De invloed van een gestorven ouder op het achterblijvend kind Waarom verloren de mensen hun geloof ? Korte vooruitblik op een afschuwelijke toekomst Rudolf Steiner politiek niet-correct
* * * * * * * * * * * * * *
Beste Lezer,
Wanneer we, op het einde van het werkjaar, temidden van onze drukke bezigheden even stilstaan en ons de vraag stellen :
François De Wit.
* * * * * * *
De invloed van een gestorven ouder op het achterblijvend kind
Op verschillende plaatsen sprak Rudolf Steiner over de werking van – vooral jonggestorven – overledenen in onze wereld. Hij had zelf ooit een opvoedende taak in een gezin waarvan de vader overleden was, en hij moest vaststellen dat de overleden vader effectief ingreep in de opvoeding van de kinderen, door bvb. te beletten dat de kinderen iets opnamen waar hij (de vader) niet achter stond. ( … ) "Laten we nu een andere persoonlijkheid bekijken, de opmerkelijke persoonlijkheid van de schilder Raffaël. Deze merkwaardige persoon is voor iemand die hem bestudeert een zonderlinge figuur. Je hoeft Raffaël als Italiaans schilder maar te vergelijken met de latere schilders, voor mijn part met Titiaan. Wie voor zulke dingen oog heeft, zelfs als hij alleen maar de kopieën bekijkt, die zal het verschil zien. Bekijkt u de schilderijen van Raffaël en Titiaan maar eens. Raffaël heeft zo geschilderd dat hij christelijke ideeën in zijn werken legde. Hij schilderde als een christen van het Westen, voor de Europese mensen. Zijn schilderijen zijn begrijpelijk voor alle christenen in het Westen en ze zullen steeds begrijpelijker worden. Als u daarentegen de latere schilders neemt, dan ziet u dat die bijna uitsluitend voor de Latijnse cultuur hebben geschilderd, zodat zelfs de kerkelijke verdeeldheid in hun werken tot uitdrukking komt. Welke schilderijen van Raffaël zijn nu het beste gelukt ? Dié waarmee hij kan vertellen welke impulsen er in het christendom liggen ! Waar hij de Jezus-kinderen uitbeeldt in hun relatie met de Madonna, waar hij deze relatie van de Christus tot de Madonna kan uitbeelden als een gevoelsimpuls, daar zijn zijn werken het beste gelukt.
![]() Raffaël : "Madonna met de putter"
In feite heeft hij deze dingen ook het beste geschilderd. Een kruisiging bijvoorbeeld hebben we niet van Raffaël, maar wel een schilderij van de Verheerlijking. Wanneer hij datgene kan schilderen wat te maken heeft met het ontspringen en ontspruiten, met dat wat zich aankondigt, dan werkt hij vol vreugde en schildert hij zijn mooiste en beste doeken. Toen Goethe destijds van Leipzig naar Dresden reed, hoorde hij een ander geluid over dit doek met de Madonna. De ambtenaren van het museum in Dresden zeiden ongeveer het volgende : "We hebben ook een schilderij van Raffaël, maar het is niets bijzonders. Het is slecht geschilderd. De blik van het kind, de hele manier waarop dat kind is geschilderd, is heel gewoon. En de Madonna al evenzeer. Je moet maar denken dat het geschilderd is door een prutser. En dan nog die figuurtjes beneden, van wie je niet weet of het kinderkopjes of engeltjes moeten voorstellen !"
![]() Raffaël : "Sixtijnse Madonna" Dit grove oordeel hoorde Goethe destijds. Daarom ook had hij aanvankelijk niet de juiste waardering voor het schilderij. Alles wat we tegenwoordig over dit schilderij horen, is pas later gemeengoed geworden. En het feit dat Raffaëls werken in de vorm van kopieën een zegetocht door de wereld hebben gemaakt, is het gevolg van deze meer positieve waardering. Je hoeft maar te denken aan wat Engeland heeft gedaan voor het reproduceren en verspreiden van Raffaëls werken. Maar wat er in Engeland is bewerkstelligd door zijn werk te reproduceren en te verspreiden, dat zal men pas inzien als men de zaak meer vanuit geesteswetenschappelijk standpunt leert bekijken.
Zo is Raffaël door zijn schilderijen voor ons een soort aankondiger van een christendom dat internationaal zal zijn. De speculatieve protestanten beschouwden de Madonna lange tijd als specifiek katholiek. Tegenwoordig is de Madonna ook doorgedrongen tot de protestantse landen, en men verheft zich meer tot de geesteswetenschappelijke opvatting, tot een hogere vorm, tot een interconfessionele vorm van christendom. Zo zal het steeds verder gaan.
Het is opmerkelijk : drie personen ontmoeten we op deze wijze, en alle drie hebben ze te maken met een voorloperschap van het christendom.
Als we nu de helderziende blik op deze drie persoonlijkheden richten, wat vertelt ons dat dan?
![]() Raffaël : "Madonna del Granduca" En dan wijkt Rudolf Steiner eventjes af van zijn onderwerp om een ander aspect te belichten :
"Hoe schrijven de mensen tegenwoordig nog biografieën over Raffaël ? U kunt dat overal zien, ook de beste zijn tegenwoordig zo geschreven dat ze gewoon aangeven : Raffaël is geboren op Goede Vrijdag van het jaar 1483.
Raffaël is niet voor niets op Goede Vrijdag geboren ! Alleen al door het feit dat hij door zijn geboortemoment de speciale plaats aangeeft die hij binnen het christendom inneemt, blijkt dat hij op uitermate diepzinnige en veelbetekenende wijze te maken heeft met de christelijke geheimen.
Toen dus Raffaël elf jaar was, stierf zijn vader. Als je nu nagaat wat er dan gebeurt, dan zie je dat de mens zijn lichaam echt kwijtraakt, maar dat de verlangens, aspiraties en impulsen die in zijn ziel aanwezig waren, zich beginnen uit te leven, beginnen te werken in de dingen waarmee ze het sterkst verbonden waren.
Voordat ik verder ga met Raffaël zou ik hier iets willen invoegen.
