschien eigenzinnig enkele voorstellingen en begrippen over een en ander aangemeten, en men kan hem zwart op wit met feiten iets proberen te bewijzen: hij zal bij zijn eigen voorstellingen blijven; en men stoot op de ene hindernis na de andere als men hem van een feit wil overtuigen. Zo'n mens zou dan een zeer positieve mens zijn, maar zijn positiviteit zou hem geen ander nut opleveren dan stom en zonder indrukken door het leven te gaan, niets te zien en niets te horen dat zijn levensinhoud rijker en omvattender zou kunnen maken.
Een andere, die ertoe neigt om op ieder ogenblik vol overgave nieuwe indrukken op te nemen, die bereid is om overal waar hij geconfronteerd wordt met feiten die hem treffen zijn gewone voorstellingspatroon te corrigeren, zo'n mens zouden we een gans andere zien worden, misschien na een relatief korte tijd. We zouden kunnen zien hoe hij de ene levensperiode na de andere doormaakt, van de ene levensinhoud naar de andere snelt, en misschien verschijnt hij na enige tijd als totaal veranderd in vergelijking met een vroegere levensperiode. En als we hem vergelijken met iemand die stom en zonder indrukken door het leven gaat, dan zouden we kunnen zeggen: hij heeft zijn leven beter gebruikt dan de eerste. Maar toch zouden we hem volgens de aangeduide karaktereigenschappen een negatieve mens moeten noemen.
We kunnen ons voorstellen dat iemand met een robuuste natuur die zich volgens zijn gewoontes door het leven sleept, zich door de mode van de tijd laat verleiden om een reis te maken naar een land waar grote kunstschatten te zien zijn; maar hij blijft zo positief bij alle gevoelens die nu eenmaal in zijn ziel zitten dat hij het ene kunstwerk na het andere voorbijloopt, hoogstens eens in de reisgids opzoekt welke nu de belangrijkste zijn, en dat tenslotte -zo "positief" is hij dan- wanneer hij naar huis terugkeert, zijn ziel helemaal niet rijker is geworden van dit slenteren van galerij naar galerij, van het ene mooie landschap naar het andere. Dat zou dus een zeer positieve mens zijn. En we kunnen ons dan ook een mens voorstellen die ongeveer hetzelfde meemaakt, maar die zo'n karakter heeft dat hij in totale overgave voor ieder beeld staat, zich enthousiast in ieder afzonderlijk beeld verliest, zodat hij onmiddellijk als hij ervoor staat, zichzelf compleet vergeet en volledig leeft in wat hij ziet; en evenzo bij het volgende beeld, bij het derde, enzoverder. Zo gaat hij de ganse rij af met een ziel die zich overgeeft aan ieder detail; maar omdat hij zo opgaat in ieder detail, wist iedere indruk de voorgaande uit, en als hij terugkomt heeft hij alleen maar een chaos in zijn ziel. Dat zou dus een mens zijn die in zekere zin het tegengestelde is van de eerste, de positieve; hij zou een zeer negatieve mens zijn. Wij kunnen ontelbare voorbeelden vinden voor positieve en negatieve mensen. We zouden iemand een negatieve mens kunnen noemen als hij zoveel geleerd heeft dat zijn oordeel onzeker is geworden t.o.v. ieder feit; dat hij niet weet wat waar en niet waar is en in leven en kennis een twijfelaar is geworden : een negatieve mens. Een andere dan weer ondergaat dezelfde indrukken, maar hij gaat zo door het leven dat hij deze indrukken verwerkt en ze kan plaatsen in het geheel van alle wijsheid die hij reeds verzameld heeft : hij is een positieve mens in de beste zin van het woord.
Een kind kan t.o.v. een volwassene zo positief zijn dat het aan tirannie grenst door overal de natuur die in hem zit te willen uitleven en al het andere af te wijzen. Aldus is het, doordat het zich door niets laat beïnvloeden, zeer positief. En een mens die in het leven veel meegemaakt heeft, dwaalwegen heeft bewandeld, ontgoochelingen heeft ondergaan, die kan zich, hoewel hij veel ervaren heeft, aan iedere indruk overgeven, vlug op te monteren en vlug teneergeslagen zijn : ondanks zijn grote levenservaring is hij een negatieve mens in vergelijking met het kind. Kortom, pas als wij het leven in al zijn variatie en niet naar begrippen op ons laten inwerken, als wij begrippen opvatten als een soort ladder om dan de feiten en gebeurtenissen van het leven aan de sporten van die ladder op te hangen, als wij begrippen beschouwen als zaken die ons helpen om de verschijnselen en feiten des levens te ordenen en te regelen, pas dan kunnen wij tot een juiste voorstelling komen van wat positieve en negatieve mens zijn. [ ... ] Na deze inleiding, waar Rudolf Steiner eens te meer het belang van een concreet, werkelijkheidsgetrouw denken onderstreept, weidt hij even uit over de wezensdelen binnen onze ziel. In vroegere voordrachten hebben we aangetoond dat het zieleleven van de mens niet zomaar een chaotisch toe- en wegstromen van gevoelens, gewaarwordingen en begrippen is, zoals dat op het eerste zicht schijnt, maar dat we in die zielswezenheid drie onderdelen moeten onderscheiden.
Ten eerste, wat we genoemd hebben de gewaarwordingsziel. Die moeten we beschouwen als het laagste deel. We vinden deze gewaarwordingsziel in haar oereigenste gedaante als we mensen bekijken op een relatief lage ontwikkelingstrap. Mensen die zich nog totaal overgeven aan wat in hen woelt aan passies, driften, begeerten, levenswensen, en die daardoor iedere wens, iedere begeerte die in hen opkomt eenvoudigweg volgen. Wat we het Ik noemen, de eigenlijke zelfbewuste kern van de mensenziel, die rust bij zulke mensen die voornamelijk in de gewaarwordingsziel leven, als in een golvende zee van passies, driften, begeerten, van sympathieën en antipathieën, en gedraagt zich als een slaaf in iedere storm van de menselijke ziel. Zo'n mens volgt zijn neigingen, hij beheerst ze niet, hij laat zich erdoor beheersen. Hij geeft toe aan zijn onbestemde innerlijke verlangens. Het Ik komt weinig uit boven die golven van driften, begeerten en neigingen.
Als de ziel zich verder ontwikkelt dan wordt meer en meer duidelijk hoe het Ik vanuit een sterk middelpuntsgevoel begint te werken.
Tenslotte hebben we gewezen op het hoogste lid van de menselijke ziel, de bewustzijnsziel, waar het Ik met alle kracht tevoorschijn treedt. Daar keert het menselijke innerlijke leven zich weer naar buiten, en de voorstelllingen en begrippen zijn er nu niet alleen meer om de begeerten te overwinnen, maar op deze trap wordt het ganse innerlijke zieleleven vanuit het Ik gedirigeerd, zodat het een wetende spiegel van de buitenwereld wordt. Als de mens zich verheft tot het kennen van de buitenwereld dan verkrijgt de bewustzijnsziel de bovenhand in zijn zieleleven.
