Inhoudstafel van Brug 43 (maart 2004):Kamaloka en materialistische zielen
Ervaringen van de mens in de eerste tijd na de dood
Door Jan Vermeir Deze tekst kan beschouwd worden als een aanvulling op een artikel over het “kamaloka”, dat reeds verscheen in “De Brug” nr. 6 (december 1994). Aangezien het, wat dit onderwerp betreft, van belang is enig inzicht te hebben in de verschillende wezensdelen van de mens, geven wij allereerst een korte beschrijving hierover.
- Mineralen, planten, dieren en mensen hebben een fysiek of stoffelijk lichaam; dit bestaat uit minerale substantie. Bij het afsterven van een levend organisme is het fysieke onderworpen aan de processen die het minerale rijk kenmerken: het organisme gaat tot ontbinding over en lost zich op in de ons omringende natuur. - Het etherlichaam of levenslichaam, dat onstoffelijk is, heeft ongeveer dezelfde vorm als het fysieke lichaam en doordringt dit laatste geheel en al; de ziener kan dat schouwen. Alle levende organismen hebben een etherlichaam (zoals een plant bijvoorbeeld); het verzorgt de fysiologische processen in een fysiek lichaam, zoals de groei, de stofwisseling, de vormgeving, de instandhouding van de specifieke gestalte enz… Bij het afsterven van een levend organisme gaat het etherlichaam op in de algemene ethersfeer. - Dieren en mensen hebben daarnaast ook nog een astraal lichaam. Ook dat is onstoffelijk, het doordringt het fysieke lichaam en het etherlichaam; de ziener neemt het waar als een ovale vorm in en rond het fysieke lichaam. Het kenmerkende ervan is dat het innerlijke gewaarwordingen oproept, zoals pijn, onlust en welbehagen, begeerten en driften. Bij de mens is het astrale lichaam hoger ontwikkeld dan bij het dier, omdat het bij de mens ook nog emoties en innerlijke zieleroerselen teweegbrengt; men spreekt hierbij dan niet meer over een "lichaam", maar over een "ziel" (het astraal lichaam bestaat dan uit drie delen: de gewaarwordingsziel, de verstands- of gemoedsziel en de bewustzijnsziel). Kenschetsend voor het astraal lichaam is dat het ook wilsimpulsen (als gevolg van indrukken van buitenaf) veroorzaakt; bij het dier zijn die impulsen zuiver instinctmatig, terwijl de mens ze al in zekere mate kan beheersen. - Het vierde wezensdeel is het "Ik", en dat bezit van alle levende wezens op aarde, alleen de mens. Door de werking van het Ik vindt er een wisselwerking plaats tussen de drie lagere en de drie hogere wezensdelen; in eerste instantie streeft het ernaar om het astrale lichaam te verheffen tot een geestelijk niveau (het geestelijk zelf). Het "Ik" is het meest verborgene in de mens, zijn eeuwige wezenskern, die hem van incarnatie naar incarnatie leidt. Slechts voor de helderziende is het waarneembaar - en dan nog indirect - als een lege uitsparing in de astrale aura ter hoogte van de neuswortel. Zoals elk mens weet dat hij een Ik-bewustzijn bezit, zo weet hij ook dat ieder van zijn medemensen dat heeft. Dat brengt hem tot het morele besef dat elk van zijn medemensen evenwaardig is aan hemzelf. Welk belang dat morele aspect van de zaak heeft voor het leven na de dood, zullen wij verder in de tekst nog zien.
Een kolossale angst zou zich van de mens meester maken wanneer hij op het moment van de dood tot het besef zou komen dat zijn individuele wezen voor eeuwig en altijd zou verdwijnen. Niemand maakt echter zulk een beproeving mee, want direct na het stervensmoment beleeft de mens een ervaring die hem de absolute zekerheid verschaft dat hij als individueel wezen ook na de dood blijft verder bestaan. Rudolf Steiner sprak hierover te Leipzig op 22/02/1916 (GA 168):
"Wanneer wij nu ons fysiek lichaam afgelegd hebben, maken wij bovenal een ervaring mee, die voor het ganse navolgende leven tussen de dood en een nieuwe geboorte belangrijk is... Deze ervaring is juist het omgekeerde van de ervaring hier in het leven op het fysieke plan. Hier in het leven op aarde, kunnen wij met onze gewone zintuiglijke kennis die we hebben, niet terugblikken tot aan het ogenblik van onze geboorte. Geen mens kan zich zijn eigen geboorte herinneren, geen mens kan tot daar terugschouwen. Hij weet slechts dat hij geboren is, ten eerste omdat men het hem wellicht verteld heeft, en ten tweede omdat hij tot het besluit komt dat alle mensen die later dan hem op aarde gekomen zijn, ook geboren zijn; maar een werkelijke ervaring van zijn eigen geboorte kan de mens niet hebben. Precies omgekeerd is het met de overeenkomstige ervaring na de dood. Terwijl wij de directe aanschouwing van onze geboorte nooit in onze ziel kunnen oproepen tijdens het fysieke leven, kan de mens op ieder ogenblik van zijn leven tussen de dood en een nieuwe geboorte met zijn geest terugschouwen naar het tijdstip van zijn dood. Nu moet het ons in elk geval duidelijk zijn, dat dit moment van de dood dan vanaf de andere zijde gezien wordt. Op aarde kan de dood iets schrikbarends zijn wanneer zij als het ware als een verval, als een einde aanzien wordt. Maar wanneer vanaf de andere zijde, vanaf de geestelijke zijde teruggeblikt wordt op het stervensmoment, dan wordt de dood voortdurend ervaren als de overwinning van de geest op het fysieke. Daar is de dood iets als het grootste, heerlijkste, belangrijkste wat men kan beleven. En daarenboven ontvlamt uit dit beleven datgene, wat ons Ik-bewustzijn na de dood is. En gedurende de ganse tijd tussen de dood en een nieuwe geboorte ervaren wij ons Ik-bewustzijn zelfs in een veel hogere graad dan hier op aarde. Maar dit Ik-bewustzijn na de dood zouden wij niet hebben, wanneer wij niet voortdurend zouden kunnen terugblikken op het tijdstip waarop onze geest zich losgemaakt heeft van het fysieke. Dat we een Ik zijn, weten