Laten we nu eens aannemen dat de vader door de poort van de dood is gegaan, en dat er nu eigenschappen die in hem hebben geleefd, met een zekere intensiteit bij het kind tevoorschijn komen. Als je hiervan uitgaat en de zaak op deze wijze bekijkt, dan pas je de inzichten die ons uit de geesteswetenschap toestromen op een verstandige manier toe op het leven; en dan zul je al gauw – zoals je zult ontdekken – wegwijs worden in het leven, terwijl je er eerst geen wegwijs in werd. De mens die door de poort van de dood is gegaan, blijft dus door middel van zijn krachten verbonden met diegenen met wie hij tijdens zijn leven een relatie heeft gehad. ![]() Raffaël : "La belle jardinière"
Op onze beurt voegen wij in dit verband iets toe aan Rudolf Steiners woorden. Ernest Claes (1885-1968) stamde uit een boerenfamilie. Zijn vader had een zwakke gezondheid, de kleine Ernest ook. Daarom zaten ze vaak samen binnen in huis terwijl de andere familieleden buiten in de weer waren. De vader las meer dan boeren in die tijden normaal deden. Uit de beschrijving van de zoon blijkt dat ook in de vader méér leefde dan zich uiterlijk kon manifesteren. We mogen ervan overtuigd zijn dat de vader, die stierf toen Ernest Claes negen jaar was, ook na zijn dood een belangrijke invloed heeft uitgeoefend op de zoon. In "De oude klok" typeert Ernest Claes zijn vader als volgt :
"Vader hield van lezen, en ik had, van mijn vroegste jaren af, die lust van hem overgeërfd. Wij waren de enigen van ons groot gezin die boeken lazen. Vader stelde belang in alles wat behoorde tot het gebied van de geest, van wetenschap, geleerdheid, in alles wat boven het dagelijks slameur van het leven stond. Elke zondag luisterde hij met aandacht naar wat de priester op de preekstoel zegde. Ik ging meestal met hem mee naar de hoogmis, en als wij in het naar huis keren op de steenweg alleen waren vroeg hij mij vaak of ik goed verstaan had wat mijnheer pastoor gepreekt had. Dan maakte hij eenvoudige, maar zo wonderbare toepassingen van wat hij in de kerk gehoord had op de dingen van ons gewone bestaan en op wat hij om zich zag, geen kwezelachtige raadgevingen over bidden en braaf zijn met die neiging van de ouders om hun kinderen steeds aan te manen, neen, het waren woorden die hij sprak uit zich zelf, in zijn verzwegen zielsbehoefte naar de voor hem onbereikbare regionen van de geest. Recht opgaande sprak hij zo, misschien meer voor zich zelf dan voor mij, en schuw en zwijgend, met mijn hand in de zijne keek ik soms naar hem op. Ik verstond niet alles wat hij zegde, maar ik was dankbaar gelukkig dat hij met mij zo sprak. Een deel van de weg liepen wij tussen de weiden en de velden, en hij bleef soms staan en staarde dan met lange blik over het land.
Zo zijn er onder onze mensenbroeders die geen uitweg zien, die in hun jeugd wel de opstandigheid kennen tegen het harde lot, maar die door het leven stilaan murw en deemoedig worden gemaakt.
De ganse reeks beschikkingen van het lot die maakte dat Ernest Claes tegen alle verwachtingen in, toch naar de Ecole Moyenne en de universiteit kon gaan, en daarbij nog een beroemd schrijver werd, kunnen we dat allemaal op rekening van het toeval schrijven ?
Waarom verloren de mensen hun geloof ?
Om kort te zijn : de manier waarop eeuwenlang religieuze en spirituele inhouden aan de volkeren werd gegeven was bestemd voor een agrarische levensvorm. Een industriële omgeving maakt dat de zintuigen van de mens enigszins afstompen. Waar de mens ver van de natuur staat kunnen de traditionele gebruiken en overleveringen van de gevestigde religies niet meer inwerken op de ziel. "Het Lijden van onzen heere Jezus-Christus"
"Het eerste komediespel dat ik in mijn leven zag was : "Het Bittere Lijden van onzen Heere Jezus-Christus in Vijftien Tafereelen". Zo stond het op de groene strooibriefjes die op een dinsdagnanoen door Mark Boon in ieder huis werden afgegeven, met de prijsaanduiding van de plaatsen : eerste rang – 15 centen; tweede rang – 10 centen; derde rang – 5 centen. Deze "Grote Vertoning" zou plaats hebben in de zaal van Fille Muês bij het station van Zichem. Ik zou nog ieder allerkleinst detail van die voorstelling kunnen opnoemen. Geen toneelstuk, geeen boek of verhaal heeft in mijn kinderjaren zo'n overweldigende indruk op mij gemaakt als deze primitieve, onbeholpen, armzalige opvoering door een groepje stakkers van komedianten, die van dorp tot dorp door Vlaanderen trokken, maar die één grote kwaliteit bezaten : zij meenden het. Ik zat op de tweede rij stoelen; achter mij, tweede rang, een paar banken uit Fille Muês herberg, en verder, derde rang, moesten de toeschouwers rechtstaan. Ik zie de ramen nog waarvan de onderste ruiten met kalk waren overstreken, de grote lampe belge boven mijn hoofd die aan haar ijzerdraad zachtjes weg en weer bleef zwieren, zodat de schaduwen van de koppen op de eerste rij onder tegen het voorstuk van het toneel langzaam naar links en naar rechts schoven. Dat was een gek gezicht. Voor mij zat Peer Maes, naast mij zat aan de ene kant Fons van Nijn, aan de andere kant Lowie uit de Grote Molen, en die praatten met elkaar over mijn hoofd heen. Naast de ingangsdeur stond Dries de garde. Vóór mij het toneel, geheimzinnig afgesloten door een rood gordijn. Bij de deur een gedrang en gestommel van de vele mensen die niet binnenkonden. Als ik achterom keek zag ik mijn broer Frans, die me even nijdig aankeek omdat ik vóór hem op een stoel zat. Bij een tweede blik zag ik dat hij samen met Stinus Boets heimelijk vooruitgeschoven was van de derde naar de tweede rang. Ik werd er zelf rood van.
We zaten nog geen tien minuten of een dikke tabaksdamp zweefde boven de koppen.
Daar heerste een ademloze stilte in het zaaltje. Geen mens dacht eraan in de handen te klappen. Dries de garde zette de deur half open om de tabaksmoor te laten wegtrekken. Toen zegde Peer Maes tegen Lowie van de Grote Molen :
Tweede tafereel : het Hofke van Oliveten … Jezus, in een lang wit gewaad … mijnheer Hector die mij een vrijkaart gaf … nee, het was Jezus zelf … Na ieder tafereel trekt Dries de garde de deur even open. Maar vele mannen hebben hun pijp al weggestopt. Wij horen buiten dan stemmen en dat rukt ons brutaal een ogenblik in de Zichemse werkelijkheid terug. De trein van 7 uur rijdt voorbij en het zaaltje davert. Een ademloze stilte heerst tijdens het spel, ook onder de pozen spreekt er ten laatste geen mens meer, hoogstens een gekuch, een voet die verschuift, een die zijn neus snuit. Wij zitten in de betoverende ban van het goddelijk mysterie. Peer Maes, Lowie van de Grote Molen, Fons van Nijn, kijken strak voor zich, hebben geen woord meer te zeggen …
Na het zesde of zevende tafereel gaat het gordijn dadelijk weer open, en een van de Joden staat daar alleen en zegt dat ze nu een omhaling gaan doen bij het "geacht publiek" voor de vrouw van een der artiesten die de vorige nacht een kindeke gekocht heeft … "een dikke zoon, een nieuwe artiest". Naar gelang het spel vorderde en naar de bloedige eindontknoping groeide, werd de spanning immeraan strakker. Het was haast niet meer om uit te houden. Al de toeschouwers zaten daar nu met een dik rood gezicht, velen zelfs met natte ogen die ze heimelijk trachtten te verbergen voor de anderen. Ik zelf zag soms de spelers maar half, als door een waterfloers, en dan hing er om de rode lampevlam boven het toneel een groen glanzende wasem vol tintelende vonken. Dan was het precies of alles nog verderaf gebeurde en of het nog échter was. Roos van Belders mummelde altijd maar door in haar eigen : “Moar moar moar toch ! … Ziet toch es oan ! Ziet toch es oan ! … och-erm och-erm och-erm ! … maar niemand van ons scheen dat te horen.
En als dan ten slotte het laatste tafereel, de Kruisiging, ging komen, was de ontroering zo geweldig dat de kelen als toegeschroefd waren van angst.