Deze drie zielsdelen vinden we bij iedere mens; het is altijd een van de drie die overheerst.
Nu hebben we in de laatste voordrachten getoond dat de ziel in haar ontwikkeling nog verder kan gaan. Reeds in het gewone leven moet de ziel verder gaan als de mens in de ware zin van het woord een mens wil worden. Een mens die als motief om te handelen alleen maar neemt wat de uiterlijke eisen van het leven hem stellen, die als impuls alleen maar neemt datgene waartoe hij door zijn sympathie en antipathie gedreven wordt, die kan nooit een streven hebben om de reine mensennatuur in zich te verwerkelijken. Pas wie zich verheft boven de alledaagse noden die sympathie en antipathie hem aanpraten, tot zedelijke idealen en ideeën, die wil pas de reine mensennatuur verwerkelijken. Zedelijke ideeën, ethische idealen moeten opstijgen in de mensennatuur uit dat wat we de geestelijke wereld noemen. Want door ons zedelijk streven en ethische begrippen verrijken we het zieleleven met nieuwe elementen. [ ... ]
Als we de mens bekijken tussen geboorte en dood, dan stellen we vast: De mensen rondom ons staan op de meest verschillende trappen in hun ontwikkeling. De ene vertoont als hij in het leven treedt een aanleg voor een of andere trap, en wij zien dat hem een bepaalde maat toegewezen is, waarbinnen hij zijn ziel tot een zekere graad kan leiden, om dat wat hij dan bereikt heeft mee te nemen door de poort van de dood en in een volgend leven verder te zetten. Zo vinden we de mensen naar karakter op de meest verscheiden trappen. Wanneer we dan deze mensen bekijken hoe ze trap na trap opstijgen, dan kunnen we de beide voorstellingen van positieve en negatieve mens niet zo hanteren dat we zeggen: de ene is positief, de andere is negatief; maar we vinden beide bij de afzonderlijke mens in opeenvolgende ontwikkelingstrappen.
Enerzijds moet de mens dus positief zijn, -we kunnen dit voorstellen door een cirkel: een op zichzelf staand innerlijk leven-, maar hij moet zich durven openstellen voor nieuwe, verrijkende indrukken -en dus tijdelijk negatief worden, de amoebe-achtige figuur. Daarna komt hij op een hoger niveau van positiviteit te staan.
Zich openstellen voor nieuwe indrukken bergt ook een gevaar: die nieuwe indrukken kunnen immers even goed slechte voorbeelden zijn. Mensen met een negatieve trek in hun ziel zijn dan ook vlug gegrepen door massahysterie, en dikwijls gewillige slachtoffers van sekte-praktijken. Rudolf Steiner wordt bijna bitter als hij het heeft over de gevolgen van het slordig denken.
Er is iets dat de ziel op een bepaalde manier altijd positiever maakt. Dat is voor de moderne mens in zijn huidige normale ontwikkeling -om 't even welk levensniveau hij bereikt heeft- het oordeel, het verstandig afwegen, het inzicht verkrijgen in een situatie, in een levensverhouding. Dat maakt altijd op een zekere manier positief. Daarentegen is het verlies van het gezonde zelfbewuste oordeel altijd iets dat de ziel negatief maakt, dat indrukken in de ziel zendt zonder dat die zich daar door positieve eigenschappen kan tegen verzetten.
We verwijzen hier naar het artikel over occult onderzoek, en ook naar het artikel over sekten in De Brug 6.
"Wanneer echter wat uit de geestelijke wereld komt, onderduikt in een gebied waar de bewustheid uitgesloten is, uitgesloten wordt, dan bestaat er altijd het gevaar dat het op de negatieve ziele-eigenschappen werkt. Want waar iets uit donkere, onbewuste grond de mens benadert, daar worden de negatieve eigenschappen actief. Als we het leven scherper bekijken, dan kunnen we telkens weer vaststellen dat de dommere door zijn positieve eigenschappen een sterkere werking uitoefent, zelfs op hem die wijzer is; dat deze laatste zeer gemakkelijk onder invloed komt van wat uit een niet zo gezond verstand -zoals hij dat wél heeft-, uit ergens een donkere diepte, naar de oppervlakte komt. Vandaar dat we begrijpen dat in het leven de fijnere naturen met een fijn uitgewerkt verstand overgeleverd zijn aan mensen met een robuust voorstellingsvermogen, die alles vanuit hun driften en neigingen beweren.
* * * * * * * * * * * De mens treedt uit zijn lichaam ...
[ ... ]
"Gewoonlijk let men er tegenwoordig niet meer op hoe de ene mens eigenlijk met de andere samenhangt. Het is zo dat tegenwoordig alle mensen eigenlijk afzonderlijk in de wereld staan. [ ... ]
Dat is een geschiedenis die men serieus mag nemen, die is echt gebeurd.
Maar mijne heren, u moet begrijpen, als men de zaak zo verklaart, dan verklaart men dat alsof er een tweede fysieke mens in ons zit die naar buiten kan glippen en kan gaan wandelen als een echte fysieke mens. Een dergelijke verklaring is een sterk bijgeloof. Dit bijgeloof is onder geleerden tegenwoordig zeer verspreid, anders zouden zulke zaken als die van Sir Oliver Lodge, die ik u verteld heb, zich niet voordoen. Het komt erop aan dat men weet wat daar echt gebeurd is. Zo is het over het algemeen in 't leven. Men bedenkt dikwijls niet wat een grote invloed de mensen op elkaar hebben. Gelooft u werkelijk, als iemand ons iets vertelt en we geloven hem, dat daar altijd een reden, een gegronde reden is die ons overtuigt ? Dat is absoluut niet waar. Iemand die men liefheeft gelooft men vlugger dan iemand die men haat. [ ... ]
* * * * * * * * * * * Over het occulte onderzoek
In "Het vijfde evangelie" spreekt Rudolf Steiner over hetgeen er in de ziel van Jezus omging tussen zijn twaalfde en zijn dertigste jaar. Daarbij wijst hij erop wat het voor de ziel van de helderziende betekent om tot die kennis te komen. Precies die passage vertaalden we. De voordracht vond plaats in Keulen op 18 december 1913.
