De Brug 9 van september 1995

Beste lezer,

Voor deze aflevering van De Brug, het eerste nummer van de derde jaargang, kozen en vertaalden we o.m. een fragment uit GA 59 "Pfade der Seelenerlebnisse".
In dat artikel gaat het over de positieve en de negatieve mens.
Wij hebben natuurlijk direct de neiging om te denken . "Ah, positief, dat is goed, en negatief, dat is slecht", maar zo eenvoudig is het niet. We verwijzen daarvoor naar de volgende pagina.
Maar op gevaar af van de zaken een beetje uit hun verband te trekken, laten we toch Rudolf Steiner reeds hier aan het woord met een stukje uit het einde van de betreffende voordracht (p. 207 in de Taschenbuch-uitgave). Dit uittreksel zou moeten dienen om sommige lezers aan te moedigen om de inspanning die de lectuur van dit tijdschrift vraagt toch maar vol te houden .

" Aldus ligt er in de geesteswetenschap of antroposofie iets voor de mens dat zonder twijfel het positieve stimuleert.
Als de mens iets voorgeschoteld krijgt op de manier die men tegenwoordig bijzonder graag heeft, nl. in beeldvorm, en men toont hem allerhande dieren en natuurverschijnselen, dan geeft hij zich daar totaal passief aan over, en zijn zielestemming is negatief; hij moet helemaal geen positieve eigenschappen ontwikkelen, hij moet helemaal niet nadenken.
Men kan hem bvb. de verschillende fasen tonen hoe een gletscher over het gebergte schuift en zo meer. Dat is er een bewijs van hoe men tegenwoordig de negatieve eigenschappen van de mens liefheeft.

De antroposofie heeft het niet zo gemakkelijk. Ze kan hooguit haar zaken symbolisch in beeldvorm brengen. Voor de zaken die naar de geestelijke wereld leiden is er geen andere ingangspoort dan het menselijke zieleleven. Wie werkelijk vruchtbaar in de geesteswetenschap wil binnendringen, die moet het er maar bijnemen dat hem over de belangrijkste zaken niets via prent, dia of film kan getoond worden. Hij is erop aangewezen om in zijn ziel zelf mee te werken, om uit zijn ziel de meest positieve stemmingen los te maken. Daarom is de geesteswetenschap er bij uitstek toe geschikt om positieve eigenschappen in de mensenziel te cultiveren.
Daarin ligt ook het gezonde van zo'n wereldbeeld, het is op niets anders uit dan op het wakkermaken van krachten die in de menselijke ziel liggen.

Doordat antroposofie appelleert aan de zelfwerkzaamheid die in iedere ziel aanwezig is, roept ze tevoorschijn wat in iedere ziel verborgen ligt, en doordringt ze alle sappen en krachten van het lichaam, werkt ze in de volste zin gezondmakend op de ganse mens. En daar de antroposofie aan niets anders appelleert dan aan het gezond verstand dat niet door massasuggestie kan worden gewekt, het gezond verstand van de enkeling. en daar ze afziet van al wat door massasuggestie kan worden teweeggebracht, daarom rekent ze precies met de positiefste ziele-eigenschappen van de mens."




François De Wit





.

De positieve en de negatieve mens

De voordrachten van Rudolf Steiner vertonen een logische opbouw, zonder daarbij schematisch te zijn. Het is moeilijk om zo'n voordracht verkort weer te geven, iedere alinea heeft zijn organische plaats in het geheel.
Maar omdat we binnen het kader van dit tijdschrift niet een voordracht van 23 bladzijden kunnen afdrukken, en we anderzijds de lezers willen laten kennis maken met dit interessante onderwerp, lieten we een aantal passages weg en plaatsten we een eigen tussentekst waar we dachten dat het nodig was voor een beter begrip.

"Als we zo eens onze blik laten gaan van mens tot mens, dan stellen we vast dat er de grootste verscheidenheid heerst wat betreft het menselijke zieleleven. In de loop van deze voordrachtenreeks hebben we het gehad over typische verschillen tussen de mensen qua zieleleven en de oorzaken daarvan; we hebben gewezen op verschillen tussen mensenzielen wat betreft karakter, temperament, ook wat betreft andere aspecten van het zieleleven, bekwaamheden, krachten enzovoort. Een belangrijk onderscheid zien we bij mensenzielen -en daarmee bij alle menselijke individualiteiten- bij hetgeen in de voordracht van vandaag zal bekeken worden als de positieve en de negatieve mens.
Nu zou ik toch direct bij het begin van deze voordracht duidelijk willen stellen dat deze beschrijving volledig in de zin van de voorgaande voordrachten zal worden opgevat en dus niks te maken heeft met de dilettantische beschrijvingen die tegenwoordig zo gangbaar zijn en waarin ook de uitdrukkingen "positieve" en "negatieve" mens gebruikt worden. [ ... ]

We zouden eerst kunnen proberen om een soort definitie, een soort begripsverklaring te geven van wat een positieve of een negatieve mens is. Als we zo'n begripsomschrijving zouden willen opstellen, zouden we ongeveer kunnen zeggen : in de zin van een waarachtige en diepgaande zieleleer en mensenleer kunnen we iemand een positieve mens noemen als hij t.o.v. de uiterlijke indrukken die op hem afkomen tot op een zekere hoogte de vastheid en zekerheid van zijn innerlijk kan handhaven; zodat hij in zijn innerlijk vastomlijnde begrippen en voorstellingen heeft, een bepaald aantal zaken waartoe hij neigt of waarvan hij een afkeer heeft, gevoelsimpulsen waarin hij niet kan misleid worden door indrukken van buitenaf. Evenzeer kan iemand als een positieve mens aanzien worden als hij voor zijn handelen bepaalde motieven en impulsen heeft die hij niet verandert ter wille van om 't even welke willekeurige, voorbijgaande indruk.

En een negatieve mens zouden we iemand kunnen noemen die zich gemakkelijk aan de wisselende indrukken van het leven overgeeft, die sterk gegrepen wordt door een of andere voorstelling waarmee hij hetzij bij een andere mens, hetzij in een bijeenkomst kennis maakt, en waardoor hij vlug een neiging voelt om datgene wat hij tot dan toe gedacht en gevoeld had te veranderen en iets anders in de plaats in zijn ziel op te nemen. Wat betreft het handelen zouden we iemand een negatieve mens kunnen noemen als hij zich in zijn motieven en impulsen tot handelen gemakkelijk door alle mogelijke influisteringen van deze of gene mens laat afbrengen.

Daarmee zouden we dan zo ongeveer een soort definitie verkregen hebben van wat een positieve of een negatieve mens is. Maar juist zulke eigenaardigheden van de menselijke natuur die diep ingrijpen in het leven bewijzen ons dat we met begripsverklaringen, met definities, in de grond zeer weinig vooruitkomen en dat het een tamelijk ijdel streven is om dat te willen bereiken. Want als we afstappen van een dergelijke abstracte begripsdefinitie en tot het werkelijke leven komen, dan kunnen we zeggen : een mens met sterke driften, met sterke passies die sinds zijn vroege jeugd een bepaalde vorm aangenomen hebben, die in het leven gewoontegetrouw dezelfde blijven, zo'n mens zal a.h.w. alle mogelijke goede en slechte voorbeelden aan zich hebben laten voorbijgaan, en hij zal zijn gewone driften en passies trouw blijven. Hij heeft zich misschien eigenzinnig enkele voorstellingen en begrippen over een en ander aangemeten, en men kan hem zwart op wit met feiten iets proberen te bewijzen: hij zal bij zijn eigen voorstellingen blijven; en men stoot op de ene hindernis na de andere als men hem van een feit wil overtuigen. Zo'n mens zou dan een zeer positieve mens zijn, maar zijn positiviteit zou hem geen ander nut opleveren dan stom en zonder indrukken door het leven te gaan, niets te zien en niets te horen dat zijn levensinhoud rijker en omvattender zou kunnen maken.

Een andere, die ertoe neigt om op ieder ogenblik vol overgave nieuwe indrukken op te nemen, die bereid is om overal waar hij geconfronteerd wordt met feiten die hem treffen zijn gewone voorstellingspatroon te corrigeren, zo'n mens zouden we een gans andere zien worden, misschien na een relatief korte tijd. We zouden kunnen zien hoe hij de ene levensperiode na de andere doormaakt, van de ene levensinhoud naar de andere snelt, en misschien verschijnt hij na enige tijd als totaal veranderd in vergelijking met een vroegere levensperiode. En als we hem vergelijken met iemand die stom en zonder indrukken door het leven gaat, dan zouden we kunnen zeggen: hij heeft zijn leven beter gebruikt dan de eerste. Maar toch zouden we hem volgens de aangeduide karaktereigenschappen een negatieve mens moeten noemen.

We kunnen ons voorstellen dat iemand met een robuuste natuur die zich volgens zijn gewoontes door het leven sleept, zich door de mode van de tijd laat verleiden om een reis te maken naar een land waar grote kunstschatten te zien zijn; maar hij blijft zo positief bij alle gevoelens die nu eenmaal in zijn ziel zitten dat hij het ene kunstwerk na het andere voorbijloopt, hoogstens eens in de reisgids opzoekt welke nu de belangrijkste zijn, en dat tenslotte -zo "positief" is hij dan- wanneer hij naar huis terugkeert, zijn ziel helemaal niet rijker is geworden van dit slenteren van galerij naar galerij, van het ene mooie landschap naar het andere. Dat zou dus een zeer positieve mens zijn. En we kunnen ons dan ook een mens voorstellen die ongeveer hetzelfde meemaakt, maar die zo'n karakter heeft dat hij in totale overgave voor ieder beeld staat, zich enthousiast in ieder afzonderlijk beeld verliest, zodat hij onmiddellijk als hij ervoor staat, zichzelf compleet vergeet en volledig leeft in wat hij ziet; en evenzo bij het volgende beeld, bij het derde, enzoverder. Zo gaat hij de ganse rij af met een ziel die zich overgeeft aan ieder detail; maar omdat hij zo opgaat in ieder detail, wist iedere indruk de voorgaande uit, en als hij terugkomt heeft hij alleen maar een chaos in zijn ziel. Dat zou dus een mens zijn die in zekere zin het tegengestelde is van de eerste, de positieve; hij zou een zeer negatieve mens zijn.

Wij kunnen ontelbare voorbeelden vinden voor positieve en negatieve mensen. We zouden iemand een negatieve mens kunnen noemen als hij zoveel geleerd heeft dat zijn oordeel onzeker is geworden t.o.v. ieder feit; dat hij niet weet wat waar en niet waar is en in leven en kennis een twijfelaar is geworden : een negatieve mens. Een andere dan weer ondergaat dezelfde indrukken, maar hij gaat zo door het leven dat hij deze indrukken verwerkt en ze kan plaatsen in het geheel van alle wijsheid die hij reeds verzameld heeft : hij is een positieve mens in de beste zin van het woord.

Een kind kan t.o.v. een volwassene zo positief zijn dat het aan tirannie grenst door overal de natuur die in hem zit te willen uitleven en al het andere af te wijzen. Aldus is het, doordat het zich door niets laat beïnvloeden, zeer positief. En een mens die in het leven veel meegemaakt heeft, dwaalwegen heeft bewandeld, ontgoochelingen heeft ondergaan, die kan zich, hoewel hij veel ervaren heeft, aan iedere indruk overgeven, vlug op te monteren en vlug teneergeslagen zijn : ondanks zijn grote levenservaring is hij een negatieve mens in vergelijking met het kind. Kortom, pas als wij het leven in al zijn variatie en niet naar begrippen op ons laten inwerken, als wij begrippen opvatten als een soort ladder om dan de feiten en gebeurtenissen van het leven aan de sporten van die ladder op te hangen, als wij begrippen beschouwen als zaken die ons helpen om de verschijnselen en feiten des levens te ordenen en te regelen, pas dan kunnen wij tot een juiste voorstelling komen van wat positieve en negatieve mens zijn. [ ... ]

Na deze inleiding, waar Rudolf Steiner eens te meer het belang van een concreet, werkelijkheidsgetrouw denken onderstreept, weidt hij even uit over de wezensdelen binnen onze ziel.

In vroegere voordrachten hebben we aangetoond dat het zieleleven van de mens niet zomaar een chaotisch toe- en wegstromen van gevoelens, gewaarwordingen en begrippen is, zoals dat op het eerste zicht schijnt, maar dat we in die zielswezenheid drie onderdelen moeten onderscheiden.