Toen viel ook mijn blik op Gust van Seggelen, de Kwade Moordenaar, en ik merkte iets dat ik zeker wist in de Gewijde Geschiedenis niet gelezen te hebben. Gust had een sjiek toebak in zijn mond. Ik zag hem die met zijn tong van de ene wang naar de andere schuiven. En terwijl alle blikken op Jezus en Jef Mots stonden gericht keerde Gust zijn kop eventjes terzij en spuwde tussen de schermen. Wij gingen door de avond met in ons hoofd de beelden en de woorden die wij hadden gezien en gehoord, en het maakte van de donker een grootse levende ruimte waarin wij voortschreden als door een droom. Naast een van de olmen langs de steenweg, de laatste voor de Dulpbrug, ben ik in het natte gras neergeknield en heb er al mijn opgekropt verdriet om Jezus' lijden uitgeschreid. Alleen Nest Schuyten heeft 's anderendaags gewaar geworden hoe diep de indruk was die "Het Bittere Lijden van Onze Heer Jezus Christus in Vijftien Taferelen" op mij gemaakt had." ( … )
Vóór de komst van de bioscoop en TV drong iedere indruk van het oog veel dieper in op de mensenziel. Behalve hun natuurlijke omgeving zagen de mensen bijna geen beelden tenzij letterlijk de beelden in de kerk.
"In de Russische kerk was de icoon het grootste gedeelte van de tijd verborgen achter een gordijn of paneel en op een bepaald moment van de spirituele ceremonie werd het doek opzij geschoven.
Rudolf Steiner legt uit (Bochum, 21 december 1913) :
"Iemand die voor het eerst wat algemeenheden hoort over alles wat door onze geesteswetenschap over de Christus Jezus verteld wordt, zal misschien gemakkelijk de indruk krijgen alsof wij in plaats van de vroegere eenvoud en kinderlijkheid van het Kerstfeest met zijn weerklank van de schone taferelen uit het Mattheüs- en Lukas-Evangelie, iets ongelooflijk ingewikkelds aanbieden.
Wat deze vertellingen bevatten, wat op aarde geschied is en waar deze vertellingen van getuigen, dat leeft en zal verder leven. Alleen heeft de tijd die nu aanbreekt, wij mogen spreken van de "Aardewinter", een tijd van spoorwegen en telegraafdraden en hoogovens sterkere krachten in de ziel nodig om tegenover het uiterlijke materialisme, tegenover de uiterlijke materialiteit, warmte en innigheid in het hart te laten ontvlammen. De ziel moet veel sterker worden om van de waarheid van hetgeen gebeurd is ter voorbereiding van het Mysterie van Golgotha innerlijk zodanig overtuigd te geraken dat het vast wortelt in het hart, om 't even hoe uiterlijk de mechanische natuurorde in het aardebestaan ingrijpt.
NatuurwezensEveneens door de moderne levensomstandigheden verloren de mensen hun geloof in de natuurwezens. Het was voor de antroposofen uit de omgeving van Rudolf Steiner dan ook een verrassing toen ze zagen dat Rudolf Steiner met natuurwezens omging als met andere,zichtbare levende wezens. Herbert Hahn vertelt :
“ … Het is voor de wezens der natuur niet hetzelfde of wij onverschillig aan hen voorbijgaan dan wel ons liefdevol over hen verwonderen. Ieder van hen biedt ons als het ware een vrucht voor ons innerlijk aan. Wij plukken deze vrucht door onze levendige, aandachtsvolle interesse. En door zo te handelen maken wij iets los, verlossen wij voor een deel de natuurwezens. ( … )
Als leidraad voor de houding die wij moeten aannemen t.o.v. de natuur kan het volgende misschien dienen. Oudere leden van de Beweging vertelden mij jaren geleden wat ze meemaakten terwijl ze met Rudolf Steiner in het woud gingen wandelen. Ze zagen hoe hij van tijd tot tijd iets of iemand groette. Toen hij hun verwondering bemerkte zei hij zeer eenvoudig: “Dat moet men toch doen, de elementenwezens verheugen zich daarover !”
In “De mens als klankharmonie van het scheppende wereldwoord” (GA 230) geeft Rudolf Steiner een overzicht van de belangrijkste soorten elementenwezens en de karakteristieken van hun arbeid in de natuurrijken. Schematisch hebben we voor ieder element een ander soort elementenwezen :
Deze wezens zijn voor de meeste mensen in onze tijd onzichtbaar en weinig mensen geloven nog in hun bestaan. Maar regelmatig verschijnen er boeken en boekjes waarin mensen vertellen over hun contacten en belevenissen met natuurwezens. Een tiental jaren geleden was daar bvb. Ursula Burckhard met “Karlik”, en vorig jaar verscheen “Een zomer met het kleine volkje” van Tanis Helliwell,
( Uitgeverij Christofoor, Indigo –reeks, Zeist 2004.)
een Canadese van Ierse afkomst. Op een bepaald moment in haar leven had deze vrouw behoefte aan herbronning en ze ging twee maanden doorbrengen in een oud huisje op het Ierse platteland. Daar ontmoette ze een natuurwezen van de kaste der leprechauns.
Al wat we in dit boek lezen is volledig in overeenstemming met wat we bij Rudolf Steiner lezen, maar het woord antroposofie kom je in gans het boek niet tegen, wat toch wel verbazingwekkend is wanneer de naam van Rudolf Steiner wél uitdrukkelijk genoemd wordt.
Net zoals Rudolf Steiner kunnen Ursula Burckhardt en Tanis Helliwell bepaalde natuurwezens zien. Niet allemaal, want in het boek van laatstgenoemde leren we dat het de natuurwezens veel energie kost om zich aan ons te vertonen, om in onze dimensie zichtbaar te worden. We leren daar ook dat natuurwezens net zoals de mensen een ontwikkeling door te maken hebben. We namen een passage uit het boek over dat daar iets over zegt.
Tanis vraagt het elementarwezen tot welke kaste hij behoort :
Bij die woorden boog hij zich vertrouwelijk naar me toe en zei op samenzweerderige toon: “Ik wist toen nog niet dat onze nieuwe kaste aanvankelijk belachelijk zou worden gemaakt en vervolgens door onze soortgenoten gevreesd zou worden. Had ik dat wél geweten, dan was ik er misschien nooit aan begonnen. Maar ik besefte dat ik bij een belangrijke tweesprong in mijn leven was gekomen en bepaalde keuzes moest maken. Ik richtte me in mijn volle lengte op, keek deze mens recht aan en zei: “Ja, dat wil ik wel proberen.” “Dat was ongeveer honderd jaar geleden” zei mijn vriend en leunde wat achterover op de bank. Nu weten heel wat elementwezens van ons werk af en jongeren melden zich bij ons aan om zich bij ons te voegen. Ook weten we dat het ware doel van onze kaste is om bewuste scheppende wezens te leren worden, zoals jullie mensen dat zijn.” De leprechaun vertelt dan waarom elementwezens hun naam geheim houden, waardoor we gans het sprookje van Repelsteeltje ineens beter begrijpen. Met zijn menselijke vriendin wil hij wel zijn naam delen, om een bijzondere reden. De schrijfster blijft maar doorvragen …
“Meer daarover morgen”, zei hij en begon te verdwijnen.