[ ... ] "Voor ik verder ga met de beschrijving van het leven van de Christus Jezus, zou ik enkele bemerkingen willen maken die een idee geven van de manier waarop zulke zaken gevonden worden. Het kan er natuurlijk alleen maar om gaan om met weinig woorden een buitengewoon uitvoerige zaak te karakteriseren. Maar ik zou toch graag hebben dat u een voorstelling verkrijgt van hetgeen men occult onderzoek kan noemen, een dusdanige voorstelling waardoor men doordringt tot de concrete feiten die we hier gisteren konden beschouwen. Algemeen kan men over deze dingen zeggen: dit onderzoek berust op het lezen in de Akasha-kroniek. In grote lijnen heb ik in de artikels die in het tijdschrift "Lucifer-Gnosis" onder de titel "Uit de Akasha-kroniek, verschenen zijn, aangeduid hoe men zo'n lezen in de Akasha-kroniek moet opvatten. Men moet zich klaar voor ogen houden dat de verschillende feiten uit het wereldgebeuren en uit het wereldzijn op verschillende wijze moeten gevonden worden, en daarom zou ik nu a.h.w. wat reeds vroeger gezegd werd nog preciezer willen uitdrukken. Het is goed om ervan uit te gaan dat er in de grond in het wereld-al niets anders bestaat dan bewustzijnen. Behalve het bewustzijn van allerhande wezenheden is al het overige uiteindelijk een deel van de maja of de grote illusie. Dit feit kunt u vooral opmaken uit twee plaatsen in mijn werk, ook nog uit andere, maar vooral uit die twee: ten eerste uit de beschrijving van de totale evolutie van de aarde van Saturnus tot Vulcanus in "De wetenschap van de geheimen der ziel", waar geschilderd wordt hoe de voortgang verloopt van Saturnus naar Zon, van Zon naar Maan, van Maan naar Aarde enz. aanvankelijk alleen in bewustzijnstoestanden. D.w.z. wil men opstijgen tot deze grote feiten, dan moet men in het wereldgebeuren zo ver opstijgen dat men te maken krijgt met bewustzijnstoestanden. Aldus kan men eigenlijk alleen maar bewustzijnstoestanden schilderen als men realiteiten schildert. Uit een andere plaats in een boek dat deze zomer verschenen is, "De drempel van de geestelijke wereld", kunt u hetzelfde opmaken. Daar wordt getoond hoe door een geleidelijk opstijgen de blik van de ziener zich verheft boven hetgeen zich rond ons voordoet als dingen, als iets dat zich afspeelt in de dingen, hoe dat alles als iets nietig verdwijnt en smelt, vernietigd wordt en tenslotte het gebied bereikt wordt waar alleen nog wezens zich in een of andere bewustzijnstoestand bevinden. Dus, de werkelijke realiteiten van de wereld zijn wezens in verschillende bewustzijnstoestanden. Het feit dat wij in een menselijke bewustzijnstoestand leven en vanuit deze bewustzijnstoestand geen volledig overzicht van de realiteiten hebben, bewerkt dat ons als realiteit verschijnt wat geen realiteit is. Ik heb dat bij wijze van vergelijking al meermaals aangehaald. U moet zich maar de volgende vraag eens voorleggen: is een haar, een mensenhaar, als dusdanig een realiteit, al was het maar in de meest beperkte zin ? Heeft het een zelfstandig bestaan ? Het zou onzin zijn om te zeggen dat het een zelfstandig bestaan heeft. Het heeft alleen maar zin als we het beschouwen als iets dat groeit op een mensenlichaam, anders komt het niet voor, het kan niet op zich bestaan. Als een realiteit, zoals men die in het gewone leven opvat, als een zelfstandig wezen zo een haar te bekijken, ook slechts in aardse zin, voelt iedereen aan als onzin omdat nergens een haar afzonderlijk kan ontstaan. De afzonderlijke plant beleeft men vaak als een apart wezen, en toch is dat evenmin een apart wezen als een haar. Want wat het haar op een hoofd is, dat is de plant voor het organisme van de aarde, en het heeft helemaal geen zin om een afzonderlijke plant te beschouwen. De aarde moet men naar analogie met de mens beschouwen, en dus alle planten als bij de aarde behorend, net zoals het haar bij een hoofd hoort. Evenmin als een haar op zichzelf kan bestaan los van het hoofd, even weinig kan een plant als zelfstandig wezen bestaan los van het organisme van de aarde. Het is belangrijk om in 't oog te houden waar men moet ophouden als men een wezen beschouwt als een wezen op zich. Maar uiteindelijk, op het laatste betekenisniveau dat een mens kan bereiken, is alles wat niet in een bewustzijn zetelt, geen zelfstandig wezen. Alles zetelt in een bewustzijn, en wel op verschillende wijze. Laat ons eens een gedachte nemen, dus datgene wat wij als mensen denken. Vooreerst zijn deze gedachten in ons bewustzijn, maar ze zijn niet alleen in ons bewustzijn. Ze zijn tegelijk in het bewustzijn van de wezens van de hiërarchie boven ons, de angeloi of engelen. Terwijl wij een gedachte hebben, is onze ganse gedachtenwereld bijvoorbeeld gedachte der engelen. De engelen denken ons bewustzijn. En daarom zult u inzien hoe men, als men een ziener wordt, een andere beleving moet ontwikkelen t.o.v. het beschouwen van de wezens in hogere werelden als dat in het gewone, uiterlijke leven het geval is. Als men zo blijft denken zoals over de fysieke-zintuiglijke wereld, over het aardse bestaan, dan kan men geen ziener op een hoger niveau worden. Want daar moet men niet alleen denken, maar gedacht worden en er zich van bewust zijn dat men gedacht wordt. Het is niet gemakkelijk -omdat op dit ogenblik daar nog geen mensenwoorden voor bestaan- om precies te karakteriseren wat voor een beleving men daar heeft t.o.v. zijn eigen beschouwen. Bij wijze van vergelijking zou men zo kunnen zeggen, dat men allerlei bewegingen uitvoert, en deze bewegingen neemt men niet waar aan zichzelf maar men kijkt in het oog van een medemens en neemt daar het spiegelbeeld van de eigen bewegingen waar en zegt: als men daar kijkt, dan kan men daaruit te weten komen dat men dit of dat met de handen of met de gelaatsuitdrukking uitvoert. Dit gevoel heeft men reeds op de eerste trap van helderziendheid. Men weet slechts in 't algemeen dat men denkt, maar men neemt zichzelf waar in het bewustzijn van de wezens van de volgende hiërarchie. Men laat zijn gedachten door de engelen denken. Men moet weten dat men niet zelf zijn gedachten in zijn bewustzijn dirigeert, maar dat de wezens van de eerstvolgende hiërarchie deze gedachten dirigeren. Men moet het bewustzijn der engelen voelen zoals dat de mens doorgolft en doorweeft.