wij doordat wij gestorven zijn, doordat onze geest zich losgemaakt heeft van ons fysiek lichaam. Wanneer wij aan gene zijde van de poort van de dood niet zouden kunnen terugschouwen op ons stervensmoment, dan zou ons Ik-bewustzijn na de dood zijn zoals ons fysieke Ik-bewustzijn hier op aarde in de slaap is. Zoals men in de slaap niets weet over het fysieke Ik-bewustzijn, zo weet men na de dood niets van zichzelf, wanneer men niets weet van dit stervensmoment. Dit moment ervaart men als één van de heerlijkste, als één van de meest verheven belevenissen. Ziet u, nu al moeten wij ons ermee vertrouwd maken totaal anders over de geestelijke wereld te denken dan over de zintuiglijk-fysieke wereld. Wanneer men nu gemakshalve bij de begrippen wil blijven die enkel voor de fysiek-zintuiglijke wereld gelden, dan kan men hoe dan ook geen besef krijgen van de geestelijke wereld. Want het belangrijkste na de dood is, dat men vanaf de andere zijde terugblikt op het stervensmoment; precies daardoor wordt ons Ik-bewustzijn aan gene zijde opgewekt... Wanneer wij tussen de dood en een nieuwe geboorte leven, zijn wij eigenlijk met de bovenzinnelijke krachten die ten gronde lagen aan ons fysiek lichaam, overal in de wereld, alleen op één bepaalde plaats niet, die blijft leeg. Dat is de ruimte die wij in de fysieke wereld ingenomen hadden binnen onze huid. En altijd is onze aandacht op die leegte gevestigd. Terwijl wij onszelf zo van buitenaf bekijken, staren wij in een holheid. Datgene waarin wij zo binnenstaren blijft leeg, maar door die leegte bekomen wij een fundamentele ervaring. Dit binnenschouwen in die leegte is niet zomaar een abstract binnenschouwen, zoals wij hier in de fysieke wereld naar de dingen staren, maar dit schouwen in deze leegte gaat gepaard met een machtige innerlijke levenservaring, met een machtige belevenis, die wij gedurende het ganse leven tussen de dood en een nieuwe geboorte ervaren. Het is het gevoel: ik ben in de wereld voor iets, waarvoor alleen ik daar kan zijn. Ik voel mijn plaats in de wereld. Ik voel, dat ik een bouwsteen ben in de wereld, zonder dewelke de wereld niet zou kunnen bestaan. Dat ik in een leegte binnenschouw, geeft mij het besef dat ik tot de wereld behoor..."
"Dan maakt het etherlichaam zich van ons los. Het etherlichaam dat tot dan toe binnen in ons was, neemt men nu van buitenaf waar; het wordt steeds groter en groter en weeft zich in - dat is eigenlijk de juiste uitdrukking - in de geestelijke wereld waarin wij nu binnen getreden zijn. Nu is er in deze geestelijke wereld die lege uitsparing waarover ik u gesproken heb; die blijft uitgespaard. En hierrond weeft het etherlichaam zich in de kosmos in en deint het steeds verder uit. In alle gevallen waarbij ik dit fenomeen intensief heb kunnen onderzoeken, ben ik tot de overtuiging gekomen dat het een vergissing zou zijn om te geloven, dat wij in het leven tussen de dood en een nieuwe geboorte dit etherlichaam dat zich ingeweven heeft in de algemene geestelijke wereld, niet zouden zien. Wij zien het daar altijd. Altijd straalt het ons tegen, het behoort tot onze buitenwereld. Wat vroeger in ons etherlichaam binnen in ons was, dat behoort nu tot onze buitenwereld. Daar schouwen wij op neer. En het is belangrijk dat wij daar kunnen naar schouwen, want daardoor wordt ons zoveel van de geestelijke wereld begrijpelijk als er verwantschap bestaat tussen ons in de kosmos ingeweven etherlichaam en de ganse geestelijke buitenwereld.” Het kamaloka
Wanneer men spreekt over het kamaloka of het vagevuur, heeft men het meestal over de kwelling die de ziel, of om het in een antroposofische term uit te drukken, het astraal lichaam na de fysieke dood moet ondergaan. Dit is slechts ten dele juist, omdat het toch niet allemaal kommer en kwel is die de zielen er moeten doorstaan, zoals hierna zal blijken. Er zijn evenveel verschillende kamalokatoestanden als er mensenzielen vertoeven in het kamaloka; iedere ziel maakt daar haar eigen persoonlijk gebonden ervaringen mee. Van een aantal zielen heeft Rudolf Steiner het wedervaren in het kamaloka geesteswetenschappelijk onderzocht, en uit zijn bevindingen heeft hij een aantal hoofdkenmerken gedistilleerd. De voornaamste ervan zullen wij hier behandelen.
Maar Rudolf Steiner heeft een andere uitleg: in de regel verblijft de ziel er voor de duur van de tijd die men tijdens het aardeleven verslapen heeft, dus ongeveer een derde van de duur van het aardeleven. Imaginatief kan de ziener schouwen, zegt hij, hoe wij mensen tijdens de slaap iedere nacht alles beleven wat wij de voorbije dag gedaan, gevoeld en gedacht hebben, maar dan in omgekeerde volgorde; om te beginnen doorleven wij dus de laatste belevenis van de dag, daarna de vorige, daarna de dingen nog ervoor enz..., en tegelijkertijd knopen wij aan die dingen een moreel waardeoordeel vast, zodat wij als het ware onze eigen morele rechter worden bij dat rugwaarts doorleven. Wanneer wij dan ontwaken, zijn wij ons daarvan evenwel niet meer bewust. Na onze dood maken wij tijdens ons verblijf in het kamaloka opnieuw door wat wij iedere nacht beleefd hebben, eveneens in omgekeerde volgorde, dus eerst de laatste nacht van ons aards bestaan, dan de vorige, dan die nog ervoor, tot we uiteindelijk, aan het einde van de louteringstijd, bij onze fysieke geboorte aangekomen zijn. De som van al die nachten maakt dus ongeveer een derde uit van de tijd die wij hier op aarde doorgebracht hebben. In het kamaloka slapen wij echter niet, daar zijn wij ons zeer bewust van alle dingen die wij er meemaken, daar leven wij veel bewuster dan op aarde tijdens de waaktoestand, en daar vellen wij ook over onszelf als mens een moreel oordeel.