In GA 220 "Lebendiges Naturerkennen, intellektueller Sündenfall und spirituelle Sündenerhebung" (achtste voordracht, Dornach, 20 januari 1923.) legt Rudolf Steiner meer in detail uit waarom we de natuurwezens moeten verlossen. Hij begint met uit te leggen dat de mens tegenwoordig maar weinig afweet van zijn eigen innerlijk : alleen de abstracte kennis van de anatoom en natuurkundige kent hij. De warmte, het vuur, het licht dat in zijn innerlijk werkt voelt hij niet meer rechtstreeks aan.
"De mens noemt tegenwoordig alles wat hem uit vroegere tijden over het leven van de natuur nagelaten is, mythen, sprookjes. Natuurlijk, deze mythen en die sprookjes zijn overgeleverd als beelden, maar die beelden verwijzen naar iets geestelijks dat in de natuur werkt, dat in de eerste plaats een elementair-geestelijk iets is met onbestemde vormen, maar in ieder geval iets geestelijks, dat, wanneer men er dieper in doordringt, een hoger geestelijk aspect toont. Men zou kunnen zeggen : de mens ging in vroeger tijden niet om met planten, stenen, dieren, maar hij ging om met de elementengeesten die in de aarde, water, lucht, vuur enz. leven.
De mens heeft het vermogen verloren om met deze wezens om te gaan. Nu, met de ontwikkeling der mensheid tot vrijheid en zelfstandigheid hebben deze wezenheden op aarde hun woonplaats in de mens verloren. Ze belichamen zich niet in menselijk vlees en in menselijk bloed en kunnen daardoor niet in de menselijke soort de aarde bewonen. Maar ze vertoeven nog altijd in het aarderijk en ze moeten samen met de mens een bepaald doel bereiken. Dat kunnen ze alleen maar wanneer de mens hun vandaag enigszins terugbetaalt wat hij ooit aan hen te danken had. En dan zeggen we, wanneer we met de geesteswetenschap terug de weg zoeken naar deze wezens : deze wezenheden hebben vroeger menselijke kennis bezorgd en verzorgd, we hebben veel van wat we nu zijn aan hen te danken want zij hebben ons doordrongen tijdens onze vroegere levensloop op aarde, en wij zijn door hen geworden wat we nu zijn. Zij hebben alleen geen fysieke ogen noch fysieke oren. Ooit leefden ze met de mens. Nu bewonen ze de mens niet meer maar ze vertoeven in het aarderijk. En we zeggen verder : Lang geleden waren ze onze opvoeders, nu zijn ze oud geworden, wij moeten hun teruggeven wat zij ons eens gegeven hebben. Dat kunnen we slechts wanneer we in de tegenwoordige ontwikkelingsfase met geest de natuur benaderen, wanneer we niet alleen in de natuurwezens zoeken wat het abstract-verstandelijke zoekt, maar wanneer wij het beeldkarakter in de natuurwezens zoeken, datgene wat niet toegankelijk is voor het dode verstandsoordeel, maar toegankelijk is voor het volle leven, wat toegankelijk is voor het gevoelsmatige. Wanneer we dat zoeken op geestelijke wijze, vanuit de geest van een antroposofische wereldbeschouwing, dan komen deze wezenheden terug dichterbij. Zij kijken en horen als het ware toe hoe wij ons antroposofisch verdiepen in de natuur, en dan hebben ze iets aan ons terwijl ze aan de gewone fysiologische en anatomische kennis niets hebben, integendeel, vreselijke ontbering lijden. Ze hebben niets aan anatomische colleges en dissectietafels, niets aan chemische laboratoria en natuurkundige kabinetten. Tegenover dat alles hebben zij het gevoel : is dan werkelijk de ganse aarde leeg, is de aarde een woestijn geworden ? Leven dan niet meer op aarde die mensen die wij ooit gegeven hebben wat wij hadden ? Willen zij ons nu dan echt niet terugleiden naar de dingen van de natuur, iets wat zij alleen nu kunnen doen ? Daarmee wil ik slechts zeggen dat er wezens zijn die er vandaag op wachten dat wij ons met hen verenigen zoals wij ons met andere mensen verenigen in werkelijk kennisgevoel, opdat deze wezenheden kunnen deelnemen aan wat wij leren, wat wij over dingen weten, wat wij met de dingen doen. Wanneer de mens fysica of scheikunde studeert op de gebruikelijke manier van vandaag, dan is hij tegenover de zorgende en koesterende wezens die hem ooit gemaakt hebben tot wat hij nu is, ondankbaar. Want deze wezenheden moeten bij alles wat de mens tegenwoordig in zijn bewustzijn ontplooit, in het aarderijk bevriezen. En dankbaar wordt de mens pas terug tegenover deze verzorgers en bewaarders wanneer hij de moeite doet om terug de geest te zoeken in alles wat hij op aarde met zijn ogen ziet, met zijn oren hoort, met zijn handen kan grijpen. Want voor alles dat op geestelijke wijze de zintuiglijke waarneming doordringt, hebben deze wezenheden de mogelijkheid om het samen met de mensen te beleven. Wat alleen op zuiver materialistische wijze opgevat wordt laat niet toe dat deze wezenheden met de mensen leven. Dan zijn ze uitgesloten. Wij mensen echter kunnen hun alleen de dankbaarheid betonen die we hun verschuldigd zijn wanneer we werkelijk ernstig aanpakken wat in de geest van de antroposofische wereldbeschouwing ligt." Dan geeft Rudolf Steiner een voorbeeld hoe we het dier moeten zien in wisselwerking met zijn omgeving, wat men tegenwoordig "holistisch" noemt. “Nemen we bvb. aan dat de mens van nu een vis voor zich krijgt of een vogel in zijn kooi, en hij kijkt met zijn uiterlijke zintuigen naar de vis, kijkt met zijn uiterlijke zintuigen naar de vogel. Maar hij is zo egoïstisch in zijn kennis dat hij blijft staan bij wat er onmiddellijk voor zijn neus ligt. Onegoïstisch in kennis is men pas wanneer men niet alleen de vis in het water en de vogel in de lucht ziet, maar wanneer men reeds aan de vorm van de vis en aan de vorm van de vogel ziet dat de vis een dier van het water en door het water en de vogel een dier van de lucht en door de lucht is. Stellen we ons eens voor dat we het stromende water niet beschouwen met het verstand van een chemicus die zegt : nu ja dat is een scheikundige verbinding, H2O, van waterstof en zuurstof, - maar dat we het water zoals het in de realiteit is beschouwen. Dan vindt men daarin misschien vissen. We zien dat die vissen hun weke lichaamssubstantie naar voren gevormd hebben tot een merkwaardig ademhalingsapparaat, en dat deze weke lichaamssubstantie een geraamte omhult dat wegens het water ook week blijft, en ook een kaak omhult. Die weke lichaamssubstantie kan ons als het ware voorkomen alsof ze uit het water gevormd is (net zoals een kwal een lichaam heeft dat lijkt op gestold water – fdw), maar dan wel water waar de zonnestralen inschijnen.”