Ten eerste, wat we genoemd hebben de gewaarwordingsziel. Die moeten we beschouwen als het laagste deel. We vinden deze gewaarwordingsziel in haar oereigenste gedaante als we mensen bekijken op een relatief lage ontwikkelingstrap. Mensen die zich nog totaal overgeven aan wat in hen woelt aan passies, driften, begeerten, levenswensen, en die daardoor iedere wens, iedere begeerte die in hen opkomt eenvoudigweg volgen. Wat we het Ik noemen, de eigenlijke zelfbewuste kern van de mensenziel, die rust bij zulke mensen die voornamelijk in de gewaarwordingsziel leven, als in een golvende zee van passies, driften, begeerten, van sympathieën en antipathieën, en gedraagt zich als een slaaf in iedere storm van de menselijke ziel. Zo'n mens volgt zijn neigingen, hij beheerst ze niet, hij laat zich erdoor beheersen. Hij geeft toe aan zijn onbestemde innerlijke verlangens. Het Ik komt weinig uit boven die golven van driften, begeerten en neigingen.

Als de ziel zich verder ontwikkelt dan wordt meer en meer duidelijk hoe het Ik vanuit een sterk middelpuntsgevoel begint te werken.
We weten dat een hoger wezensdeel dat bij iedere mens aanwezig is, begint de overhand te krijgen als de mens een ontwikkeling doormaakt. Dit tweede wezensdeel hebben we de verstandsziel of gemoedsziel genoemd. Wanneer de mens begint niet iedere neiging, niet iedere aandrift zomaar te volgen, dan ontwikkelt zich wat altijd in hem aanwezig is, maar wat op de voorgrond kan treden als de mens begint vanuit zijn Ik zijn neigingen en begeerten te beheersen, als zich tussen de wisselende indrukken van het leven iets mengt dat deze indrukken tot een gesloten innerlijk leven kan maken. Daardoor toont ons dit tweede lid van de menselijke ziel, de verstandsziel, als ze de bovenhand heeft, de mens in een toestand van meer verdieping.

Tenslotte hebben we gewezen op het hoogste lid van de menselijke ziel, de bewustzijnsziel, waar het Ik met alle kracht tevoorschijn treedt. Daar keert het menselijke innerlijke leven zich weer naar buiten, en de voorstelllingen en begrippen zijn er nu niet alleen meer om de begeerten te overwinnen, maar op deze trap wordt het ganse innerlijke zieleleven vanuit het Ik gedirigeerd, zodat het een wetende spiegel van de buitenwereld wordt. Als de mens zich verheft tot het kennen van de buitenwereld dan verkrijgt de bewustzijnsziel de bovenhand in zijn zieleleven.

Deze drie zielsdelen vinden we bij iedere mens; het is altijd een van de drie die overheerst.

Nu hebben we in de laatste voordrachten getoond dat de ziel in haar ontwikkeling nog verder kan gaan. Reeds in het gewone leven moet de ziel verder gaan als de mens in de ware zin van het woord een mens wil worden. Een mens die als motief om te handelen alleen maar neemt wat de uiterlijke eisen van het leven hem stellen, die als impuls alleen maar neemt datgene waartoe hij door zijn sympathie en antipathie gedreven wordt, die kan nooit een streven hebben om de reine mensennatuur in zich te verwerkelijken. Pas wie zich verheft boven de alledaagse noden die sympathie en antipathie hem aanpraten, tot zedelijke idealen en ideeën, die wil pas de reine mensennatuur verwerkelijken. Zedelijke ideeën, ethische idealen moeten opstijgen in de mensennatuur uit dat wat we de geestelijke wereld noemen. Want door ons zedelijk streven en ethische begrippen verrijken we het zieleleven met nieuwe elementen. [ ... ]

Als we de mens bekijken tussen geboorte en dood, dan stellen we vast: De mensen rondom ons staan op de meest verschillende trappen in hun ontwikkeling. De ene vertoont als hij in het leven treedt een aanleg voor een of andere trap, en wij zien dat hem een bepaalde maat toegewezen is, waarbinnen hij zijn ziel tot een zekere graad kan leiden, om dat wat hij dan bereikt heeft mee te nemen door de poort van de dood en in een volgend leven verder te zetten. Zo vinden we de mensen naar karakter op de meest verscheiden trappen. Wanneer we dan deze mensen bekijken hoe ze trap na trap opstijgen, dan kunnen we de beide voorstellingen van positieve en negatieve mens niet zo hanteren dat we zeggen: de ene is positief, de andere is negatief; maar we vinden beide bij de afzonderlijke mens in opeenvolgende ontwikkelingstrappen.
We zien een mens die in het begin van zijn ontwikkeling sterk naar voor tredende, eigenzinnige impulsen in zijn gewaarwordingsziel heeft, we zien hem met bepaalde driften, begeerten en passies, samen met een relatief donker Ik-middelpunt dat hij nauwelijks gewaarwordt. Zo'n mens is eerst volledig positief. Hij gaat dus als positieve mens door het leven. Als hij op deze manier een positieve mens zou blijven, dan zou hij hoegenaamd niet vooruit komen. De mens moet dus in de loop van zijn ontwikkeling van de positieve mens die hij is -wat betreft eigenschappen op een ondergeschikte ontwikkelingstrap-, tot een negatieve worden. Want wat hij in zijn ontwikkeling moet opnemen, daarvoor moet hij zich kunnen openstellen. Wie niet bereid is, -door bepaalde positieve eigenschappen te onderdrukken die in zijn gewaarwordingsziel gegeven zijn-, om zich open te stellen voor nieuwe indrukken die nog niet in zijn ziel zitten, zodat deze kunnen binnenkomen en zich verenigen met zijn ziel, en een ziele-inhoud kunnen worden; een mens die niet in staat ware zich te verheffen boven een bepaalde graad van positiviteit die de natuur hem zonder zijn toedoen verleend heeft, tot een zekere negativiteit, om nieuwe indrukken te kunnen opnemen, die zou niet kunnen verder komen. [ ... ]

Enerzijds moet de mens dus positief zijn, -we kunnen dit voorstellen door een cirkel: een op zichzelf staand innerlijk leven-, maar hij moet zich durven openstellen voor nieuwe, verrijkende indrukken -en dus tijdelijk negatief worden, de amoebe-achtige figuur. Daarna komt hij op een hoger niveau van positiviteit te staan.

Zich openstellen voor nieuwe indrukken bergt ook een gevaar: die nieuwe indrukken kunnen immers even goed slechte voorbeelden zijn. Mensen met een negatieve trek in hun ziel zijn dan ook vlug gegrepen door massahysterie, en dikwijls gewillige slachtoffers van sekte-praktijken. Rudolf Steiner wordt bijna bitter als hij het heeft over de gevolgen van het slordig denken.

Er is iets dat de ziel op een bepaalde manier altijd positiever maakt. Dat is voor de moderne mens in zijn huidige normale ontwikkeling -om 't even welk levensniveau hij bereikt heeft- het oordeel, het verstandig afwegen, het inzicht verkrijgen in een situatie, in een levensverhouding. Dat maakt altijd op een zekere manier positief. Daarentegen is het verlies van het gezonde zelfbewuste oordeel altijd iets dat de ziel negatief maakt, dat indrukken in de ziel zendt zonder dat die zich daar door positieve eigenschappen kan tegen verzetten.
Ja, we kunnen zelfs zien dat menselijke eigenschappen sterker werken als ze in de sfeer van het onbewuste terechtkomen dan wanneer ze vanuit de sfeer van het gezonde oordeel uitgaan, van de sfeer van de ordentelijke, zelfbewuste oordeelskracht. Men maakt het spijtig genoeg in het leven dikwijls mee -juist in een geesteswetenschappelijke beweging: als er mededelingen gedaan worden uit de geestelijke wereld die omkleed zijn met een strakke logica, mededelingen die juist dezelfde vorm van een oordeel hebben zoals men dat in het overige leven naar waarde schat, dan gaan de mensen zulke oordelen graag uit de weg; dat nemen de mensen niet, dat op een verstandelijke manier, door mooi de feiten op een rijtje te zetten naar oorzaak en gevolg, mededelingen uit de geestelijke werelden gegeven worden. Geeft men echter deze mededelingen zodanig dat op een bepaalde manier het oordeel overbodig is, dat men het zonder dat oordeel kan stellen, dan zijn de mensen gemakkelijk te winnen voor mededelingen uit de geestelijke wereld.
Er zijn zelfs mensen die in de hoogste graad argwanend staan tegenover hen die met gezond verstand mededelingen geven uit de geestelijke wereld, daarentegen zeer gelovig tegenover hen die in een mediumachtige toestand, a.h.w. geïnspireerd door een onbewuste macht dergelijke mededelingen in de wereld zetten. Deze mensen, die niet weten wat ze zeggen, die meer zeggen dan ze zelf weten, die vinden zelfs meer aanhangers dan diegenen die precies weten wat ze zeggen. Dikwijls wordt er gezegd: hoe kan iemand iets over de geestelijke wereld zeggen als hij niet minstens in een half buitenbewuste toestand is zodat men ziet dat hij door een vreemde macht bezeten is ! Dat is dan dikwijls het argument tegen mededelingen van feiten uit de geestelijke wereld die bewust worden gegeven. Daarom loopt men zoveel liever naar mediums dan naar wat in de vorm en de logica van het gezond verstand gegeven wordt."

We verwijzen hier naar het artikel over occult onderzoek, en ook naar het artikel over sekten in De Brug 6.
Eigenlijk is het niet moeilijk om oplichters en charlatans te ontmaskeren, maar sommige mensen worden nu eenmaal liever bedrogen dan innerlijk actief te worden en het gezond verstand te gebruiken.
Tot slot wijst Rudolf Steiner nog op een merkwaardig verschijnsel dat we waarschijnlijk in onze onmiddellijke omgeving ook al eens waargenomen hebben.

"Wanneer echter wat uit de geestelijke wereld komt, onderduikt in een gebied waar de bewustheid uitgesloten is, uitgesloten wordt, dan bestaat er altijd het gevaar dat het op de negatieve ziele-eigenschappen werkt. Want waar iets uit donkere, onbewuste grond de mens benadert, daar worden de negatieve eigenschappen actief. Als we het leven scherper bekijken, dan kunnen we telkens weer vaststellen dat de dommere door zijn positieve eigenschappen een sterkere werking uitoefent, zelfs op hem die wijzer is; dat deze laatste zeer gemakkelijk onder invloed komt van wat uit een niet zo gezond verstand -zoals hij dat wél heeft-, uit ergens een donkere diepte, naar de oppervlakte komt. Vandaar dat we begrijpen dat in het leven de fijnere naturen met een fijn uitgewerkt verstand overgeleverd zijn aan mensen met een robuust voorstellingsvermogen, die alles vanuit hun driften en neigingen beweren.
Men zou het leven goed begrijpen indien men nog verder ging. Men zou dan ook zien hoe het merkwaardige feit tot stand komt dat een mens met een andere in contact komt die bijtijden niet alleen zijn gezond verstand verloochent, maar die wat verstandelijke vermogens betreft eigenlijk ziek is, en vanuit dit verziekte bewustzijn het een of het ander beweert. Welnu, zolang het ziekelijke niet bemerkt wordt zijn fijnere naturen ongemeen sterk overgeleverd aan zulke lieden die vanuit een verziekte zielstoestand iets beweren.
Al deze dingen horen bij een werkelijke levenswijsheid, en wij kunnen ze pas op de juiste manier beschouwen als het ons duidelijk is dat de mens die van de ene kant positieve eigenschappen heeft, ook namelijk voor het gezonde verstand helemaal niet toegankelijk hoeft te zijn, en dat daarentegen een mens met negatieve eigenschappen open staat voor dingen waar hij niets kan aan doen, en waar het verstand helemaal geen klaarheid kan brengen. Met deze zaken moet een fijnere zielkunde toch wel rekening houden." [ ... ]

*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
.

De mens treedt uit zijn lichaam ...


Regelmatig leest men over bijna-dood ervaringen: mensen die na een zwaar ongeluk in het ziekenhuis terecht komen, vertellen achteraf hoe ze zichzelf in bed zagen liggen, omringd door familieleden en dokters. Een wetenschappelijke verklaring voor dit verschijnsel komt men niet dikwijls tegen. Voor wie gelooft dat de mens behalve een fysiek lichaam ook nog een ziel en een geest heeft, is dit een bewijs voor de onsterfelijkheid van de ziel, of zelfs van een hiernamaals.
Ook antroposofen kijken van dit verschijnsel niet op: zij weten immers dat de mens bestaat uit verschillende wezensdelen, etherlichaam, astraal lichaam enz. Blijkbaar maakt een van die wezensdelen zich los van de andere na een zwaar ongeval, en neemt waar wat er gebeurt.
Deze laatste verklaring klinkt aannemelijk maar toch strookt ze niet met de werkelijkheid. Rudolf Steiner legt uit hoe de vork in de steel zit in de vierde cyclus van de zgn. "arbeidersvoordrachten".

