Inhoudstafel van Brug 130 ( december 2025)
Orde en chaos in het zonnestelsel
* * * * * * * * * * * * * * * Beste Lezer,
Vorig jaar besloot een medelijdende ziel om ons een smartfoon cadeau te doen omdat ze vond dat we stilaan eens uit het steentijdperk moesten komen. En waarschijnlijk ben ik niet de enige antroposoof die door zijn omgeving als een uitstervende dinosaurus wordt beschouwd. Als antroposoof zien we hier een mooie toepassing van de vijfde zgz. Nebenübung die Jan Vermeir in De Brug 9 aldus omschreef : Geloof : in occulte zin betekent geloof iets anders dan hetgeen men daar gewoonlijk onder verstaat, nl. het onbevangen, vol vertrouwen openstaan voor alle nieuwe en ongekende dingen die men op zijn levensweg treft. De leerling blijft steeds ontvankelijk voor alles wat op hem afkomt, zoniet verspert hij zichzelf de weg naar nieuwe ervaringen. De leerling mag nooit zeggen "dat geloof ik niet", wanneer iets in tegenspraak is met wat hij tot op dat ogenblik dacht. Veeleer moet hij bereid zijn om op ieder moment zijn eigen opinie in het licht van een nieuwe mening te onderzoeken en te herzien.
Deze onbekende man die verscheen toen "Fixing a Hole" moest opgenomen worden !
Tegenwoordig zijn er in de wereld veel Holes die moeten gefixt worden.
François De Wit
* * * * * * * * * * * * * * * Rembrandt en de Rozenkruisersimpuls
“In Oslo had mw. Geelmuyden aan Rudolf Steiner een portret getoond dat volgens haar de graaf van Saint-Germain voorstelde. Rudolf Steiner zou daarop gezegd hebben dat hij haar een veel beter portret zou bezorgen dat de graaf in zijn Hollandse incarnatie toonde. Daar is dan verder niets van gekomen. Toen Rudolf Steiner gestorven was vroeg mw. Geelmuyden het nog eens aan Marie Steiner en die zei dat het ging over een portret dat nu in Glasgow hangt en waarvan Rembrandt zelf had gezegd dat het de Meester voorstelde die hem het geheim van het licht geleerd had.” En naar het schijnt bestaat er nog ergens een notitie van Rembrandt waar men kan lezen : portret van de man die mij het geheim van licht en donker leerde.
Rembrandts universeel-objectieve blik
De Rozenkruisers willen in de mensheid de universeel-historische blik ontwikkelen, iets wat slechts sinds het Mysterie van Golgotha mogelijk is. In Rudolf Steiners vijfde evangelie kunnen we lezen dat de Essenen bvb. ondanks hun strenge scholing en hun sociaal werken toch nog niet dit algemeen-menselijke gezichtspunt hadden bereikt, hun streven was nog gekleurd door een Luciferische inslag. Deze karakterisering van het kunstwerk dat door een objectieve weergave een hogere werkelijkheid laat doorschemeren, die kan heel bijzonder waargenomen worden bij Rembrandts weergave van het Emmaüs-maal. Rembrandt produceert hier het wonder om een ogenblik in het zieleleven van de beide Emmaüsgangers als fysieke en tegelijk geestelijke gebeurtenis te vatten. Rembrandt heeft door zijn kunst bereikt om een werkelijkheid weer te geven die voor fysieke ogen niet waarneembaar is.
Rembrandt heeft zich bijna 20 jaar met de scène in Emmaüs bezig gehouden. De eerste schetsen van rond 1630 zijn nog sterk gekenmerkt door een uiterlijke dramatiek. Het schilderij dat nu in het Louvre hangt toont een grote rust en gevatheid van de hele scène. Een wonderlijk licht weeft in de ruimte. De twee volgelingen worden uiterlijk rustig weergegeven, elk helemaal op zichzelf, en de Christus verschijnt alsof Hij het volgende ogenblik weer uit het schilderij zou kunnen verdwijnen. In deze versie wordt het de beschouwer mogelijk gemaakt om zich in te leven in de stemming die beide volgelingen op het ogenblik van het besef ervaren. Toen het brood gebroken werd en hun letterlijk en figuurlijk een licht opging.
