Inhoudstafel van Brug 130 ( december 2025)


Over Rembrandt

Michaël en Ahriman

Michaël als tijdsgeest

Orde en chaos in het zonnestelsel

Spiritisme in Berlijn 1904

Kaïn en Abel



*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

.

Beste Lezer,




Vorig jaar besloot een medelijdende ziel om ons een smartfoon cadeau te doen omdat ze vond dat we stilaan eens uit het steentijdperk moesten komen. En waarschijnlijk ben ik niet de enige antroposoof die door zijn omgeving als een uitstervende dinosaurus wordt beschouwd.
Het is natuurlijk een feit dat die toestellen ons bespioneren en heel vlug kunnen achterhalen wat voor soort mens de gebruiker is. Je kijkt bvb. enkele keren naar korte clipjes op youtube. Het toestel registreert hoe lang of hoe kort je kijkt of al helemaal niet en vormt zo een profiel van je interesses.
Op basis van mijn gebruik ontdekte het algoritme dat ik niet meer zo jong was en ik kreeg reclame voor trapliften en ook veel over muziek uit de jaren zestig. En zo zag ik een kort interview met Paul McCartney dat mij nog meer respect voor deze geniale muzikant deed krijgen.
Het bekendste album van de Beatles is wellicht "Sgt. Pepper's Lonely Hearts Club Band". In een interview vertelt Paul McCartney een anekdote uit die tijd :
Toen we dat album aan het opnemen waren woonde ik als vrijgezel in Londen. Mijn huis was zo'n beetje de zoete inval waar iedereen wel eens binnensprong. De dag dat we "Fixing a Hole" gingen opnemen, belde iemand aan de deur, ik doe open maar ik kende de man niet, dus ik vraag wie hij is. "Ik ben Jezus" zei de man. "Nu, je weet maar nooit" dacht ik en liet hem binnen en vroeg of hij een kop thee wilde. Toen het tijd was om naar de studio te gaan, stelde ik hem voor om mee te gaan, maar dan moest hij wel heel stil zijn en niet storen. In de studio legde ik uit aan de andere Beatles : "Deze man zegt dat hij Jezus is, dus ja, je weet toch maar nooit ..." Niemand had bezwaar tegen zijn aanwezigheid en de man woonde de hele opname bij, daarna verdween hij en ik heb hem nooit meer gezien !

Als antroposoof zien we hier een mooie toepassing van de vijfde zgz. Nebenübung die Jan Vermeir in De Brug 9 aldus omschreef :

Geloof : in occulte zin betekent geloof iets anders dan hetgeen men daar gewoonlijk onder verstaat, nl. het onbevangen, vol vertrouwen openstaan voor alle nieuwe en ongekende dingen die men op zijn levensweg treft. De leerling blijft steeds ontvankelijk voor alles wat op hem afkomt, zoniet verspert hij zichzelf de weg naar nieuwe ervaringen. De leerling mag nooit zeggen "dat geloof ik niet", wanneer iets in tegenspraak is met wat hij tot op dat ogenblik dacht. Veeleer moet hij bereid zijn om op ieder moment zijn eigen opinie in het licht van een nieuwe mening te onderzoeken en te herzien.

Deze onbekende man die verscheen toen "Fixing a Hole" moest opgenomen worden ! Tegenwoordig zijn er in de wereld veel Holes die moeten gefixt worden.
Voor wie Hem wil herkennen zal Hij altijd in de buurt zijn om te helpen met dat fixen.





François De Wit


*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

.

Rembrandt en de Rozenkruisersimpuls


Vorig jaar verscheen in het novembernummer van “Der Europäer” een artikel van Bettina Volz over Rembrandt. We vertaalden een deel van dit artikel.


De Rozenkruisersimpuls kan als een soort achtergronddecor beschouwd worden om het leven en werken van Rembrandt te begrijpen. Zijn leven van 1606 tot 1669 valt in dezelfde periode dat de broederschap der Rozenkruisers voor het eerst in de openbaarheid kwam om in het begin van de 17de eeuw een impuls te geven tot een algemene reformatie van het leven : in 1614 verscheen in Kassel de Fama Fraternitatis, in 1615 de Confessio en in 1616 de Chymische Bruiloft van Christian Rosenkreuz Anno 1459.
Maar ook de tegenmachten waren actief in dat tijdperk van het begin van de bewustzijnsziel. Reeds in 1618 brak de 30-jarige oorlog uit die “het edelste dat nagestreefd werd wegvaagde” zoals Karl Heyer het in zijn boek over die periode uitdrukte. Duitsland zonk weg in de chaos van de oorlog. In de Nederlanden echter is juist deze tijd een periode van bloei, voor een deel ook door die oorlog in Midden-Europa. De verbinding tussen Rembrandt en de Broederschap schijnt zelfs een persoonlijk contact te zijn geweest. Het portret van een man in harnas, ook Alexander de Grote genoemd, dat nu in Glasgow hangt, zou in feite een portret zijn van niemand minder dan Christian Rosenkreuz in zijn Hollandse incarnatie, zoals Marie Steiner zei tegen de Noorse antroposofe Helga Geelmuyden. Deze informatie komt van Ernst Lehr die aan Hella Wiesberger het volgende meedeelde :

“In Oslo had mw. Geelmuyden aan Rudolf Steiner een portret getoond dat volgens haar de graaf van Saint-Germain voorstelde. Rudolf Steiner zou daarop gezegd hebben dat hij haar een veel beter portret zou bezorgen dat de graaf in zijn Hollandse incarnatie toonde. Daar is dan verder niets van gekomen. Toen Rudolf Steiner gestorven was vroeg mw. Geelmuyden het nog eens aan Marie Steiner en die zei dat het ging over een portret dat nu in Glasgow hangt en waarvan Rembrandt zelf had gezegd dat het de Meester voorstelde die hem het geheim van het licht geleerd had.” En naar het schijnt bestaat er nog ergens een notitie van Rembrandt waar men kan lezen : portret van de man die mij het geheim van licht en donker leerde.

Rembrandts universeel-objectieve blik

De Rozenkruisers willen in de mensheid de universeel-historische blik ontwikkelen, iets wat slechts sinds het Mysterie van Golgotha mogelijk is. In Rudolf Steiners vijfde evangelie kunnen we lezen dat de Essenen bvb. ondanks hun strenge scholing en hun sociaal werken toch nog niet dit algemeen-menselijke gezichtspunt hadden bereikt, hun streven was nog gekleurd door een Luciferische inslag.
Rudolf Steiner beschrijft Rembrandt in zijn kunsthistorische voordracht als volgt, en karakteriseert hem daarmee als een kunstenaar die volledig in de lijn van de Rozenkruisersmissie ligt :
“Als men zo Rembrandt beschouwt, dan moet men zeggen : hij is eigenlijk nu juist de schilder van de beginnende vijfde na-Atlantische cultuurperiode. Want we weten immers : het grondkarakter van dit vijfde na-Atlantische tijdvak treffen we als we zeggen dat daarin vooral de bewustzijnsziel tot leven komt. Dat betekent voor de kunst dat de kunstenaar buiten de objecten staat en objectief de wereld op zich laat inwerken maar dat in zijn kijken iets universeels ligt, anders zou hij immers vanuit het menselijk egoïsme creëren. Maar in dat tegenover-de-wereld-staan, ook tegenover de mens als object, ligt tegelijk de mogelijkheid om oneindig veel te zien wat vroegere tijden niet konden zien. ( …. ) Wat voor zin zou de kunst hebben als ze alleen maar de werkelijkheid zou weergeven zoals de mensen die zien ? De kunst moet juist weergeven wat in het gewone leven niet gezien wordt.”

Deze karakterisering van het kunstwerk dat door een objectieve weergave een hogere werkelijkheid laat doorschemeren, die kan heel bijzonder waargenomen worden bij Rembrandts weergave van het Emmaüs-maal. Rembrandt produceert hier het wonder om een ogenblik in het zieleleven van de beide Emmaüsgangers als fysieke en tegelijk geestelijke gebeurtenis te vatten. Rembrandt heeft door zijn kunst bereikt om een werkelijkheid weer te geven die voor fysieke ogen niet waarneembaar is.

Rembrandt heeft zich bijna 20 jaar met de scène in Emmaüs bezig gehouden. De eerste schetsen van rond 1630 zijn nog sterk gekenmerkt door een uiterlijke dramatiek. Het schilderij dat nu in het Louvre hangt toont een grote rust en gevatheid van de hele scène. Een wonderlijk licht weeft in de ruimte. De twee volgelingen worden uiterlijk rustig weergegeven, elk helemaal op zichzelf, en de Christus verschijnt alsof Hij het volgende ogenblik weer uit het schilderij zou kunnen verdwijnen. In deze versie wordt het de beschouwer mogelijk gemaakt om zich in te leven in de stemming die beide volgelingen op het ogenblik van het besef ervaren. Toen het brood gebroken werd en hun letterlijk en figuurlijk een licht opging.
In tegenstelling tot Paulus in Damascus worden ze echter niet verblind door de etherische Christus maar kunnen ze de volgende dag verder gaan en de apostelen berichten van hun belevenis.