Gedurende haar verblijf in het kamaloka maakt de ziel twee fundamentele ervaringen door: zij moet zich enerzijds alle zuiver zinnelijke verlangens voor aardse aangelegenheden afwennen, en anderzijds wordt zij in morele zin geconfronteerd met al haar goede en slechte daden, gevoelens en gedachten van het afgelopen aardeleven.
Hier op aarde verklaren de pausen elkaar en nog anderen heilig omwille van ik weet niet welke redenen, dat is traditie. Ginder boven echter bestaan er geen pausen, daar zijn er geestelijke wezens die ons onverbiddelijk en tot in de kleinste details met de werkelijke feiten op de neus drukken; zij doen ons inzien in hoeverre wij geleefd hebben in morele zin en door hun tussenkomst komen wij tot het inzicht wat wij als mens werkelijk waard geweest zijn. En dikwijls is het zo, mocht er ginder grond zijn, dat wij in de grond zouden kruipen van pure schaamte voor onszelf. En dan zijn er nog de verwijten die wij tegen onszelf richten om het onrecht dat wij aangedaan hebben, en de onmacht die wij ervaren omdat het in de bovenzinnelijke wereld onmogelijk is om ook maar iets van onze wandaden goed te maken, hoezeer wij dat ook zouden willen. Maar tegelijk wellen er in onze ziel krachtige impulsen en voornemens op om in de toekomst de fouten goed te maken die wij in ons aardeleven begaan hebben. In die zin sprak Rudolf Steiner in Wenen op 19/03/1910 (GA 119):
"Wanneer de mens de smart voelt die hij iemand anders aangedaan heeft, wanneer hij deze smart na de dood zelf beleeft, dan voelt hij dat aan als een hindernis in zijn ontwikkeling. In zijn ziel ervaart hij zoiets als: wat zou ik geworden zijn, indien ik de andere dit leed niet had aangedaan? Doordat ik dat gedaan heb, is mijn ganse wezen minder volmaakt geworden dan indien ik dat leed niet had aangedaan. - En zo beseft de mens dat alle dwalingen, leugens, hatelijke dingen die hij in zijn omgeving verspreid heeft, dat dit hindernissen in zijn ontwikkeling zijn, dat hij die hindernissen zelf op de weg van zijn vervolmaking gelegd heeft. - En daaruit vormt zich een kracht in de menselijke ziel, die erin bestaat dat de mens in de toestand waarin hij leeft tussen de dood en een nieuwe geboorte, het verlangen krijgt en de wilsimpulsen opneemt om die hindernissen uit de weg te ruimen. Dat betekent dat wij één voor één in rugwaartse beweging, impulsen opnemen om in het volgend leven opnieuw goed te maken, opnieuw in orde te brengen wat wij onszelf aan hindernissen in de weg gelegd hebben. Daarom mogen wij ook niet geloven dat hetgeen wij doormaken alleen maar lijden zou zijn. Leed en ontbering is het zeker, en het is smartelijk wanneer wij al wat wij zelf veroorzaakt hebben, op onze ziel geladen zien; en toch zijn wij blij dat wij het zo mogen beleven, omdat wij juist daardoor de kracht kunnen verwerven om in staat te zijn die hindernissen uit de weg te ruimen. En zo voegen al die impulsen, die wij tijdens de louteringstijd opnemen, zich samen, en wanneer wij dan teruggekomen zijn tot bij de aanvang van ons laatste leven, hebben wij een machtig totaal aan impulsen vergaard dat in ons als een enorme drang leeft om in een nieuw leven, om in het volgend bestaan alles goed te maken wat er in de getypeerde zin goed te maken valt. Dus met de kracht om onze wil in de toekomst zo aan te wenden dat voor al het onrechtvaardige, hatelijke en slechte dat wij gedaan hebben, de vereffening tot stand kan komen, met deze kracht zijn wij uitgerust op het einde van de louteringstijd. De mens kan enigszins een voorstelling krijgen van die kracht, wanneer hij met een wijze zelfkennis ervaart, welke gewetenswroeging het hem veroorzaakt, wanneer hij terugdenkt aan hetgeen hij de een of andere mens aangedaan heeft; maar dit laatste blijft in het leven alleen maar bij gedachten. Een machtige scheppingsdrang wordt zij in de louteringstijd tussen de dood en een nieuwe geboorte. En voorzien van deze scheppingsdrang doet de mens nu zijn intrede in een nieuw gebied: in de eigenlijke geestelijke wereld..." Merkwaardigheden tijdens het leven in het kamaloka
"Indien wij in de fysieke wereld de gave hadden om steeds te zien hoe het Luciferische en het Ahrimanische in de mens werkt, dan zouden wij helemaal anders over de mensen oordelen. Niet dat wij daarom minder kritisch zouden moeten zijn, want wij moeten, wanneer wij geen oordeel vellen over de mensen, weliswaar niet de mensen, maar Ahriman en Lucifer bekampen. Maar van mens tot mens zouden wij oneindig toleranter zijn. Deze tolerantie oefent degene uit die in de zielewereld leeft in de tijd tussen de dood en een nieuwe geboorte, zowel tegenover die wezens, die met hem in de geestelijke wereld zijn, als tegenover degenen die hier als mens nog in een fysiek lichaam belichaamd zijn. En het hoort eenvoudigweg tot het wezen van degene die door de poort van de dood gegaan is, dat hij zich deze tolerantie eigen maakt, dat hij altijd doorschouwt: Lucifer of Ahriman hebben dit of dat aandeel aan een mens. Hij zegt niet: dat is een slecht mens die slechte begeerten volgt, maar hij doorschouwt: dat is het aandeel van Lucifer. Hij zegt niet: dat is een nijdig mens, maar hij zegt: dat is de schuld van Ahriman. Zo oordeelt degene die daar leeft tussen dood en geboorte...” “Het doet de dode ontzettend smart, wanneer hij bij de mensen die hij hier op aarde heeft gekend op een andere gezinning stoot. Nemen wij aan dat wij een mens, die ook in verbinding stond met de dode, uit persoonlijke antipathieën een bijzondere haat toedragen, dan veroorzaakt deze haat een enorme smart bij de dode met wie wij in verbinding staan, en telkens moet die haat die als een zwaard, als een stekend zwaard, als een speer die tegen hem gedrukt wordt, eerst door de dode overwonnen worden, wanneer de dode ons wil naderbij komen, en dat moet hij toch omdat hij met ons verbonden is.”