De versie van 1648 in het Louvre Licht en donker in het leven van Rembrandt Een persoonlijk levensdrama ging vooraf aan deze uitbeelding van Emmaüs. In 1643 verliest Rembrandt zijn geliefde echtgenote Saskia. Rudolf Steiner hierover : “Er ligt iets immens menselijk ingrijpends in dat wat tientallen jaren lang bij hem aan de oppervlakte wilde komen. Want men kan niet ontkennen : Rembrandt was begaafd met een geniaal talent wat kunst betreft maar nog niet diep, hij ging niet in de diepte van de dingen. Wat hij oorspronkelijk schiep, het was al groots, maar op een bepaalde manier mist het diepgang. En toen gebeurde het, het moet 1642 geweest zijn, dat er een smartelijk verlies in zijn leven kwam; toen verloor hij zijn vrouw die hij zo innig liefhad, met wie hij zo verbonden was, die voor hem werkelijk een tweede leven was. Maar dit groot verlies werd voor hem juist de bron van een oneindige zielsverdieping. Zo zien we dan dat sinds dat ogenblik zijn scheppen diepgang krijgt, oneindig meer ziel krijgt dan daarvoor. En de geniale Rembrandt wordt nu ook de in zichzelf verdiepte Rembrandt.”
De persoonlijkheid van Rembrandt staat groot en raadselachtig voor ons. Zijn leven verschijnt als een opeenvolging van sterke contrasten, bijna zoals in zijn schilderwerk: de onvermoeibare bijbellezer leefde tegelijk pronkerig. Hij bewoont een groot herenhuis dat zeer welgelegen is maar hij zit altijd in geldnood omdat hij de termijnbetalingen van de lening niet nakomt. Na de dood van Saskia neemt hij Geertje Dirckx in huis als verzorgster van zijn zoontje, ze wordt zijn geliefde, en hij krijgt ruzie met haar vanaf 1949 wegens een huwelijksbelofte die hij niet houdt want hij heeft ondertussen de veel jongere Hendrikje Stoffels als geliefde. Trouwen kan hij niet door een clausule in het huwelijkscontract met Saskia. Geertje blijft hem het leven zuur maken en zo komt het dat hij haar met behulp van getuigen voor 11 jaar in de gevangenis laat steken. In 1656, veertien jaar na Saskia’s dood komt het tot een faillissement omdat hij in een poging om het huis af te betalen te veel risico’s heeft genomen. Hij verliest alles en moet zijn omvangrijke kunstkamer van de hand doen. Naast een prachtige bibliotheek bevat deze verzameling ook natuurkundige voorwerpen – schelpen, planten, slakken en opgezette dieren- maar ook kostuums, wapens en kunstwerken uit oosterse landen die met de schepen van de Oost-Indische Maatschappij naar Nederland waren gekomen. Dan natuurlijk ook kunstwerken allerhande die hij op grote schaal verzamelde. Rudolf Steiner karakteriseert Rembrandt als volgt : ”In Rembrandt zien we het rechtstreeks-individuele van een sterke, van een krachtige, van een geweldige persoonlijkheid die als een licht schijnt vanuit de 17de eeuw. En in een tijd als de onze (Eerste Wereldoorlog) kan het betekenisvol zijn om terug te kijken naar een tijd waar naast de verwoesting die aan de gang was in Europa, een rechtstreeks scheppen uitgaat van een mensenziel van wie men mag geloven dat ze met de oorspronkelijke elementen van het wereld-zijn in een rechtstreeks verband staat.”
Rembrandt heeft zichzelf meer dan een andere kunstenaar telkens weer geschilderd. Er bestaan zeker 80 zelfportretten in verschillende technieken van zijn hand, in de meest verscheiden stemmingen : vrolijk, toornig, ernstig, verwonderd, bang, lachend. Het spiegelen van innerlijke zielsbewegingen in het uiterlijke van het gelaat is een motief dat doorheen Rembrandts hele oeuvre te volgen is. In de zelfportretten kleedt hij zich ook in historische en buitenlandse klederdrachten. En ook het ouder worden wordt op een objectieve manier weergegeven.