Dan verkrijgt men a.h.w. een kennis over de impulsen die continu in onze ontwikkeling werken zoals bvb. over de waarheid van de Christus-impuls, hoe deze ook nu nog doorwerkt, nadat hij er eenmaal geweest is. De engelen kunnen deze impulsen denken; wij mensen kunnen ze denken en karakteriseren, als wij ons tot onze gedachten dusdanig verhouden dat we ze overmaken aan de engelen opdat zij in ons denken. Dat verkrijgt men door een voortgezet oefenen zoals ik het in mijn boek "Hoe verkrijgt men bewustzijn van hogere werelden ?" beschreven heb. Vanaf een bepaald ogenblik verbindt men een gevoel, een zin met de woorden: jouw ziel denkt nu niet meer, ze is een gedachte die de engelen denken. En naarmate dat voor het afzonderlijke menselijke beleven een waarheid wordt, beleeft men in zich, laat ons zeggen, de gedachten van de algemene Christus-waarheden of ook andere gedachten over de wijze leiding van de aarde-evolutie.
Alle zaken die betrekking hebben op de afzonderlijke periodes van de aarde-ontwikkeling, op de oer-Indische epoche, op de oer-Perzische epoche enzoverder, die worden gedacht door de aartsengelen. Door een voortgezet oefenen komt men ertoe niet alleen door engelen gedacht te worden, maar ook door de aartsengelen beleefd te worden. Men moet er enkel maar in het verder verloop van het oefenen toe komen dat men weet: je geeft je leven voor het leven der aartsengelen. In het boek "De drempel van de geestelijke wereld" is een en ander over deze zaken meer in detail geschilderd, nl. hoe men het gevoel bekomt, als men zijn oefeningen verderzet -ook in München heb ik daarover gesproken-, grotesk uitgedrukt, alsof men zijn hoofd in een mierenhoop zou steken. De mieren zijn de gedachten die zich bewegen. Terwijl men in het gewone leven meent dat men zijn gedachten denkt, komt men door het oefenen ertoe in te zien dat de gedachten in ons denken, omdat de angeloi, de engelen, in ons denken. En in het verder verloop van het oefenen krijgt men het gevoel dat men naar verschillende gebieden van de wereld door de aartsengelen gedragen wordt en daardoor deze gebieden leert kennen. Wie op de juiste manier de Egyptische cultuur, de Indische cultuur schildert, pas die kan de betekenis begrijpen van wat zo klinkt: je ziel wordt gedragen door een aartsengel in deze of gene tijd. Maar om afzonderlijke gebeurtenissen te kunnen doorvorsen, daarvoor moet de ziel eerst een zin kunnen vastknopen aan de woorden: de ziel biedt zich als spijs aan bij de Oerbeginnen of Archai, de geesten der persoonlijkheid. Wat ik zoëven zei klinkt grotesk, maar een waarheid is dat men concrete feiten zoals het leven van Jezus in Nazareth niet kan doorgronden vooraleer men een zin kan verbinden met de woorden: men wordt als geestelijk voedsel gegeten en dient zo de geesten der persoonlijkheid. Dat is natuurlijk iets dat voor de mens die tegenwoordig in de uiterlijke wereld staat, klinkt als waanzin. Vanzelfsprekend ! Maar toch, zo waar het stuk brood dat naar onze maag gaat, ons voedsel wordt -en als dat stuk brood kon denken dan zou het weten dat het een zin en levensdoel heeft door voedsel te worden voor ons- even waar is het dat wij mensen de opdracht hebben om archai tot voedsel te dienen. Terwijl wij hier op aarde rondwandelen, zijn wij tegelijkertijd wezens die voortdurend door de archai verteerd, gegeten worden. U zult niet ontkennen dat de mensen in het gewone leven dat niet weten, dat ze het waanzin zouden noemen als iemand hen zoiets zou vertellen. De mens is voor de archai wat de tarwekorrel voor u als fysieke mens is. Maar men moet dit niet theoretisch weten, men moet t.o.v. de archai zo leven als de tarwekorrel zou leven wanneer hij tot brij vermalen wordt door onze tanden, en langs verhemelte en maag passeert met het bewustzijn: ik ben spijs voor de mensen; zo moet men weten: ik ben spijs voor de archai, ik word verteerd door de archai, het is hun leven wat ik in hen leef. Dit levendig te weten, dat betekent: zich verplaatsen naar het bewustzijn van de geesten der persoonlijkheid, de archai; net zoals het betekent dat men zich plaatst in het bewustzijn der aartsengelen als men weet: je ziel wordt gedragen door de aartsengelen naar die of die tijdsperiode; en net zoals het betekent: zich plaatsen in het bewustzijn der engelen als men weet: mijn gedachten worden gedacht door de engelen. Als men lezend (in de Akasha-kroniek) wil doordringen in de hogere werelden, dan moeten de toestanden van het beleven anders worden. Het is noodzakelijk om wetend verteerd te worden door de geesten van de persoonlijkheid als er feiten moeten onderzocht worden die zo concreet bestaan in de mensheidsontwikkeling als het leven van Jezus van Nazareth. Misschien dienen deze bemerkingen die ik hier maak er toch ook enigszins toe om duidelijk te maken hoe totaal anders dit occulte vorsen is t.o.v. het onderzoek in de uiterlijke wereld. Want het beeld kunt U zeker doordenken, en het geeft u correcte aangrijpingspunten: u kunt zich verplaatsen in de tarwekorrel die tot brij vermalen wordt, tussen de tanden gepletterd wordt, om er een voorstelling van te krijgen -wat een juiste analogie is- van wat het lezen in het bewustzijn van de archai betekent. Ook daar moet men in zijn ziel verpletterd worden en moet het voelen. Dat betekent: onderzoek in de hogere werelden is niet mogelijk zonder innerlijke tragiek, zonder innerlijk lijden. Zo gladweg abstract, zonder dat het pijn doet, zoals onderzoeken in de fysieke wereld verlopen, zo is een schouwen in de hogere werelden niet te bereiken, tenminste als het iets meer wil voorstellen dan gefantaseer. Vandaar de moeite die ik gisteren heb gedaan om bij de schildering van het Jezus-leven af te stappen van abstracte begrippen, van abstracte schilderingen. Denkt u maar terug aan datgene waar ik hoofdzakelijk uw aandacht op richtte, op datgene waar het op aankomt. Ik zei: zo was het leven van Jezus van Nazareth tussen het twaalfde, achttiende, twintigste jaar tot het dertigste. Wat men daar schildert, daar komt het eigenlijk niet zo op aan. Waar het op aankomt, dat is een levendig aanvoelen te verkrijgen van hetgeen de Jezus-ziel doormaakte bij het beleven van wat beschreven werd, dat is: eveneens de pijn te voelen van de eenzaamheid, de oneindige pijn van daar eenzaam te staan met oerwaarheden zonder dat er oren zijn die er willen naar luisteren. Ik wou wijzen op het zieleleven van Jezus van Nazareth. Ik wilde het drievoudige grote medelijden met de mensheid tussen zijn twaalfde en dertigste jaar aanschouwelijk maken. Over de betekenis van wat Jezus doormaakte als voorbereiding tot het mysterie van Golgotha gaat u niet zozeer iets weten door uzelf of anderen te vertellen wat ik probeerde aan te duiden. Neen, u komt het eerst te weten doordat u zich een voorstelling verschaft die uw ziel diep beweegt en schokt, een voorstelling van hetgeen moest geleden worden door deze mens Jezus van Nazareth, vooraleer hij klaar was voor het mysterie van Golgotha, opdat de Christusimpuls in de aarde-ontwikkeling zou kunnen binnenstromen. En een levendige voorstelling van deze Christusimpuls roept men op door dit lijden in zich terug op te wekken, doordat men de feiten die op dergelijke zaken betrekking hebben moet schilderen door de gevoelens die toen bestonden tegenwoordig te maken. Dat kunt u opmaken uit de wijze van Akasha-onderzoek die ik in een paar woorden probeerde te karakteriseren. Hoe meer het lukt om die breed-golvende, glooiende, wevende belevingen van een wezenheid zoals Jezus van Nazareth er een was, terug in uzelf na te beleven, des te dieper dringt men in zulke geheimen in." [ ... ]
* * * * * * * * * * * Genezend onderwijzen
Bij het begin van dit nieuwe schooljaar wilden we ook nog eens iets over de Steinerpedagogie publiceren. Opnieuw werd het een uittreksel uit Erziehungskunst (het nummer 7/8 van juli/augustus).