“Het was leerrijk om te constateren hoe haatgedachten of tenminste antipathiegedachten werken, zelfs wanneer zij niet in het volle bewustzijn naar boven komen! “Zielen, die regelmatig bij zichzelf te rade gaan, zullen in zichzelf het volgende kunnen vaststellen - en ik geloof, dat dit bij vele zielen zo is: nemen wij eens aan, dat iemand een andere persoon gehaat heeft of voor zichzelf moet toegeven, dat hij een afkeer voor die persoon had, of nog heeft. Wanneer die mens die gehaat werd door iemand of er afkeer van ondervonden heeft, nu sterft - ik geloof, dat vele zielen dat vanuit zichzelf weten -, dan voelt degene die in het leven gehaat heeft of afkeer gehad heeft, dan voelt deze, wanneer hij van de dood van de andere weet, dat hij die persoon niet meer op dezelfde manier kan haten of zijn afkeer niet meer in stand kan houden. En wanneer de haat blijft voortduren tot aan gene zijde van het graf, dan krijgen fijngevoelige zielen een gevoel van schaamte over zulk een haat, over zulk een afkeer die blijft voortduren tot over het graf. Dit gevoelen, dat vele zielen hebben, kan nu door de helderziende waargenomen worden. Men kan zich tijdens het onderzoek de vraag stellen: Waarom krijgt de ziel dan dit schaamtegevoel tegenover die haat of afkeer, terwijl er niet eens iemand anders weet heeft van die haat? Wanneer de helderziende de mens, die door de poort van de dood gegaan is, daarboven in de geestelijke wereld volgt en vandaar uit zijn aandacht richt op de ziel die hier nog op aarde is, dan blijkt dat in het algemeen de gestorven ziel een zeer duidelijke waarneming, een zeer duidelijke gewaarwording heeft van de haat in de levende ziel. Om dit als het ware in een beeld te vatten: de dode ziet de haat. Dat kan de ziener zeer precies constateren, dat de dode zulk een haat ziet. Maar wij kunnen ook nagaan wat zo een haat voor de dode betekent. Die schept namelijk voor de dode een belemmering voor de goede voornemens in zijn ontwikkeling, een belemmering, die men zou kunnen vergelijken met hindernissen die ons beletten een uiterlijk doel hier op aarde te bereiken. Dat is de ware toedracht in de geestelijke wereld, dat de dode de haat als een belemmering ondervindt voor zijn goede en beste voornemens. En nu begrijpen wij waarom bij een fijngevoelige ziel, zelfs de in het leven gerechtigde haat afsterft: omdat zij schaamte ondervindt, wanneer de gehate mens gestorven is. Wie geen helderziende is weet weliswaar niet wat er daar precies aan de hand is, maar het is alsof zijn ziel hem influistert dat hij geobserveerd wordt; hij voelt: de dode schouwt mijn haat, ja, deze haat vormt voor hem zelfs een belemmering voor zijn goede intenties. - Vele diepe gevoelens huizen er in de mensenziel, die verklaarbaar worden, wanneer men doordringt tot de geesteswerelden en de geestelijke feiten in ogenschouw neemt, die aan deze gevoelens ten gronde liggen. Zoals men voor vele dingen op aarde uiterlijk fysisch niet wil gadegeslagen worden, of zoals men bepaalde dingen niet doet wanneer men zich bespied weet, zo haat men niet over de dood heen, wanneer men gewaarwordt: ik word door de dode geobserveerd. De liefde echter en ook de sympathie die wij de dode toedragen, die betekenen voor de dode daadwerkelijk een verlichting op zijn weg, zij ruimen hem de hindernissen uit de weg. Wat ik hier nu zeg, dat haat hinderpalen vormt aan gene zijde en liefde deze uit de weg ruimt, heeft niets te maken met het verlichten van het karma, net zomin als hier op aarde vele dingen gebeuren, die wij niet rechtstreeks moeten toeschrijven aan het karma. Wanneer wij onze voet aan een steen stoten, dan moeten wij dat niet altijd aan het karma toeschrijven, tenminste toch niet aan het morele karma. Evenzo is het niet in tegenspraak met het karma, wanneer de dode zich verlicht voelt door de liefde die hem vanaf de aarde toestroomt, of wanneer hij hindernissen ondervindt voor het tot stand brengen van zijn goede voornemens.” .
In de geestelijke wereld gelden er echter gans andere wetten, daar heerst spiritualiteit. En spiritualiteit kunnen wij daar niet leren, dat kunnen wij enkel op aarde, en die dragen wij dan bij onze dood mee naar de geestelijke wereld. Stel dat wij ons gedurende ons aardeleven nooit met spirituele dingen hebben beziggehouden, dan kunnen wij onze weg niet vinden in de geestelijke wereld, omdat wij niets weten over het spirituele leven dat daar heerst. Het enige wat wij er ervaren is ons stervensmoment en de herinneringen aan ons aardeleven waarop wij kunnen terugblikken in de ethersfeer. Niet eens kunnen wij de zielen waarnemen die wij op aarde gekend hebben (indien zij zich evenmin ingelaten hebben met bovenzinnelijke zaken), hoewel zij in onze onmiddellijke nabijheid kunnen vertoeven. Zo leven wij daar in volslagen eenzaamheid.