[ ... ]

"Gewoonlijk let men er tegenwoordig niet meer op hoe de ene mens eigenlijk met de andere samenhangt. Het is zo dat tegenwoordig alle mensen eigenlijk afzonderlijk in de wereld staan. [ ... ]
Nu wil ik u eens een eenvoudige historie vertellen die aantoont dat men er vandaag de dag helemaal niet meer aan denkt dat een mens in een of andere samenhang met een andere mens staat. Het volgende deed zich voor en werd van verschillende kanten bevestigd: in een familie was een jonger familielid, een meisje van achttien of negentien jaar, ziek. Niet zo ziek dat ze in bed moest blijven, maar toch moest ze regelmatig gaan liggen. Op een keer was haar moeder een poosje bij haar en verzorgde haar. Ze lag op de sofa, werd dus verzorgd door haar moeder, en toen ze zo ongeveer in slaap was gevallen, ging de moeder naar een andere kamer en las daar iets voor uit een boek voor haar man en de andere familieleden. Dat speelde zich af in een kamer die tamelijk ver verwijderd was van de kamer waarin de zieke lag.
De zieke had nu het volgende bewustzijn.
Toen de moeder de kamer verliet voelde ze plots de drang om op te staan. Ze stond op en ging haar moeder achterna door twee kamers tot in een derde kamer, waar ze haar zag zitten voorlezen. Ze was er ten zeerste over verwonderd dat niemand opkeek van haar verschijning. De zieke, die nauwelijks kon gaan, en die slapend alleen was gelaten, verscheen dus in de kamer waar de moeder een poosje wou vertoeven omdat die ook voor de anderen iets wou doen. Ze was wel een beetje erg onder de indruk omdat iedereen zo rustig bleef zitten. Plots zei de moeder die voorlas : nu moet ik toch eens naar mijn dochter gaan kijken ! - en ze verliet de kamer. De dochter volgde haar. De moeder ging terug door de twee kamers en vond haar dochter op de sofa, maar vreselijk bleek. Eerst sprak ze haar helemaal niet aan. Dan echter, toen ze haar toesprak, gaf de dochter geen antwoord, ze was gans bleek. De dochter had haar moeder dus gevolgd, ze zag hoe haar moeder in haar kamer ging, en ze zag zichzelf op de sofa liggen. En terug was ze ten zeerste verwonderd, ten eerste dat ze zichzelf op de sofa zag liggen, en ten tweede dat haar moeder haar dáár toesprak. Op dat ogenblik is het alsof ze een vreselijke slag krijgt en het lichaam dat op de sofa ligt krijgt terug een betere kleur, en alles is terug bij het oude.

Dat is een geschiedenis die men serieus mag nemen, die is echt gebeurd.
Maar dan komen allerhande mensen die dat willen verklaren. Ja, die leggen dat dan bvb. op de volgende manier uit: nou ja, die dochter heeft behalve een fysiek lichaam ook een astraal lichaam. - Over het astraal lichaam hebben de mensen tot in de 16de eeuw, dus tot voor vierhonderd jaar, altijd gesproken zoals wij over een neus of een oor spreken. Dat is echter iets dat niet bewaard is gebleven, dat is over 't algemeen vergeten geworden. Die mensen kunnen dus over het astraal lichaam praten en kunnen zeggen: nu ja, daar is het astraal lichaam uitgetreden, het wandelde door die kamers, heeft meegemaakt wat daar voorgelezen werd enzovoort, is dan weer teruggegaan en is in het fysiek lichaam geglipt op het moment dat de moeder het meisje toegesproken heeft.

Maar mijne heren, u moet begrijpen, als men de zaak zo verklaart, dan verklaart men dat alsof er een tweede fysieke mens in ons zit die naar buiten kan glippen en kan gaan wandelen als een echte fysieke mens. Een dergelijke verklaring is een sterk bijgeloof. Dit bijgeloof is onder geleerden tegenwoordig zeer verspreid, anders zouden zulke zaken als die van Sir Oliver Lodge, die ik u verteld heb, zich niet voordoen. Het komt erop aan dat men weet wat daar echt gebeurd is.
Nu, wat er werkelijk gebeurd is, is het volgende.
De moeder zit bij haar dochter en verzorgt ze. Nietwaar, daar speelt zich af wat men liefdevolle zorg noemt, en het is voor de dochter zeer, zeer aangenaam dat ze door de moeder verzorgd wordt. Ze voelt de liefde van de moeder. Op zo'n ogenblik, mijne heren, waarop iemand zo sterk de liefde van de ander voelt en daarbij nog heel zwak is, daar doet zich het merkwaardige voor dat hij niet meer met zijn eigen astraal lichaam denkt. Dat wordt dof en het astraal lichaam van de ander krijgt de macht over het eigen astraal lichaam. Dan komt het zelfs voor dat hij met de gedachten van de ander die naast hem zit begint te denken.
Nu is het dus zo gebeurd dat, terwijl de moeder de dochter verzorgde met een bepaald gevoel, dat dit gevoel overging op de dochter, en de dochter begon te denken en te voelen als haar moeder. Dan gaat de moeder weg. En juist zoals een bal die een duw krijgt blijft voortrollen, zo denkt de dochter niet meer met haar eigen gedachten, maar met de gedachten van haar moeder.
De dochter blijft natuurlijk rustig liggen op de sofa, maar ze denkt voortdurend met de gedachten van haar moeder. En als de moeder dan onrustig wordt, teruggaat, dan denkt ook de dochter dat ze teruggaat. En nu moet u er niet over verwonderd staan dat de dochter bleek geworden is. Bedenkt u maar eens: als u een tijdlang diep bewusteloos bent, dan wordt u ook bleek. Want zoiets brengt ons natuurlijk in een toestand van onmacht, als men met de gedachten van een ander denkt. En als de moeder dan teruggekomen is, dan werkt dat op de dochter zo, dat ze geschokt wordt en terug haar eigen gedachten kan hebben. Aldus ziet u dat de juiste verklaring in dit geval luidt dat een mens precies in zijn geestelijk deel uitermate sterk op de ander inwerkt. Dat doet zich vooral voor als diegene op wie ingewerkt wordt zelf heel zwak is. Als die dus zelf geen zielesterkte kan ontwikkelen, dan heeft de zielesterkte van een ander heel gemakkelijk een invloed op hem.

Zo is het over het algemeen in 't leven. Men bedenkt dikwijls niet wat een grote invloed de mensen op elkaar hebben. Gelooft u werkelijk, als iemand ons iets vertelt en we geloven hem, dat daar altijd een reden, een gegronde reden is die ons overtuigt ? Dat is absoluut niet waar. Iemand die men liefheeft gelooft men vlugger dan iemand die men haat. [ ... ]

*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
.

Over het occulte onderzoek




Tot nu toe is er in De Brug nog maar weinig verschenen over het Christuswezen. En dat is niet zonder reden. Als Rudolf Steiner zaken meedeelt uit de geestelijke wereld gaat het niet in de eerste plaats om de informatie, om ons te laten kennis nemen van enkele eigenaardige feiten, hoe interessant ze ook mogen zijn. Rudolf Steiner wil enerzijds ons denken in beweging brengen, maar anderzijds wil hij ook dat we in een bepaalde gemoedsstemming verkeren als we kennis nemen van occulte inhouden. En hoe belangrijker, hoe diepzinniger deze inhouden zijn, des te belangrijker is het om de juiste stemming voor te bereiden. We zien dan ook in de voordrachtenreeksen die over de evangelies gaan, dat Rudolf Steiner dikwijls meer dan vijf voordrachten nodig heeft vóór hij tot de kern van de zaak komt. Het is dus binnen het kader van dit tijdschrift niet eenvoudig om op een verantwoorde manier bepaalde zaken te laten verschijnen.

In "Het vijfde evangelie" spreekt Rudolf Steiner over hetgeen er in de ziel van Jezus omging tussen zijn twaalfde en zijn dertigste jaar. Daarbij wijst hij erop wat het voor de ziel van de helderziende betekent om tot die kennis te komen. Precies die passage vertaalden we. De voordracht vond plaats in Keulen op 18 december 1913.




[ ... ] "Voor ik verder ga met de beschrijving van het leven van de Christus Jezus, zou ik enkele bemerkingen willen maken die een idee geven van de manier waarop zulke zaken gevonden worden. Het kan er natuurlijk alleen maar om gaan om met weinig woorden een buitengewoon uitvoerige zaak te karakteriseren. Maar ik zou toch graag hebben dat u een voorstelling verkrijgt van hetgeen men occult onderzoek kan noemen, een dusdanige voorstelling waardoor men doordringt tot de concrete feiten die we hier gisteren konden beschouwen.

Algemeen kan men over deze dingen zeggen: dit onderzoek berust op het lezen in de Akasha-kroniek. In grote lijnen heb ik in de artikels die in het tijdschrift "Lucifer-Gnosis" onder de titel "Uit de Akasha-kroniek, verschenen zijn, aangeduid hoe men zo'n lezen in de Akasha-kroniek moet opvatten. Men moet zich klaar voor ogen houden dat de verschillende feiten uit het wereldgebeuren en uit het wereldzijn op verschillende wijze moeten gevonden worden, en daarom zou ik nu a.h.w. wat reeds vroeger gezegd werd nog preciezer willen uitdrukken. Het is goed om ervan uit te gaan dat er in de grond in het wereld-al niets anders bestaat dan bewustzijnen. Behalve het bewustzijn van allerhande wezenheden is al het overige uiteindelijk een deel van de maja of de grote illusie. Dit feit kunt u vooral opmaken uit twee plaatsen in mijn werk, ook nog uit andere, maar vooral uit die twee: ten eerste uit de beschrijving van de totale evolutie van de aarde van Saturnus tot Vulcanus in "De wetenschap van de geheimen der ziel", waar geschilderd wordt hoe de voortgang verloopt van Saturnus naar Zon, van Zon naar Maan, van Maan naar Aarde enz. aanvankelijk alleen in bewustzijnstoestanden. D.w.z. wil men opstijgen tot deze grote feiten, dan moet men in het wereldgebeuren zo ver opstijgen dat men te maken krijgt met bewustzijnstoestanden. Aldus kan men eigenlijk alleen maar bewustzijnstoestanden schilderen als men realiteiten schildert.

Uit een andere plaats in een boek dat deze zomer verschenen is, "De drempel van de geestelijke wereld", kunt u hetzelfde opmaken. Daar wordt getoond hoe door een geleidelijk opstijgen de blik van de ziener zich verheft boven hetgeen zich rond ons voordoet als dingen, als iets dat zich afspeelt in de dingen, hoe dat alles als iets nietig verdwijnt en smelt, vernietigd wordt en tenslotte het gebied bereikt wordt waar alleen nog wezens zich in een of andere bewustzijnstoestand bevinden. Dus, de werkelijke realiteiten van de wereld zijn wezens in verschillende bewustzijnstoestanden. Het feit dat wij in een menselijke bewustzijnstoestand leven en vanuit deze bewustzijnstoestand geen volledig overzicht van de realiteiten hebben, bewerkt dat ons als realiteit verschijnt wat geen realiteit is.

Ik heb dat bij wijze van vergelijking al meermaals aangehaald. U moet zich maar de volgende vraag eens voorleggen: is een haar, een mensenhaar, als dusdanig een realiteit, al was het maar in de meest beperkte zin ? Heeft het een zelfstandig bestaan ? Het zou onzin zijn om te zeggen dat het een zelfstandig bestaan heeft. Het heeft alleen maar zin als we het beschouwen als iets dat groeit op een mensenlichaam, anders komt het niet voor, het kan niet op zich bestaan. Als een realiteit, zoals men die in het gewone leven opvat, als een zelfstandig wezen zo een haar te bekijken, ook slechts in aardse zin, voelt iedereen aan als onzin omdat nergens een haar afzonderlijk kan ontstaan. De afzonderlijke plant beleeft men vaak als een apart wezen, en toch is dat evenmin een apart wezen als een haar. Want wat het haar op een hoofd is, dat is de plant voor het organisme van de aarde, en het heeft helemaal geen zin om een afzonderlijke plant te beschouwen. De aarde moet men naar analogie met de mens beschouwen, en dus alle planten als bij de aarde behorend, net zoals het haar bij een hoofd hoort. Evenmin als een haar op zichzelf kan bestaan los van het hoofd, even weinig kan een plant als zelfstandig wezen bestaan los van het organisme van de aarde. Het is belangrijk om in 't oog te houden waar men moet ophouden als men een wezen beschouwt als een wezen op zich. Maar uiteindelijk, op het laatste betekenisniveau dat een mens kan bereiken, is alles wat niet in een bewustzijn zetelt, geen zelfstandig wezen. Alles zetelt in een bewustzijn, en wel op verschillende wijze.