De versie van 1648 in het Louvre

Licht en donker in het leven van Rembrandt

Een persoonlijk levensdrama ging vooraf aan deze uitbeelding van Emmaüs. In 1643 verliest Rembrandt zijn geliefde echtgenote Saskia. Rudolf Steiner hierover :

“Er ligt iets immens menselijk ingrijpends in dat wat tientallen jaren lang bij hem aan de oppervlakte wilde komen. Want men kan niet ontkennen : Rembrandt was begaafd met een geniaal talent wat kunst betreft maar nog niet diep, hij ging niet in de diepte van de dingen. Wat hij oorspronkelijk schiep, het was al groots, maar op een bepaalde manier mist het diepgang. En toen gebeurde het, het moet 1642 geweest zijn, dat er een smartelijk verlies in zijn leven kwam; toen verloor hij zijn vrouw die hij zo innig liefhad, met wie hij zo verbonden was, die voor hem werkelijk een tweede leven was. Maar dit groot verlies werd voor hem juist de bron van een oneindige zielsverdieping. Zo zien we dan dat sinds dat ogenblik zijn scheppen diepgang krijgt, oneindig meer ziel krijgt dan daarvoor. En de geniale Rembrandt wordt nu ook de in zichzelf verdiepte Rembrandt.”

De persoonlijkheid van Rembrandt staat groot en raadselachtig voor ons. Zijn leven verschijnt als een opeenvolging van sterke contrasten, bijna zoals in zijn schilderwerk: de onvermoeibare bijbellezer leefde tegelijk pronkerig. Hij bewoont een groot herenhuis dat zeer welgelegen is maar hij zit altijd in geldnood omdat hij de termijnbetalingen van de lening niet nakomt. Na de dood van Saskia neemt hij Geertje Dirckx in huis als verzorgster van zijn zoontje, ze wordt zijn geliefde, en hij krijgt ruzie met haar vanaf 1949 wegens een huwelijksbelofte die hij niet houdt want hij heeft ondertussen de veel jongere Hendrikje Stoffels als geliefde. Trouwen kan hij niet door een clausule in het huwelijkscontract met Saskia. Geertje blijft hem het leven zuur maken en zo komt het dat hij haar met behulp van getuigen voor 11 jaar in de gevangenis laat steken. In 1656, veertien jaar na Saskia’s dood komt het tot een faillissement omdat hij in een poging om het huis af te betalen te veel risico’s heeft genomen. Hij verliest alles en moet zijn omvangrijke kunstkamer van de hand doen. Naast een prachtige bibliotheek bevat deze verzameling ook natuurkundige voorwerpen – schelpen, planten, slakken en opgezette dieren- maar ook kostuums, wapens en kunstwerken uit oosterse landen die met de schepen van de Oost-Indische Maatschappij naar Nederland waren gekomen. Dan natuurlijk ook kunstwerken allerhande die hij op grote schaal verzamelde.
Zijn laatste 10 jaren, vanaf 1658 woont hij in een arme wijk, in een huis dat zijn zoon Titus en Hendrickje huren. Die twee richtten een kunsthandel op en ze stellen Rembrandt te werk tegen kost en inwoon zodat zijn werken niet door de schuldeisers in beslag konden worden genomen. Dat gaat een tijd goed maar Rembrandt kan het niet laten om overeenkomsten te sluiten die hij niet kan nakomen en staat regelmatig met schuldeisers bij een notaris.

Rudolf Steiner karakteriseert Rembrandt als volgt :

”In Rembrandt zien we het rechtstreeks-individuele van een sterke, van een krachtige, van een geweldige persoonlijkheid die als een licht schijnt vanuit de 17de eeuw. En in een tijd als de onze (Eerste Wereldoorlog) kan het betekenisvol zijn om terug te kijken naar een tijd waar naast de verwoesting die aan de gang was in Europa, een rechtstreeks scheppen uitgaat van een mensenziel van wie men mag geloven dat ze met de oorspronkelijke elementen van het wereld-zijn in een rechtstreeks verband staat.”

Rembrandt heeft zichzelf meer dan een andere kunstenaar telkens weer geschilderd. Er bestaan zeker 80 zelfportretten in verschillende technieken van zijn hand, in de meest verscheiden stemmingen : vrolijk, toornig, ernstig, verwonderd, bang, lachend. Het spiegelen van innerlijke zielsbewegingen in het uiterlijke van het gelaat is een motief dat doorheen Rembrandts hele oeuvre te volgen is. In de zelfportretten kleedt hij zich ook in historische en buitenlandse klederdrachten. En ook het ouder worden wordt op een objectieve manier weergegeven.
De zelfportretten van de laatste jaren tonen een bedachtzame, door het leven gerijpte mens die de beschouwer met een ernstige maar toch milde, vaak zelfs met een innerlijke glimlach aankijkt. De blik van de oude Rembrandt doet denken aan de broederschap in het Rozenkruisersgedicht “De Geheimen”, waar over de uit de hele wereld samengekomen broeders gezegd wordt :

Je voelt wel hoe veel hier geleden,
Geleefd, verloren werd, en wat bereikt.

Rembrandt werkt in zijn laatste jaren, van 1660 tot 1669 onvermoeibaar verder. Zijn manier van werken was zeer traag, zijn criteria lagen zeer hoog. En zo kostte het hem levenslang veel moeite om een werk als volledig klaar te beschouwen en het los te laten, iets wat vele opdrachtgevers tot hun verdriet moesten ondervinden. De Florentijnse schilder en kunsthistoricus Filippo Baldinucci schrijft over Rembrandts werkwijze : “Deze schilder, in al zijn gevoelsbewegingen zo verschillend van zijn medemensen, was ook hoogst veeleisend in zijn schilderstijl en ontwikkelde een werkwijze die hem alleen eigen was. Hij gebruikte geen basisschetsen om figuren en vlakken te begrenzen maar losstaande wilde penseeltrekken en –streken, en ook zeer donkere partijen zonder evenwel tot het zuiver zwart te komen. En wat daarbij het moeilijkst te begrijpen is : hoe hij dan, terwijl hij toch met brede penseeltrekken werkte, zo traag opschoot en zijn werken met zoveel aarzeling en met zoveel moeite tot stand kwamen als bij geen enkele andere schilder. ( …. ) Dit trage vorderen kwam doordat Rembrandt, nadat de eerste kleurlaag opgedroogd was, de arbeid terug van voor af aan begon door met grote of kleine penseelstreken erover te gaan, zodat op vele plekken de verf er bijna vingerdik op lag.”

Het zelfportret als de apostel Paulus

In een van zijn laatste zelfportretten beeldt Rembrandt zichzelf af als de apostel Paulus. In een vroeger schilderij uit 1627 had hij deze apostel al eens geschilderd, hoe die nadenkend in de gevangenis zat en in een groot boek schrijft, toen nog met de trekken van een oude man. Nu geeft hij de apostel zijn eigen gelaatstrekken. Laat men de merkwaardige blik op zich inwerken dan schijnt die te zeggen : ja, ook ik heb het licht van Damascus mogen zien.
De kunsthistoricus Pascal Bonafoux schreef hierbij de volgende commentaar :

“Wil Rembrandt hier zeggen dat hij – zoals de verblinde Saulus die door de duisternis moest gaan – de “klaarheid van dit licht” heeft gezien ?"

We mogen aannemen dat een mens die zijn leven lang geworsteld heeft met het geheim van licht en duister, een diepe verbinding moet hebben met de ervaring van Paulus in Damascus. In het late zelfportret als apostel Paulus kunnen we een vingerwijzing zien van de kunstenaar naar een diepere laag van zijn persoonlijkheid.

Zelfportret als apostel Paulus

Paulus in de gevangenis


*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

.

Over de 7de Michaëlsbrief


In het septembernummer van dit jaar in “Der Europäer” kan men een beschouwing lezen van Charles Kovacs over de 7de Michaëlsbrief. Die is te vinden in GA 26 “Anthroposophische Leitsätze”, in het Nederlands ook verschenen bij Zevenster in 1990 onder titel “Antroposofische Motieven”.
Het gaat hier niet over de 7de Leitsatz van 2 maart 1924 maar wel over wat Rudolf Steiner schreef in november 1924 :”De wereldgedachten in het werken van Michaël en in het werken van Ahriman”, de motieven 121 tot 123.
Vanaf 12 oktober 1924 sprak Rudolf Steiner in deze Leitsätze over Michaël.
Charles Kovacs bespreekt hier de 7de brief in deze serie.

Geestelijk licht en geestelijke duisternis

1) De vorige, zesde Michaëlsbrief was bijzonder moeilijk, zowel qua inhoud als qua formulering. Dit is nu niet het geval met de volgende, zevende brief.. Hier is de inhoud zo duidelijk dat iedere commentaar overbodig schijnt en de taal is beeldrijk, er worden imaginaties geschetst die men zich gemakkelijk kan voorstellen. In deze zevende brief kan men zelfs spreken van een poëtisch element.

2) Het thema van deze brief is de tegenstelling tussen Michaël en Ahriman wat betreft de wereld-gedachten of, zoals het ook wordt genoemd, de kosmische intelligentie.
Wat zijn nu die wereld-gedachten, die kosmische intelligentie waartoe zowel Michaël als Ahriman toegang hebben ?
In imaginaties is licht het symbool voor de wereld-gedachten, het licht is het zinnebeeld voor de kosmische intelligentie.