Mensen met een door en door materialistische gezindheid, of ook rabiate atheïsten, die het bovenzinnelijke radicaal verwerpen, komen steeds talrijker voor, en met een ijzeren consequentie blijven zij tot in de dood trouw aan hun gezindheid, of, zoals wel eens gezegd wordt: zij blijven “materialist tot in de kist”. “Men kan gemakkelijk geloven, dat het leven na de dood niets te maken heeft met het leven hier in het fysiek lichaam; maar bij nader inzien heeft het daar zeer veel mee te maken. Dat merken wij in het bijzonder, wanneer wij zielen waarnemen die al door de poort van de dood gegaan zijn, en hun verhouding nagaan tot de zielen die hier nog in een fysiek lichaam zijn. Laat ons eens zo'n bijzonder geval in beschouwing nemen. Er was een man gestorven, was door de poort van de dood gegaan en had zijn vrouw en kinderen achtergelaten. Enige tijd nadat deze mens door de poort van de dood was geschreden, was het mogelijk voor iemand die in de geestelijke wereld schouwen kan, de betreffende ziel daar te vinden. Het was eigenlijk een echt kwellend bestaan dat die ziel daar moest ondergaan. Deze ziel bejammerde vrouw en kinderen die zij had moeten achterlaten. Dit werd ongeveer in de volgende woorden uitgedrukt - hierbij moet ik weliswaar opmerken dat men dat wat de zielen zeggen, in aardse woorden moet kleden; maar dat is slechts een inkleding, de spraak is een beetje anders, want men kan natuurlijk niet met aardse woorden de spraak der doden weergeven, men moet ze vertalen - : Toen heb ik geleefd met degenen die ik achtergelaten heb, en wanneer ik, toen ik nog leefde, hen 's avonds terugzag nadat ik overdag mijn werk gedaan had, dan kwam hun weerzien mij voor als een soort zonneschijn. Alles wat ik aan hun zijde beleefd heb, was voor mij toen een vertroosting voor mijn moeitevol fysiek leven. Ik had mij toen niet kunnen voorstellen, dat ik zonder vrouw en kinderen zou kunnen leven. Alles wat ik tijdens mijn fysiek bestaan met hen beleefd heb, kan ik mij herinneren, dat weet ik ook nu nog. Maar toen ik na de dood opnieuw ontwaakte in de geestelijke wereld, kon ik mijn vrouw en kinderen niet terugvinden. Ze zijn er niet voor mij, alleen de herinnering van toen is er, nu zijn ze er niet meer voor mij. Ik weet, dat ze daar beneden op aarde zijn, maar hun werkelijk zieleleven, dat, wat ze van 's morgens tot 's avonds denken, voelen en willen, daarover weet ik niets. Zij die mij dierbaar zijn vind ik niet meer, ook al zoek ik nog zozeer!
Dat is inderdaad een reële belevenis; maar dat is ook een belevenis die niet weinigen hebben, zeer vele zielen die tegenwoordig door de poort van de dood gaan, maken dit mee ...
Nu bevinden wij ons in zulk een ontwikkelingscyclus van de mensheid, waarin de zielen hier in het fysiek leven de spraak van het geestelijke moeten leren. Hier verwerven wij ons kennis over de hogere werelden, wat wij in de ware zin van het woord antroposofie noemen en dat is wat vele zielen van tegenwoordig verachten. In waarheid is dit de taal die wij na de dood moeten spreken, indien wij ons in de ware zin van het woord in de geestelijke wereld willen inleven; zoals een stomme betreden wij de geestelijke wereld, wanneer wij deze taal hier niet leren spreken. Na de dood kunnen wij niet meer inhalen wat wij hier als spreken over antroposofie of geesteswetenschap hadden moeten leren. Had de betreffende vader zich op aarde samen met zijn familie met geesteswetenschap beziggehouden, dan zou hij na de dood gans andere ervaringen, een heel ander bewustzijn gehad hebben: ik kan de zielen daar [op aarde] aanvoelen; hoewel ik dan ook door een kloof van hen gescheiden ben, toch zullen ook zij eenmaal naar deze wereld opstijgen en zullen wij elkaar hier terugvinden, omdat wij een gemeenschappelijke geestelijke taal spreken. - Anders echter zal hij met hen niet zo samenkomen, zoals dat op de gepaste wijze zou moeten gebeuren na de dood; hij zou hen enkel kunnen benaderen, zoals men op aarde mensen ontmoet die stom zijn, die iets willen meedelen en het niet kunnen, die in het geheel geen mogelijkheid hebben om zich verstaanbaar te maken.
( Een aanvulling op dit artikel in Brug 44)
Hoe wij de doden kunnen helpen
Wanneer wij bijvoorbeeld, en hiervoor zijn de dagen rond Allerheiligen in het bijzonder geschikt, voor het graf of de urne staan van een mens die ons dierbaar was, en in stilte daar even verwijlen, dan zweven onze gedachten als het ware naar hem toe. Egoïstische gevoelens, zoals het geklaag van "och, was onze geliefde toch nog maar onder ons...", helpen de dode niet; zo'n gejammer belemmert hem zelfs in zijn in zijn goede intenties die hij zich in het kamaloka voorgenomen heeft. Evenmin helpen abstracte gedachten, want die verstaan de doden niet. Wat wel helpt, zijn gedachten waarbij wij in alle levendigheid aan de doden denken; wanneer wij ons iets wat wij met de dode beleefd hebben, in een concreet en levendig beeld voorstellen, en ons daarbij voor de geest halen wat hij ons vertelde, hoe de klank van zijn stem was, welke bewegingen hij daarbij maakte enz., dan stroomt die voorstelling naar de dode toe, hij "ziet" onze gedachten. Zelfs daadwerkelijk kunnen wij voor de doden iets doen om hun lijden te verlichten, of om hun louteringstijd te verkorten wanneer zij langer dan normaal aan de aardesfeer gebonden blijven. In de voordracht die hij hield in Munchen op 12/03/1913 (GA 140) gaf Rudolf Steiner enkele voorbeelden: "Men hoeft niet eens altijd te denken dat zulke zielen door zuiver onedele motieven - ofschoon dat in de meeste gevallen zo is - aan de aarde gebonden blijven; dit kan ook gebeuren door gevoelens van bezorgdheid over wat men op aarde heeft achtergelaten. Bekommernis om vrienden, verwanten, kinderen die men moet achterlaten, kunnen in zekere zin ook als een drukkende last werken en de ziel beletten uit de aardesfeer te geraken. En het is goed om juist op dit punt de aandacht eens te vestigen, omdat wij namelijk in zo een geval de doden te hulp kunnen komen. Wanneer wij weten, dat een gestorven mens zich bijvoorbeeld om één of andere reden zorgen maakt over iemand die hij achtergelaten heeft - en wat dit betreft kan men daarover zelfs veel te weten komen -, dan is het voor de verdere ontwikkeling van de afgestorvene goed om hem die zorg weg te nemen. Men verlicht het leven van de dode inderdaad, wanneer men hem bijvoorbeeld de zorg wegneemt om een kind dat hij hulpbehoevend heeft moeten achterlaten. Wanneer men dus iets doet voor dat kind, dan neemt men inderdaad de zorg van de dode weg, en dit is dan een ware liefdedienst. Want stellen wij ons eens de situatie voor. Die dode heeft nu eenmaal niet de middelen ter hand om zich daadwerkelijk van zijn zorgen te bevrijden; vanuit zijn wereld kan hij meestal niets doen om de levensomstandigheden te verlichten van een achtergebleven kind, van een verwant of een vriend, en daardoor is hij dikwijls veroordeeld - in vele gevallen geeft dit de ziener een uitzonderlijk bedrukkend gevoel - om die zorgen zo lang te dragen tot de levenssituatie van de achtergeblevene vanzelf of door bepaalde omstandigheden verbetert. Wanneer wij er dus iets aan doen om die levenssituatie te verbeteren, dan is dat een ware liefdedaad die wij de dode bewijzen. Er is zelfs dikwijls waargenomen geworden dat iemand die gestorven was zich in het leven voorgenomen had om nog één of ander te doen. De dode hing aan dit voornemen. Wij helpen hem wanneer wij van onze kant datgene proberen te doen wat hij zelf zo graag zou gerealiseerd hebben. Dit zijn allemaal dingen die eigenlijk niet moeilijk te begrijpen zijn, maar waarop toch eens de aandacht moet gevestigd worden, het zijn overigens dingen die volledig overeenstemmen met de waarnemingen van de ziener." .