Je voelt wel hoe veel hier geleden, Rembrandt werkt in zijn laatste jaren, van 1660 tot 1669 onvermoeibaar verder. Zijn manier van werken was zeer traag, zijn criteria lagen zeer hoog. En zo kostte het hem levenslang veel moeite om een werk als volledig klaar te beschouwen en het los te laten, iets wat vele opdrachtgevers tot hun verdriet moesten ondervinden. De Florentijnse schilder en kunsthistoricus Filippo Baldinucci schrijft over Rembrandts werkwijze : “Deze schilder, in al zijn gevoelsbewegingen zo verschillend van zijn medemensen, was ook hoogst veeleisend in zijn schilderstijl en ontwikkelde een werkwijze die hem alleen eigen was. Hij gebruikte geen basisschetsen om figuren en vlakken te begrenzen maar losstaande wilde penseeltrekken en –streken, en ook zeer donkere partijen zonder evenwel tot het zuiver zwart te komen. En wat daarbij het moeilijkst te begrijpen is : hoe hij dan, terwijl hij toch met brede penseeltrekken werkte, zo traag opschoot en zijn werken met zoveel aarzeling en met zoveel moeite tot stand kwamen als bij geen enkele andere schilder. ( …. ) Dit trage vorderen kwam doordat Rembrandt, nadat de eerste kleurlaag opgedroogd was, de arbeid terug van voor af aan begon door met grote of kleine penseelstreken erover te gaan, zodat op vele plekken de verf er bijna vingerdik op lag.” Het zelfportret als de apostel Paulus
In een van zijn laatste zelfportretten beeldt Rembrandt zichzelf af als de apostel Paulus. In een vroeger schilderij uit 1627 had hij deze apostel al eens geschilderd, hoe die nadenkend in de gevangenis zat en in een groot boek schrijft, toen nog met de trekken van een oude man. Nu geeft hij de apostel zijn eigen gelaatstrekken. Laat men de merkwaardige blik op zich inwerken dan schijnt die te zeggen : ja, ook ik heb het licht van Damascus mogen zien. “Wil Rembrandt hier zeggen dat hij – zoals de verblinde Saulus die door de duisternis moest gaan – de “klaarheid van dit licht” heeft gezien ?" We mogen aannemen dat een mens die zijn leven lang geworsteld heeft met het geheim van licht en duister, een diepe verbinding moet hebben met de ervaring van Paulus in Damascus. In het late zelfportret als apostel Paulus kunnen we een vingerwijzing zien van de kunstenaar naar een diepere laag van zijn persoonlijkheid.
Zelfportret als apostel Paulus
Paulus in de gevangenis * * * * * * * * * * * * * * *
Over de 7de Michaëlsbrief
Geestelijk licht en geestelijke duisternis 1) De vorige, zesde Michaëlsbrief was bijzonder moeilijk, zowel qua inhoud als qua formulering. Dit is nu niet het geval met de volgende, zevende brief.. Hier is de inhoud zo duidelijk dat iedere commentaar overbodig schijnt en de taal is beeldrijk, er worden imaginaties geschetst die men zich gemakkelijk kan voorstellen. In deze zevende brief kan men zelfs spreken van een poëtisch element.
2) Het thema van deze brief is de tegenstelling tussen Michaël en Ahriman wat betreft de wereld-gedachten of, zoals het ook wordt genoemd, de kosmische intelligentie.
3) Wat is echter “geestelijk licht” ? In de geestelijke wereld is er geen licht dat van buitenaf op de dingen valt zodat men die kan zien. In de geestelijke wereld heerst licht of heerst duisternis op een andere manier, een manier die wij eerst moeten leren verstaan. 4) We gaan nu twee andere woorden gebruiken om dit onderscheid te maken : in de euritmie-opvoering heerst een bepaalde orde, in het gedrang van de winkelstraat heerst chaos die slechts getemperd wordt door enkele praktische overwegingen. 5) In de geestelijke wereld is orde zoveel als licht in de fysieke wereld, en chaos is duisternis. In een Kerstvoordracht vergelijkt Rudolf Steiner het menselijk zieleleven met de bewegingen in de kosmos. In de ziel spoelen voorstellingen, gevoelens, wensen door elkaar, daar heerst chaos. De banen van de planeten vertonen een verheven orde en harmonie. Maar – zo lezen we in die voordracht – zoals tegenwoordig in de mensenziel chaos heerst, zo was er ook in een oeroud verleden chaos in het universum en pas door daden van de goden over lange tijdsperiodes is deze chaos tot kosmos geworden, tot de huidige orde en harmonie.
6) De kosmische chaos, dat was de oer-duisternis, de geestelijke duisternis. En de wonderbare orde die we zien in de bewegingen van de hemellichamen, dat is geestelijk oer-licht. 7) Maar de planeten zijn slechts de zichtbare tekens van de geestelijke sferen van de hiërarchieën – de Maan van de Engelen, Mercurius van de Aartsengelen enz. Wat daar aan de hemel verschijnt als verhoudingen tussen de planeten, dat zijn tekens voor de verhoudingen tussen de hiërarchieën. 8) Daarom zegt Rudolf Steiner in de voordrachten over het karma van de Antroposofische Vereniging heel kort en bondig : kosmische intelligentie, dat zijn de verhoudingen van de hiërarchieën onder elkaar. 9) Kosmische intelligentie, kosmisch intellect of geestelijk licht, dat zijn slechts verschillende benamingen voor de wijsheid die naar ons schijnt vanuit de verheven euritmie van de hemellichamen.