3) Wat is echter “geestelijk licht” ? In de geestelijke wereld is er geen licht dat van buitenaf op de dingen valt zodat men die kan zien. In de geestelijke wereld heerst licht of heerst duisternis op een andere manier, een manier die wij eerst moeten leren verstaan.
Stellen we ons een groep euritmisten voor die op het toneel een muziekstuk vertolken. Alle bewegingen op het toneel zijn op elkaar afgestemd. En dit samenklinken van de bewegingen, dat is geestelijk “licht”. Maar de mensen die in een winkelstraat door elkaar lopen, die zijn, geestelijk gezien, duisternis. Hun bewegingen vertonen onder elkaar geen enkele samenhang.

4) We gaan nu twee andere woorden gebruiken om dit onderscheid te maken : in de euritmie-opvoering heerst een bepaalde orde, in het gedrang van de winkelstraat heerst chaos die slechts getemperd wordt door enkele praktische overwegingen.

5) In de geestelijke wereld is orde zoveel als licht in de fysieke wereld, en chaos is duisternis. In een Kerstvoordracht vergelijkt Rudolf Steiner het menselijk zieleleven met de bewegingen in de kosmos. In de ziel spoelen voorstellingen, gevoelens, wensen door elkaar, daar heerst chaos. De banen van de planeten vertonen een verheven orde en harmonie. Maar – zo lezen we in die voordracht – zoals tegenwoordig in de mensenziel chaos heerst, zo was er ook in een oeroud verleden chaos in het universum en pas door daden van de goden over lange tijdsperiodes is deze chaos tot kosmos geworden, tot de huidige orde en harmonie.

6) De kosmische chaos, dat was de oer-duisternis, de geestelijke duisternis. En de wonderbare orde die we zien in de bewegingen van de hemellichamen, dat is geestelijk oer-licht.
En dat oer-licht, deze kosmische orde is ook de openbaring van al wat bedoeld wordt met “kosmische intelligentie” of ook “wereld-gedachten”. Het is de wijsheid waarvan de zichtbare afdruk de verhoudingen van de planeten onder elkaar zijn, de euritmie van de planeten. (meer hierover op blz. 14)

7) Maar de planeten zijn slechts de zichtbare tekens van de geestelijke sferen van de hiërarchieën – de Maan van de Engelen, Mercurius van de Aartsengelen enz. Wat daar aan de hemel verschijnt als verhoudingen tussen de planeten, dat zijn tekens voor de verhoudingen tussen de hiërarchieën. 8) Daarom zegt Rudolf Steiner in de voordrachten over het karma van de Antroposofische Vereniging heel kort en bondig : kosmische intelligentie, dat zijn de verhoudingen van de hiërarchieën onder elkaar.

9) Kosmische intelligentie, kosmisch intellect of geestelijk licht, dat zijn slechts verschillende benamingen voor de wijsheid die naar ons schijnt vanuit de verheven euritmie van de hemellichamen.

10) Er is ooit een cultuurperiode geweest die zich bijzonder heeft bezig gehouden met het observeren en begrijpen van deze kosmische wijsheid, dat was de Babylonisch-Chaldeeuwse cultuur. Met de Babyloniërs begint in feite het waarnemen van de sterrenhemel, de astronomie en de astrologie. En de sterrewichelaars van Babylon vertelden van de grote draak Tiamat die ooit de baas was in de kosmos. Maar de god Mardoek trad de draak tegemoet, overwon hem en vormde uit het lichaam van de draak het hemelgewelf en de sterren. En toen dat gebeurd was zongen de goden van vreugde.
De draak Tiamat, dat is de oer-chaos; Mardoek, dat is de Babylonische naam van het wezen dat wij Michaël noemen. En het zingen van de goden, dat is wat Pythagoras de sferenharmonie noemde. Dat is waar Goethe naar verwijst in de Proloog in de hemel : “De zon klinkt op oude wijze in het koor van de broedersferen …”

11) De Babyloniërs zeiden ook dat Mardoek de drakendoder een zoon, een afstammeling was van een hoog goddelijk wezen dat ze Ea noemden. Rudolf Steiner spreekt in een voordracht van deze naam. Hij zegt dat dit woord als toevoeging gebruikt werd bij een ander woord dat Zijn of Bestaan betekent, het woord “Soph”, en zo ontstond Soph-Ea, de Sophia van de Grieken.

12) Mardoek-Michaël is de Ea-Sophia, is ontsproten uit de goddelijke wijsheid en vanuit de kracht van deze wijsheid overwint hij de Chaos-draak en schept in de euritmie van de planeten een beeld van deze wijsheid.

13) De Grieken ontdekten reeds dat als men de snaar van een harp de helft korter maakt, de octaaf van de eerste toon klinkt; bij een verkorting van ¾ klinkt een kwint en bij een 2/3 verkorting een kwart. De intervallen kwart, kwint en octaaf zijn innerlijke ervaringen in de ziel-geest maar als ze klinken in de lucht, dan zijn ze verbonden met de getallenverhoudingen 1:2, 2:3 en 3:4.

14) En op vergelijkbare wijze komt men tot getallenverhoudingen als men zuiver getalmatig de omloopstijden van de planeten vergelijkt. Zo is bvb. een Venus-omloop even lang als 5 Mercurius-omlopen; vier Venus-omlopen komen overeen met drie Mars-omlopen en drie Venus-omlopen komen overeen met acht Zon-jaren ( = Aarde-omlopen).
Als geestelijke realiteit gaat het om verhoudingen tussen de Archaï, de Tijdgeesten, en de Aartsengelen of de Geesten van de Beweging enz. Maar fysiek worden dat getallenverhoudingen.
En door deze getallenverhoudingen heeft Ahriman toegang tot de kosmische intelligentie.
Die wil hij zich helemaal toeëigenen – dan zou alles in de wereld berekenbaar zijn. Dan zou er natuurlijk ook “orde” zijn in de wereld; maar niet de mooie, kunstzinnige orde van een euritmie-opvoering, maar het soort orde dat men ziet als soldaten paraderen, allemaal in gelijke pas, geen enkele verkeerde stap op een verkeerde plaats, geen ruimte voor toeval. Het is de orde die het meest volkomen verschijnt in de machine, in alles wat mechanisch verloopt.

15) En daarmee komen we bij de vraag die ons tot het eigenlijk geheim van deze twee soorten orde kan brengen : wat is nu feitelijk het verschil tussen de orde van Michaël en die van Ahriman ? Het wezenlijke onderscheid ligt daarin dat Michaël niet compleet de chaoskrachten geëlimineerd heeft, in Michaëls orde blijft er nog altijd een bepaalde speelruimte voor chaos, wanorde, toeval. En deze speelruimte voor chaos, van wanorde binnen de orde van Michaël, dat is wat we “vrijheid” noemen.

..... dat Michaël niet compleet de chaoskrachten geëlimineerd heeft ....
Michaël doodt niet de draak, hij houdt hem in bedwang.


16) Maar met vrijheid, met willekeur, met wanorde, daarmee komt iets in de wereld dat onberekenbaar is en daarom is Ahriman de tegenstander van vrijheid. In zijn orde is geen plaats voor toeval of willekeur.
( Daarom zijn uiteindelijk alle maatregelen in de moderne maatschappij die ieder aspect van het menselijk leven en samenleven in regeltjes willen vastleggen geïnspireerd door Ahriman. – fdw )

17) Michaël heeft door de chaos een bepaalde speelruimte gegeven binnen de kosmische orde, dat wil zeggen een ruimte voor spel. Nu heeft Schiller in zijn Esthetische Brieven de speel-tendens gekarakteriseerd als de drager van het eigenlijk-menselijke in ons, de bemiddelaar tussen de Vorm-tendens en de Stof-tendens. Hij zag in het spel van het kind de oer-manifestatie van de mens als vrij wezen.

18) We proberen te begrijpen wat er gebeurt als een kind met iets speelt. Het kind komt uit de geestelijke wereld; het is neergedaald uit de hoogste regionen van de sferen-muziek, uit het gebied van de klinkende, sprekende kosmische orde. Dat draagt de kinderziel als naklank in zich. Als het geboren is komt het via de zintuigen in contact met de fysieke wereld. Daar is alles voor hem een grote chaos. En al wat het kind leert in de loop van de tijd, dat bestaat erin om orde in deze chaos te brengen.

19) Een deel van dit ordenen is heel eenvoudig dat wat het kind van zijn ouders, van zijn omgeving opneemt. Een grote hoeveelheid weten en kunnen moet het kind zich eigen maken, zaken die het alleen op aarde kan leren. Maar de naklank van de kosmische orde, die klinkt door in het aardeleven als het kind speelt, dat wil zeggen, wanneer het innerlijk leven, de ziel van het kind bepaalt wat het met een bepaald voorwerp of speeltuig gaat doen.

20) Wij volwassenen maken een groot onderscheid tussen dingen die wij au serieux nemen en andere dingen die slechts een spel zijn. Voor een kind bestaat dit onderscheid niet. Het neemt zijn spel zeer ernstig op. Vooral als een kind alleen met iets speelt kan men zien hoe ernstig het bezig is met zijn spel.