Aan het woord is Hans Friedbert Jaenicke.
Rudolf Steiner wijst in zijn voordrachtcyclus "Opvoeding als een sociale kwestie" op het feit dat de kinderen vandaag anders zijn als vroeger en dat ze anders moeten opgevoed en onderwezen worden als dat in het verleden het geval was. Dit zei hij 70 jaar geleden, maar vandaag is die uitspraak zeker nog actueler en kenmerkender dan in het jaar na de eerste wereldoorlog. Reeds toen ging het erom de kinderen te redden door een nieuwe pedagogiek : "Men moet onderrichten vanuit het bewustzijn dat men eigenlijk bij ieder kind een redding moet volbrengen ... " De ervaringen van de schoolartsen die de nieuwe eersteklassers onderzoeken tonen zonder de minste twijfel aan dat het aantal ontwikkelingsgestoorde kinderen voortdurend toeneemt. In Duitsland gaven overheidscijfers in 1972 aan dat één kind op tien ontwikkelingsstoornissen vertoont. Deze cijfers werden om politieke redenen te laag genomen -het ging om een herstructurering van het bijzonder onderwijs- en werden dan ook betwijfeld door deskundigen uit de hogescholen. Zij hielden het bij 25 %. Dat betekent dat één kind op vier opvalt. Vanuit de kinderpsychiatrie werd op grond van onderzoeken door schoolartsen in de grootsteden bij één kind op twee zware ontwikkelingsstoringen vastgesteld. Schoolartsen die met de Berlijnse Steinerscholen samenwerken gaan ervan uit dat het in Berlijn reeds rond de 70 % ligt. We hebben het hier niet over blijvende handicaps zoals blindheid, doofheid, lichamelijke of geestelijke handicaps, maar het gaat over storingen die in de constitutie zitten en door invloeden uit de omgeving nog versterkt worden. We maken hier de kinderen mee waarvan Rudolf Steiner in zijn pedagogische voordrachten altijd spreekt als tegenpolen. 1) Kinderen bij wie het Ik zich niet op de juiste wijze verbindt met de lichaamsorganisatie, "en het gevolg is dat de mens een dromer wordt of dweepzuchtig, of in het algemeen voor het leven onbruikbaar". Dit verschijnsel komen we tegen bij dromers die erop los fantaseren, kinderen die in de "Heilpedagogische cursus" beschreven worden als neigend tot hysterie. Als een extreem geval van zo'n dreigende "onbruikbaarheid voor het leven" kan men het autistische ziektebeeld beschouwen. De psychologie spreekt hier van geretardeerde kinderen, Rudolf Steiner spreekt van zielen die een zekere vrees en angst hebben om binnen te treden in een wereld waar de intelligentie een hang en de neiging tot het kwaad heeft. Deze vrees om in de wereld binnen te treden drukt zijn stempel op de vroegste ontwikkeling van de kinderen, en ze vallen in de peutertuin en in de kleuterklas op doordat ze zich moeilijk kunnen aanpassen aan de stoffelijke en en sociale eisen van de groep en de klas. Ze lijden onder de schoolsituatie en vertonen de zielekwetsuren waarvan sprake is in de "Heilpedagogische cursus". 2) We komen ook kinderen tegen op de drempel van de schoolrijpheid met een niet in te tomen intelligentie. Ze zijn verder ontwikkeld dan hun leeftijd aangeeft, hebben klaarwakkere zintuigen, en vallen dikwijls op doordat ze wel goed begaafd zijn, maar zich niet kunnen concentreren en zich sociaal niet kunnen invoegen. Bernhard Lievegoed spreekt in zijn heilpedagogische beschouwingen van propulsieve kinderen die tot neuropathologische ziektebeelden neigen, met stoornissen in ademhaling (stotteren, astma), bloedsomloop (onmacht, doorbloedingsstoornissen) en stofwisseling (late zindelijkheid, diarree, verstopping, magerzucht enz.). Deze kinderen worden dikwijls overbelast omdat ze ouder willen zijn als ze in werkelijkheid zijn, en in een schoolsituatie komt het in vele gevallen tot zware kramptoestanden die zich uiten als gedragsstoornissen. Maar bij de overgang naar het eerste leerjaar stelt men niet alleen deze aanleg tot hysterie en kramp vast, maar bij vele kinderen valt op dat de vier "onderste zintuigen" of "lichaamszintuigen" niet gezond ontwikkeld zijn : - kinderen met tastzin-problemen die door nieuwsgierigheid, egocentrisme en zware onrust opvallen; - kinderen bij wie de "levenszin" (waarmee we ons eigen lichamelijk bevinden waarnemen) ons door onwelzijn signaleert dat de innerlijke orgaan- en levensprocessen gestoord zijn; - kinderen bij wie de fijn- en grote motorische mogelijkheden te weinig of te sterk ontwikkeld zijn (storing van de bewegingszin); - kinderen bij wie de evenwichtszin gestoord is, die niet over een evenwichtsbalk kunnen lopen, en die in hun ziel geen innerlijk evenwicht, geen rust kunnen vinden.
Daarbij komen dan nog de kinderen die zich in de ruimtelijke oriëntering niet duidelijk op links of rechts kunnen vastleggen, en bij wie het reeds bij de aanname duidelijk is dat er gevaar voor dyslexie is. En tenslotte vermelden we nog de kinderen die door allergieën en overgevoelige huid nauwelijks in staat zijn om rustig en geconcentreerd bij een zaak te blijven.