We kunnen dus een overledene helpen door na zijn dood iets in zijn plaats te doen wat hijzelf graag had willen doen maar door zijn dood niet meer kon realiseren.Omgekeerd geldt ook dat wij het lot van een overledene bezwaren wanneer wij iets doen wat hij ons uitdrukkelijk gevraagd heeft om niet te doen.
We vinden daarvan een voorbeeld in een kortverhaal van Rudyard Kipling, een tijdgenoot van Rudolf Steiner:
"A Sahibs' War" (gepubliceerd in 1901).
De Engelsen hadden het Indisch subcontinent veroverd. Om opstandelingen onder de knoet te houden en afgelegen volksstammen schatplichtig te maken gebruikten ze daar ook inlandse volkeren die bekend stonden om hun krijgshaftigheid, bvb. de Sikhs en de Ghurka's. Een Engelse beroepsmilitair en zijn boezemvriend, een oudere Sikh, allebei officieren, reizen vanuit Indië naar Zuid-Afrika om tegen de Boeren te vechten. Omdat het een sahibs' war is, mag de Sikh niet aangeworven worden als militair, maar omdat ze onafscheidelijk zijn ( de Sikh beschouwt de jonge blanke als zijn zoon) lossen ze dat op door de Sikh voor te stellen als persoonlijke knecht, als ordonnans van de blanke militair. Als tweede, echte knecht gaat er nog een moslim mee, een Pathaan, lid van een woest Afghaans volk. De beide oosterlingen zijn ontsteld over de verraderlijkheid van de Boeren die zich overdag voordoen als onschuldige landbouwers en zich 's nachts ontpoppen tot meedogenloze weerstanders. Volgens de oosterlingen zouden de Engelsen er beter aan doen hun fair-play op te geven en ook hier oosterse troepen met oosterse tactieken in te zetten. Maar van hun overste krijgen ze steeds te horen "This is a sahibs' war", een zaak onder blanken. Op een dag wordt de blanke officier door een Boer doodgeschoten. Zijn twee metgezellen zweren wraak, ze slijpen hun messen en besluipen de volgende nacht de boerderij. Hun slachtoffers verdelen ze op voorhand : de Pathaan, Sikandar Khan, krijgt de man, een predikant, en de Sikh krijgt de vrouw met haar zwakzinnige zoon. Ze overmeesteren de bewoners en leiden ze naar buiten om hen op te hangen. De Sikh vertelt :
" Ik bukte mij om de knoop rond de achterlijke z'n nek te leggen en gooide het andere eind van het touw over de tak, en Sikandar Khan hield de lamp omhoog opdat de vrouw goed zou kunnen zien. Toen verscheen plots, een weinig buiten het schijnsel van de lamp, de geest van Kurban Sahib (de blanke officier). Eén hand hield hij op zijn zij, waar de kogel hem geraakt had, en de andere hand stak hij aldus vooruit en zei : ‘Nee. Het is een oorlog van blanken.’ En ik zei ‘Wacht nog even kind en dan kun je slapen.’ Maar hij kwam dichter ( riding, as it were, upon my eyes) en zei : ‘Nee. Het is een oorlog van blanken.’ En Sikander Khan vroeg : ‘ Is het te zwaar ?’ en zette de lamp neer en kwam naar mij toe; en toen hij zich omdraaide om het touw op te trekken, stond de geest van Kurban Sahib recht op een armlengte van ons, en zijn gezicht was zeer kwaad, en een derde keer zei hij : ‘Nee. Het is een oorlog van blanken.’ En een windzucht blies de lamp uit, en ik hoorde Sikandar Khans tanden klapperen in zijn kop. Zo bleven we zij aan zij staan, de touwen in onze hand, een zeer lange tijd, want we waren sprakeloos. Toen hoorde ik hoe Sikandar Khan zijn waterfles opende en dronk; en toen zijn dorst gelest was gaf hij de fles door en zei: ‘ Wij zijn van onze eed ontslagen’. Toen dronk ik ook en samen bleven we wachten op de dageraad zonder van onze plaats te komen, met de touwen in onze handen."