Heeft men daar een gevoel voor, hoe die zonnestralen in het water schijnen, het doorlichten en doorwarmen en hoe de vis dit doorlichte en doorwarmde water tegemoet zwemt, dan leert men begrijpen dat het de vormkrachten uit dat licht-warmte-water zijn die de vis zijn specifieke voorkant geven. “De vogel is aangewezen op de lucht. Ik leer nu kennen de inspanning die in het ademen ligt wanneer dat niet door het water ondersteund wordt. Ik leer kennen hoe op een andere wijze de warmte en het licht der zon in de lucht werkt en ik word gewaar hoe de vogelsubstantie teruggedrongen wordt van de vogelkaak. Ik begrijp hoe het bij de vogel ongeveer zo is alsof ik al het vlees dat aan de tanden grenst zou terugdringen en de kaak naar voren verhardt.” Samenvattend zegt hij dan: “Dat is toch iets totaal absurd wanneer ik het over water heb als een abstracte verbinding van water en zuurstof. In werkelijkheid is het water samen met zon en maan vis-creërend, en door de vis spreekt de elementaire natuur van het water tot mijn ziel. Het is eveneens een abstractie wanneer ik het heb over de lucht als een mengsel van zuurstof en stikstof; de lucht die vol licht en warmte zit en aan de vogel zijn bijzondere snavel vormt.” Het verband van deze inzichten met het sociale tussen de mensen
“Ja, ziet u, al wat wij in de antroposofische geesteswetenschap tegenkomen geeft aanleiding tot wat ik zojuist beschreven heb. Want wat wij leren kennen in de antroposofische geesteswetenschap wil niet op dezelfde wijze opgenomen worden als de beschavingsproducten van deze tijd, het wil een aanzet zijn tot een bijzonder beschouwen van de wereld. Het is op een bepaalde manier terecht wanneer de buitenwereld ons het verwijt maakt dat in de antroposofische beweging veel gesproken wordt van vooruitgang op geestelijk gebied, maar dat men bitter weinig ziet van geestelijke vooruitgang bij de individuele antroposofen. Nochtans is zo'n vooruitgang wel degelijk mogelijk. Het op de juiste manier lezen van ieder afzonderlijk boek schept de mogelijkheid voor een reële vooruitgang op geestelijk gebied. Daartoe is echter nodig dat de dingen waarover gisteren gesproken werd, echt reëel worden, serieus genomen worden : dat het fysieke lichaam op de juiste manier gevormd wordt door waarachtigheid, het etherlichaam door de zin voor schoonheid en het astraal lichaam door de zin voor het goede.
Om te beginnen waarachtigheid : deze waarachtigheid moet om zo te zeggen de grote voorbereidster zijn voor allen die nu werkelijk ijveren om zich te verenigen in een Antroposofische Vereniging. Waarachtigheid moet allereerst in het leven verworven worden, en waarachtigheid moet iets anders worden voor wie wil dankbaar worden t.o.v. zijn koesteraars en verzorgers uit de oude tijden dan wat ze is voor wie niets weet en niets wil weten van een dergelijke relatie t.o.v. de vroegere hoeders en verzorgers der mensheid. Nu zit de zaak echter zo dat alles wat wij bijvoegen bij wat uiterlijk geschied is, en wat niet zuiver het verloop van de naakte feiten weergeeft wanneer wij het in de voorstelling reproduceren, in ons het vermogen tot hogere kennis teniet doet. Een klassiek voorbeeld Het is ooit gebeurd dat een professor in een rechtsfaculteit een bepaalde vooraf afgesproken handeling liet plaatsvinden in een seminarie waar een twintigtal studenten zaten. Achteraf moesten die twintig studenten beschrijven wat ze gezien hadden. De objectieve waarheid stond vast want alles was verlopen volgens een vooraf afgesproken scenario. Van die twintig studenten hebben er drie ongeveer correct beschreven wat er voorgevallen was, zeventien zaten er volledig naast. En dat was in een juridisch college waar er tenminste nog drie dicht bij de waarheid zaten.
Wanneer men vandaag twintig mensen na elkaar hoort beschrijven wat ze denken gezien te hebben, dan komt dat meestal niet in het minst overeen met wat gebeurd is. En tot een werkelijk schoonheidsgevoel komt men niet anders dan wanneer men er een begin mee maakt de dingen toch eens beter te bekijken, dus dat men, bij het zien van een vogel zich afvraagt waarom hij eigenlijk een snavel heeft, en bij de vis waarom hij die eigenaardige tuit heeft waarin zich de weke kaak verbergt enz. Werkelijk leren met de dingen te leven, dat geeft pas de schoonheidszin. En een geestelijke waarheid is zonder een bepaalde graad van goedheid, zonder zin voor goedheid, al helemaal niet te bereiken. Want de mens moet het vermogen bezitten om interesse, engagement voor andere mensen te hebben; dat wat ik gisteren gekarakteriseerd heb dat het morele eigenlijk pas begint wanneer men in zijn astraal lichaam de bezorgde rimpels van de ander zelf als een astrale zorgrimpel vormt, daar begint het morele. Anders blijft moraal slechts het imiteren van conventionele voorschriften of gewoontes. Wat ik in mijn "Filosofie der Vrijheid" als morele daad beschreven heb, dat hangt samen met dit meebeleven in het eigen astraal lichaam van de zorgrimpels - of de rimpels die door te lachen ontstaan - bij de ander. Zonder dat in het menselijk samenleven dit onderduiken in de ziel van de ander plaatsvindt, kan de zin voor het werkelijk reële leven van geestelijkheid zich niet ontwikkelen. . Verband met de Antroposofische Vereniging Vandaar dat het een bijzonder goede basis voor het ontwikkelen van het geestelijke zou zijn indien er een Antroposofische Vereniging bestond die een realiteit is, waar iedereen de andere zo tegemoet treedt dat hij in hem de mens ervaart die zich samen met hem inzet voor de antroposofie; en dat in de Antroposofische Vereniging de kleinmenselijke gevoelens en interesses niet binnengebracht werden. Indien de Antroposofische Vereniging werkelijk iets nieuws zou zijn waar als hoogste principe geldt : de andere is een mede-antroposoof, dan zou de Antroposofische Vereniging als een realiteit bestaan. Dan zou het bvb. onmogelijk zijn dat zich binnen deze Vereniging kliekjes vormen of dat de neiging ontstaat om in nog grotere mate als dat in de buitenwereld al het geval is om mensen antipathiek te vinden omdat hun neus niet de juiste vorm heeft. Dan zouden de relaties van de mensen tot elkaar daadwerkelijk kunnen gebaseerd worden op wat ze wederzijds geestelijk aan elkaar ervaren. Maar daarmee moet dan ook eens een begin gemaakt worden door een werkelijk ontwikkelen van het zintuig voor waarachtigheid t.o.v. de feiten, wat in de grond hetzelfde is als de accuraatheid, als de verantwoordelijkheid en zorg voor de precieze en exacte weergave van wat men iemand anders meedeelt of in ’t algemeen zegt.
Deze zin voor waarachtigheid is één zaak. En de tweede zaak zou moeten zijn : de zin om aan te voelen dat ieder wezen in een ganse wereld ingebed is, de vis met het water, de lucht met de vogel; dat wordt dan een zintuig voor het begrijpen van andere mensen.
"Nu moet het christelijke principe van algemene menselijkheid ernstig aangepakt worden, anders verliest de aarde haar doel en innerlijke betekenis."