Laat ons eens een gedachte nemen, dus datgene wat wij als mensen denken. Vooreerst zijn deze gedachten in ons bewustzijn, maar ze zijn niet alleen in ons bewustzijn. Ze zijn tegelijk in het bewustzijn van de wezens van de hiërarchie boven ons, de angeloi of engelen. Terwijl wij een gedachte hebben, is onze ganse gedachtenwereld bijvoorbeeld gedachte der engelen. De engelen denken ons bewustzijn. En daarom zult u inzien hoe men, als men een ziener wordt, een andere beleving moet ontwikkelen t.o.v. het beschouwen van de wezens in hogere werelden als dat in het gewone, uiterlijke leven het geval is. Als men zo blijft denken zoals over de fysieke-zintuiglijke wereld, over het aardse bestaan, dan kan men geen ziener op een hoger niveau worden. Want daar moet men niet alleen denken, maar gedacht worden en er zich van bewust zijn dat men gedacht wordt. Het is niet gemakkelijk -omdat op dit ogenblik daar nog geen mensenwoorden voor bestaan- om precies te karakteriseren wat voor een beleving men daar heeft t.o.v. zijn eigen beschouwen. Bij wijze van vergelijking zou men zo kunnen zeggen, dat men allerlei bewegingen uitvoert, en deze bewegingen neemt men niet waar aan zichzelf maar men kijkt in het oog van een medemens en neemt daar het spiegelbeeld van de eigen bewegingen waar en zegt: als men daar kijkt, dan kan men daaruit te weten komen dat men dit of dat met de handen of met de gelaatsuitdrukking uitvoert. Dit gevoel heeft men reeds op de eerste trap van helderziendheid. Men weet slechts in 't algemeen dat men denkt, maar men neemt zichzelf waar in het bewustzijn van de wezens van de volgende hiërarchie. Men laat zijn gedachten door de engelen denken. Men moet weten dat men niet zelf zijn gedachten in zijn bewustzijn dirigeert, maar dat de wezens van de eerstvolgende hiërarchie deze gedachten dirigeren. Men moet het bewustzijn der engelen voelen zoals dat de mens doorgolft en doorweeft.

Dan verkrijgt men a.h.w. een kennis over de impulsen die continu in onze ontwikkeling werken zoals bvb. over de waarheid van de Christus-impuls, hoe deze ook nu nog doorwerkt, nadat hij er eenmaal geweest is. De engelen kunnen deze impulsen denken; wij mensen kunnen ze denken en karakteriseren, als wij ons tot onze gedachten dusdanig verhouden dat we ze overmaken aan de engelen opdat zij in ons denken. Dat verkrijgt men door een voortgezet oefenen zoals ik het in mijn boek "Hoe verkrijgt men bewustzijn van hogere werelden ?" beschreven heb. Vanaf een bepaald ogenblik verbindt men een gevoel, een zin met de woorden: jouw ziel denkt nu niet meer, ze is een gedachte die de engelen denken. En naarmate dat voor het afzonderlijke menselijke beleven een waarheid wordt, beleeft men in zich, laat ons zeggen, de gedachten van de algemene Christus-waarheden of ook andere gedachten over de wijze leiding van de aarde-evolutie.

Alle zaken die betrekking hebben op de afzonderlijke periodes van de aarde-ontwikkeling, op de oer-Indische epoche, op de oer-Perzische epoche enzoverder, die worden gedacht door de aartsengelen. Door een voortgezet oefenen komt men ertoe niet alleen door engelen gedacht te worden, maar ook door de aartsengelen beleefd te worden. Men moet er enkel maar in het verder verloop van het oefenen toe komen dat men weet: je geeft je leven voor het leven der aartsengelen. In het boek "De drempel van de geestelijke wereld" is een en ander over deze zaken meer in detail geschilderd, nl. hoe men het gevoel bekomt, als men zijn oefeningen verderzet -ook in München heb ik daarover gesproken-, grotesk uitgedrukt, alsof men zijn hoofd in een mierenhoop zou steken. De mieren zijn de gedachten die zich bewegen. Terwijl men in het gewone leven meent dat men zijn gedachten denkt, komt men door het oefenen ertoe in te zien dat de gedachten in ons denken, omdat de angeloi, de engelen, in ons denken. En in het verder verloop van het oefenen krijgt men het gevoel dat men naar verschillende gebieden van de wereld door de aartsengelen gedragen wordt en daardoor deze gebieden leert kennen. Wie op de juiste manier de Egyptische cultuur, de Indische cultuur schildert, pas die kan de betekenis begrijpen van wat zo klinkt: je ziel wordt gedragen door een aartsengel in deze of gene tijd.
Het is als wisten de sappen van ons leven dat ze het levensproces in stand houden en in het organisme als het bloed rondgevoerd worden. Aldus weet de ziener: hij wordt door de aartsengelen in het levensproces van de aarde rondgevoerd.

Maar om afzonderlijke gebeurtenissen te kunnen doorvorsen, daarvoor moet de ziel eerst een zin kunnen vastknopen aan de woorden: de ziel biedt zich als spijs aan bij de Oerbeginnen of Archai, de geesten der persoonlijkheid. Wat ik zoëven zei klinkt grotesk, maar een waarheid is dat men concrete feiten zoals het leven van Jezus in Nazareth niet kan doorgronden vooraleer men een zin kan verbinden met de woorden: men wordt als geestelijk voedsel gegeten en dient zo de geesten der persoonlijkheid. Dat is natuurlijk iets dat voor de mens die tegenwoordig in de uiterlijke wereld staat, klinkt als waanzin. Vanzelfsprekend ! Maar toch, zo waar het stuk brood dat naar onze maag gaat, ons voedsel wordt -en als dat stuk brood kon denken dan zou het weten dat het een zin en levensdoel heeft door voedsel te worden voor ons- even waar is het dat wij mensen de opdracht hebben om archai tot voedsel te dienen. Terwijl wij hier op aarde rondwandelen, zijn wij tegelijkertijd wezens die voortdurend door de archai verteerd, gegeten worden.

U zult niet ontkennen dat de mensen in het gewone leven dat niet weten, dat ze het waanzin zouden noemen als iemand hen zoiets zou vertellen. De mens is voor de archai wat de tarwekorrel voor u als fysieke mens is. Maar men moet dit niet theoretisch weten, men moet t.o.v. de archai zo leven als de tarwekorrel zou leven wanneer hij tot brij vermalen wordt door onze tanden, en langs verhemelte en maag passeert met het bewustzijn: ik ben spijs voor de mensen; zo moet men weten: ik ben spijs voor de archai, ik word verteerd door de archai, het is hun leven wat ik in hen leef. Dit levendig te weten, dat betekent: zich verplaatsen naar het bewustzijn van de geesten der persoonlijkheid, de archai; net zoals het betekent dat men zich plaatst in het bewustzijn der aartsengelen als men weet: je ziel wordt gedragen door de aartsengelen naar die of die tijdsperiode; en net zoals het betekent: zich plaatsen in het bewustzijn der engelen als men weet: mijn gedachten worden gedacht door de engelen.

Als men lezend (in de Akasha-kroniek) wil doordringen in de hogere werelden, dan moeten de toestanden van het beleven anders worden. Het is noodzakelijk om wetend verteerd te worden door de geesten van de persoonlijkheid als er feiten moeten onderzocht worden die zo concreet bestaan in de mensheidsontwikkeling als het leven van Jezus van Nazareth.

Misschien dienen deze bemerkingen die ik hier maak er toch ook enigszins toe om duidelijk te maken hoe totaal anders dit occulte vorsen is t.o.v. het onderzoek in de uiterlijke wereld. Want het beeld kunt U zeker doordenken, en het geeft u correcte aangrijpingspunten: u kunt zich verplaatsen in de tarwekorrel die tot brij vermalen wordt, tussen de tanden gepletterd wordt, om er een voorstelling van te krijgen -wat een juiste analogie is- van wat het lezen in het bewustzijn van de archai betekent. Ook daar moet men in zijn ziel verpletterd worden en moet het voelen. Dat betekent: onderzoek in de hogere werelden is niet mogelijk zonder innerlijke tragiek, zonder innerlijk lijden. Zo gladweg abstract, zonder dat het pijn doet, zoals onderzoeken in de fysieke wereld verlopen, zo is een schouwen in de hogere werelden niet te bereiken, tenminste als het iets meer wil voorstellen dan gefantaseer. Vandaar de moeite die ik gisteren heb gedaan om bij de schildering van het Jezus-leven af te stappen van abstracte begrippen, van abstracte schilderingen. Denkt u maar terug aan datgene waar ik hoofdzakelijk uw aandacht op richtte, op datgene waar het op aankomt.

Ik zei: zo was het leven van Jezus van Nazareth tussen het twaalfde, achttiende, twintigste jaar tot het dertigste. Wat men daar schildert, daar komt het eigenlijk niet zo op aan. Waar het op aankomt, dat is een levendig aanvoelen te verkrijgen van hetgeen de Jezus-ziel doormaakte bij het beleven van wat beschreven werd, dat is: eveneens de pijn te voelen van de eenzaamheid, de oneindige pijn van daar eenzaam te staan met oerwaarheden zonder dat er oren zijn die er willen naar luisteren. Ik wou wijzen op het zieleleven van Jezus van Nazareth. Ik wilde het drievoudige grote medelijden met de mensheid tussen zijn twaalfde en dertigste jaar aanschouwelijk maken. Over de betekenis van wat Jezus doormaakte als voorbereiding tot het mysterie van Golgotha gaat u niet zozeer iets weten door uzelf of anderen te vertellen wat ik probeerde aan te duiden. Neen, u komt het eerst te weten doordat u zich een voorstelling verschaft die uw ziel diep beweegt en schokt, een voorstelling van hetgeen moest geleden worden door deze mens Jezus van Nazareth, vooraleer hij klaar was voor het mysterie van Golgotha, opdat de Christusimpuls in de aarde-ontwikkeling zou kunnen binnenstromen.

En een levendige voorstelling van deze Christusimpuls roept men op door dit lijden in zich terug op te wekken, doordat men de feiten die op dergelijke zaken betrekking hebben moet schilderen door de gevoelens die toen bestonden tegenwoordig te maken. Dat kunt u opmaken uit de wijze van Akasha-onderzoek die ik in een paar woorden probeerde te karakteriseren. Hoe meer het lukt om die breed-golvende, glooiende, wevende belevingen van een wezenheid zoals Jezus van Nazareth er een was, terug in uzelf na te beleven, des te dieper dringt men in zulke geheimen in." [ ... ]




*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
.

Genezend onderwijzen

Bij het begin van dit nieuwe schooljaar wilden we ook nog eens iets over de Steinerpedagogie publiceren. Opnieuw werd het een uittreksel uit Erziehungskunst (het nummer 7/8 van juli/augustus). Aan het woord is Hans Friedbert Jaenicke.
Alle citaten komen uit de werken van Rudolf Steiner die vermeld zijn in de literatuurlijst.

Rudolf Steiner wijst in zijn voordrachtcyclus "Opvoeding als een sociale kwestie" op het feit dat de kinderen vandaag anders zijn als vroeger en dat ze anders moeten opgevoed en onderwezen worden als dat in het verleden het geval was. Dit zei hij 70 jaar geleden, maar vandaag is die uitspraak zeker nog actueler en kenmerkender dan in het jaar na de eerste wereldoorlog. Reeds toen ging het erom de kinderen te redden door een nieuwe pedagogiek : "Men moet onderrichten vanuit het bewustzijn dat men eigenlijk bij ieder kind een redding moet volbrengen ... "
Vandaag moeten we het "anders onderrichten" nog opdrijven als we zien hoeveel kinderen er in onze tijd geboren worden die ontwikkelingsstoornissen vertonen en wier levenslot hen naar een Steinerschool doet zoeken. Het gaat hierbij om kinderen die in hun vroegste kindertijd opvallen en wier ouders door kleuterleidsters, artsen, sociaalwerkers en psychologen naar een Steinerschool doorverwezen worden, hoewel de ouders niets of nog niets van de Steinerschool of de Steinerpedagogie afweten : in de gewone school zou het kind problemen hebben of maken, maar de methode van de Steinerschool zou goed zijn voor het gestoorde kind, zo luidt het dan. En zo komen dan vele ouders zonder klare voorstellingen maar wel met grote verwachtingen met hun kind naar de Steinerschool.

De ervaringen van de schoolartsen die de nieuwe eersteklassers onderzoeken tonen zonder de minste twijfel aan dat het aantal ontwikkelingsgestoorde kinderen voortdurend toeneemt. In Duitsland gaven overheidscijfers in 1972 aan dat één kind op tien ontwikkelingsstoornissen vertoont. Deze cijfers werden om politieke redenen te laag genomen -het ging om een herstructurering van het bijzonder onderwijs- en werden dan ook betwijfeld door deskundigen uit de hogescholen. Zij hielden het bij 25 %. Dat betekent dat één kind op vier opvalt. Vanuit de kinderpsychiatrie werd op grond van onderzoeken door schoolartsen in de grootsteden bij één kind op twee zware ontwikkelingsstoringen vastgesteld. Schoolartsen die met de Berlijnse Steinerscholen samenwerken gaan ervan uit dat het in Berlijn reeds rond de 70 % ligt.