"De doden hebben ook in zekere zin voedsel nodig, natuurlijk geen voedsel zoals de mensen hier op aarde nodig hebben, maar voedsel voor geest en ziel. Zoals wij mensen hier op aarde - als ik de volgende vergelijking mag gebruiken - onze zaadvelden moeten hebben voor het gedijen van de vruchten waarvan wij hier op aarde leven, zo ook moeten de zielen der doden zaadvelden hebben, waarop zij bepaalde vruchten kunnen oogsten die zij nodig hebben in de tijd tussen de dood en een nieuwe geboorte. Wanneer de helderziende blik de dode volgt, ziet hij, hoe de slapende mensenzielen de zaadbodem zijn voor de doden, voor de gestorvenen. Voor degene die dit voor het eerst in de geestelijke wereld schouwt, is dit gewis niet alleen verbazingwekkend, maar zelfs in de hoogste mate schokkend om te zien hoe de mensenzielen, die tussen de dood en een nieuwe geboorte leven, als het ware naar de slapende mensen toe ijlen en naar de gedachten en ideeën zoeken die in de slapende mensenzielen aanwezig zijn: want daarvan voeden zij zich, en aan dit voedsel hebben zij behoefte. Want wanneer wij 's avonds inslapen, dan beginnen de ideeën en gedachten die tijdens onze waaktoestand door ons bewustzijn gegaan zijn, te leven, zij worden als het ware levende wezens. En de dode zielen snellen toe en tonen daarvoor belangstelling. Door de aanblik van deze gedachten voelen zij zich gevoed. Het heeft iets schokkends, wanneer men de helderziende blik richt op gestorven mensen die iedere nacht naar de slapenden toekomen - wij moeten daar zowel de vrienden als, en dat in het bijzonder, de bloedverwanten in aanmerking nemen - en zich als het ware willen laven aan, voeden met de gedachten en ideeën die de mensen meegenomen hebben in de slaap, en niets vinden, wat voor hen voedzaam is. Want er bestaat een groot verschil tussen ideeën en ideeën met betrekking tot onze slaaptoestand. Wanneer wij ons de ganse dag bezighouden met de materiële denkbeelden van het leven, wanneer wij de blik enkel richten op hetgeen er in de fysieke wereld gebeurt en wat er daar kan verricht worden, en wanneer wij niet éénmaal voor het inslapen een gedachte aan de geestelijke werelden hebben, maar integendeel in vele gevallen met andere zaken in ons hoofd dan met [spirituele] gedachten in slaap vallen, dan bieden wij de doden geen voedsel aan. - Ik ken streken in Europa, waar jonge lieden aan de hogescholen de gewoonte hebben om zich 's avonds met het nodige quantum bier in slaap te drinken. Dan worden er ideeën overgebracht, die voor hierboven van geen enkele waarde zijn. En wanneer de doden dan naderbij komen, vinden zij een leeg veld, en voor hen is dat dan iets zoals voor ons fysiek lichaam, wanneer er door onvruchtbaarheid op onze velden hongersnood uitbreekt. Vooral in onze tijd kan er veel zielehongersnood waargenomen worden in de geestelijke werelden, want de materialistische levenswijze heeft zich wel zeer verbreid. En tegenwoordig zijn er al veel mensen die het kinderachtig vinden om zich in te laten met gedachten aan de geestelijke wereld. Daardoor ontnemen zij de mensen het voedsel dat zij zouden moeten krijgen na de dood, daardoor ontnemen zij hun dit voedsel, dit zielevoedsel…"
“Wanneer wij in deze hedendaagse tijd geesteswetenschap verbreiden om de zielen opnieuw van spiritueel leven te vervullen, waardoor de doden zich kunnen voeden, dan arbeiden wij waarlijk niet alleen voor de levenden, niet alleen opdat de levenden daardoor een theoretische bevrediging kunnen bekomen, maar om onze harten en zielen te vervullen met gedachten over de geestelijke wereld, omdat wij weten dat de doden die met ons op aarde verbonden waren, zich na de dood met deze spirituele gedachten en gevoelens moeten voeden. Wij dienen hierdoor niet alleen de zogenaamde levenden, maar tegelijkertijd zorgen wij ervoor dat de geesteswetenschappelijke arbeid, de verbreiding van het antroposofisch leven, ook de geestelijke wereld dient. Doordat wij tot de levenden over geesteswetenschap spreken, scheppen wij voor het nachtelijk leven ideeën, die vruchtbaar voedsel zijn voor de zielen, die door hun karma ons in de dood zijn voorgegaan. En derhalve moeten wij niet alleen de drang hebben om enkel via de gewone weg van uiterlijke mededelingen de geesteswetenschap of de antroposofie te willen verspreiden, maar wij moeten ook een diep verlangen hebben om deze geesteswetenschap of antroposofie in gezelschappen, in kringen te verbreiden, omdat het een waarde heeft dat mensen die de geesteswetenschap genegen zijn, persoonlijk fysiek in gemeenschap, in groepen samenkomen. Want ik heb gezegd, dat men als dode slechts voedsel kan vinden bij zielen waarmee men in het leven samen was. Wij zoeken zielen bij elkaar te brengen, om het zaadveld voor de doden almaar groter te maken. En menig gestorven mens, die tegenwoordig geen zaadveld vindt omdat zijn familie enkel uit materialisten bestaat, vindt dit [zaadveld] bij die zielen van antroposofen, die hij door de geesteswetenschap heeft leren kennen. Dat is de diepere grond waarom wij in gemeenschap werken, waarom wij in zekere zin de plicht hebben dat een gestorvene, vóór hij sterft, mensen kan leren kennen die zich op aarde met spiritualiteit bezighouden…” .
Er is al dikwijls geconstateerd dat iemand die zich in de geesteswetenschap begint te verdiepen, juist daardoor problemen ondervindt in zijn relaties met zijn partner, familie, kennissen... Om één of andere reden kunnen dezen ogenschijnlijk helemaal niet appreciëren dat iemand zich met antroposofie bezighoudt. Maar het is dikwijls zo, dat zij dit schijnbaar niet kunnen waarderen, zoals uit het fragment hieronder zal blijken.