Ahrimanische toekomst
Deze uitdrukking is onder antroposofen een begrip voor een fase in de mensheidsontwikkeling die grotendeels nog moet komen en waarin een machtig en intelligent wezen zijn best gaat doen om de Christus-impuls te neutraliseren.
waarmee we dagelijks geconfronteerd worden. Politiek commentator Mark Grammens schrijft in zijn nieuwsbrief "Journaal" (nr. 445 van 12 mei 2005) :
In alle kranten lezen we tegenwoordig over de Europese Grondwet. Waarom er zo nodig een Europese grondwet moet zijn, waarom er eigenlijk een verenigd Europa moet bestaan in zijn huidige vorm, dat leest men nergens in duidelijke taal. Er wordt wel in de media de indruk gewekt dat deze grondwet een grote weldaad zou zijn voor de Europese burger. ( … ) "Wanneer een artikel van het verdrag over "vrijheid" handelt, gaat het er meestal om een recht te geven aan de (grote) bedrijven (8) of aan religieuze organisaties (9) maar nooit aan de individuele persoon, voor zover dat zou ingaan tegen de belangen van de (grote) bedrijven en religieuze organisaties. Omgekeerd zijn er diverse gevallen waarbij in een artikel gesproken wordt over een "recht", maar waar het in de praktijk erom gaat vrijheden weg te nemen bij de individuele persoon. Dit is bijvoorbeeld het geval voor artikel II-62, "Het recht op leven", dat het mogelijk zal maken abortus te verbieden (10), en waarbij dankzij een uitzondering die niet vermeld wordt in het artikel zelf (11) , expliciet toestemming wordt gegeven de doodstraf toe te passen in "uitzonderlijke situaties" zoals in "tijd van oorlog", in tijd van "onmiddellijke oorlogsdreiging" (12) en "teneinde in overeenstemming met de wet een oproer of opstand te onderdrukken", hetgeen betekent dat er expliciet toestemming wordt gegeven te schieten op een menigte demonstranten ... Een ander voorbeeld van het wegnemen van vrijheden wordt gegeven door artikel II-66, "Het recht op vrijheid en veiligheid", dat (13) het mogelijk zal maken talloze personen in hechtenis te zetten, zoals minderjarigen, teneinde "toe te zien op [hun] opvoeding", personen die niet accepteren te worden gevaccineerd door een product dat zij ondoeltreffend en gevaarlijk achten (14), personen die men "geestesziek" acht (hetgeen in veruit de meeste gevallen gebaseerd zal zijn op volstrekt willekeurige en wetenschappelijk ongefundeerde principes), personen die alcoholist zijn of verslaafd aan "verdovende middelen", en zelfs landlopers, die er uiteraard meer en meer zullen zijn dankzij het steeds harder wordende economische klimaat dat het resultaat zal zijn van dit verdrag. Voeg daaraan toe dat het zal zijn toegestaan om gevangenen te doen werken zonder geldelijke compensatie, d.w.z. als slaven (15) en we hebben een waarlijk "Goelag nachtmerrie" scenario... In de meerderheid van de overige gevallen waar in het deel "grondrechten" (deel II) het woord "recht" wordt gebruikt, gaat het meer erom machtsmisbruik te vermijden vanwege de grote bedrijven, dan om werkelijk fundamentele grondrechten van het individu. Bijvoorbeeld: als we eenmaal hebben begrepen dat het verdrag een wettelijk raamwerk biedt waarbinnen diensten, die thans door de overheid worden verzorgd, aan bedrijven zullen (en moeten!) worden overgedragen, dan wordt het duidelijk waarom men het in het verdrag heeft over het recht op "toegang" tot socialezekerheidsvoorzieningen en -diensten, en niet simpelweg spreekt van een "recht" daarop, zoals in artikelen II-94-95-96. M.a.w.: in die artikelen gaat het erom te bepalen dat het "recht" op sociale zekerheid en bijstand niet (meer) bestaat, maar dat de particuliere bedrijven, die de taak zullen krijgen dit soort voorzieningen te verzorgen, niet op volstrekt willekeurige wijze personen mogen weigeren die voorzieningen aan te bieden, op voorwaarden die verder door die bedrijven zelf zullen kunnen worden bepaald . Het staat vast dat er veel te verbeteren is aan de socialezekerheidsstelsels zoals die thans in de landen van de EU bestaan, en dat er heuse problemen zijn die om een oplossing vragen, maar om één en ander enkel aan particuliere bedrijven over te laten, is waarschijnlijk de slechtst denkbare optie... ( … ) Een ander voorbeeld van een grondrecht dat dankzij dit verdrag wordt weggenomen, is dat van "De vrijheid van meningsuiting en van informatie", artikel II-71, dat op grondige wijze wordt tenietgedaan dankzij een addendum dat de goedkeuring had kunnen verdienen van een zekere J. Stalin, en waar in het artikel zelf niet direct naar verwezen wordt. Het bepaalt dat er uitzonderingen zullen mogen worden gemaakt "in het belang van de nationale veiligheid, [...] openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, de bescherming van de goede naam of de rechten van anderen, [...] of om het gezag en de onpartijdigheid van de rechtelijke macht te waarborgen", echter zonder dat wordt beschreven wat precies aan deze criteria voldoet. M.a.w., er kan eens een tijd komen dat zelfs het publiceren van een analyse als deze door de autoriteiten verboden wordt, "in het belang" van één van de criteria die bepaald werden (willekeurig welke). Als we zien wat er sinds 11 september 2001 zoal gebeurd is in de VS, en kijken naar de wantoestanden, censuur en repressie m.b.t. meningen die afweken van die van de overheid, dan mogen we terecht ongerust zijn over de wijze waarop deze bepalingen zullen worden gebruikt."
Deze grondwet zet de krijtlijnen uit van een wereld waarin recht en geestesleven volledig ondergeschikt zijn aan de economie. Niet voor niets komt het woord "bank" 176 keer voor in de grondwet, "concurrentie" 174 keer, het woord "broederlijkheid" nul keer ! "In de late herfst gaan de mensen naar de Conferentie in Washington en daar gaat gepraat worden over wat generaal Smuts,
de Engelse minister van Zuid-Afrika, vanuit een instinctieve genialiteit gezegd heeft : De ontwikkeling van de nieuwere mensheid gaat nu eenmaal in de richting dat de epicentra van de cultuurinteresses die tot hiertoe rond de Noordzee en de Atlantische Oceaan lagen, verschuiven naar de Stille Oceaan. Uit de cultuur van de gebieden die rond de Noordzee liggen, en die langzamerhand naar het Westen uitgedeind is, groeit een wereldcultuur. Het zwaartepunt van deze wereldcultuur zal van de Noordzee naar de Stille Oceaan verplaatst worden.
Voor deze verandering staat de mensheid. Maar de mensen praten vandaag nog altijd zo, dat dat praten berust op de oude, grove begrippen, en het wezenlijke niet geraakt wordt. Maar dat wezenlijke is nu juist wat moet gevat worden willen we werkelijk vooruit geraken. De tekenen des tijds staan dreigend en betekenisvol voor ons en zeggen ons : tot hiertoe had men maar een beperkt vertrouwen nodig tussen de mensen die eigenlijk in 't geheim allemaal bang waren voor elkaar. Deze angst vermomde zich alleen maar in allerlei andere gedaanten.
Maar die geestelijke verdieping, dat is het laatste wat Ahriman en zijn handlangers willen.