10) Er is ooit een cultuurperiode geweest die zich bijzonder heeft bezig gehouden met het observeren en begrijpen van deze kosmische wijsheid, dat was de Babylonisch-Chaldeeuwse cultuur. Met de Babyloniërs begint in feite het waarnemen van de sterrenhemel, de astronomie en de astrologie. En de sterrewichelaars van Babylon vertelden van de grote draak Tiamat die ooit de baas was in de kosmos. Maar de god Mardoek trad de draak tegemoet, overwon hem en vormde uit het lichaam van de draak het hemelgewelf en de sterren. En toen dat gebeurd was zongen de goden van vreugde. 11) De Babyloniërs zeiden ook dat Mardoek de drakendoder een zoon, een afstammeling was van een hoog goddelijk wezen dat ze Ea noemden. Rudolf Steiner spreekt in een voordracht van deze naam. Hij zegt dat dit woord als toevoeging gebruikt werd bij een ander woord dat Zijn of Bestaan betekent, het woord “Soph”, en zo ontstond Soph-Ea, de Sophia van de Grieken. 12) Mardoek-Michaël is de Ea-Sophia, is ontsproten uit de goddelijke wijsheid en vanuit de kracht van deze wijsheid overwint hij de Chaos-draak en schept in de euritmie van de planeten een beeld van deze wijsheid. 13) De Grieken ontdekten reeds dat als men de snaar van een harp de helft korter maakt, de octaaf van de eerste toon klinkt; bij een verkorting van ¾ klinkt een kwint en bij een 2/3 verkorting een kwart. De intervallen kwart, kwint en octaaf zijn innerlijke ervaringen in de ziel-geest maar als ze klinken in de lucht, dan zijn ze verbonden met de getallenverhoudingen 1:2, 2:3 en 3:4.
14) En op vergelijkbare wijze komt men tot getallenverhoudingen als men zuiver getalmatig de omloopstijden van de planeten vergelijkt. Zo is bvb. een Venus-omloop even lang als 5 Mercurius-omlopen; vier Venus-omlopen komen overeen met drie Mars-omlopen en drie Venus-omlopen komen overeen met acht Zon-jaren ( = Aarde-omlopen). 15) En daarmee komen we bij de vraag die ons tot het eigenlijk geheim van deze twee soorten orde kan brengen : wat is nu feitelijk het verschil tussen de orde van Michaël en die van Ahriman ? Het wezenlijke onderscheid ligt daarin dat Michaël niet compleet de chaoskrachten geëlimineerd heeft, in Michaëls orde blijft er nog altijd een bepaalde speelruimte voor chaos, wanorde, toeval. En deze speelruimte voor chaos, van wanorde binnen de orde van Michaël, dat is wat we “vrijheid” noemen.
Michaël doodt niet de draak, hij houdt hem in bedwang.
17) Michaël heeft door de chaos een bepaalde speelruimte gegeven binnen de kosmische orde, dat wil zeggen een ruimte voor spel. Nu heeft Schiller in zijn Esthetische Brieven de speel-tendens gekarakteriseerd als de drager van het eigenlijk-menselijke in ons, de bemiddelaar tussen de Vorm-tendens en de Stof-tendens. Hij zag in het spel van het kind de oer-manifestatie van de mens als vrij wezen. 18) We proberen te begrijpen wat er gebeurt als een kind met iets speelt. Het kind komt uit de geestelijke wereld; het is neergedaald uit de hoogste regionen van de sferen-muziek, uit het gebied van de klinkende, sprekende kosmische orde. Dat draagt de kinderziel als naklank in zich. Als het geboren is komt het via de zintuigen in contact met de fysieke wereld. Daar is alles voor hem een grote chaos. En al wat het kind leert in de loop van de tijd, dat bestaat erin om orde in deze chaos te brengen. 19) Een deel van dit ordenen is heel eenvoudig dat wat het kind van zijn ouders, van zijn omgeving opneemt. Een grote hoeveelheid weten en kunnen moet het kind zich eigen maken, zaken die het alleen op aarde kan leren. Maar de naklank van de kosmische orde, die klinkt door in het aardeleven als het kind speelt, dat wil zeggen, wanneer het innerlijk leven, de ziel van het kind bepaalt wat het met een bepaald voorwerp of speeltuig gaat doen. 20) Wij volwassenen maken een groot onderscheid tussen dingen die wij au serieux nemen en andere dingen die slechts een spel zijn. Voor een kind bestaat dit onderscheid niet. Het neemt zijn spel zeer ernstig op. Vooral als een kind alleen met iets speelt kan men zien hoe ernstig het bezig is met zijn spel. 21) Voor de volwassenen is er maar één mogelijkheid om zoals het kind iets ernstig te nemen wat toch slechts een spel is : dat is als kunstenaar. Poëzie is een spelen met woorden, muziek een spelen met klanken, schilderen een spel met kleuren. De kleinburger gaat deze bezigheid nooit echt serieus nemen, zo serieus als een financiële transactie of een grote reis. De kunstenaar echter is een kind gebleven en neemt zijn spelen met kleuren of klanken zo serieus dat hij daar in feite niet kan over praten met mensen die deze dingen niet serieus nemen. 