We hebben het hier niet over blijvende handicaps zoals blindheid, doofheid, lichamelijke of geestelijke handicaps, maar het gaat over storingen die in de constitutie zitten en door invloeden uit de omgeving nog versterkt worden. We maken hier de kinderen mee waarvan Rudolf Steiner in zijn pedagogische voordrachten altijd spreekt als tegenpolen.

1) Kinderen bij wie het Ik zich niet op de juiste wijze verbindt met de lichaamsorganisatie, "en het gevolg is dat de mens een dromer wordt of dweepzuchtig, of in het algemeen voor het leven onbruikbaar". Dit verschijnsel komen we tegen bij dromers die erop los fantaseren, kinderen die in de "Heilpedagogische cursus" beschreven worden als neigend tot hysterie. Als een extreem geval van zo'n dreigende "onbruikbaarheid voor het leven" kan men het autistische ziektebeeld beschouwen. De psychologie spreekt hier van geretardeerde kinderen, Rudolf Steiner spreekt van zielen die een zekere vrees en angst hebben om binnen te treden in een wereld waar de intelligentie een hang en de neiging tot het kwaad heeft. Deze vrees om in de wereld binnen te treden drukt zijn stempel op de vroegste ontwikkeling van de kinderen, en ze vallen in de peutertuin en in de kleuterklas op doordat ze zich moeilijk kunnen aanpassen aan de stoffelijke en en sociale eisen van de groep en de klas. Ze lijden onder de schoolsituatie en vertonen de zielekwetsuren waarvan sprake is in de "Heilpedagogische cursus".

2) We komen ook kinderen tegen op de drempel van de schoolrijpheid met een niet in te tomen intelligentie. Ze zijn verder ontwikkeld dan hun leeftijd aangeeft, hebben klaarwakkere zintuigen, en vallen dikwijls op doordat ze wel goed begaafd zijn, maar zich niet kunnen concentreren en zich sociaal niet kunnen invoegen. Bernhard Lievegoed spreekt in zijn heilpedagogische beschouwingen van propulsieve kinderen die tot neuropathologische ziektebeelden neigen, met stoornissen in ademhaling (stotteren, astma), bloedsomloop (onmacht, doorbloedingsstoornissen) en stofwisseling (late zindelijkheid, diarree, verstopping, magerzucht enz.). Deze kinderen worden dikwijls overbelast omdat ze ouder willen zijn als ze in werkelijkheid zijn, en in een schoolsituatie komt het in vele gevallen tot zware kramptoestanden die zich uiten als gedragsstoornissen. Maar bij de overgang naar het eerste leerjaar stelt men niet alleen deze aanleg tot hysterie en kramp vast, maar bij vele kinderen valt op dat de vier "onderste zintuigen" of "lichaamszintuigen" niet gezond ontwikkeld zijn :

- kinderen met tastzin-problemen die door nieuwsgierigheid, egocentrisme en zware onrust opvallen;

- kinderen bij wie de "levenszin" (waarmee we ons eigen lichamelijk bevinden waarnemen) ons door onwelzijn signaleert dat de innerlijke orgaan- en levensprocessen gestoord zijn;

- kinderen bij wie de fijn- en grote motorische mogelijkheden te weinig of te sterk ontwikkeld zijn (storing van de bewegingszin);

- kinderen bij wie de evenwichtszin gestoord is, die niet over een evenwichtsbalk kunnen lopen, en die in hun ziel geen innerlijk evenwicht, geen rust kunnen vinden.

Daarbij komen dan nog de kinderen die zich in de ruimtelijke oriëntering niet duidelijk op links of rechts kunnen vastleggen, en bij wie het reeds bij de aanname duidelijk is dat er gevaar voor dyslexie is. En tenslotte vermelden we nog de kinderen die door allergieën en overgevoelige huid nauwelijks in staat zijn om rustig en geconcentreerd bij een zaak te blijven.
Deze lijst van zaken die opvallen bij zesjarigen kunnen we naar believen aanvullen, en bij een zorgvuldig onderzoek van toekomstige eersteklassers treedt duidelijk naar voor dat we moeten ernst nemen wat we in het begin aanhaalden : kinderen van nu zijn anders en moeten anders aangepakt worden als vroeger. We hebben te maken met kinderen die dikwijls op zielsniveau moeilijkheden hebben, ze hebben bijkomende therapeutische hulp nodig, ze hebben zielezorg nodig. Aldus zou ik Rudolf Steiners begrip "kinderen die zielezorg nodig hebben" niet alleen toepassen op de in mindere of meerdere mate gehandicapte kinderen zoals diegenen die ook in de "Heilpedagogische cursus" beschreven werden, maar ik zou eigenlijk alle kinderen willen beschouwen als "zielehulp-behoevend".

Zielezorg moet echter bekeken worden als een genezingsproces, en opvoeden moet verstaan worden als genezen. Onze kinderen komen niet als een onbeschreven blad ter wereld, zoals Rousseau dacht, maar ze komen op de wereld om genezen te worden. In de tweede voordracht van GA 302 zegt Rudolf Steiner: "Wat verloren gegaan is, dat is dat de mens eigenlijk een wezen is dat moet genezen worden".
Het bewustzijn dat de jonge mens op de wereld komt om genezen te worden, wordt tegenwoordig steeds sterker. De kinderen zijn vandaag de dag anders als ze geboren worden, en de uiterlijke levensomstandigheden van onze materialistische wereld versterken nog deze aanleg tot ziek-zijn. Daarmee heeft de Steinerschool een zeer bijzondere opdracht. De altijd maar meer voorkomende kinderen met zware ontwikkelingsstoringen vormen een uitdaging voor de Steinerscholen, want er is nauwelijks een onderwijsvorm in onze tijd die rekening houdt met wat de zielen die op het einde van deze eeuw op aarde komen, als levenslot meebrengen. Trouwens, welke school die algemeenvormend is beschouwt het opvoedingsproces als een genezingsproces ?

Wat Rudolf Steiner wou, nl. dat de leraar met omgevormde genezerskrachten zou opvoeden, dat stelt aan de leraar wezenlijk hogere eisen wat betreft genezend opvoeden en opvoedend genezen, dan wanneer de leraar zijn onderrichts- en opvoedingswerk beperkt tot kennisoverdracht en voorbereiding op de universiteit. Onze kinderen komen niet als toekomstige universiteitsstudenten naar deze wereld, en zeker niet naar de Steinerschool. De leraar in de Steinerschool moet zich ervan bewust zijn dat het niet zijn taak is om zoveel mogelijk reproduceerbare kennis over te brengen en methoden uit te vinden die dat doel kunnen bewerkstelligen, maar hij moet wegen, methoden vinden die het genezingsproces dienen.
Het sleutelwoord voor de genezende opvoeding is ritme. "Het ritmisch bezig zijn is door en door een genezend bezig zijn". Als de leraar genezend wil opvoeden, dan zal hij vooral in onderbouw en lager middelbaar moeten rekening houden met ritme als genezende factor. Met het kunstzinnig-beeldend onderwijs bereikt hij het emotionele aspect van het kind, al wat met de ziel te maken heeft. Via het ritmische in het onderwijs en met ritmische inhouden (bvb. gemeenschappelijke versrecitaties) werkt de leerkracht over de ziel gezondmakend op de levenskrachten en op de fysieke organisatie van het kind.

In de Steinerschool is al het onderricht doordrongen met ritme : Het leerplan dat gebaseerd is op de ritmische levensprocessen van een gezonde kinderontwikkeling, is ritmisch opgebouwd. Het biedt de mogelijkheid om het kind de leerstof van periode tot periode, van jaar tot jaar aan te reiken, met herhalingen te verdiepen, en dan omgevormd verder te zetten. Reeds op kleine schaal speelt de ritmische driedeling -leren kennen, kunnen-leren, en het kunnen- van dag tot dag een belangrijke rol.
Wat de kinderen vandaag leren kennen door het beeldend-beschrijvend verhaal van de klasleraar wordt op het einde van het lesuur niet vastgehouden door te onthouden zinnetjes of tekeningen, maar het blijft voor de ziel staan, wordt 's nachts verwerkt en wordt 's morgens herhaald. Gedurende de nacht is de leerstof veranderd in capaciteit, is innerlijk bezit geworden en kan zo herinnerd worden, De tweede dag wordt er aangeknoopt met wat reeds voorafging, en op de derde dag wordt alles met woord en beeld in het periodeschrift vastgelegd. Hetzelfde geldt voor de stof van de ganse periode: tijdens een periode leren we iets kennen, we laten het wegzakken tussen twee periodes in. In de volgende periode wordt de stof herhaald, die is veranderd in de capaciteit om het herhaalde te herinneren en a.h.w. te "leren kunnen". Pas in de derde periode komen de vruchten van het kunnen tot rijpheid.
Tenslotte geldt deze ritmische methode ook voor de aanpak van de jaarstof: bvb. : het eerste jaar leren de kinderen om de klanken lief te hebben, en ze maken zich de gebruikelijke hoofddrukletters eigen via het beeld. Op het einde van de periode moeten ze de tekens nog niet beheersen, en het lezen nog niet geleerd hebben. In de volgende periodes worden de hoofddrukletters herhaald, en de kleine letters als metamorfose van de grote bijgeleerd. Later, in de tweede of derde klas, als het lopend schrift aangebracht wordt, is het vermogen verworven om met begrip en zin te lezen. Kunnen lezen is de rijpe vrucht van het kunnen schrijven.
Vele kinderen zijn zeer wel in staat om vroeger te lezen maar dan worden er te vroeg levenskrachten verbruikt die het organisme voor zijn gezonde ontwikkeling nodig heeft. De kinderen leren lezen als de krachten daarvoor rijp zijn, als de wilskrachten ter beschikking staan.

*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
.

Karl Marx

In het vorige nummer van De Brug beloofden we om eens iets meer te zeggen over de figuur van Karl Marx. Wat opvalt als we de biografie van Karl Marx lezen, is eigenlijk de steun die hij gans zijn leven van Friedrich Engels heeft gekregen. Niet alleen financieel: toen bijvoorbeeld de huishoudster zwanger werd, verdacht Jenny, de echtgenote van Marx, haar man ervan de vader te zijn, wat hij ook was. Om de huiselijke vrede te bewaren nam Friedrich Engels het vaderschap op zich !
Wat brengt iemand ertoe om door dik en dun iemand anders te willen steunen ? Zonder inzicht in de wet van karma kunnen we dat niet begrijpen. Over de karmische band tussen Marx en Engels sprak Rudolf Steiner in Dornach op 6 april 1924.

[ ... ] "Of laat ons nog een ander geval nemen. Heel bijzondere verhoudingen leidden mij ertoe om de blik te richten op bepaalde gebeurtenissen die zich afspeelden in wat wij nu het noordoosten van Frankrijk noemen, en wel in de achtste, negende eeuw, een beetje later dus dan de tijd waarover ik zojuist sprak. Er speelden zich daar bijzondere gebeurtenissen af. In die tijd bestonden de grote nationale staten nog niet, en wat toen gebeurde geschiedde altijd binnen kleinere mensengroeperingen.
Er was daar een persoonlijkheid met een energiek karakter die een landgoed van een bepaalde grootte had, juist in de streek die we nu het noordoosten van Frankrijk noemen. Deze man bestuurde zijn bezit op een buitengewoon systematische wijze, op een voor die tijd buitengewoon systematische wijze, zou ik zeggen. Hij wist wat hij wilde, en was een merkwaardige mengeling van een doelbewuste mens en een avonturiersnatuur, zodat hij met meer of minder succes kleine krijgstochten ondernam vanaf zijn eigendom, met lieden die zich, zoals dat toen de gewoonte was, als soldaten vertoonden. Dat waren kleine legerbenden, daarmee trok men erop uit en probeerde het een of ander te bemachtigen.
Met een schare dergelijke krijgslieden ging de betrokkene op pad vanuit het noordoosten van Frankrijk. En het draaide zo uit dat een andere persoonlijkheid die een beetje minder avontuurlijk aangelegd was als hij, maar ook energiek, tijdens de afwezigheid van de eigenaar van het landgoed -vandaag schijnt dat paradox, maar toen kon zoiets heel goed gebeuren- zich meester maakte van het landgoed en alle bezittingen. Toen de betrokkene naar huis terugkeerde -hij was alleenstaand- ontdekte hij dat een andere bezitter zijn landgoed bemachtigd had. En de verhoudingen ontwikkelden zich dusdanig dat de betrokkene zich niet daadwerkelijk verzette tegen de nieuwe bezitter. Die was machtiger, had meer mannen, had meer soldaten rond zich. Hij kwam dus niet in opstand. Nu waren toentertijd de dingen niet zo dat men maar uitweek naar vreemde streken als men in zijn geboortestreek geen vooruitzichten meer had. Deze persoonlijkheid was nu wel een avonturier, maar zelfs hij deed dat niet, hij had er de mogelijkheid niet toe. Zodat de betrokkene met een schare aanhangers zelfs een soort lijfeigene werd op zijn eigen voormalig landgoed. Hij moest nu als een lijfeigene werken met een schare van hen die met hem op avontuur waren uitgetrokken, terwijl hem ondertussen zijn eigendom afhandig werd gemaakt.
En het geschiedde dat bij al die lieden die daar lijfeigene waren geworden, terwijl ze voorheen de heren waren, een soort gezinning ontstond van vijandigheid tegenover het heerschappijprincipe. En menige nacht brandden daar in die bosrijke streken vuren waar men samenkwam en allerlei samenzweringen besprak tegen diegenen die zich meester gemaakt hadden van de eigendom.
Het was eenvoudigweg zo dat de betrokkene, die van een grote bezitter min of meer tot lijfeigene , tot slaaf was geworden, de rest van zijn leven vulde met plannen te smeden, ieder uur dat hij niet moest werken, over hoe hij weer tot bezit en eigendom zou kunnen komen.