21) Voor de volwassenen is er maar één mogelijkheid om zoals het kind iets ernstig te nemen wat toch slechts een spel is : dat is als kunstenaar. Poëzie is een spelen met woorden, muziek een spelen met klanken, schilderen een spel met kleuren. De kleinburger gaat deze bezigheid nooit echt serieus nemen, zo serieus als een financiële transactie of een grote reis. De kunstenaar echter is een kind gebleven en neemt zijn spelen met kleuren of klanken zo serieus dat hij daar in feite niet kan over praten met mensen die deze dingen niet serieus nemen.

22) De kunstenaar en het kind nemen hun spel ernstig – en ze zijn ook ernstig wanneer ze spelen. Wie een spelend kind observeert die kan zien hoe ernstig dat kind in zijn spel leeft, niet minder dan de dichter of schilder bij hun werk of de euritmist die een nieuw stuk instudeert. En de reden is in al deze zaken dezelfde : het kind en de kunstenaar vergeten zichzelf.

23) Maar dat is ook de ernst van Michaël waarover Rudolf Steiner in deze brief spreekt. We proberen nu te verstaan wat met de ernst van Michaël bedoeld wordt. Dan moeten we ons eerst bezinnen over een bepaalde eigenschap van het fysieke licht. Dat is iets waar iedere leraar op wijst als hij bij het hoofdstuk optica komt. Maar deze eigenschap van het licht wordt vaak niet volledig begrepen, namelijk het feit dat het licht zelf onzichtbaar is. Pas als het op een voorwerp valt en het voor ons zichtbaar maakt, weten we dat het licht is.

24) Het licht zelf kan men niet zien, het is niet zichtbaar. Men kan dit gegeven nog anders uitdrukken, men kan zeggen : het licht belicht en verlicht alles in de wereld …. Maar niet zichzelf. Of men kan zeggen : het licht geeft zichzelf volledig aan de wereld, het behoudt niets voor zichzelf. Het licht is volkomen onzelfzuchtig – en daarop is ook het woord van Christus gebaseerd : Ik ben het Licht der wereld.

25) Het fysieke licht vergeet zichzelf volledig en geeft zich aan de wereld. Maar dit fysieke licht is slechts de uiterlijke afdruk, de uiterlijke omhulling van het kosmische licht, van de kosmische intelligentie. En de kosmische intelligentie, die is volgens haar eigenlijke wezen onzelfzuchtig – geeft zich volledig aan de wereld. En nu zegt Rudolf Steiner in deze zevende brief dat de bewaarder en hoeder van de kosmische intelligentie volledig onzelfzuchtig zichzelf geeft aan de wereld en dat komt tot uitdrukking in zijn ernstige blik. Zichzelf geven aan de wereld zoals het hier bedoeld wordt, wil zeggen verantwoordelijkheid dragen voor de wereld, en dat is wat Michaëls blik zegt.

26) Verantwoordelijkheid voor het juiste verloop van de wereldontwikkeling en mensheidsontwikkeling, die lag in de oertijden bij de goden. Later konden grote mensheidsleiders, de zogenaamde grote ingewijden, die verantwoordelijkheid delen met de goden. We gaan echter een toekomst tegemoet waar altijd meer mensen-individualiteiten – in vrijheid – bewust mede-verantwoordelijk moeten worden. Daarmee moet in onze tijd een begin worden gemaakt en de hele antroposofie is een oproep tot verantwoordelijkheid.

27) Altijd en voor alle tijden is Michaël met deze wereldverantwoordelijkheid verbonden, dat zegt zijn ernstige, manende blik. Wij antroposofen kennen deze blik maar al te goed : hij kijkt ons aan vanop iedere foto van Rudolf Steiner. De blik die wij in Rudolf Steiners ogen zien is de fysieke uitdrukking van de Michaël-ernst in de geestelijke wereld.

28) Dat heeft ook betekenis voor de toekomst. In de voordracht over het karma van de Antroposofische Vereniging zegt Rudolf Steiner dat de ware antroposofen in hun volgende incarnatie bepaalde gelijke trekken zullen vertonen in hun gelaatsuitdrukking, die volledig los zal staan van de algemene volkskenmerken. Wat ook gemakkelijk in te zien is want voor echte antroposofen zal Michaël altijd meer de plaats innemen van de oude, aan de erfelijkheid gebonden volksgeesten. Michaël is de groepsgeest, de gemeenschapsgeest van de antroposofie.

29) En het is ook niet moeilijk om te voorspellen wat het gemeenschappelijke in de gezichtstrekken van de antroposofen in de toekomst zal zijn : de ernstige blik, de blik van de verantwoordelijkheid.
Maar ik geloof niet dat allen die zich tegenwoordig antroposoof noemen dit teken van Michaël op hun gelaat zullen dragen.


*

*

*

*

*

*

*

*

.

Michaël als tijdgeest


De antroposofie is 100 jaar na Steiners dood nog altijd geen cultuurfactor van betekenis geworden. Dat zou ons in feite moeten verwonderen want de geestelijke leiders van de mensheidsontwikkeling sturen altijd een hoge individualiteit naar de aarde als die een nieuwe impuls nodig heeft.
Deze hoge individualiteit, in zijn laatste incarnatie bekend als Rudolf Steiner, werd in vorige incarnaties als Aristoteles en Thomas van Aquino quasi onmiddellijk door zijn tijdgenoten herkend en erkend. Maar die onmiddellijke erkenning geschiedde natuurlijk door de beste geesten van die tijd, de meeste moesten nog altijd de leerstof van een vorige periode verwerken. En zo zagen we in de tijd van Thomas van Aquino terug een grote belangstelling voor het werk van Aristoteles en hetzelfde fenomeen herhaalde zich in het begin van de 20ste eeuw : Rudolf Steiner begon zijn werk aan de wereld te geven, werd herkend door de grote geesten (de eerste generatie antroposofen kunnen we niet anders noemen) maar de mindere geesten en de geestelijken, die grepen terug naar …. Thomas van Aquino !

Leo XIII was paus van 1878 tot 1903. We lezen op wikipedia :

“Paus Leo XIII schreef meerdere encyclieken, waarvan Rerum Novarum (Over nieuwe dingen) uit 1891 de bekendste is. Hierin legde hij zijn visie neer op werk en arbeid. In de encycliek Aeterni Patris (1879) beval hij de studie van het thomisme aan, waardoor hij een nieuwe impuls gaf aan de bestudering van de werken van de dominicaanse theoloog Thomas van Aquino. Meer in het algemeen pleitte hij voor een katholieke wetenschapsbeoefening, ook die van de tot dan toe zo gewantrouwde natuurwetenschappen.”

Al in 1904 spreekt Rudolf Steiner van de strijd in de geestelijke wereld tussen Michaël en de geesten der duisternis. Blijkbaar was dit een realiteit die niet-antroposofen ook aanvoelden en nog altijd aanvoelen. Want in 1886 introduceerde Leo XIII het gebed tot de Aartsengel Michaël. Dat kwam zo : in 1884 tijdens een mis met kardinalen hoorde hij plots stemmen van zowel de Heer als de duivel, het was een soort visioen. De ene stem was lief en zacht, de andere bars en rauw.
De ruwe stem sprak : “Ik kan je Kerk vernietigen”.
De zachte stem vroeg : “Kan je dat ? Wat heb je nodig om dat te bereiken ?”
De ruwe stem antwoordde : “Ik heb 100 jaar nodig !” en de zachte stem zei : “Je krijgt 100 jaar.”
Toen de paus weer bij bewustzijn kwam schreef hij het gebed dat in 1886 officieel een gebed werd van de kerk en na de mis uitgesproken werd.
Na het tweede Vaticaanse Concilie raakte het gebed in onbruik, maar paus Johannes Paulus II promootte het opnieuw in 1994.

De tekst luidt:
Heilige Aartsengel Michaël, verdedig ons in de strijd. Wees onze bescherming tegen de boosheid en de listen van de duivel. Wij smeken ootmoedig dat God hem Zijn macht doet gevoelen. En gij, vorst van de hemelse legerscharen, drijf Satan en de andere boze geesten, die tot verderf van de zielen over de wereld rondgaan, door de goddelijke kracht in de hel terug. Amen.

Latijnse versie :
Sancte Michael Archangele, defende nos in proelio; contra nequitiam et insidias diaboli esto praesidium. Imperet illi Deus, supplices deprecamur: tuque, Princeps militiae caelestis, Satanam aliosque spiritus malignos, qui ad perditionem animarum pervagantur in mundo, divina virtute, in infernum detrude. Amen.

De Amerikaanse president Donald Trump heeft al enkele keren op 29 september de aandacht gevestigd op dit gebed. Dat is iets wat een Westeuropese staatsman nooit zou aandurven.
Wij antroposofen hebben natuurlijk de Michaël-imaginatie waarmee Rudolf Steiner zijn openbaar optreden afsloot :


*

*

*

*

*

*

*

*

.