22) De kunstenaar en het kind nemen hun spel ernstig – en ze zijn ook ernstig wanneer ze spelen. Wie een spelend kind observeert die kan zien hoe ernstig dat kind in zijn spel leeft, niet minder dan de dichter of schilder bij hun werk of de euritmist die een nieuw stuk instudeert. En de reden is in al deze zaken dezelfde : het kind en de kunstenaar vergeten zichzelf. 23) Maar dat is ook de ernst van Michaël waarover Rudolf Steiner in deze brief spreekt. We proberen nu te verstaan wat met de ernst van Michaël bedoeld wordt. Dan moeten we ons eerst bezinnen over een bepaalde eigenschap van het fysieke licht. Dat is iets waar iedere leraar op wijst als hij bij het hoofdstuk optica komt. Maar deze eigenschap van het licht wordt vaak niet volledig begrepen, namelijk het feit dat het licht zelf onzichtbaar is. Pas als het op een voorwerp valt en het voor ons zichtbaar maakt, weten we dat het licht is. 24) Het licht zelf kan men niet zien, het is niet zichtbaar. Men kan dit gegeven nog anders uitdrukken, men kan zeggen : het licht belicht en verlicht alles in de wereld …. Maar niet zichzelf. Of men kan zeggen : het licht geeft zichzelf volledig aan de wereld, het behoudt niets voor zichzelf. Het licht is volkomen onzelfzuchtig – en daarop is ook het woord van Christus gebaseerd : Ik ben het Licht der wereld. 25) Het fysieke licht vergeet zichzelf volledig en geeft zich aan de wereld. Maar dit fysieke licht is slechts de uiterlijke afdruk, de uiterlijke omhulling van het kosmische licht, van de kosmische intelligentie. En de kosmische intelligentie, die is volgens haar eigenlijke wezen onzelfzuchtig – geeft zich volledig aan de wereld. En nu zegt Rudolf Steiner in deze zevende brief dat de bewaarder en hoeder van de kosmische intelligentie volledig onzelfzuchtig zichzelf geeft aan de wereld en dat komt tot uitdrukking in zijn ernstige blik. Zichzelf geven aan de wereld zoals het hier bedoeld wordt, wil zeggen verantwoordelijkheid dragen voor de wereld, en dat is wat Michaëls blik zegt. 26) Verantwoordelijkheid voor het juiste verloop van de wereldontwikkeling en mensheidsontwikkeling, die lag in de oertijden bij de goden. Later konden grote mensheidsleiders, de zogenaamde grote ingewijden, die verantwoordelijkheid delen met de goden. We gaan echter een toekomst tegemoet waar altijd meer mensen-individualiteiten – in vrijheid – bewust mede-verantwoordelijk moeten worden. Daarmee moet in onze tijd een begin worden gemaakt en de hele antroposofie is een oproep tot verantwoordelijkheid. 27) Altijd en voor alle tijden is Michaël met deze wereldverantwoordelijkheid verbonden, dat zegt zijn ernstige, manende blik. Wij antroposofen kennen deze blik maar al te goed : hij kijkt ons aan vanop iedere foto van Rudolf Steiner. De blik die wij in Rudolf Steiners ogen zien is de fysieke uitdrukking van de Michaël-ernst in de geestelijke wereld. 28) Dat heeft ook betekenis voor de toekomst. In de voordracht over het karma van de Antroposofische Vereniging zegt Rudolf Steiner dat de ware antroposofen in hun volgende incarnatie bepaalde gelijke trekken zullen vertonen in hun gelaatsuitdrukking, die volledig los zal staan van de algemene volkskenmerken. Wat ook gemakkelijk in te zien is want voor echte antroposofen zal Michaël altijd meer de plaats innemen van de oude, aan de erfelijkheid gebonden volksgeesten. Michaël is de groepsgeest, de gemeenschapsgeest van de antroposofie.