Nu gingen die beide persoonlijkheden van toen als respectievelijke individualiteiten door de poort van de dood, maakten in de geestelijke wereld tussen dood en nieuwe geboorte alles mee wat nu eenmal sindsdien kon meegemaakt worden, en verschenen terug in de 19de eeuw. Diegene die huis en hof verloren had en een soort lijfeigene was geworden verscheen als Karl Marx, de grondlegger van het nieuwe socialisme. En de andere, die hem toentertijd zijn landgoed had afgenomen verscheen als zijn vriend Friedrich Engels. Wat ze in het verleden met elkaar moesten uitmaken, vormde zich om tijdens de lange weg tussen dood en nieuwe geboorte tot de drang om goed te maken wat ze elkander aangedaan hadden.
En leest u maar wat zich tussen Marx en Engels afgespeeld heeft, leest u alles over wat de bijzondere geestesconfiguratie van Karl Marx omvat, en leg daarnaast wat ik u hier kom te vertellen over dezelfde individualiteiten in de achtste, negende eeuw. Dan zal er voor u een nieuw licht vallen, omzeggens op iedere zin die Marx en Engels geschreven hebben. En u zult niet het gevaar lopen om abstractweg te zeggen: dat ene is door dat in de geschiedenis veroorzaakt, dat andere door het gene; maar u ziet mensen die iets overbrengen naar een andere tijd, iets dat dan gans anders verschijnt, maar dat toch bepaalde overeenkomsten vertoont met het vroegere.
Dat kunt u zich wel indenken: in de achtste, negende eeuw, daar kwam men samen rond een vuur in het woud, daar sprak men natuurlijk anders dan men sprak in de negentiende eeuw, waar Hegel zijn invloed liet gelden, waar alles werd opgelost met dialectiek. En probeert u zich eens een woud in het noordoosten van Frankrijk in de negende eeuw voor te stellen: daar zitten de samenzweerders, ze vervloeken en schelden in hun toenmalige taal. Vertaalt u dat naar het mathematisch-dialectisch jargon van de negentiende eeuw, dan hebt u wat bij Marx en Engels staat.

Dat zijn zaken die van het louter sensationele, dat gemakkelijk opduikt als het over concrete reïncarnatieverhoudingen gaat, verder leiden naar een beter begrip van de geschiedenis. En men beschermt zich het best tegen verkeerde voorstellingen als men niet ingaat op het sensationele, als men niet alleen wil weten: hoe is dat nu met die wedergeboorte ? - maar wanneer men al wat in de geschiedenis samenhangt met wel en wee, met vreugde en leed van de mensheid, probeert te begrijpen vanuit de terugkerende aardelevens van individuele mensen." [ ... ]

*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
.

Over de occulte scholing

door Jan Vermeir

Er kunnen drie soorten van occulte scholing onderscheiden worden: deze volgens de Oosterse weg, de tweede volgens de zuiver christelijke weg en de meest recente, die volgens de Rozenkruisers-christelijke weg. In De Brug 7 verscheen een artikel waarin de Oosterse methode werd beschreven.
In het eerste deel van onderstaand artikel beschrijft Jan Vermeir in 't kort de drie verschillende wegen, in het tweede deel toont hij aan dat men bij occulte scholing niet in de eerste plaats moet denken aan allerlei geheimzinnige hokuspokus, maar wel aan enkele eenvoudige leefregels, t.t.z. leefregels die heel eenvoudig klinken maar die een serieuze inspanning vragen als men ze in de praktijk wil omzetten.



1) Zoals we reeds in De Brug 7 konden lezen is voor onze westerse beschaving de Oosterse methode de meest ongeschikte: de westerse mens is totaal verschillend van de oosterling, het fantasieleven, de denkwijze, de wilsimpulsen werken gans anders. Voor de westerling is de Oosterse scholingsweg eigenlijk onbegaanbaar, en brengt eerder illusies en allerlei psychische stoornissen teweeg. Ieder tijdvak heeft zijn eigen scholingsweg. De Oosterse occulte scholing werd beoefend in een oeroud verleden. Sedertdien heeft de mens, zowel in het Oosten als in het Westen, een grote evolutie doorgemaakt. Het volgende moge dit verduidelijken.
In die oeroude tijden had de mens nog niet een ontwikkeld zelfbewustzijn zoals nu. Hij nam onbewust het geestelijke waar in het natuurgebeuren, in het grote universum. Hij had een intuïtieve, maar geen bewuste kennis van de spirituele wereld, en in zijn doen en denken werd hij geleid door geestelijke wezens.
De Oosterse occulte scholingsweg is bedoeld om de bewustwording van de indivduele persoonlijkheid op te wekken door middel van yoga-oefeningen. De yoga-techniek berust op het regelen van de ademhaling volgens een bepaald ritme. De ingeademde lucht doordringt het ganse organisme, ook de hersenen. Door een yoga-techniek toe te passen op het ademhalingsritme, kon de yogi zich bewust worden van zijn eigen denken. De yogi moest zich afsluiten van de buitenwereld om zich volledig op zijn ademhaling te concentreren. Door het beleven van zijn ademhaling kon hij ook zichzelf beleven en zich bewust worden van zijn eigen logische, zelfstandige denken. De yogi beleefde zijn innerlijk wezen in het stromen van de in de adem levende gedachten. Door de combinatie van dit beleven met het intuïtieve geestelijke schouwen, eigen aan de toenmalige mensheid, bekwam de yogi een bewuste kennis van de geestelijke wereld.

In zekere zin moet nu de omgekeerde weg gegaan worden die de yogi volgde: om God te vinden ging de yogi vanuit de geestelijke wereld naar zijn Ik; nu moet men vanuit het Ik naar de geestelijke wereld gaan. Met ons ontwikkeld zelfbewustzijn moeten wij ons denken zo inrichten dat wij een inzicht krijgen in de ons omringende buitenwereld. Wij bekijken, bestuderen en analyseren de wereld door middel van onze zintuigen, van onze hersenen. Maar krijgen wij op die manier een waar inzicht in de wezens en de fenomenen die ons omringen ? Eerder dringen wij onze eigen visie op en bepalen wij zelf wat de aard van de dingen is, of zou moeten zijn.
Het evangelie volgens Johannes begint met de volgende woorden:

"In het oerbegin was het Woord
en het Woord was bij God, en goddelijk was het Woord.
Dit was in het oerbegin bij God.
Alles is daardoor geworden en op andere wijze dan door dit Woord is niets van wat is ontstaan geworden."

Deze woorden betekenen niets minder dan dat achter alles wat is ontstaan een goddelijke gedachte ten grondslag ligt, dat in alles wat bestaat een goddelijke gedachte kan worden gevonden. Willen wij de ware aard van de dingen begrijpen, dan moeten wij ervan uitgaan dat de gedachten over de te doorgronden dingen niet in ons hoofd zitten, maar in de dingen zelf.
Op die manier krijgen wij een werkelijk in-zicht in de wereld die ons omringt, en begint de geestelijke wereld zich voor ons bewustzijn te openbaren.

2) De christelijke weg: deze occulte scholingsweg is ontstaan vanaf de eerste eeuwen van onze jaartelling, en was de gebruikelijke weg tot in de middeleeuwen. De trappen die men voor deze scholing moet doormaken zullen hier niet beschreven worden.
Het principe van deze scholingsweg berust op een waar beleven van het leven en de leer van de Christus; de gnostici die dit principe toepasten, probeerden op de meest waarachtige manier de Christus na te volgen; in de eerste eeuwen werden zij dikwijls als ketters vervolgd omdat zij zich niet wilden onderwerpen aan de door de Kerkvaders uitgevaardigde dogma's en leerstellingen.
Absoluut noodzakelijk voor deze christelijke weg is het geloof aan het bestaan, de menswording en de opstanding van Christus. Men moet Christus in zichzelf gevonden hebben, zoniet is een zich verbonden voelen met de Christus onmogelijk.

3) De Rozenkruisers-christelijke weg. Voor ons tijdperk en voor de westerse mensennatuur is de Rozenkruisersweg de meest geschikte manier om de inwijding te bereiken. Inwijding betekent: het opwekken van de innerlijke aanleg die in ieder mens sluimert, waardoor men inzicht kan verwerven in de geestelijke werelden.
Deze weg moest geïntroduceerd worden omdat men in de kringen der ingewijden vooruitzag dat er een tijdperk voor de deur stond waarin de mensheid door de voortschrijdende kennis en wetenschap zou in de war gebracht worden in haar geloof aan de Christus.
De Rozenkruiserorde (Ordo Rosae Crucis) werd in de 15de eeuw in het leven geroepen door een persoonlijkheid die bekend geworden is onder de naam Christian Rosencreutz. De orde was een strict besloten broederschap die strenge regels kende die niet aan de buitenwereld mochten bekend gemaakt worden. Door de eeuwen heen zijn vele gissingen gemaakt over de persoon van Christian Rosencreutz en over de orde zelf, en tevergeefs heeft men geprobeerd de bronnen van de Rozenkruiserwijsheid op het spoor te komen. In de 18de eeuw had de orde de opdracht om iets spiritueels te laten binnenstromen in de cultuur van Europa. De toenmalige Europese cultuur werd verlicht door de wijsheid van de Rozenkruisers en op een grandioze manier is die wijsheid terug te vinden in de werken van Johann Wolfgang GOETHE (1749-1832).
Door verraad (een aantal geheimen werden in de openbaarheid gebracht) moest de orde op de achtergrond treden, en pas nu zal het opnieuw mogelijk zijn om de wijsheid van de Rozenkruisers in onze cultuur op te nemen. De essentie van de Rozenkruisersscholing kan aangeduid worden met de woorden: ware zelfkennis. Door "zelfbespiegeling", zelfbeschouwing moet men het lagere zelf overwinnen, men moet zijn lagere zelf verloochenen om hierdoor het hogere zelf tot ontwikkeling te brengen. Men hoeft geen helderziend vermogen te bezitten om de spirituele wijsheid van de Rozenkruisers te begrijpen, zij kan ingezien worden met het gewone mensenverstand. Het is echter van belang dat die wijsheid niet alleen in het hoofd en in het hart opgenomen wordt, maar dat zij ook in de praktijk, in het dagelijkse leven wordt toegepast.
Evenmin als voor de christelijke weg zullen wij hier de trappen van de Rozenkruisersscholing aanduiden, wel enige praktische aanwijzingen die leiden naar die weg.

Vooral nu is het occulte zeer in trek: het jaar 2000 nadert, het Waterman-tijdperk is in zicht, er zijn een aantal occulte zaken in de openbaarheid gebracht; de goeroes duiken op, allerhande charlatans -immorele en amorele types die zich bedienen van occulte wetenschap, en er hun eigen brouwsel van maken-, trekken uit persoonlijke doeleinden nieuwsgierige en argeloze mensen aan om hen in te wijden in hun "occulte scholing". Men kan deze valse leraren echter gemakkelijk herkennen: een echte leraar treedt niet in de openbaarheid, loopt niet te koop met zijn speciale gaven, wendt nooit zijn kennis aan voor zijn persoonlijk belang.

Zich inlaten met occulte scholing, om het even of het nu een ware is of één die op bedrog berust, is niet zonder gevaar: geestelijke organen (de zgn. chakra's of lotusbloemen) die bij iedereen aanwezig zijn maar normaal gezien in rust zijn, worden in beweging gebracht, en dat in beweging brengen vergt innerlijke krachten. Die krachten worden geput uit de vermogens die gedurende de slaap het lichaam en de geest van nieuwe energie voorzien. Occulte bezigheden putten de mens uit, zowel psychisch als fysisch, en wil hij geen schade toebrengen aan zijn lichaam of aan zijn geest dan moet hij die krachten vervangen door iets anders, en dat is RITME. Ritme vervangt kracht, een belangrijke occulte grondregel !
Meer nog dan meditatie, de eigenlijke studie, en het verrichten van oefeningen, wordt in de geheimwetenschap belang gehecht aan het ritme, aan het harmoniseren van het leven. Het harmoniseren van het leven is reeds een occulte scholing op zich, en wie de natuurlijke gave heeft om dit in zijn leven toe te passen, is dikwijls zonder het zelf te beseffen reeds een heel eind doorgedrongen in het geheim van de wereld.
Rudolf Steiner geeft voor zijn scholingsweg -die in de grond een Rozenkruisers/christelijke is- onder meer zes levensregels aan die de harmonisering van het leven tot stand brengen.