De klankharmonie van de planetenbewegingen


Op het eerste zicht lijkt ons zonnestelsel een stabiel en voorspelbaar mechanisme te zijn. We leren al in de lagere school over de zon en de planeten die daar in hun vaste banen rond cirkelen. Er zijn natuurlijk kometen die voor een deel onvoorspelbaar zijn maar voor de rest is alles zo regelmatig dat we zons- en maansverduisteringen lange tijd op voorhand kunnen voorspellen.
Maar in feite is dit schijnbaar mechanisch wonder minder stabiel dan het lijkt.
We lazen hierboven bij Charles Kovacs : “En op vergelijkbare wijze komt men tot getallenverhoudingen als men zuiver getalmatig de omloopstijden van de planeten vergelijkt. Zo is bvb. een Venus-omloop even lang als 5 Mercurius-omlopen; vier Venus-omlopen komen overeen met drie Mars-omlopen en drie Venus-omlopen komen overeen met acht Zon-jaren ( = Aarde-omlopen).” Maar ook die getallenverhoudingen zijn niet zo precies.

Hartmut Warm heeft dit thema uitgewerkt in zijn boek “Die Signatur der Sphären” (Keplerstern Verlag, 2011) en ook een computerprogramma geschreven waarmee men de stand van de planeten t.o.v. elkaar kan zichtbaar maken.

Op ieder moment kan men twee planeten verbinden met een ingebeelde lijn (Raumgerade in het Duits).
Als men dat op regelmatige tijdstippen doet, dan verschijnen de meest onwaarschijnlijke figuren.
Hieronder ziet u een voorbeeld : deze figuur ontstaat als men Venus en Aarde verbindt om de 3 dagen.

Rechts : Jupiter-Uranus, om de 60 dagen.




Mars gezien vanop Venus, telkens bij Venus-Neptunus-conjuncties

Ondanks de mooie regelmaat en harmonie zien we in de kosmos ook een aspect van onvoorspelbaarheid. Hartmut Warm haalt in zijn boek het werk aan van Ivar Peterson : “Wat Newton niet wist –chaos in het zonnestelsel”. We lezen op blz. 104 bij Hartmut :

“De hardnekkige stabiliteit van de planetenbanen en de oorzaak daarvan kunnen we misschien het best illustreren met een beschrijving van een filmfragment. Eén van de pioniers op het gebied van langetermijn berekeningen, Jack Wisdom, ondernam een poging om zijn onderzoeksresultaten aanschouwelijk te maken. Hij toonde de banen van de planeten in een film waarbij een periode van 60.000 jaar weergegeven werd in 1 seconde.

“De ringen die de banen van Jupiter, Saturnus, Uranus, Neptunus en Pluto voorstellen, schenen in een voortdurende beweging te zijn en rusteloos in levendige en gecompliceerde ritmes te vibreren. Hoewel de ringen nooit echt elkaar raakten, schenen ze toch elkaar weg te duwen. Terwijl bvb. de banen van Pluto en Neptunus constant bijna tegen elkaar botsten, waren er ook periodes waar de baan van Pluto volledig buiten die van Neptunus lag. Op andere tijden kruisten de banen. Uranus gedroeg zich alsof hij telkens van zijn buurman een schop kreeg. Jupiter had duidelijk een grote invloed op de baan van Saturnus.
Een opname van enkel de binnenplaneten toonde dezelfde rusteloosheid. De Aarde zwenkte en rolde in haar baan maar haar licht ongeregelde beweging was niets vergeleken met het wilde draaien en schommelen van Mars. Ook de draaiing van de elliptische baan van Mercurius was goed te zien. Het hele zonnestelsel scheen te vibreren en zijn energie leek vrij tussen de verschillende planeten heen en weer te springen.
Toen Wisdom zijn video begin 1993 op een congres toonde, zei hij : “Ik denk dat, nu ik u deze film getoond heb en u zou vragen om de stabiliteit van het zonnestelsel te bewijzen, u direct zou zeggen : ik ben eigenlijk helemaal niet zeker of het zonnestelsel wel stabiel is.”
Merkwaardig genoeg toonde Wisdoms film geen botsingen tussen de planeten. Ondanks de wilde zwenkingen hielden de ringen altijd afstand van elkaar. Niemand kent de reden.”

Isaac Newton wist al dat het zonnestelsel niet zo regelmatig en stabiel was, hij had dat al geconcludeerd uit zijn berekeningen, en hij achtte een sporadisch goddelijk ingrijpen noodzakelijk.
Anderzijds was daar Pierre-Simon Laplace. Toen Napoleon hem vroeg waarom hij in zijn boek “Onderzoekingen over het hemels mechanisme” nergens de Schepper van dit mechanisme vernoemde, antwoordde hij : die hypothese heb ik niet nodig.
De wetenschap heeft tot op dit ogenblik nog niet uitgemaakt wie van de twee, Newton of Laplace, dichter bij de waarheid was.”


In het vijfde hoofdstuk van Hartmut Warms boek gaat het over de stand van de wetenschap wat betreft zonnestelsels en hun ontstaan. We lezen op blz. 93 :

“Laten we op het einde van dit overzicht even onze fantasie de vrije loop. Misschien waren het geen botsingen en grote schokken in het begin van ons zonnestelsel maar een bijzonder soort klank, de harmonie waarvan Johannes Kepler dacht dat ze in het begin der tijden klonk. Hoe hypothetisch dat ook mag klinken, we weten in ieder geval sinds het werk van Ernst Chladni ( 1756-1827) dat muziektonen inwerken op de materie en er bepaalde geordende verhoudingen in teweeg brengt. We kennen de Chladnische figuren die ontstaan als men zand op een plaat strooit en dan met een strijkstok over de zijkant van die plaat strijkt en zo trillingen door die plaat laat gaan. ( …. )
Hans Jenny heeft het onderzoek van Chladni verder gezet in onze tijd. Hij gebruikt geen zand maar kristallen op een plaat en ook geen strijkstok maar het piëzo-electrisch effect.
Op de afbeelding hiernaast ziet u welke vormen ontstaan als er één enkele toon door de plaat gaat, meer bepaald met de frequentie van 800 resp. 865 Hertz ( nr. 7 en 11) Nummer 9 toont het resultaat wanneer deze twee tonen samen en even sterk klinken. Nummer 8 en 10 zijn tussenstadia.

Dan moet natuurlijk de vraag gesteld worden waar deze scheppende muziek vandaan komt.
Wetenschappelijk gesproken : wat maakte dat deze structuur-scheppende trillingen actief werden ? Bij de vorming van de klankfiguren op een plaat is er een hand nodig die de vioolboog hanteert …..

Hans Jenny deed nog proeven met een andere werkwijze, hij strooide zand op een speciaal geprepareerde membraan. Zo kon hij zichtbaar maken hoe de trillingen van een gesproken of gezongen klinker de vormeloze materie tot een bepaalde orde kon brengen.

In één van de traditionele oude mythes wordt gezegd :
“En God sprak : daar zij een uitspansel ….”


*

*

*

*

*

*

*

*

.

Spiritisme in Berlijn 1904

Thomas Meyer, de uitgever van het tijdschrift “Der Europäer” liet in oktober van dit jaar een boekje verschijnen met de protocollen van 10 spiritistische séances waaraan ook Rudolf Steiner deelnam. Het boek heeft als titel “Gott zum Gruß,Uriel” en kan besteld worden bij de uitgeverij Perseus Verlag in Zwitserland. In het voorwoord lezen we dat het gaat over sessies die plaats vonden in Berlijn, in de woning van Eliza en Helmut von Moltke.
We vertaalden een groot deel van dit voorwoord. Maar we beginnen met de tekst die Emil Bock schreef toen hij deze protocollen klaarmaakte voor een eerste publicatie in 1957. Dat is er toen niet meer van gekomen en zo verschenen deze protocollen 2x33 jaar na de dood van Emil Bock en 3x33 jaar na Rudolf Steiners dood.


Emil Bock :
“Eliza en Helmut von Moltke stonden elk op een andere manier t.o.v. de geestelijke wereld, bijna als tegenpolen. Men zou kunnen zeggen dat van nature bij haar een teveel en in haar echtgenoot te weinig neiging tot het bovenzinnelijke leefde. Zij voelde zich al heel vroeg in haar leven aangetrokken tot alle vormen van occultisme, zodat ze ook heel vroeg lid werd van de Theosofische Vereniging. De occulte fenomenen, zoals die door H.P. Blavatsky behandeld werden, fascineerden haar buitengewoon. Maar daarnaast beschikte ze toch ook over een betrouwbare, nuchtere en energieke oordeelskracht, zodat ze vanaf het ogenblik dat ze Dr. Steiner leerde kennen bereid was om een en ander te corrigeren. Ze doorzag de gevaren van het aangetrokken zijn tot het sensationele, bijgelovige occultisme en ze volgde met begeestering en ijver de persoon die zoveel moeite deed om alle inzichten van het bovenzinnelijke begrijpelijk te maken voor het natuurwetenschappelijk geschoolde denken van het Westen.
Het zal voor haar zeker een grote opluchting geweest zijn toen ze mocht ervaren dat Dr. Steiner heel tolerant en positief aan de spiritistische zittingen bij haar thuis wilde deelnemen ( in 1904-1905), terwijl hij tegelijk toch streng doorzag, ordenend en verbeterend tussenkwam.
Haar echtgenoot stond t.o.v. het occulte zeer terughoudend en sceptisch. Bij hem was eerder sprake van een sterk ethische geloofsovertuiging vanuit het gemoed. Hij liet zijn vrouw en zijn dochter Astrid, de latere gravin Bethusy-Huc, die het spoor van haar moeder volgde, de volledige vrijheid, maar zelf verdiepte hij zich nauwelijks in dit onderwerp. Pas toen hij Dr. Steiner leerde kennen in 1904, in wie hij direct een groot vertrouwen stelde, kon hij een begin maken met het leren kennen van het spirituele.
Dr. Steiner was a.h.w. het middenveld, de verbindingspersoon tussen de twee echtgenoten op het wereldbeschouwelijk vlak. Zo groeide het koppel op dat gebied meer en meer naar elkaar toe, zodanig dat na zijn dood in de ziel van Moltke tot rijping kon komen wat tijdens zijn leven gezaaid was.