29) En het is ook niet moeilijk om te voorspellen wat het gemeenschappelijke in de gezichtstrekken van de antroposofen in de toekomst zal zijn : de ernstige blik, de blik van de verantwoordelijkheid. * * * * * * * * Michaël als tijdgeest
Leo XIII was paus van 1878 tot 1903. We lezen op wikipedia : “Paus Leo XIII schreef meerdere encyclieken, waarvan Rerum Novarum (Over nieuwe dingen) uit 1891 de bekendste is. Hierin legde hij zijn visie neer op werk en arbeid. In de encycliek Aeterni Patris (1879) beval hij de studie van het thomisme aan, waardoor hij een nieuwe impuls gaf aan de bestudering van de werken van de dominicaanse theoloog Thomas van Aquino. Meer in het algemeen pleitte hij voor een katholieke wetenschapsbeoefening, ook die van de tot dan toe zo gewantrouwde natuurwetenschappen.”
Al in 1904 spreekt Rudolf Steiner van de strijd in de geestelijke wereld tussen Michaël en de geesten der duisternis. Blijkbaar was dit een realiteit die niet-antroposofen ook aanvoelden en nog altijd aanvoelen.
Want in 1886 introduceerde Leo XIII het gebed tot de Aartsengel Michaël. Dat kwam zo : in 1884 tijdens een mis met kardinalen hoorde hij plots stemmen van zowel de Heer als de duivel, het was een soort visioen. De ene stem was lief en zacht, de andere bars en rauw.
De tekst luidt:
Latijnse versie :
De Amerikaanse president Donald Trump heeft al enkele keren op 29 september de aandacht gevestigd op dit gebed. Dat is iets wat een Westeuropese staatsman nooit zou aandurven.
* * * * * * * * De klankharmonie van de planetenbewegingen
Hartmut Warm heeft dit thema uitgewerkt in zijn boek “Die Signatur der Sphären” (Keplerstern Verlag, 2011) en ook een computerprogramma geschreven waarmee men de stand van de planeten t.o.v. elkaar kan zichtbaar maken.
Op ieder moment kan men twee planeten verbinden met een ingebeelde lijn (Raumgerade in het Duits).
Rechts : Jupiter-Uranus, om de 60 dagen.
Mars gezien vanop Venus, telkens bij Venus-Neptunus-conjuncties
“De hardnekkige stabiliteit van de planetenbanen en de oorzaak daarvan kunnen we misschien het best illustreren met een beschrijving van een filmfragment. Eén van de pioniers op het gebied van langetermijn berekeningen, Jack Wisdom, ondernam een poging om zijn onderzoeksresultaten aanschouwelijk te maken. Hij toonde de banen van de planeten in een film waarbij een periode van 60.000 jaar weergegeven werd in 1 seconde.
“De ringen die de banen van Jupiter, Saturnus, Uranus, Neptunus en Pluto voorstellen, schenen in een voortdurende beweging te zijn en rusteloos in levendige en gecompliceerde ritmes te vibreren. Hoewel de ringen nooit echt elkaar raakten, schenen ze toch elkaar weg te duwen. Terwijl bvb. de banen van Pluto en Neptunus constant bijna tegen elkaar botsten, waren er ook periodes waar de baan van Pluto volledig buiten die van Neptunus lag. Op andere tijden kruisten de banen. Uranus gedroeg zich alsof hij telkens van zijn buurman een schop kreeg. Jupiter had duidelijk een grote invloed op de baan van Saturnus.
Isaac Newton wist al dat het zonnestelsel niet zo regelmatig en stabiel was, hij had dat al geconcludeerd uit zijn berekeningen, en hij achtte een sporadisch goddelijk ingrijpen noodzakelijk.
“Laten we op het einde van dit overzicht even onze fantasie de vrije loop. Misschien waren het geen botsingen en grote schokken in het begin van ons zonnestelsel maar een bijzonder soort klank, de harmonie waarvan Johannes Kepler dacht dat ze in het begin der tijden klonk. Hoe hypothetisch dat ook mag klinken, we weten in ieder geval sinds het werk van Ernst Chladni ( 1756-1827) dat muziektonen inwerken op de materie en er bepaalde geordende verhoudingen in teweeg brengt. We kennen de Chladnische figuren die ontstaan als men zand op een plaat strooit en dan met een strijkstok over de zijkant van die plaat strijkt en zo trillingen door die plaat laat gaan. ( …. )
Dan moet natuurlijk de vraag gesteld worden waar deze scheppende muziek vandaan komt.
Hans Jenny deed nog proeven met een andere werkwijze, hij strooide zand op een speciaal geprepareerde membraan. Zo kon hij zichtbaar maken hoe de trillingen van een gesproken of gezongen klinker de vormeloze materie tot een bepaalde orde kon brengen.