1) Gedachtencontrole.
Veel meer dan wij denken worden onze gedachten beïnvloed door impulsen die uit de duistere gronden van ons onderbewuste komen. Onbestemde gevoelens en wilsimpulsen dringen ons een bepaalde mening op, en dikwijls zijn onze gedachten, zoals wij die logisch menen op te bouwen, slechts het resultaat van de verdoken innerlijke neigingen en aandriften.
Het streven van de leerling moet erop gericht zijn onjuiste voorstellingen uit de ziel te bannen; hij mag niet willekeurig zijn voorstellingen opbouwen naar hetgeen hij hoort en ziet, maar moet proberen zijn denkwijze zo op te bouwen dat die een getrouwe afbeelding van de werkelijkheid wordt.
Gedachten die niet zinvol maar slechts toevallig met elkaar verbonden worden, moeten vermeden worden. Hoe meer de ene gedachte zinvol uit de andere volgt, des te logischer wordt de gedachtengang opgebouwd.

2) Initiatief tot handelen.
De meeste van onze handelingen vloeien voort uit onze dagelijkse plichten: beroep, familie ... Bedenken wij eens hoe weinig onze handelingen uit eigen initiatief voortspruiten. Daarom moet de leerling zichzelf verplichten om op regelmatige tijdstippen bepaalde handelingen, ook al zijn ze onbeduidend, uit eigen initiatief te verrichten.
De leerling moet ook volharding aan de dag leggen in het handelen: hij laat zich niet door één of andere invloed afbrengen van het doel dat hij zich heeft gesteld, zolang hij dit doel als juist kan beschouwen; hindernissen zijn een uitdaging om ze te overwinnen, geen reden tot opgeven.

3) Gelijkmoedigheid.
De leerling moet zich gewennen aan een zekere gelijkmoedigheid in zijn gemoedsleven. Hij streeft ernaar een gelijkmatige stemming te bewaren, of hem nu leed of vreugde overkomt; het heen en weer slingeren tussen "hemelhoog juichend, en tot stervens toe bedroefd", moet hij afleren. Gelijkmoedigheid betekent meester te zijn over de grootste vreugde en de diepste smart. Men moet niet denken dat men daardoor gevoelloos zou worden, integendeel, het gaat erom vreugd en smart in hun juiste draagwijdte te beleven.
Iedere neiging tot het fantastische, tot opwinding, exaltatie, fanatisme, moet de leerling trachten te vermijden. Hij moet ook bijzondere aandacht besteden aan de ontwikkeling van het GEDULD. Hij moet kunnen wachten en tevreden zijn met het minste dat hij bereikt; hij mag niet vol ongeduld naar de verlichting verlangen, want dan komt die beslist niet: "Geduld trekt de schatten van het hogere weten aan, ongeduld stoot ze af".

4) Onbevangenheid.
Onbevangenheid is de eigenschap die in alles het goede ziet, die alles vanuit het positieve benadert. Er bestaat een legende die vertelt hoe de Christus Jezus met zijn leerlingen eens op zijn weg op het kadaver van een hond stootte. Bij de aanblik hiervan wendden zijn discipelen zich vol afkeer af, maar Jezus zei: "Welk een wonderschone tanden heeft die hond."
Onze maatschappij neigt al te zeer naar (ver)oordelen, naar kritiek. Zelfs onze kinderen worden in die zin opgevoed. In de plaats van kritiek zou meer aandacht moeten besteed worden aan eerbied, devotie. Er zijn kinderen die met een heilige schroom opkijken naar door hen vereerde personen; het is een weldaad voor kinderen die zulke gevoelens hebben, want die gevoelens leiden later tot eerbied voor waarheid en inzicht. De leerling moet verdraagzaamheid tegenover alle wezens betonen en alle overbodige kritiek proberen te vermijden. Aan de mening, aan de gevoelens, zelfs aan de vooroordelen van de andere moet hij meer aandacht schenken dan dan aan de eigen mening, en uit hoofde hiervan moet hij de andere tegemoet treden met de gedachte: "Waar het om gaat is niet dat mijn mening de juiste is, maar dat de ander in zichzelf het juiste vindt wanneer ik daartoe iets kan bijdragen". Een dergelijke denkwijze verjaagt de hardheid en maakt plaats voor mildheid. Mildheid is één van de belangrijkste voorwaarden om voorwaarts te komen op het pad der innerlijke scholing.
Waarop de leerling eveneens acht moet slaan, is het aankweken van een gevoel van DANKBAARHEID. Hoeveel hebben wij niet aan alles te danken om ons leven in stand te kunnen houden ? Wie niet tot een gevoel van dankbaarheid in staat is, kan ook niet de alzijdige liefde opbrengen die noodzakelijk is voor het verwerven van hogere kennis.

5) Geloof.
In occulte zin betekent geloof iets anders dan hetgeen men daar gewoonlijk onder verstaat, nl. het onbevangen, vol vertrouwen openstaan voor alle nieuwe en ongekende dingen die men op zijn levensweg treft. De leerling blijft steeds ontvankelijk voor alles wat op hem afkomt, zoniet verspert hij zichzelf de weg naar nieuwe ervaringen.
De leerling mag nooit zeggen "dat geloof ik niet", wanneer iets in tegenspraak is met wat hij tot op dat ogenblik dacht. Veeleer moet hij bereid zijn om op ieder moment zijn eigen opinie in het licht van een nieuwe mening te onderzoeken en te herzien.

6) Innerlijk evenwicht.
Worden de hierboven beschreven eisen nageleefd, dan komt er langzamerhand als vanzelf een innerlijk evenwicht tot stand. De leerling wordt meester van zichzelf, en met vaste hand leidt hij zijn leven door de verschillende omstandigheden. Er is geen sprake van dat hij door een dergelijke scholing zou vervreemden van het leven of van zijn dagelijkse plichten; integendeel, met grotere kracht en een groter vertrouwen wijdt hij zich aan het dagelijkse leven.. Voorheen wist de leerling misschien niet wat het doel van zijn leven was, nu weet hij dat hij een volwaardig lid van de mensheid is, en dat hij medeverantwoordelijk is voor al wat gebeurt.




*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
.

Juglans Regia - de noteboom

Het gebeurde eens dat een noot door een kraai tot op een hoge klokkentoren gedragen werd, en daar ontsnapte aan de dodelijke snavel doordat ze in een spleet in de muur viel. Ze bad de muur om haar toch bij te staan ter wille van de genade die God haar (de muur) betoond had met die o zo prachtige, wonderlijke, en schone klokken met zulke eervolle klanken. Want daar ze niet onder de groene twijgen van haar oude vader had mogen ontkiemen, om in de vette aarde onder zijn afvallende blaren een rustplaats te vinden, daarom mocht de muur haar toch niet in de steek laten: toen ze zich namelijk in de rauwe snavel van de kraai bevond, had ze de belofte afgelegd dat ze haar leven in een klein gaatje zou beëindigen indien ze heelhuids aan die snavel zou ontkomen.
Na deze woorden nam de muur, die door medelijden bewogen werd, haar graag op in de spleet waar ze gevallen was. En na korte tijd begon de noot zich te openen, ze stak haar wortels tussen de stenen en spleten, breidde zich uit en kwam met haar scheuten uit het gat tevoorschijn; en spoedig begon ze, eens dat haar twijgen over het gebouw gegroeid waren en haar kronkelwortels verdikt waren, de muur te ondermijnen en de oude stenen uit hun gewone plaats te verdrijven.
Toen beweende de muur te laat en tevergeefs de oorzaak van haar schade, en spoedig daarna barstte ze, en met haar een groot deel van haar samenhang.

In deze fabel gebruikt Leonardo da Vinci -want dat is de schrijver van deze en andere weinig bekende fabels- het beeld van de levenskracht van de noteboom om op een veel voorkomende karaktertrek bij de mensen te wijzen die hem reeds in zijn tijd opgevallen was.
Ook de oude Romeinen moeten de noteboom een uitzonderlijke boom gevonden hebben: juglans komt van Iovis glans, de eikel van Jupiter. Waarschijnlijk daarom voegde Linneaus er bij: regia, koninklijk.
Wilhelm Pelikan beschrijft de noteboom nu op zijn manier: de wisselwerking tussen het etherische en het astrale in de plant, en wat men daaruit kan afleiden aan genezende krachten.

Vol kracht grijpt de schone gestalte van de noteboom in het licht- en luchtruim, zuigt licht en warmte zo intensief naar zich toe, dat andere gewassen zich maar moeilijk naast hem kunnen handhaven. Door het loof, in de lichte schaduw van de kroon, hangt een scherpe geur, ieder breed-geveerd blad met zijn dikke nerven wil zijn eigen plaats, een ietwat egoïstische gezondheid duldt noch kevers, noch rupsen, vliegen of mieren rond zich. De boom moet hard behandeld worden om vruchtbaar te blijven, zo menen de mensen, de vruchten moeten met stokken afgeknuppeld worden. Onder de lichte, gladde schors van de stammen die eeuwenoud kunnen worden, vormt zich het harde, dichte, zware hout.
Aan het einde van de jonge loten trekt het leven zich samen in de plompe, korte, vrouwelijke bloemen, uit de oksels van de afgevallen blaren van de voorjaarsscheuten hangen dan de lange, groene katjes. Beide openen zich bij het ontluiken der bladeren, begin mei, in de lentewind. De noteboom houdt van een frisse, krachtige wind en een vochtige, stilstaande lucht zoals in een vallei bekomt hem niet. De zomergloed laat het vruchtbeginsel zwellen tot een groene noot met weinig, leerachtig maar aromatisch-scherp, brandend-sterk vruchtvlees. Binnen de houtige omhulling vinden we de kiemblaadjes, vet en geplooid: hier is de kosmische warmte tot olie verdicht. Het geheel is door het luchtige afgescheiden in het gebied van de aardekrachten, van het harde, vaste, zware, en het dramatisch einde van de jaargroei van de noteboom is aangebroken als de massa afgeslagen noten met veel gedruis en geritsel het ogenblik van de oogst verkondigt.

De jonge blaren, als men ze lang laat trekken, geven een scherp-aromatische, smakelijke thee, het aftreksel bestrijdt uitwendig en inwendig ongedierte, parasieten, wormen. De volksgeneeskunde behandelt ook tuberculeuze huid-, slijmvlies- en klierziekten bij kinderen (scrofulose) met een bladaftreksel, inwendig en als bad.

Om op het spoor te komen van de genezende krachten van de noteboom moeten we bekijken hoe de boom zich in lucht, licht en warmte begeeft, deze machtig tot zich trekt, maar zich door deze elementen niet laat oplossen of laat aantrekken, maar integendeel met de aardevastheid verbindt wat hij uit de kosmos ontvangt. Het intensieve looistofproces in blad, vruchtvlees en zaadhuid wijst op de astraalsfeer die in het luchtgebied zit, etherische en vette olie duidt op de inlijving van de kosmische licht- en warmtesfeer. De vette zaadolie heeft een zeer onverzadigd karakter, ze behoort bij de "drogende" oliën; ze zuigt zuurstof aan en wordt daarbij dicht en taai. Men gebruikte ze daarom bij de vernisproductie.
Onverzadigde vetten zijn biologisch de waardevolste, de actieve; hun verhouding tot zuurstof toont dat ze gemakkelijk door het etherlichaam aangepakt worden en verder geleid worden naar de levendige verbrandingsprocessen, en in het organisme warmte ontwikkelen. Verzadigde vetten neigen tot trage afzetting in het lichaam.
De vaste, zware noot met haar harde schaal en het dichte, vaste hout tonen hoe aards, aardegebonden dit gewas desalniettemin blijft. Men moet maar eens een noteboom vergelijken met de gevleugelde vruchten van andere katjesdragers zoals bvb. de wilg, berk en populier. Dan voelt men heel duidelijk het eigenaardige van het noteboomwezen.