Helmuth von Moltke stond aan het hoofd van de Duitse strijdmacht bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog. Zijn plan om Frankrijk op 6 weken tijd te overwinnen mislukte omdat Keizer Willem II het hele offensief in de war stuurde door onverwacht de hele mobilisatie stop te zetten. Moltke kon dit niet verwerken en overleed in 1916. Rudolf Steiner had na zijn dood geestelijk contact met hem, de zgn. post-mortem mededelingen.


Thomas Meyer :
Op vraag van Eliza von Moltke, die al een rijke ervaring met dergelijke séances had, nam Rudolf Steiner negen keer deel, in een periode van 21 maart 1904 tot 24 mei 1905. Het medium was Christa von Paraski. Dergelijke séances waren in die tijd, vooral in adellijke kringen, niet ongewoon. Rudolf Steiner sprak in Berlijn meerdere keren over dit thema, zo bvb. op 7 maart 1904 in de voordracht over “Theosofie en spiritisme” (GA 52). Daar maakt hij een duidelijk onderscheid tussen mediumisme en geesteswetenschappelijk onderzoek.
Zonder het mediumisme volledig te veroordelen maakt hij er attent op dat de theosofische beweging van H.P. Blavatsky zelf ontstaan is uit de spiritistische beweging en dat die daarom niet eenvoudigweg moet bestreden worden, maar dat het erom gaat de waarheid te zoeken waar ze te vinden is. Maar reeds twee maand daarvoor legde hij er de nadruk op, principieel en uitdrukkelijk, dat het betreden van de hogere geestelijke wereld, wat ook kan gebeuren door mediums, nooit zou mogen plaatsvinden zonder de aanwezigheid van een helderziende die volledig bewust zijn weg weet te vinden in de geestelijke wereld, die even goed thuis is in de geestelijke als in de fysieke wereld.
En dit principe volgend nam hij ook deel aan de spiritistische zittingen. En gelukkig zijn zijn tussenkomsten, meestal vragen die hij stelt, ook bewaard gebleven. Aan het eind van iedere séance komt het namelijk tot een kortere of langere dialoog tussen de geest die doorheen het medium spreekt en Steiner, waar we iets kunnen uit leren.
( … )

Deze geest noemt zichzelf in de tien protocollen steeds Uriël. Met deze naam verwelkomt hij en neemt hij afscheid. Uriël is bij Steiner de aartsengel van de Johanni-tijd en staat voor het “historisch geweten”. Uit de protocollen leren we dat hij als mens heeft geleefd, de aartsengel was zijn geestelijke inspirator.
De arts en auteur Hartwig von Volkmann denkt dat deze geest die van Philo van Alexandrië is. Want reeds in de tweede zitting stelt hij zichzelf voor als “de wijze van Alexandrië” : “En ook als dusdanig verschijn ik hier vandaag, ik was het immers in mijn vorig leven.” En over Steiner zegt hij : “Ik mocht toen jouw leraar zijn.”

Philo van Alexandrië, een joods-Griekse filosoof, leefde van ongeveer 20 of 10 jaar v.C. tot misschien 50 n.C. Zijn werk over de Thora, de eerste vijf boeken van het Oude Testament, had veel invloed. Steiner wijdt een langere passage aan hem in GA8 “Het christendom als mystieke gebeurtenis”, uitvoeriger spreekt hij over hem in meerdere voordrachten in de pas in 2019 verschenen GA 87 “Antieke mysteriën en christendom”. Daar gaat hij dieper in op de grote betekenis van deze filosoof, die hij op een bepaalde manier zelfs boven Plato stelt. En op 24 augustus 1903, dus een half jaar vóór de séances, noemt hij hem in een van zijn eerste karmische levensreeksen : Philo – Spinoza – Fichte zijn de namen voor een zelfde individualiteit. Als men bedenkt dat deze onbekende Meester Steiner de weg naar Fichte heeft gewezen, dan krijgt men een idee in welke kring van geestesgiganten Steiner geworteld is. Aan deze karmische reeks is noch bij de theosofen, noch bij de antroposofen veel aandacht besteed. Steiner zelf kwam er ook niet meer op terug in zijn karma-voordrachten van 1924.
( … )
Op 12 mei 1904 sprak Steiner in intieme kring over Philo en zegt : “Ik wijs erop dat tot de leerlingen van Philo ook de evangelist moet gerekend worden die het Johannes-evangelie en de Apokalyps schreef.” (GA 90A) ( … )

In de protocollen wordt duidelijk dat Steiner weliswaar veel te maken heeft met Johannes, maar toch een andere individualiteit is. ( … )
Over Steiners individualiteit wordt al in de eerste zitting duidelijk over Thomas van Aquino gesproken, en wel door Steiner zelf. De directe getuigen bij deze vroege openbaring waren o.m. Eliza von Moltke en Marie von Sivers. Dat Steiner hier zelf het initiatief nam om over zijn eigen karmische reïncarnatie-verloop iets te openbaren is opmerkelijk. Hij wilde blijkbaar niet dat de geest het zou doen. Want er was eens dit voorval tijdens een reis naar Zweden : Eliza von Moltke en Steiner namen deel aan een sessie met een medium en ineens drong Steiner aan op het beëindigen van de séance omdat het medium op het punt stond om iets over zijn geestelijke identiteit te zeggen, en dat mocht niet gebeuren .... .

De Aquino-incarnatie vormt zowat het fundament van Steiners geestelijke identiteit, die natuurlijk ook andere incarnaties omvat. In het bijzonder komt hier de bisschop en martelaar Laurentius naar voor, die door de opgeroepen geest zelf geschouwd wordt en waarbij Steiner geen verdere commentaar geeft.

Het martyrium van Laurentius door Rubens

Dit in contrast met de bij de antroposofen welbekende opeenvolging Eabani – Kratylos – Aristoteles -, die in de protocollen niet aan bod komen. Daarmee geven deze protocollen een groter spectrum aan Rudolf Steiners incarnaties. ( …. )
Hier lassen wij ook een anekdote in die iets zegt over hoe Steiner stond tegenover mediale openbaringen. Een jonge vrouw die in Kochem leefde bezocht spiritistische séances. Toen ze wilde lid worden van de Antroposofische Vereniging, vroeg ze of ze nu nog dergelijke sessies mocht bijwonen. Rudolf Steiners antwoord : dat kunt u zeker, maar vertel er mij over achteraf.
Bij een van de volgende zittingen werd een occult contact gemaakt meet een geest die Umi heette. De vrouw vroeg aan Steiner om welke het bij deze individualiteit ging. Rudolf Steiner zei dat Umi een priester in Troje was geweest. Toen Troje gevallen was door de list van de Grieken met het houten paard had Umi eeuwige wraak gezworen tegen de Grieken. Sindsdien was die Umi nooit meer geïncarneerd geweest. De eed die hij gezworen had werkte nog in de tijd van de Eerste Wereldoorlog.
Bij de Trojaanse oorlog waren de Grieken opgetrokken van het Westen naar het Oosten. In 1914 herhaalde zich de geschiedenis in omgekeerde volgorde : de Duitsers – de vroegere Grieken – trokken op van Oost naar West tegen Parijs – het overeenkomstige Troje. De bloedige veldslag aan de Marne en de slachtoffers bij de loopgravenoorlog kwamen neer op een karmische vereffening, door de eed van Umi.
Deze Umi speelt een centrale rol in de post-mortem mededelingen van de familie Moltke.

Alexandrië was niet alleen de woonplaats van Philo, ook zijn leerling Johannes, die het evangelie en de Apokalyps schreef, leefde daar, evenals de naamloze andere leerling en vriend van Philo die later Rudolf Steiner zou heten. En ook Hypatia, die daar later in 415 of 416 vermoord werd. Zij is karmisch verbonden met Albertus Magnus en Marie Steiner, dat is bekend bij de antroposofen. Vandaar dat het wel opmerkelijk is dat in de protocollen van haar een treffende schets wordt gegeven die een licht werpt op haar karakter, maar ook op bepaalde negatieve aspecten daarvan.
Alexandrië zelf met haar wereldberoemde, later afgebrande bibliotheek was een wereldstad die ooit door Alexander de Grote gesticht was. Alexander de Grote en zijn latere incarnaties (vooral als Ita Wegman) komen in de protocollen niet aan bod, Wegman was ook geen deelnemer bij deze sessies.
( …. )
Op 19 juni 1904, dus na de vierde séance stelde Rudolf Steiner vast dat bij het medium de chakra’s tijdens de trance naar links draaiden en hij vraagt aan de Philo-geest waarom dat zo is. Die antwoordt dat hij dat nu nog niet kan zeggen. In GA 94, in de voordracht van 9 juli 1906, zegt Steiner zelf : “De Lemuriërs hadden een droomachtige helderziendheid, en ook bij de mediums in onze tijd zien we dat de lotusbloemen nog altijd in dezelfde richting draaien zoals dat ooit was in de Lemurische en Atlantische tijd. Het helderzien van de mediums is onbewust, zonder controle door de gedachten, dat van een echte helderziende is echter bewust en wordt zeer nauwkeurig bewaakt door het denken. Medium zijn is zeer gevaarlijk, de gezonde spirituele scholing, die is volledig ongevaarlijk.”