Zielezorg moet echter bekeken worden als een genezingsproces, en opvoeden moet verstaan worden als genezen. Onze kinderen komen niet als een onbeschreven blad ter wereld, zoals Rousseau dacht, maar ze komen op de wereld om genezen te worden. In de tweede voordracht van GA 302 zegt Rudolf Steiner: "Wat verloren gegaan is, dat is dat de mens eigenlijk een wezen is dat moet genezen worden".
Wat Rudolf Steiner wou, nl. dat de leraar met omgevormde genezerskrachten zou opvoeden, dat stelt aan de leraar wezenlijk hogere eisen wat betreft genezend opvoeden en opvoedend genezen, dan wanneer de leraar zijn onderrichts- en opvoedingswerk beperkt tot kennisoverdracht en voorbereiding op de universiteit. Onze kinderen komen niet als toekomstige universiteitsstudenten naar deze wereld, en zeker niet naar de Steinerschool. De leraar in de Steinerschool moet zich ervan bewust zijn dat het niet zijn taak is om zoveel mogelijk reproduceerbare kennis over te brengen en methoden uit te vinden die dat doel kunnen bewerkstelligen, maar hij moet wegen, methoden vinden die het genezingsproces dienen.
In de Steinerschool is al het onderricht doordrongen met ritme : Het leerplan dat gebaseerd is op de ritmische levensprocessen van een gezonde kinderontwikkeling, is ritmisch opgebouwd. Het biedt de mogelijkheid om het kind de leerstof van periode tot periode, van jaar tot jaar aan te reiken, met herhalingen te verdiepen, en dan omgevormd verder te zetten. Reeds op kleine schaal speelt de ritmische driedeling -leren kennen, kunnen-leren, en het kunnen- van dag tot dag een belangrijke rol.
* * * * * * * * * * * Karl Marx
In het vorige nummer van De Brug beloofden we om eens iets meer te zeggen over de figuur van Karl Marx.
Wat opvalt als we de biografie van Karl Marx lezen, is eigenlijk de steun die hij gans zijn leven van Friedrich Engels heeft gekregen. Niet alleen financieel: toen bijvoorbeeld de huishoudster zwanger werd, verdacht Jenny, de echtgenote van Marx, haar man ervan de vader te zijn, wat hij ook was. Om de huiselijke vrede te bewaren nam Friedrich Engels het vaderschap op zich !
[ ... ] "Of laat ons nog een ander geval nemen. Heel bijzondere verhoudingen leidden mij ertoe om de blik te richten op bepaalde gebeurtenissen die zich afspeelden in wat wij nu het noordoosten van Frankrijk noemen, en wel in de achtste, negende eeuw, een beetje later dus dan de tijd waarover ik zojuist sprak. Er speelden zich daar bijzondere gebeurtenissen af. In die tijd bestonden de grote nationale staten nog niet, en wat toen gebeurde geschiedde altijd binnen kleinere mensengroeperingen.
Nu gingen die beide persoonlijkheden van toen als respectievelijke individualiteiten door de poort van de dood, maakten in de geestelijke wereld tussen dood en nieuwe geboorte alles mee wat nu eenmal sindsdien kon meegemaakt worden, en verschenen terug in de 19de eeuw. Diegene die huis en hof verloren had en een soort lijfeigene was geworden verscheen als Karl Marx, de grondlegger van het nieuwe socialisme. En de andere, die hem toentertijd zijn landgoed had afgenomen verscheen als zijn vriend Friedrich Engels. Wat ze in het verleden met elkaar moesten uitmaken, vormde zich om tijdens de lange weg tussen dood en nieuwe geboorte tot de drang om goed te maken wat ze elkander aangedaan hadden. Dat zijn zaken die van het louter sensationele, dat gemakkelijk opduikt als het over concrete reïncarnatieverhoudingen gaat, verder leiden naar een beter begrip van de geschiedenis. En men beschermt zich het best tegen verkeerde voorstellingen als men niet ingaat op het sensationele, als men niet alleen wil weten: hoe is dat nu met die wedergeboorte ? - maar wanneer men al wat in de geschiedenis samenhangt met wel en wee, met vreugde en leed van de mensheid, probeert te begrijpen vanuit de terugkerende aardelevens van individuele mensen." [ ... ] * * * * * * * * * * * Over de occulte scholingdoor Jan Vermeir
Er kunnen drie soorten van occulte scholing onderscheiden worden: deze volgens de Oosterse weg, de tweede volgens de zuiver christelijke weg en de meest recente, die volgens de Rozenkruisers-christelijke weg. In De Brug 7 verscheen een artikel waarin de Oosterse methode werd beschreven.
In zekere zin moet nu de omgekeerde weg gegaan worden die de yogi volgde: om God te vinden ging de yogi vanuit de geestelijke wereld naar zijn Ik; nu moet men vanuit het Ik naar de geestelijke wereld gaan. Met ons ontwikkeld zelfbewustzijn moeten wij ons denken zo inrichten dat wij een inzicht krijgen in de ons omringende buitenwereld. Wij bekijken, bestuderen en analyseren de wereld door middel van onze zintuigen, van onze hersenen. Maar krijgen wij op die manier een waar inzicht in de wezens en de fenomenen die ons omringen ? Eerder dringen wij onze eigen visie op en bepalen wij zelf wat de aard van de dingen is, of zou moeten zijn.
"In het oerbegin was het Woord
2) De christelijke weg: deze occulte scholingsweg is ontstaan vanaf de eerste eeuwen van onze jaartelling, en was de gebruikelijke weg tot in de middeleeuwen. De trappen die men voor deze scholing moet doormaken zullen hier niet beschreven worden.
3) De Rozenkruisers-christelijke weg. Voor ons tijdperk en voor de westerse mensennatuur is de Rozenkruisersweg de meest geschikte manier om de inwijding te bereiken. Inwijding betekent: het opwekken van de innerlijke aanleg die in ieder mens sluimert, waardoor men inzicht kan verwerven in de geestelijke werelden. Vooral nu is het occulte zeer in trek: het jaar 2000 nadert, het Waterman-tijdperk is in zicht, er zijn een aantal occulte zaken in de openbaarheid gebracht; de goeroes duiken op, allerhande charlatans -immorele en amorele types die zich bedienen van occulte wetenschap, en er hun eigen brouwsel van maken-, trekken uit persoonlijke doeleinden nieuwsgierige en argeloze mensen aan om hen in te wijden in hun "occulte scholing". Men kan deze valse leraren echter gemakkelijk herkennen: een echte leraar treedt niet in de openbaarheid, loopt niet te koop met zijn speciale gaven, wendt nooit zijn kennis aan voor zijn persoonlijk belang.