"Nemen wij het volgend voorbeeld. Twee mensen leven hier in de beste vriendschapsverhouding. Dikwijls komt het nu voor, dat de ene een zekere waardering begint te krijgen voor de geesteswetenschap, terwijl de andere die met hem leeft, de geesteswetenschap nu hartsgrondig begint te haten, hoewel hij er voorheen onverschillig tegenover stond. Deze haat hoeft niet in de gehele ziel te zitten, want het kan volstrekt zo zijn, dat hij enkel in het Ik-bewustzijn zit, en niet in het astrale bewustzijn. In het astrale bewustzijn kan de mens, die zich met een al maar woedender haat tegenover de geesteswetenschap keert, deze eigenlijk zeer graag hebben en ernaar verlangen zonder dat hij het weet. Dat is beslist mogelijk. Zulke tegenstrijdigheden bestaan in de menselijke natuur. Ontleedt iemand zijn astraal bewustzijn, zijn onderbewustzijn, dan leeft er wellicht juist daar een voor hemzelf verborgen sympathie voor dat wat hij in zijn bovenbewustzijn haat. Na de dood blijkt dit bijzonder duidelijk; want na de dood komt de mens tot klaarheid in deze zaak. Iemand, die hier op aarde een haat heeft tegenover de geesteswetenschap, en alles wat daarmee samenhangt tijdens zijn leven heeft afgewezen, die heeft dikwijls het brandendste verlangen naar deze geesteswetenschap. Dat kan leiden tot een diepe smart in zijn kamalokaleven, dat hij niets weet en daaraan dus geen herinneringsgedachten heeft. Want in de eerste tijd na de dood leeft men voornamelijk van herinneringen. Na de dood voelt de mens niet alleen de kwellingen en de vreugde die in zijn Ik-bewustzijn leven, maar ook dat wat hij in zijn onderbewustzijn ontwikkeld heeft. Daar komt de mens in elk geval tot de waarheid op dit gebied. En hier hebben wij één van de dingen waaraan wij kunnen zien, hoe geesteswetenschap werkelijk geroepen is, wanneer zij juist begrepen wordt, om in het ganse menselijke wezen vruchtbaarmakend in te grijpen. Ziet u, de mens die door de poort van de dood geschreden is, kan niets veranderen aan de relaties met de wezens die rondom hem zijn, evenmin als de anderen rondom hem dat kunnen. Daar bestaat de onveranderbaarheid in de onderlinge verhoudingen. Waar echter nog verandering kan optreden, is op het gebied van de verhoudingen tussen de gestorvenen en de nog levenden. De levenden, die hier nog op aarde vertoeven, zijn de enigen die iets van de smart kunnen lenigen, die iets van de dorst kunnen stillen van degenen die door de poort van de dood gegaan zijn, tenminste indien de doden en de levenden elkaar hier op aarde gekend hebben. En in een groot aantal gevallen is gebleken hoe vruchtbaar het is wat men in dit verband kan noemen: de doden voorlezen. [Vanuit occult onderzoek] is dit werkelijk gebleken: iemand is gestorven; tijdens zijn leven heeft deze zich om de hierboven genoemde of om een andere reden van de geesteswetenschap afgesloten. Degene die hier nog op aarde leeft, kan door middel van de geesteswetenschap weten, dat de gestorvene een vurig verlangen naar geesteswetenschap kan hebben. Wanneer deze nu innerlijk van gedachten wisselt met de dode, alsof deze tegenover hem, vóór hem zou staan, dan betekenen die gedachten een grote weldaad voor de dode. Wij kunnen de doden daadwerkelijk voorlezen. Dat overbrugt zogezegd de kloof die er is tussen de levenden en de doden. Bedenkt u eens, wanneer die twee werelden, die door de materialistische gezindheid van de mensen zo gescheiden zijn - de wereld op het fysieke plan en de spirituele wereld, die de mens doorloopt tussen de dood en een nieuwe geboorte - , bedenkt u eens, hoe dit rechtstreeks in het leven ingrijpt wanneer deze twee werelden in elkaar vloeien! Wanneer geesteswetenschap geen theorie blijft, maar een directe levensimpuls wordt, wat zij toch zou moeten zijn, dan bestaat er geen scheiding, maar rechtstreekse communicatie. De doden voorlezen is één van de dingen waardoor wij in directe relatie met hen kunnen treden, waardoor wij hen kunnen helpen. Voor degene die de geesteswetenschap gemeden heeft, blijft altijd de kwelling van het verlangen ernaar, wanneer wij hem hier niet helpen. Wij kunnen hem echter van hieruit helpen, wanneer hij tenminste zulk een verlangen heeft. En zo kan de levende voor de dode een hulp zijn."
“Wij kunnen een mensenziel die vóór ons gestorven is, buitengewone diensten bewijzen wanneer wij hem voorlezen over spirituele dingen. Wij kunnen dit op de volgende manier doen: wij richten onze gedachten tot de gestorvene en wij proberen – dat geeft meer kans op welslagen – om ons hem voor te stellen zoals wij ons hem herinneren: voor ons staand of zittend. Wij kunnen dat voor meerderen tegelijk doen. Wij lezen dan niet luid voor, maar opmerkzaam volgen wij onze gedachtengang, en altijd met de gedachte aan de dode: de dode staat voor ons. Dat is de dode voorlezen. Wij hoeven daarvoor geen boek te hebben; wij mogen echter niet op een abstracte manier denken, maar iedere gedachte daadwerkelijk doordenken: zo lezen wij de dode voor… Dit voorlezen kan om het even wanneer gebeuren. Er is mij al gevraagd geworden op welk moment men dit het best kan doen. Maar dat is totaal onafhankelijk van het ogenblik. Men moet enkel de gedachten werkelijk doordenken. Oppervlakkigheid leidt tot niets. Woord voor woord moet men de dingen doorlopen, zoals men ze in zijn innerlijk zou opzeggen. Dan lezen de doden mee. En het is ook niet juist, wanneer men gelooft, dat zulk een voorlezen alleen nuttig kan zijn voor degenen die zich tijdens hun leven in de geesteswetenschap verdiept hebben. Dat behoeft volstrekt niet het geval te zijn.” Over de betekenis van vergeving voor het leven na de doodDe Russische antroposoof Sergej Prokofieff wijdde in zijn boek "De spirituele betekenis van vergeving" een hoofdstuk aan de grote waarde die vergiffenis schenken heeft voor het leven na de dood.
Zo kunnen de krachten van de vergeving in het hiernamaals dienen als een brug tussen een ziel die als gevolg van haar wandaden zonder hogere leiding in de geestelijke wereld moet verkeren, en haar engel. Deze krijgt zo weer de gelegenheid de hem toevertrouwde ziel in opgaande lijn verder te leiden in haar ontwikkeling van incarnatie tot incarnatie..."
|
Verder naar het tweede deel van Brug 43