Rudolf Steiner heeft tweemaal aanwijzingen gegeven om preparaten te winnen uit de Juglans Regia. Een eerste keer had hij het over de looizuren die uit het blad moesten gehaald worden (en afwisselend met bitterstoffen uit bvb. de akker-ereprijs moesten gegeven worden) om bepaalde vormen van asthma te behandelen. Bij asthma gaat het om een onregelmatige activiteit van het astraallichaam, vooral in de luchtwegen en longen. Daarenboven een "gebrek aan appetijt van het ganse organisme" dat ertoe leidt dat voedingsstoffen niet op een gezonde wijze in het rythmische systeem, in de bloedsomloop opgenomen worden. [ ... ]
De tweede aanwijzing betrof de notedoppen (nootkernhuid). Bij de walnoot hebben we "een echte imitatie van het astraallichaam van de menselijke long, en dat kan men gebruiken om vervormingen tegen te werken".
Het astraallichaam van de mens is dan wel als wezensdeel van de ziel een geheel, maar toch is het gedifferentieerd volgens orgaangebied zodat ieder orgaan ook zijn aandeel aan astrale werkzaamheid krijgt.
Aangezien het astraallichaam zich vooral afdrukt in de lucht- en gasorganisatie van het menselijk lichaam, is het aandeel van de astraalwerkzaamheid aan het ademhalingsapparaat bijzonder belangrijk en interessant. De zeer looistofrijke nootkernhuid omsluit met alle astrale elementen die bij dit looistofproces horen de twee plastische bladvormen van de kiemblaren die door het vetvormende proces opgezwollen zijn. De zwelkrachten die normaal het vruchtvlees ten goede komen, en bvb. een sappige appel vormen, werken nauwelijks in de groene notebolster: die blijft leerachtig. Maar deze krachten zijn niet verloren gegaan, ze zijn gaan werken in het zaad en hebben dat eerste paar bladeren van de plant, de kiemblaren, tot een vruchtachtig zwellen gebracht. In dit gebied wordt sap tot olie.
Appel en noot zijn, van die kant bekeken, tegenstellingen. Het appelklokhuis dat de zaden evenzeer omsluit als de notedoppen het notezaad, imiteert volgens Rudolf Steiner in zijn levensdynamiek evenzeer een deel van het menselijk astraallichaam, echter niet dat van de long, maar dat van de darm.

Bij de appel eten we het vruchtvlees en gooien de zaden weg;
bij de noot eten we het zaad : het vruchtvlees is leerachtig en oneetbaar.

Nog iets over de long:

De long is in een bepaald opzicht het aarde-incarnatie-orgaan. De ademende aardewezens verwerven het pas op een bepaalde trap in hun ontwikkeling. Bij de overgang van kieuwademhaling naar longademhaling zien we een instulping naar binnen van het ademhalingsapparaat. Tegelijk geschiedt er een uitstulping naar buiten van de ledematen die activiteit en beweging op het vaste, het eigenlijke aarde-element mogelijk maakt. Met de eerste ademtocht is de overgang uit het leven in het vloeibare van de embryonale sfeer naar de wereld van het vaste, zware, verbonden.
Het aantal dagelijkse ademhalingen is afgestemd op de gemiddelde leeftijd van de mens op aarde: 18 x 60 x 24 = 25920 keer per dag, ongeveer het aantal dagen dat een gemiddelde mens leeft. Rudolf Steiner heeft dikwijls op deze belangrijke samenhang gewezen.

En tot slot een mooi gedicht over de walnotenboom ( toegevoegd op 20 februari 2001)

Hymne aan de walnotenboom

Blijf af van de vruchten van de walnotenboom,
schud niet aan zijn takken en zijn stam,
wie zich de vruchten toeeigent, wie beslag legt,
liefdeloos, die zal het niet goed gaan.
Wie de walnotenboom pijnigt, zal omvallen.
Lang leve de walnotenboom, moge hij leven in vreugde.
Hij is de eenhuizige rijkdragende.
Hem kwaad berokkenen is er niet bij.
Het zegel beschermt hem. Het onverzwakte schild houdt stand.

Niemand steelt van de walnotenboom.
Die het wel doen die zullen zeker inslapen.
Negen kruiden beschermen de walnotenboom.
Fladder weg, ruisende spoken.
Fladder weg, dertien plagen en pijnen.
Es Yggdrasil moet wel een walnotenboom zijn.
Helder zijn in voorjaar en zomer de bladeren.
Blijf met je licht.

***

**

*

H.H. ter Balkt, In de Waterwingebieden, De Bezige Bij, 2000.


*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
.

Andrej Belyj over Rudolf Steiner

De bouw van het eerste Goetheanum in Dornach was voor allen die erbij meehielpen een geweldige leerschool. Mensen van verschillende nationaliteiten moesten met elkaar samenwerken op een ogenblik dat Zwitserland omringd was door oorlogvoerende partijen. De gebeurtenissen op het slagveld hadden natuurlijk hun weerslag op de verhouding tussen Duitse, Russische, Engelse en Nederlandse antroposofen. Hun vaderlandsliefde, hun chauvinisme, moesten ze overwinnen ter wille van een zelfgekozen, hoger doel: de bouw van een uniek kunstwerk.

Dit unieke kunstwerk, met zijn twee koepels was bijna volledig uit hout. Zuilen, kapitels, architraven moesten allemaal met de hand een vorm krijgen, een kunstzinnige vorm dan nog wel. Vele deelnemers hadden voordien nog nooit iets praktisch gedaan, nog nooit met hout, glas of steen gewerkt. Rudolf Steiner zelf was zo druk bezet dat hij niet iedere dag aan iedereen aanwijzingen en correcties kon geven. Hij verwachtte dat de helpers hun eigen kunstzinnig oordeel zouden scholen, samen met hun handvaardigheid. Onvermoeibaar steunde hij allen die ernstig bezig waren en eerlijk aan 't zoeken waren. Maar als hij ergens eigendunk, verwaandheid, ijdelheid aantrof, dan kon hij de betrokkene er behoorlijk van langs geven ... op zijn manier !

Zo vertelt Andrej Belyj in zijn boek "Mijn jaren met Rudolf Steiner"(uitgegeven bij Vrij Geestesleven) heel openhartig wat hem eens overkwam. Met de "doctor" wordt natuurlijk Rudolf Steiner bedoeld, Katsjer is de naam van de werkleidster, Boegajev is de echte naam van Andrej Belyj. Deze vertaling is van Menno Kraan.


[ ... ] "Twee ontmoetingen met de doctor tijdens het werken aan het hout staan me nog voor de geest: de ene ontmoeting kwetste me, de andere integendeel: het valt me moeilijk die te beschrijven, zoals het hoe dan ook pijnlijk is lofuitingen te beschrijven, ook al zijn ze voor de groep bedoeld waarin je werkte; deze lof gold mij in wezen niet, maar ketste zogezegd via mij verder. Eerst het eerste geval.

Het was duidelijk dat de doctor zich van zijn werkwijze nog niet geheel bewust was; anders waren Von Eckhardstein en ik niet zo in de nesten geraakt.

Duidelijke richtlijnen waren er niet.

Ik kreeg Steiners kritiek te verduren doordat de leidster in gebreke bleef wat betreft haar aanwijzingen en doordat ik met lof overladen werd door de kunstenares Von Eckhardstein, wier ervaring door ons hoog werd aangeslagen: mijn ervaring als houtbewerker bedroeg niet meer dan twee maanden.

Het begon zo: we zaten te luisteren naar een voordracht van de doctor in Bazel; op dat moment woedde er een orkaan boven Dornach, die onze werkbarak verwoestte; ze waren ongeveer twee weken bezig met repareren; om geen tijd te verliezen verhuisden we naar een andere barak, waar de modellen voor de kleine koepel stonden; er werd in provisorische, toevallig zo samengestelde groepen aan gewerkt; alleen ik bleef "werkloos" over; Von Eckhardstein komt naar me toe en nodigt me uit om met haar aan een nieuwe, mij weinig bekende vorm te komen werken. Eenmaal bij Von Eckhardstein in de hoedanigheid van haar enige helper, gehoorzaamde ik aan haar aanwijzingen: de kostuumontwerpster van de mysteriedrama's, de vormgeefster van de weekspreuken, een zeer naaste leerling van Steiner, "helderziend" zoals men zei - moest ik haar dan soms tegenspreken, terwijl ook Katsjer, toen ze mij met Von Eckhardstein bezig zag, niet naar me toekwam ? Het was toch niet haar taak om Von Eckhardstein aanwijzingen te geven.

Von Eckhardstein was capricieus en zat vol koketterie en extravagantie, om te beginnen zag je dat al aan haar kleding: een paars werkschort en een blauwzijden haarband creëerden een impressie van Lucifer op de groene heuvels van Dornach (in een dergelijk kostuum speelde zij de rol van Lucifer in Steiners mysteriedrama's); zelfs het handvat van haar guts had ze paars geverfd; steunend op de hand met de guts en haar andere hand gebiedend naar de vorm uitgestrekt, schitterde zij met haar groene, fosforiscerende ogen achter mijn rug en dirigeerde al mijn handelingen (gedurende de eerste dagen), terwijl ze mij heel verleidelijk complimenten in het oor fluisterde.

Het hout was hard en zij had maar weinig kracht; ze liet mij de guts vasthouden en zelf sloeg zij er met de hamer op; of zij hield de guts vast en ik sloeg erop; ons duet trok de aandacht (het blok hout stond in een gang): iedereen bleef staan bij het zien van dat vreemde schouwspel: de schilderachtige Von Eckhardstein die heel schilderachtig op de guts stond te slaan die ik voor haar vasthield; men wees naar ons en zei waarschijnlijk: "Zo'n ervaren kunstenares heeft niet toevallig Herr Boegajev als assistent aangenomen !"

Spoedig echter liet Von Eckhardstein alles aan mij over en verdween van de werkvloer; wat ik ook deed, ze prees me altijd: "Heel mooi, heel smaakvol !" Mijn aandelen stegen, bij de mensen om mij heen, maar ook bij mijzelf; ik geloofde Von Eckhardstein.
Uiteindelijk verdween Von Eckhardstein volledig, maar Katsjer kwam er niet voor in de plaats; het lot van de vorm lag in mijn handen; met grote overmoed, zonder de verhouding der vlakken te meten en goed te doordenken, ging ik aan de slag en gaf me over aan mijn "artistieke intuïtie", wierp een vluchtige blik op het model en hakte het geheel in het net uit; wanneer je zag hoe de spaanders in het rond vlogen, had je kunnen denken: "Dat is een echte beeldhouwer, die kent zijn zaakjes." Zo keken de oude vrouwtjes die langskwamen ook naar mij; en ik moet bekennen dat ik erdoor gevleid werd.

De vorm leek zijn voltooiing te naderen; als ik van de steiger kwam, genoot ik er zelf van wanneer ik er van opzij naar keek; en ik vergeleek mijn methode van werken met die van de vorm ernaast, die een soort "dor" kristallijn geheel was hetgeen me niet beviel; de sterkste kant van mijn vorm vond ik zijn rondheid.

Naar men zei kwam de doctor er tijdens mijn afwezigheid op af en bleef er lang staan naar kijken.

De volgende zondag werd er een voordracht van hem aangekondigd over het thema 'vormgeven in hout'.

De voordracht vond plaats op de plek waar wij werkten; er werd een kleine lessenaar bij mijn vorm neergezet; mijn hart bonsde helemaal: ik dacht dat hij mijn vorm ten voorbeeld zou stellen: Katsjers terughoudendheid en de 'vleierij' van Von Eckhardstein hadden mij het hoofd op hol gebracht.

Inderdaad koos de doctor mijn vorm uit, maar, mijn God, wat hoorde ik daar ? Alles wat ik voor goed hield werd door de doctor verworpen: die rondheid was smakeloos, het was zelfs een 'vetlaag' die zo snel mogelijk diende verwijderd te worden: de doctor trok grimmige gezichten in mijn richting (zo leek het mij althans); telkens draaide hij zich abrupt naar mijn vorm om, wees ernaar en zei: "Kijk nu toch eens: dat lijkt toch precies op een dikke pens !"

Later, in de gestencilde samenvatting van de voordracht, las ik over mijn uitbrander en trof hier een heel wat mildere uitdrukking: hier ging het niet meer over een "pens", terwijl dat woord toch echt was gebruikt; en er was geen sprake meer van de verschrikkelijke grimassen van de doctor, toen hij, naar het mij leek, vol verachting mijn vorm bekritiseerde: meer dan de helft van de zaal wist wie de maker was: hij had zo staan schitteren op de steigers in die dagen, en hij was iedereen opgevallen door de trotse zekerheid van zijn bewegingen en het stoere gezwaai met zijn hamer.

Ik zat op hete kolen; en jawel, ik was razend; ik dacht: "Dat is geen pak rammel meer, dat is gewoon pure spot !" Mijn besluit stond vast: ik zou geen guts meer aanraken.

Om de vernedering compleet te maken draaide de doctor zich aan het eind van zijn voordracht om naar de kristallijne vorm waarop ik zoveel had aan te merken, en hij zei: "Hier hebt u nu een voorbeeld van hoe het wel moet !"

Zo werd voor het eerst het principe der vlakken toegelicht (op de resten van mijn vernietigde hoop !)."

Terug naar de anecdotes.

*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
Terug naar de inhoudstafel .