Zich inlaten met occulte scholing, om het even of het nu een ware is of één die op bedrog berust, is niet zonder gevaar: geestelijke organen (de zgn. chakra's of lotusbloemen) die bij iedereen aanwezig zijn maar normaal gezien in rust zijn, worden in beweging gebracht, en dat in beweging brengen vergt innerlijke krachten. Die krachten worden geput uit de vermogens die gedurende de slaap het lichaam en de geest van nieuwe energie voorzien. Occulte bezigheden putten de mens uit, zowel psychisch als fysisch, en wil hij geen schade toebrengen aan zijn lichaam of aan zijn geest dan moet hij die krachten vervangen door iets anders, en dat is RITME.
Ritme vervangt kracht, een belangrijke occulte grondregel !
1) Gedachtencontrole.
2) Initiatief tot handelen.
3) Gelijkmoedigheid.
4) Onbevangenheid.
5) Geloof.
6) Innerlijk evenwicht.
* * * * * * * * * * * Juglans Regia - de noteboom
Het gebeurde eens dat een noot door een kraai tot op een hoge klokkentoren gedragen werd, en daar ontsnapte aan de dodelijke snavel doordat ze in een spleet in de muur viel. Ze bad de muur om haar toch bij te staan ter wille van de genade die God haar (de muur) betoond had met die o zo prachtige, wonderlijke, en schone klokken met zulke eervolle klanken. Want daar ze niet onder de groene twijgen van haar oude vader had mogen ontkiemen, om in de vette aarde onder zijn afvallende blaren een rustplaats te vinden, daarom mocht de muur haar toch niet in de steek laten: toen ze zich namelijk in de rauwe snavel van de kraai bevond, had ze de belofte afgelegd dat ze haar leven in een klein gaatje zou beëindigen indien ze heelhuids aan die snavel zou ontkomen.
In deze fabel gebruikt Leonardo da Vinci -want dat is de schrijver van deze en andere weinig bekende fabels- het beeld van de levenskracht van de noteboom om op een veel voorkomende karaktertrek bij de mensen te wijzen die hem reeds in zijn tijd opgevallen was.
Vol kracht grijpt de schone gestalte van de noteboom in het licht- en luchtruim, zuigt licht en warmte zo intensief naar zich toe, dat andere gewassen zich maar moeilijk naast hem kunnen handhaven. Door het loof, in de lichte schaduw van de kroon, hangt een scherpe geur, ieder breed-geveerd blad met zijn dikke nerven wil zijn eigen plaats, een ietwat egoïstische gezondheid duldt noch kevers, noch rupsen, vliegen of mieren rond zich. De boom moet hard behandeld worden om vruchtbaar te blijven, zo menen de mensen, de vruchten moeten met stokken afgeknuppeld worden. Onder de lichte, gladde schors van de stammen die eeuwenoud kunnen worden, vormt zich het harde, dichte, zware hout. De jonge blaren, als men ze lang laat trekken, geven een scherp-aromatische, smakelijke thee, het aftreksel bestrijdt uitwendig en inwendig ongedierte, parasieten, wormen. De volksgeneeskunde behandelt ook tuberculeuze huid-, slijmvlies- en klierziekten bij kinderen (scrofulose) met een bladaftreksel, inwendig en als bad.
Om op het spoor te komen van de genezende krachten van de noteboom moeten we bekijken hoe de boom zich in lucht, licht en warmte begeeft, deze machtig tot zich trekt, maar zich door deze elementen niet laat oplossen of laat aantrekken, maar integendeel met de aardevastheid verbindt wat hij uit de kosmos ontvangt. Het intensieve looistofproces in blad, vruchtvlees en zaadhuid wijst op de astraalsfeer die in het luchtgebied zit, etherische en vette olie duidt op de inlijving van de kosmische licht- en warmtesfeer. De vette zaadolie heeft een zeer onverzadigd karakter, ze behoort bij de "drogende" oliën; ze zuigt zuurstof aan en wordt daarbij dicht en taai. Men gebruikte ze daarom bij de vernisproductie. ![]()
Rudolf Steiner heeft tweemaal aanwijzingen gegeven om preparaten te winnen uit de Juglans Regia. Een eerste keer had hij het over de looizuren die uit het blad moesten gehaald worden (en afwisselend met bitterstoffen uit bvb. de akker-ereprijs moesten gegeven worden) om bepaalde vormen van asthma te behandelen. Bij asthma gaat het om een onregelmatige activiteit van het astraallichaam, vooral in de luchtwegen en longen. Daarenboven een "gebrek aan appetijt van het ganse organisme" dat ertoe leidt dat voedingsstoffen niet op een gezonde wijze in het rythmische systeem, in de bloedsomloop opgenomen worden. [ ... ] ![]()
Bij de appel eten we het vruchtvlees en gooien de zaden weg; Nog iets over de long:
De long is in een bepaald opzicht het aarde-incarnatie-orgaan. De ademende aardewezens verwerven het pas op een bepaalde trap in hun ontwikkeling. Bij de overgang van kieuwademhaling naar longademhaling zien we een instulping naar binnen van het ademhalingsapparaat. Tegelijk geschiedt er een uitstulping naar buiten van de ledematen die activiteit en beweging op het vaste, het eigenlijke aarde-element mogelijk maakt. Met de eerste ademtocht is de overgang uit het leven in het vloeibare van de embryonale sfeer naar de wereld van het vaste, zware, verbonden. ![]()
En tot slot een mooi gedicht over de walnotenboom ( toegevoegd op 20 februari 2001)
Blijf af van de vruchten van de walnotenboom,
Niemand steelt van de walnotenboom. *** ** *
* * * * * * * * * * * Andrej Belyj over Rudolf SteinerDe bouw van het eerste Goetheanum in Dornach was voor allen die erbij meehielpen een geweldige leerschool. Mensen van verschillende nationaliteiten moesten met elkaar samenwerken op een ogenblik dat Zwitserland omringd was door oorlogvoerende partijen. De gebeurtenissen op het slagveld hadden natuurlijk hun weerslag op de verhouding tussen Duitse, Russische, Engelse en Nederlandse antroposofen. Hun vaderlandsliefde, hun chauvinisme, moesten ze overwinnen ter wille van een zelfgekozen, hoger doel: de bouw van een uniek kunstwerk. Dit unieke kunstwerk, met zijn twee koepels was bijna volledig uit hout. Zuilen, kapitels, architraven moesten allemaal met de hand een vorm krijgen, een kunstzinnige vorm dan nog wel. Vele deelnemers hadden voordien nog nooit iets praktisch gedaan, nog nooit met hout, glas of steen gewerkt. Rudolf Steiner zelf was zo druk bezet dat hij niet iedere dag aan iedereen aanwijzingen en correcties kon geven. Hij verwachtte dat de helpers hun eigen kunstzinnig oordeel zouden scholen, samen met hun handvaardigheid. Onvermoeibaar steunde hij allen die ernstig bezig waren en eerlijk aan 't zoeken waren. Maar als hij ergens eigendunk, verwaandheid, ijdelheid aantrof, dan kon hij de betrokkene er behoorlijk van langs geven ... op zijn manier ! Zo vertelt Andrej Belyj in zijn boek "Mijn jaren met Rudolf Steiner"(uitgegeven bij Vrij Geestesleven) heel openhartig wat hem eens overkwam. Met de "doctor" wordt natuurlijk Rudolf Steiner bedoeld, Katsjer is de naam van de werkleidster, Boegajev is de echte naam van Andrej Belyj. Deze vertaling is van Menno Kraan.