In één van de traditionele oude mythes wordt gezegd : * * * * * * * *
Spiritisme in Berlijn 1904
Thomas Meyer, de uitgever van het tijdschrift “Der Europäer” liet in oktober van dit jaar een boekje verschijnen met de protocollen van 10 spiritistische séances waaraan ook Rudolf Steiner deelnam. Het boek heeft als titel “Gott zum Gruß,Uriel” en kan besteld worden bij de uitgeverij Perseus Verlag in Zwitserland. In het voorwoord lezen we dat het gaat over sessies die plaats vonden in Berlijn, in de woning van Eliza en Helmut von Moltke.
Deze geest noemt zichzelf in de tien protocollen steeds Uriël. Met deze naam verwelkomt hij en neemt hij afscheid. Uriël is bij Steiner de aartsengel van de Johanni-tijd en staat voor het “historisch geweten”. Uit de protocollen leren we dat hij als mens heeft geleefd, de aartsengel was zijn geestelijke inspirator.
Philo van Alexandrië, een joods-Griekse filosoof, leefde van ongeveer 20 of 10 jaar v.C. tot misschien 50 n.C. Zijn werk over de Thora, de eerste vijf boeken van het Oude Testament, had veel invloed. Steiner wijdt een langere passage aan hem in GA8 “Het christendom als mystieke gebeurtenis”, uitvoeriger spreekt hij over hem in meerdere voordrachten in de pas in 2019 verschenen GA 87 “Antieke mysteriën en christendom”. Daar gaat hij dieper in op de grote betekenis van deze filosoof, die hij op een bepaalde manier zelfs boven Plato stelt. En op 24 augustus 1903, dus een half jaar vóór de séances, noemt hij hem in een van zijn eerste karmische levensreeksen : Philo – Spinoza – Fichte zijn de namen voor een zelfde individualiteit. Als men bedenkt dat deze onbekende Meester Steiner de weg naar Fichte heeft gewezen, dan krijgt men een idee in welke kring van geestesgiganten Steiner geworteld is. Aan deze karmische reeks is noch bij de theosofen, noch bij de antroposofen veel aandacht besteed. Steiner zelf kwam er ook niet meer op terug in zijn karma-voordrachten van 1924.
In de protocollen wordt duidelijk dat Steiner weliswaar veel te maken heeft met Johannes, maar toch een andere individualiteit is. ( … ) De Aquino-incarnatie vormt zowat het fundament van Steiners geestelijke identiteit, die natuurlijk ook andere incarnaties omvat. In het bijzonder komt hier de bisschop en martelaar Laurentius naar voor, die door de opgeroepen geest zelf geschouwd wordt en waarbij Steiner geen verdere commentaar geeft.
Het martyrium van Laurentius door Rubens
Dit in contrast met de bij de antroposofen welbekende opeenvolging Eabani – Kratylos – Aristoteles -, die in de protocollen niet aan bod komen. Daarmee geven deze protocollen een groter spectrum aan Rudolf Steiners incarnaties. ( …. )
Alexandrië was niet alleen de woonplaats van Philo, ook zijn leerling Johannes, die het evangelie en de Apokalyps schreef, leefde daar, evenals de naamloze andere leerling en vriend van Philo die later Rudolf Steiner zou heten. En ook Hypatia, die daar later in 415 of 416 vermoord werd. Zij is karmisch verbonden met Albertus Magnus en Marie Steiner, dat is bekend bij de antroposofen. Vandaar dat het wel opmerkelijk is dat in de protocollen van haar een treffende schets wordt gegeven die een licht werpt op haar karakter, maar ook op bepaalde negatieve aspecten daarvan. In de derde sessie spreekt Steiner bij het vragenmoment over Nostradamus (1503-166) en diens voorspellingen. Er wordt daar gesproken over een Hermes-broeder. De Philo-geest zwijgt. Enkele dagen later echter spreekt Steiner in hetzelfde Berlijn op 10 juni 1904 (in GA 93) over centurie 10,75 die klinkt als volgt : “Als de 19de eeuw zal afgelopen zijn, dan zal in Azië een Hermes-broeder verschijnen en de mensheid terug verenigen.” Steiner : “De Theosophische Vereniging is niets anders dan de vervulling van deze voorspelling van Nostradamus.” .
“Als we de eerste vijf boek van het Oud Testament doorlopen, dan vinden we daarin veel verwijzingen naar de Lemurische tijd. We moeten het verhaal van Adam en Eva en hun nakomelingen niet letterlijk nemen. Houdt u er rekening mee dat we in deze vijf boeken te maken hebben met geschriften van ingewijden, wat ook het geval is met het boek van Enoch, de Psalmen, de brief aan de Hebreeën, enkele Paulusbrieven en de Apokalyps. We moeten in deze geschriften de occulte kern zoeken. Nemen we Genesis 5:1 :
Adam zelf wordt een mens genoemd. Man-vrouw schiep God de mens, nog ongeslachtelijk. En hoe schiep hij hen ? Naar Gods beeld. En in het tweede vers lezen we : na zo en zo vele jaren – we moeten ons daarbij lange periodes voorstellen – verwekt Adam een zoon, Seth, naar zijn beeld.