KORTE VOORUITBLIK OP EEN AFSCHUWELIJKE TOEKOMSTMerkwaardig hoe snel de grenzen opschuiven van het uitspreekbare. In het kielzog van de holocaust, die fungeert als ersatz-Golgothamysterie voor de seculiere wereldreligie, blijven de taboes elkaar opvolgen. Guy Verhofstadt schaamt zich nu rot voor de redelijke woorden, die hij amper tien of vijftien jaar geleden over de islam in zijn burgermanifesten schreef. Opiniestukken die dertig jaar geleden onopvallend in onze kranten verschenen, zouden nu goed zijn voor vervolging wegens ‘aanzetten tot haat’. Het wolkendek voor de zon van het Vrije Woord sluit zich snel, en over de wereld wordt een verstikkend web van spreek- en denkverboden gesponnen.
Dit alles wordt geleid. Ergens situeert zich een centrum X, niet zozeer een klassiek georganiseerd instituut maar wel een diffuse anti-culturele broedplaats, een soort gestructureerde fabriek van memes, die stap voor stap onze wereld in een afschuwelijke richting stuurt. De eigenlijke leider is geen mens maar een geest van anti-beschaving, waarvoor steeds meer machtigen der aarde zich openstellen. Ik ken de preciese aard noch de plaats van deze bron, maar dat ze bestaat is even duidelijk als voor de jager duidelijk is het bestaan van het wild, waarvan hij het spoor waarneemt in de sneeuw. Wie kijkt hoe ideeën en maatschappelijke normen versneld opschuiven in steeds dezelfde richting, kan niet anders dan tot deze slotsom komen. Dit is geen ‘random drift’, geen spel van toevallig fluctuerende modes, geen vrucht van louter gedachtenloosheid. Dit is gestructureerd. Hier is een corrupt soort intelligentie aan het werk. Hoewel de bron X van de politieke correctheid niet geografisch valt te localiseren, is het duidelijk dat deze memenfabriek haar zwaartepunt heeft op het Noord-Amerikaanse continent. Daar liggen twee landen, de USA en Canada. Dat laatste land speelt een aparte rol. Canada is het moederland van het multiculturalisme. Het is het eerste land dat zich (ten tijde van Trudeau) officieel als ‘multicultureel’ heeft bestempeld. Het is sindsdien altijd een voorhoederol blijven spelen bij de drijftocht richting ondergang. In 1982 werd in Canada de “Charter of Rights and Freedoms” ingesteld. Dit charter vormde sindsdien het uitgangspunt voor een klasse van activistische rechters om systematisch de vrijheden van de Canadese burger af te breken. Typerend is de rol die de homolobby hierbij speelde. Een bekend geval is dat van Dianne Haskett, burgemeesteres van de stad London in Ontario. Tien jaar geleden weigerde zij om in te gaan op de vraag van de Homophile Association of London, om in de stad een ‘Pride Weekend’ te proclameren. Hiervoor werd zij door de commissie veroordeeld wegens “...onwettige discriminatie op basis van seksuele geaardheid” wat haar en de stad een boete opleverde van $10.000. De burgemeesteres werd bij de daaropvolgende verkiezingen, waarvoor zij welbewust niet de minste campagne voerde, met een overweldigende meerderheid herverkozen. Maar het politiek-correcte establishment ging onverstoord verder met het opleggen aan gemeentebesturen van de plicht om, op loutere aanvraag van homo-organisaties, ‘gay pride’-proclamaties uit te vaardigen. Ook private personen werden door de Canadese gedachtenpolitie vervolgd. Een bekend geval is de drukker Scott Brockie, die weigerde om drukwerk te produceren voor een organisatie van homoseksuelen. Brockie zag zich gedwongen om, nadat hij ongeveer $100.000 had moeten uitgeven aan de kosten bij opeenvolgende processen, van verdere rechtsgang af te zien en zich bij zijn veroordeling neer te leggen. Van groot belang is het gegeven, dat bij dit soort processen beroep op de waarheid volstrekt zonder betekenis blijft. Indien de waarheid voor één of andere groep ‘kwetsend’ of ‘beledigend’ is, dan mag zij niet meer worden uitgesproken: “In 1990 stelde Chief Justice Brian Dickson van het Opperste Gerechtshof van Canada in de zaak Canada (Human Rights-Commission) versus Taylor dat noch de waarheid noch het ontbreken van een kwaad opzet kan ingeroepen worden als verdediging tegen een klacht over een publieke uitlating die een ander persoon zou kunnen blootstellen aan haat of minachting op basis van seksuele geaardheid of om ’t even welke andere discriminatie die verboden wordt door het Mensenrechten Charter.” (Rory Leishman ‘Mad Court Disease’ Touchstone Maart 2005). Katholieke bisschop vervolgd Het spreekt vanzelf dat deze evolutie regelrecht leidt naar een uitschakeling van het christelijk en kerkelijk leven op het publieke toneel. De argumentatie bij de veroordelingen luidt steeds weer, dat men zijn geloof individueel en binnen de kerkgemeenschap mag beleven, maar niet op het publieke forum. Men mag niet volgens zijn principes leven. Zo’n logica kan, naarmate hij wordt doorgetrokken, alleen maar leiden tot de uitroeiing van elke vorm van religieus geïnspireerd leven. Want een godsdienst die geen inspiratie en leidraad mag vormen voor het spreken en handelen in het openbaar leven, is helemaal geen godsdienst. Mensen dienen over recht op secessie en over recht op vrije overeenkomst te beschikken; zoniet kunnen ze niet religieus leven. De klacht die thans tegen een katholieke bisschop werd ingediend lijkt het begin in te luiden van de open godsdienstvervolging in Canada. Bisschop Fred Henry had in januari een herderlijke brief gericht tot zijn gelovigen, waarin hij zich keerde tegen het homohuwelijk. In de krant Calgary Sun, waarin hij een periodieke rubriek schrijft, vatte de bisschop zijn kijk als volgt toe: “De meerderheid van de Canadezen zien het huwelijk als de vereniging van man en vrouw, trouw in de liefde en open voor de gift van het leven. Huwelijk en gezin zijn de grondstenen van de maatschappij, die ervoor zorgen dat kinderen op de wereld komen en opgevoed worden tot volwassenheid. Als dusdanig is het gezin een sociale instelling, fundamenteler dan de Staat, en een sterke gezinsband is cruciaal voor het welzijn van onze ganse maatschappij. Vermits homoseksualiteit, overspel, prostitutie en pornografie de basis van het gezin ondermijnen, moet de Staat zijn dwingende macht gebruiken om deze te verbieden of in te perken in het belang van het algemeen welzijn.” Voor deze woorden werd de kerkelijke herder aangeklaagd voor de Alberta Human Rights Commission. De bisschop is niet van plan om te wijken. Hij stelt volkomen terecht dat zijn vrijheid van meningsuiting en zijn vrijheid van godsdienst geschonden worden. De klacht tegen de bisschop wordt gemotiveerd op basis van de gebruikelijke en corrupte ‘haat’-logica. Een van de klaagsters, Carol Johnson, verwoordde één en ander aldus: “Ik geloof dat de publicatie van de brief van Bishop Henry homoseksuelen zou kunnen blootstellen aan haat of minachting. Dergelijke uitlatingen zijn dubbel zo gevaarlijk wanneer een