In de derde sessie spreekt Steiner bij het vragenmoment over Nostradamus (1503-166) en diens voorspellingen. Er wordt daar gesproken over een Hermes-broeder. De Philo-geest zwijgt. Enkele dagen later echter spreekt Steiner in hetzelfde Berlijn op 10 juni 1904 (in GA 93) over centurie 10,75 die klinkt als volgt :

“Als de 19de eeuw zal afgelopen zijn, dan zal in Azië een Hermes-broeder verschijnen en de mensheid terug verenigen.”

Steiner : “De Theosophische Vereniging is niets anders dan de vervulling van deze voorspelling van Nostradamus.” .






Deze laatste alinea maakte ons nieuwsgierig en we gingen eens kijken naar die betreffende voordracht die dus te vinden is in GA93 “Die Tempellegende und die Goldene Legende” die twintig voordrachten bevat die in Berlijn werden gehouden. Het gaat hier over de tweede voordracht in dat boek. Omdat die voordracht thema’s bevat die in De Brug nog niet aan bod zijn gekomen vertaalden we het grootste deel van deze voordracht. Die begint met het bijbels verhaal van Kaïn en Abel, een allegorie voor bijzonder diepe geheimen ....


“Als we de eerste vijf boek van het Oud Testament doorlopen, dan vinden we daarin veel verwijzingen naar de Lemurische tijd. We moeten het verhaal van Adam en Eva en hun nakomelingen niet letterlijk nemen. Houdt u er rekening mee dat we in deze vijf boeken te maken hebben met geschriften van ingewijden, wat ook het geval is met het boek van Enoch, de Psalmen, de brief aan de Hebreeën, enkele Paulusbrieven en de Apokalyps. We moeten in deze geschriften de occulte kern zoeken. Nemen we Genesis 5:1 :
“Dit is het boek van het mensengeslacht. Ten dage als God den mens schiep, maakte Hij hem naar de gelijkenis Gods. Man-vrouw schiep Hij hen, en zegende ze, en noemde hun naam Mens, ten dage als zij geschapen werden. En Adam leefde honderd en dertig jaren, en gewon een zoon naar zijn gelijkenis, naar zijn evenbeeld, en noemde zijn naam Seth.”

Adam zelf wordt een mens genoemd. Man-vrouw schiep God de mens, nog ongeslachtelijk. En hoe schiep hij hen ? Naar Gods beeld. En in het tweede vers lezen we : na zo en zo vele jaren – we moeten ons daarbij lange periodes voorstellen – verwekt Adam een zoon, Seth, naar zijn beeld.
Dus in het begin van de adamitische tijd hebben we de mens naar Gods beeld en op het einde naar Adams beeld, naar een menselijk evenbeeld. We hebben in het begin mensen die allemaal identiek zijn en allen zijn ze naar Gods evenbeeld geschapen. Ze planten zich ongeslachtelijk voort. Ze hebben allemaal dezelfde vorm zodat de zoon op de vader lijkt en de kleinzoon op de zoon. Wat maakt dat de mensen differentiëren, dat ze veranderen ? Waardoor treedt er een onderscheid op ? Dat gebeurt vanaf het moment dat er bij de voortplanting twee wezens betrokken zijn. De zoon of dochter lijken dan deels op de moeder, deels op de vader.
In het begin hadden we dus een oorspronkelijk Godgelijk ras dat zich ongeslachtelijk voortplantte : de nakomeling is een kopie van de voorouder, er treedt geen vermenging op. De verscheidenheid begint pas toen de Seth-tijd aangebroken was. Tussen de tijd van Adam en de tijd van Seth gebeurt iets anders, er worden er namelijk twee geboren die op hun beurt belangrijke representanten zijn : Kaïn en Abel.
Die staan tussen Adam en Seth, ze zijn overgangsvormen. Ze zijn nog niet geboren in de tijd van de geslachtelijke voortplanting. Dat zien we aan de betekenis van hun namen : “Abel” is in het Grieks “pneuma” en in ’t Duits “geest”, en als we dat geslachtelijk beschouwen, dan is dat altijd vrouwelijk. Kaïn daarentegen betekent bijna letterlijk “het mannelijke” zodat in Kaïn en Abel het mannelijke en het vrouwelijke tegenover elkaar staan. Nog niet zuiver lichamelijk maar op een hogere, geestelijke trap. Maar toch al een differentiatie, symbolisch in de woorden : Kaïn was een bebouwer van de bodem, Abel was een herder. Bodem betekent in de oudste talen zoveel als fysieke niveau en de drie aggregaat-toestanden van het fysieke vlak zijn : de vaste aarde, het water, de lucht. Kaïn werd een akkerbouwer in zijn oudste betekenis, dat wil zeggen : hij leefde op het fysieke vlak, hij werd een fysieke mens. Dat was het karakter van het mannelijke. Dat bestond erin dat hij sterk en krachtig was om de aarde te bewerken en dan terug te keren van het fysieke naar een hoger niveau.
Abel was een herder : als herder neemt men het leven zoals de Schepper dat geeft, men werkt niet in de kudde, men hoedt ze alleen maar.
Daardoor is Abel de representant van het geslacht dat de geest niet ontvangt door het zelfstandig werkend verstand maar hem verkrijgt en bewaart als openbaring van de godheid zelf. De hoeder van de kudde, de hoeder van wat op aarde gezet wordt, dat is Abel. Hij die zelf iets maakt, dat is Kaïn. Kaïn ligt aan de basis van het harpspelen en andere kunsten.

Nu komt de tegenstelling in de manier hoe ze zich verhouden tot God. Abel ontvangt het geestelijke en brengt als offer het beste, de hoogste vrucht van de geest. God bekijkt dit vanzelfsprekend met een welgevallig oog vermits het iets is wat Hij zelf op aarde heeft geplaatst.
Kaïn heeft iets anders, hij wil zich tot God wenden met de producten van zijn verstand. Dat is iets wat de godheid vreemd is, het is immers iets wat de mens zich zelf in vrijheid heeft verworven.
Kaïn is de mens die neigt tot de kunsten en de wetenschap. Dat heeft niet direct een verwantschap met de godheid. Wie in het occulte thuis is die weet dat de kunsten en de wetenschappen, hoewel ze de mens vrij gemaakt hebben, niet waren wat de mens tot de godheid gebracht heeft, nee, die waren het wat de mens in feite weggeleid heeft van het eigenlijk spirituele. De kunsten zijn iets wat op des mensen eigen grond en bodem, op het fysieke vlak ontstaan is. Aanvankelijk kon dat de godheid niet welgevallig zijn, vandaar de tegenstelling : de rook, de geest die God zelf op aarde gebracht heeft en de rook van Kaïn die op aarde blijft. Het zelfstandig verworvene blijft op de aarde, zoals de offerrook van Kaïn. Dat is ook de tegenstelling van het vrouwelijke en het mannelijke. Vrouwelijk is wat door de godheid geïnspireerd is, direct ontvangen van de godheid. Pneuma wordt door de conceptie verkregen, dat wat Kaïn te schenken heeft, dat is menselijke arbeid op het fysieke niveau. Dat is de tegenstelling tussen de vrouwelijke en de mannelijke geest. Oorspronkelijk staan die tegenover elkaar. Ieder mens is niet alleen fysiek maar ook geestelijk, man en vrouw tegelijk. Hij is ontvangende geest die zich laat inspireren en tegelijk het intellectuele dat het inspirerende verwerkt en combineert.

En nu werd dat gescheiden, nu ging het inspiratieprincipe over op diegenen die op het Abel-principe stonden, op hen die herder en priester bleven. Op de anderen ging het inspiratie-principe niet over, zij werden wetenschappers en kunstenaars die op de aarde gericht waren en zich beperkten tot het louter fysieke. Dit kon niet plaatsvinden zonder dat ook in de mens een verandering optrad. Zolang de mens nog man-vrouw was kon hij niet een scheiding teweeg brengen tussen spirituele wijsheid en intellectuele wetenschap. Pas toen de mens definitief in twee geslachten gedeeld werd kon het brein actief worden. Het brein werd mannelijk, de diepere wijsheid vrouwelijk. De mens kan alleen maar produceren binnen zijn fysieke natuur, daar schept hij iets, namelijk nakomelingen. Door de scheiding is het gekomen dat bij de menselijke voortplanting de nakomelingen geen kopieën meer zijn van de voorouders maar dat ze verschillend beginnen worden. De verschillen ontstonden door de vermenging. En waardoor werd de vermenging mogelijk gemaakt ? Doordat het mannelijke zich verbond met het fysieke. Kaïn was diegene die de bodem bewerkte en veranderde. De uiterlijke verscheidenheid van de generaties zou er niet zijn gekomen als niet een deel van de mensheid dieper in de materie was ingedaald. Er werd nu iets in de mens ingeweven dat uit het fysieke kwam. De mens werd nu een beeld van wat hij zich op het fysieke vlak verworven had en de mens tilt het op tot een hoger niveau. Het fysieke is het Kaïnsteken. Het fysieke niveau, in zijn werking op de mens, wordt hem als Kaïnsteken opgedrukt.
Nu is de mens volledig met de aarde verbonden zodat een tegenstelling ontstaat tussen Kaïn en Abel, tussen kind van God en kind van het fysieke aardse, waarbij de kinderen van Abel staan voor de kinderen van God en de Kaïnszonen voor de kinderen van het aardse.