Nu komt de tegenstelling in de manier hoe ze zich verhouden tot God. Abel ontvangt het geestelijke en brengt als offer het beste, de hoogste vrucht van de geest. God bekijkt dit vanzelfsprekend met een welgevallig oog vermits het iets is wat Hij zelf op aarde heeft geplaatst.
En nu werd dat gescheiden, nu ging het inspiratieprincipe over op diegenen die op het Abel-principe stonden, op hen die herder en priester bleven. Op de anderen ging het inspiratie-principe niet over, zij werden wetenschappers en kunstenaars die op de aarde gericht waren en zich beperkten tot het louter fysieke. Dit kon niet plaatsvinden zonder dat ook in de mens een verandering optrad. Zolang de mens nog man-vrouw was kon hij niet een scheiding teweeg brengen tussen spirituele wijsheid en intellectuele wetenschap. Pas toen de mens definitief in twee geslachten gedeeld werd kon het brein actief worden. Het brein werd mannelijk, de diepere wijsheid vrouwelijk. De mens kan alleen maar produceren binnen zijn fysieke natuur, daar schept hij iets, namelijk nakomelingen. Door de scheiding is het gekomen dat bij de menselijke voortplanting de nakomelingen geen kopieën meer zijn van de voorouders maar dat ze verschillend beginnen worden. De verschillen ontstonden door de vermenging. En waardoor werd de vermenging mogelijk gemaakt ? Doordat het mannelijke zich verbond met het fysieke. Kaïn was diegene die de bodem bewerkte en veranderde. De uiterlijke verscheidenheid van de generaties zou er niet zijn gekomen als niet een deel van de mensheid dieper in de materie was ingedaald. Er werd nu iets in de mens ingeweven dat uit het fysieke kwam. De mens werd nu een beeld van wat hij zich op het fysieke vlak verworven had en de mens tilt het op tot een hoger niveau. Het fysieke is het Kaïnsteken. Het fysieke niveau, in zijn werking op de mens, wordt hem als Kaïnsteken opgedrukt.
U begrijpt nu dat het verhaal van Kaïn en Abel plaatsvindt tussen Adam en Seth. Er is nu een nieuw principe werkzaam geworden in de mensheid, het principe van de erfelijkheid, de erfzonde, het verschillend-zijn van de vorige generatie.
“En het geschiedde, als de mensen op den aardbodem begonnen te vermenigvuldigen, en hun dochters geboren werden, Dat Gods zonen de dochteren der mensen aanzagen, dat zij schoon waren, en zij namen zich vrouwen uit allen, die zij verkozen hadden.” (Genesis 6:1)
En zo ontstond een geslacht dat in de boeken van het Oud Testament niet eens bij naam genoemd wordt, alleen maar aangeduid wordt : een geslacht dat voor fysieke ogen niet waarneembaar is. Het wordt in de occulte taal Rakshasas geheten wordt en dat overeenkomt met wat de Indiërs Asura’s noemen. Dat zijn duivelse wezens die echt bestonden en de mensen verleidden zodat het menselijk geslacht degenereerde. Deze interactie van de Godszonen met de dochters van de mensen leverde een geslacht op dat vooral onweerstaanbaar was voor het vierde onderras van de Atlantische periode, de Toeraniërs, en het leidde de mensheid naar de ondergang : dat was de zondvloed, de overstroming die Atlantis verwoestte. De mensen die onder de invloed waren gekomen van de Rakshasas verdwenen, een rest kon zich redden naar de nieuwe wereld.
Daar waren niet meer menselijke wezens, dat waren geestelijke wezens. De Rakshasa-wezens kwamen daardoor in een toestand van verlamming van lethargie. Ze werden als het ware in toom gehouden zodat ze onbeweeglijk werden. In die toestand konden ze pas geraken doordat hun van twee kanten tegengewerkt werd. Het zou niet mogelijk geweest zijn als in Jezus van Nazareth niet twee naturen verenigd waren geweest : enerzijds de oude chela die volledig verbonden was met het aardse niveau, die op het fysieke plan kon werkzaam zijn en het door zijn krachten in bedwang kon houden, en anderzijds de Christus zelf, een louter geestelijk wezen.
De duivel, vastgevroren in het ijs in het centrum van de Aarde, zoals Gustave Doré hem toonde in zijn illustraties bij Dante’s Goddelijke Komedie.
* * * * * * * * * * * * * * * Terug naar het thuisblad
|