Het was duidelijk dat de doctor zich van zijn werkwijze nog niet geheel bewust was; anders waren Von Eckhardstein en ik niet zo in de nesten geraakt. Duidelijke richtlijnen waren er niet. Ik kreeg Steiners kritiek te verduren doordat de leidster in gebreke bleef wat betreft haar aanwijzingen en doordat ik met lof overladen werd door de kunstenares Von Eckhardstein, wier ervaring door ons hoog werd aangeslagen: mijn ervaring als houtbewerker bedroeg niet meer dan twee maanden. Het begon zo: we zaten te luisteren naar een voordracht van de doctor in Bazel; op dat moment woedde er een orkaan boven Dornach, die onze werkbarak verwoestte; ze waren ongeveer twee weken bezig met repareren; om geen tijd te verliezen verhuisden we naar een andere barak, waar de modellen voor de kleine koepel stonden; er werd in provisorische, toevallig zo samengestelde groepen aan gewerkt; alleen ik bleef "werkloos" over; Von Eckhardstein komt naar me toe en nodigt me uit om met haar aan een nieuwe, mij weinig bekende vorm te komen werken. Eenmaal bij Von Eckhardstein in de hoedanigheid van haar enige helper, gehoorzaamde ik aan haar aanwijzingen: de kostuumontwerpster van de mysteriedrama's, de vormgeefster van de weekspreuken, een zeer naaste leerling van Steiner, "helderziend" zoals men zei - moest ik haar dan soms tegenspreken, terwijl ook Katsjer, toen ze mij met Von Eckhardstein bezig zag, niet naar me toekwam ? Het was toch niet haar taak om Von Eckhardstein aanwijzingen te geven. Von Eckhardstein was capricieus en zat vol koketterie en extravagantie, om te beginnen zag je dat al aan haar kleding: een paars werkschort en een blauwzijden haarband creëerden een impressie van Lucifer op de groene heuvels van Dornach (in een dergelijk kostuum speelde zij de rol van Lucifer in Steiners mysteriedrama's); zelfs het handvat van haar guts had ze paars geverfd; steunend op de hand met de guts en haar andere hand gebiedend naar de vorm uitgestrekt, schitterde zij met haar groene, fosforiscerende ogen achter mijn rug en dirigeerde al mijn handelingen (gedurende de eerste dagen), terwijl ze mij heel verleidelijk complimenten in het oor fluisterde. Het hout was hard en zij had maar weinig kracht; ze liet mij de guts vasthouden en zelf sloeg zij er met de hamer op; of zij hield de guts vast en ik sloeg erop; ons duet trok de aandacht (het blok hout stond in een gang): iedereen bleef staan bij het zien van dat vreemde schouwspel: de schilderachtige Von Eckhardstein die heel schilderachtig op de guts stond te slaan die ik voor haar vasthield; men wees naar ons en zei waarschijnlijk: "Zo'n ervaren kunstenares heeft niet toevallig Herr Boegajev als assistent aangenomen !"
Spoedig echter liet Von Eckhardstein alles aan mij over en verdween van de werkvloer; wat ik ook deed, ze prees me altijd: "Heel mooi, heel smaakvol !" Mijn aandelen stegen, bij de mensen om mij heen, maar ook bij mijzelf; ik geloofde Von Eckhardstein. De vorm leek zijn voltooiing te naderen; als ik van de steiger kwam, genoot ik er zelf van wanneer ik er van opzij naar keek; en ik vergeleek mijn methode van werken met die van de vorm ernaast, die een soort "dor" kristallijn geheel was hetgeen me niet beviel; de sterkste kant van mijn vorm vond ik zijn rondheid. Naar men zei kwam de doctor er tijdens mijn afwezigheid op af en bleef er lang staan naar kijken. De volgende zondag werd er een voordracht van hem aangekondigd over het thema 'vormgeven in hout'. De voordracht vond plaats op de plek waar wij werkten; er werd een kleine lessenaar bij mijn vorm neergezet; mijn hart bonsde helemaal: ik dacht dat hij mijn vorm ten voorbeeld zou stellen: Katsjers terughoudendheid en de 'vleierij' van Von Eckhardstein hadden mij het hoofd op hol gebracht. Inderdaad koos de doctor mijn vorm uit, maar, mijn God, wat hoorde ik daar ? Alles wat ik voor goed hield werd door de doctor verworpen: die rondheid was smakeloos, het was zelfs een 'vetlaag' die zo snel mogelijk diende verwijderd te worden: de doctor trok grimmige gezichten in mijn richting (zo leek het mij althans); telkens draaide hij zich abrupt naar mijn vorm om, wees ernaar en zei: "Kijk nu toch eens: dat lijkt toch precies op een dikke pens !" Later, in de gestencilde samenvatting van de voordracht, las ik over mijn uitbrander en trof hier een heel wat mildere uitdrukking: hier ging het niet meer over een "pens", terwijl dat woord toch echt was gebruikt; en er was geen sprake meer van de verschrikkelijke grimassen van de doctor, toen hij, naar het mij leek, vol verachting mijn vorm bekritiseerde: meer dan de helft van de zaal wist wie de maker was: hij had zo staan schitteren op de steigers in die dagen, en hij was iedereen opgevallen door de trotse zekerheid van zijn bewegingen en het stoere gezwaai met zijn hamer. Ik zat op hete kolen; en jawel, ik was razend; ik dacht: "Dat is geen pak rammel meer, dat is gewoon pure spot !" Mijn besluit stond vast: ik zou geen guts meer aanraken. Om de vernedering compleet te maken draaide de doctor zich aan het eind van zijn voordracht om naar de kristallijne vorm waarop ik zoveel had aan te merken, en hij zei: "Hier hebt u nu een voorbeeld van hoe het wel moet !" Zo werd voor het eerst het principe der vlakken toegelicht (op de resten van mijn vernietigde hoop !)." Terug naar de anecdotes.
* * * * * * * * * * *
|