persoon ze maakt die een autoriteit is en vertrouwd wordt”. Helemaal hetzelfde verhaal dat we hier te lande ook mochten meemaken toen kardinaal Joos zich negatief uitliet over homoseksuelen, en het CGKR klacht meende te moeten indienen. De toekomst Het leidt weinig twijfel dat de wereldwijde anti-discriminatielobby versneld aanstuurt op een globaal verbod op kritische uitlatingen betreffende homoseksualiteit. In Nederland heeft de politieke klasse, net als in België, de anti-discriminatie-ideologie tot fundament van de maatschappij verklaard. Bij onze Noorderburen begint zelfs de grondwet met de verkondiging van dit mensvijandige beginsel. In het ‘Reformatorisch Dagblad’ verscheen op 8 april een commentaarstuk over de gevolgen die deze benadering stap voor stap krijgt voor de vrijheid van vereniging en de vrijheid van godsdienst. Naar Canadees voorbeeld heeft men ook in Nederland een ‘Commissie Gelijke Behandeling’ die de politiek-correcte geloofsartikelen aan de bevolking moet opleggen. Deze commissie is begin april tot de conclusie gekomen dat een protestantse datingsite ‘Crosspoint’ zich aan discriminatie bezondigt door te selecteren op basis van godsdienst. Crosspoint had een katholiek geweerd, en dat blijkt dus niet te mogen. In één adem besloot de staatscommissie ook, dat zo’n datingsite geen homoseksuelen mag weren. De oprichters van zo’n site, noch diegenen die zich aansluiten, mogen voorkeuren kenbaar maken en daarop selecteren. Ze moeten iedereen ‘gelijk’ behandelen. Het Reformatorisch Dagblad schrijft: “Godsdienst mag in het maatschappelijk verkeer geen relevante factor meer zijn en dat leidt ertoe dat men ook bij huwelijksbemiddeling een persoon op grond van zijn godsdienst niet mag uitsluiten. Voor ons mag het logisch zijn dat bij het zoeken naar een huwelijkspartner de geloofsovertuiging van de ander een hoogst relevant punt is. En dat rooms-katholiek toch heel wat anders is dan christelijk gereformeerd. Maar voor de Commissie Gelijke Behandeling is dit discriminatie”. Men dient de consequenties van zo’n stap goed te doordenken. Wat zijn de logische gevolgen van het feit dat mensen niet meer openlijk hun criteria mogen bekendmaken bij de keuze van een huwelijkspartner? Dit betekent niets anders dan dat de huwelijkskeuze zelf in principe genationaliseerd wordt. De politieke klasse heeft zich, met de invoering van de anti-discriminatiewetten, ondermeer het recht toegeëigend om op dit levensdomein in te grijpen. Het is een van de laatste stadia in de collectivisering van het gezinsleven. De individuele mens komt met dit soort wetten ten opzichte van de staat stap voor stap in dezelfde verhouding te staan als de verhouding die een konijn heeft ten opzichte van de konijnenkweker. De burgers zullen gaandeweg gemanoeuvreerd worden in een positie, waarbij zij in de ogen van de politieke klasse een soort kweekobjecten worden. Men denke vooral niet dat dit vergezocht is. Wie dertig jaar geleden had beweerd dat de momenteel reëel bestaande wetten inzake huwelijk, abortus, censuur enz. ooit werkelijkheid zouden worden, zou voor gek versleten zijn. Toch is het intussen zover. Wat zal binnen dertig jaar ons deel zijn? Wat zijn de objectieven die onze voogden momenteel voor ogen hebben? Niets kan met zekerheid worden voorspeld, maar een extrapolatie van wat tijdens de voorgaande decennia werd ‘gerealiseerd’ kan wel de basis vormen voor een ‘educated guess’. We kunnen bijvoorbeeld polygame ‘huwelijken’ verwachten, de invoering van prostitutie als erkend beroep, de oplegging van huwelijksquota – met premies voor ‘gemengde huwelijken’. Op het verlanglijstje staan ongetwijfeld ook de afschaffing van de christelijke kalender en de christelijke jaartelling, verplichte holocaustopvoeding (maatregelen terzake werden door Verhofstadt reeds beloofd tijdens zijn bezoek aan Israël) en etnische belastingen (met hogere tarieven voor mensen met een ‘schuldige’ etnische of raciale achtergrond). Nog eens: men denke niet dat dit ‘vergezocht’ of ‘bij de haren gesleurd’ is. Naar dit soort zaken evolueren we. Men moet zich hierover geen illusies maken. Het ergste ligt voor ons. 17
Rudolf Steiner politiek niet correct
Van 1902 tot 1913 was Rudolf Steiner voorzitter van de Duitse afdeling van de Theosophische Vereniging. Ook toen vertelde hij alleen wat hij zelf onderzocht had op geestelijk gebied, in de Duitse afdeling werd dus van in den beginne antroposofie verkondigd, en nooit werden er kritiekloos inzichten van H.P. Blavatsky of van wie dan ook overgenomen. Rudolf Steiner onderzocht het allemaal zelf. Toen men de Indiër Krishnamoerti wilde voorstellen als de teruggekeerde Christus kwam het tot een breuk en Rudolf Steiner stichtte de Antroposofische Vereniging in 1913 (2/3 februari).
Uit GA 34 " Lucifer-Gnosis", blz. 615 :
( … )
"De overleden stichter-voorzitter had volgens de statuten het recht om zijn opvolger te benoemen. Deze benoeming moet goedgekeurd worden door de Vereniging : om een geldige benoeming te hebben moet twee derden van de uitgebrachte stemmen een “ja” geven aan de genomineerde kandidaat. Ook zegden menige : Kan Mw. Besant eigenlijk gekozen worden wanneer zij reeds voordat ze het ambt opgenomen heeft een zuivere bestuurstaak verwisselt met een esoterische zaak, wat toch een boodschap van de Meesters is ? Bestaat daar niet het gevaar dat er in de toekomst vanuit Adyar in plaats van gewone voorzittersnota’s mahatma-bevelen gaan ontvangen ? Als dat zou gebeuren is de verwarring compleet. Binnen de Duitse afdeling bestaat evenwel daartoe geen groot gevaar want wij zijn er in geslaagd om door ons werk in de laatste jaren vele stormen die de (Theosophische) Vereniging elders beroerden, ver van ons te houden. Zelfs de zaak Leadbeater is bij ons zonder onnodige commotie voorbijgegaan. ( … )
Bij dit alles komt nog iets anders. Heeft het reeds besprokene in de Vereniging buiten Duitsland tot discussies geleid die de keuze van Mw. Besant in vraag stelden, dan werd de omvang van deze discussies nog vergroot door een artikel dat Mw. Besant in het maartnummer van de “Theosophical Review” heeft geschreven over de uitgangspunten van de Vereniging. Dit artikel hield ongeveer het volgende in :
Ondergetekende moet toegeven dat hij deze stelling als een juiste, eigenlijk vanzelfsprekende consequentie van de occultistendenkwijze beschouwd heeft, en dat hij ervan uitging dat aldus ook andere theosofen denken, tot hem het aprilnummer van de “Theosophical Review” in de handen viel, waarin van alle kanten in een eindeloze herhaling gezegd werd dat een dergelijke houding toch het toppunt van amoraliteit is en alle goede zedelijkheid in de vereniging zou ondermijnen. En steeds weer het uitgesproken of onuitgesproken refrein : kan iemand dan president van een beschaafde vereniging zijn die degelijke on-moraal predikt ?
|