U begrijpt nu dat het verhaal van Kaïn en Abel plaatsvindt tussen Adam en Seth. Er is nu een nieuw principe werkzaam geworden in de mensheid, het principe van de erfelijkheid, de erfzonde, het verschillend-zijn van de vorige generatie.
Kinderen van God zijn er nog gebleven, niet alle Abels zijn vermoord geworden. En nu zien we wat op de aarde gekomen is als Kaïn op de vraag : waar is je broeder Abel ? – antwoordt : ben ik soms de hoeder van mijn broeder ?
Dat zou vroeger nooit een mens gezegd hebben. Dat zegt enkel een verstand dat quasi autonoom op het spirituele reageert. Nu treedt het principe van strijd, het principe van oppositie in het principe van liefde, nu is het egoïsme geboren. De Abels die overgebleven waren, waren de Godskinderen en ze bleven verwant met het goddelijke, maar nu moesten ze oppassen, voorzichtig zijn om het aardse te benaderen. En daarmeee begon het principe dat voor hen die zich gewijd hadden aan het goddelijke dan als principe van de ascese werd. Een zonde is het nu als de godszonen behagen vinden aan de dochters van de mensen uit het geslacht van Kaïn.

“En het geschiedde, als de mensen op den aardbodem begonnen te vermenigvuldigen, en hun dochters geboren werden, Dat Gods zonen de dochteren der mensen aanzagen, dat zij schoon waren, en zij namen zich vrouwen uit allen, die zij verkozen hadden.” (Genesis 6:1)
.

En zo ontstond een geslacht dat in de boeken van het Oud Testament niet eens bij naam genoemd wordt, alleen maar aangeduid wordt : een geslacht dat voor fysieke ogen niet waarneembaar is. Het wordt in de occulte taal Rakshasas geheten wordt en dat overeenkomt met wat de Indiërs Asura’s noemen. Dat zijn duivelse wezens die echt bestonden en de mensen verleidden zodat het menselijk geslacht degenereerde. Deze interactie van de Godszonen met de dochters van de mensen leverde een geslacht op dat vooral onweerstaanbaar was voor het vierde onderras van de Atlantische periode, de Toeraniërs, en het leidde de mensheid naar de ondergang : dat was de zondvloed, de overstroming die Atlantis verwoestte. De mensen die onder de invloed waren gekomen van de Rakshasas verdwenen, een rest kon zich redden naar de nieuwe wereld.
En nu moet ik iets vertellen wat u zeer eigenaardig zult vinden maar oneindig belangrijk is om te weten; het is een occult geheim, al vele eeuwen lang en het zal voor het verstand van de meeste mensen ongelooflijk lijken maar het is toch waar. Ik kan u verzekeren dat iedere occultist dat vaak geverifieerd heeft in wat wij noemen de Akasha-kroniek. De Rakshasas bestaan, ze bestonden echt, actief als verleiders van de mensheid. Ze hebben ingewerkt op het menselijk driftleven tot zich in het lichaam van Jezus van Nazareth de Christus incarneerde en in zijn lichamelijkheid het boeddhi-principe zelf op aarde kwam. U mag het geloven of niet : dat heeft een kosmische betekenis, het heeft een betekenis die ver boven het aardse uit reikt. Niet voor niets wordt dat in de bijbel uitgedrukt als : Christus daalde neder ter helle.

De Kerk ontleent dit dogma aan de H. Schrift, waaruit men 1 Petrus 3, 19 als meest sprekende tekst aanhaalt. Deze tekst luidt, samen met vers 18: «Want ook Christus is voor onze zonden gestorven, de Rechtvaardige voor de onrechtvaardigen, om ons tot God te brengen. Gedood naar het vlees werd Hij levend gemaakt naar de geest, waarin Hij ook, naar de geesten in de kerker gaande, hun heeft gepredikt.» Onder “de geesten in de kerker” moeten de zielen der overleden rechtvaardigen worden verstaan, voor wie de toegang tot God in hun toenmalige toestand nog versperd was.
Een andere tekst is Handelingen 2, 27-31, waarin Psalm 16, 10 wordt aangehaald: «Want Gij zult mijn ziel niet aan het dodenrijk overlaten, noch uw vrome het bederf doen zien; Gij hebt mij de wegen van het leven doen kennen, Gij zult mij vervullen met vreugde voor Uw Aanschijn.» In de laatste tekst wordt een psalmvers toegepast op Christus. De vervulling van het Oude Testament in het Nieuwe, “volgens de Schriften”, zal bij een andere gelegenheid nog aan de orde komen.
Verder wordt nog verwezen naar Mattheüs 12, 39-40, waar Jezus zegt, dat zoals Jonas drie dagen en drie nachten in de buik van het zeemonster heeft doorgebracht, zo ook de Mensenzoon «drie dagen en drie nachten in het hart der aarde zal zijn». De uitspraak van Sint Paulus in Romeinen 10, 6-7 lijkt de hier uiteengezette leer te veronderstellen, terwijl Efeziërs 4, 9-10 en Kolossenzen 2, 15 ook op andere manieren kunnen worden uitgelegd.
Uit : https://ecclesiadei.nl/docs/ploeg-III_003-nederdaling_ter_helle.html

Daar waren niet meer menselijke wezens, dat waren geestelijke wezens. De Rakshasa-wezens kwamen daardoor in een toestand van verlamming van lethargie. Ze werden als het ware in toom gehouden zodat ze onbeweeglijk werden. In die toestand konden ze pas geraken doordat hun van twee kanten tegengewerkt werd. Het zou niet mogelijk geweest zijn als in Jezus van Nazareth niet twee naturen verenigd waren geweest : enerzijds de oude chela die volledig verbonden was met het aardse niveau, die op het fysieke plan kon werkzaam zijn en het door zijn krachten in bedwang kon houden, en anderzijds de Christus zelf, een louter geestelijk wezen.
Dat is het kosmisch probleem dat aan de basis van het christendom ligt. Er is toen iets gebeurd op het occulte gebied : het bannen van de vijanden van de mensheid, wat naklinkt in de sage van de Antichrist die gebonden werd maar terug zal verschijnen als hem niet het christelijk principe in zijn oorspronkelijkheid tegemoet treedt.
Het hele occultisme van de Middeleeuwen streefde ernaar om de werking van de Rakshasa’s te verhinderen. Zij die op hogere niveaus kunnen zien hebben al lang kunnen waarnemen dat het tijdstip waarop dit terug verschijnen kan plaatsvinden op het einde van de 19de eeuw ligt, rond de eeuwwisseling van de 19de naar de 20ste eeuw.
Nostradamus, die in een toren werkte die langs boven open was, die ook hulp geboden heeft bij een pestepidemie, kon de toekomst voorspellen. Hij schreef een aantal profetische verzen waarin de oorlog van 1870 en veel over Marie-Antoinette als reeds vervuld kunnen beschouwd worden. In deze centuriën van Nostradamus staat ook het volgende (10:75) :
“Als de 19de eeuw zal afgelopen zijn, dan zal in Azië een Hermes-broeder verschijnen en de mensheid terug verenigen.”
De Theosofische Vereniging is niets anders dan de vervulling van deze voorspelling van Nostradamus. Het verhinderen van het opkomen van de Rakshasa’s en de oorspronkelijke mysteriën terug in te richten is een streefdoel van de Theosofische Vereniging.
U weet dat Jezus Christus na zijn dood nog 10 jaar op aarde is gebleven. De “Pistis-Sophia” bevat de diepste esoterische leringen, veel dieper dan Sinnets “Esoterische Boeddhisme”. Jezus is altijd weer gereïncarneerd. Het is zijn opdracht om het mysterie-principe terug leven in te blazen. Dat heeft geen cultuurhistorische of fysieke reden, maar alleen het feit, aan occultisten welbekend : de strijd tegen de Rakshasa’s. U ziet dat hier een groot en belangrijk geheim verborgen ligt.”


De duivel, vastgevroren in het ijs in het centrum van de Aarde, zoals Gustave Doré hem toonde in zijn illustraties bij Dante’s Goddelijke Komedie.




De originele tekst van de Nostradamus-voorspelling :

Tant attendu ne reviendra jamais
Dedans l'Europe, en Asie apparoistra
Un de la ligue issu du grand Hermés,
Et sur tous Roys des Orients croistra.
Lang verwacht zal hij nooit
in Europa terugkomen maar in Azië verschijnen
Eén uit de lijn van de grote Hermes en die boven
Alle koningen van het Oosten zal uitgroeien.




Al deze voorspellingen kunnen op verschillende manieren geïnterpreteerd worden en er zijn dan ook al honderden boeken over te vinden.


*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*


Terug naar het thuisblad