Lage koffieprijs zet kleine boeren onder druk


Nieuw koffieakkoord en vaste minimumprijs kunnen soelaas bieden

BRUSSEL (tijd) - 'Als de grote koffiebedrijven als Douwe Egberts, Nestlé of Kraft een deel van de productie op een solidaire manier met een vaste minimumprijs opkochten, zou dat een heel verschil voor de kleine koffieboeren in het Zuiden maken', zegt John Kanjagaile, exportdirecteur van de Tanzaniaanse koffiecoöperatie van Kagera. 'Ook een internationaal koffieakkoord zou een slok op de borrel schelen.'

De Amerikaans-Nederlandse voeding- en kledingmultinational Sara Lee/Douwe Egberts publiceerde gisteren haar cijfers over het tweede kwartaal van het boekjaar, dat loopt van juli tot juni. De koffietak van Sara Lee boekte een kwartaal omzet van 731 miljoen dollar en een bedrijfswinst van 121 miljoen dollar. Sara Lee/Douwe Egberts is daarmee de op twee na grootste koffieproducent ter wereld. De koffieafdeling van andere groten zoals Kraft en Nestlé halen een gelijkaardige omzet en winst. Deze forse cijfers zijn volgens de bedrijven voor een deel te danken aan de lage grondstoffenprijzen. Donderdag kostte een ton robustakoffie, de mindere kwaliteit die veel voor oploskoffie gebruikt wordt, op de Londense futures- en optiebeurs Liffe 880 dollar. De huidige koffieprijzen zijn historisch gezien laag. Midden 1994 was een ton robusta nog 4.000 dollar waard. Sindsdien kalfde de prijs, enkele opflakkeringen niet te na gesproken, alleen maar af. 'De voorbije jaren waren niet makkelijk', beaamt John Kanjagaile, exportdirecteur van de koffiecoöperatie in de Tanzaniaanse regio Kagera, die geklemd zit tussen Rwanda, Oeganda en het Victoriameer. De Kagera Cooperative Union (KCU) omvat bijna 50.000 kleine koffieboeren en is daarmee een van de grootste van het Oost-Afrikaanse land. De Kagera-coöperatie produceert jaarlijks rond de 9.000 ton robustakoffie. Die wordt grotendeels via de koffieveilingen van de Tanzanian Coffee Board verkocht. Daar bepalen de lokale bijhuizen van de internationale koffiebedrijven de prijs. KCU verkoopt 5 procent van zijn koffie via solidaire handelskanalen als Max Havelaar of Oxfam-Wereldwinkels. Dat leverde in 2001 700.000 dollar op. 'Het voordeel van die solidaire handel is dat je een vaste minimumprijs krijgt', meent Kanjagaile. 'In 2002 kreeg een koffieboer voor een zak van 50 kilogram gemiddeld 28 dollar. Als hij die via solidaire kanalen verkocht, kreeg hij er echter 116,84 dollar voor.' 'Die organisaties werken met een vaste minimumprijs en dat is voor ons een zegen. Ook in slechte tijden krijgen we een vaste prijs. In goede tijden, zoals in 1995 toen we 160 dollaren meer voor een zak kregen, profiteren we mee van de hausse.' Eerlijk Kanjagaile roept de internationale koffiebedrijven daarom op om ten minste een deel van hun koffie uit deze 'eerlijke' teelt te betrekken. 'Het systeem van 'eerlijke' koffie is er. De bedrijven moeten gewoon de stap doen om de juiste prijs te betalen voor hun koffie. Zij kunnen die voor mijn part doorrekenen naar de consument. De prijs van een pakje koffie is Europa de voorbije jaren amper gedaald, terwijl de grondstoffenprijs voor koffie een forse duik heeft gemaakt.' Volgens de koffiemultinationals maakt de grondstof maar een tiende uit van de kostprijs van een pakje koffie in de winkel. De rest gaat naar taksen, marketing, personeelskosten, afschrijvingen voor de installaties en de bedrijfsgebouwen, enzovoort. 'Maar als het waar is wat ze zeggen, en de grondstoffen zo weinig doorwegen, kan een verhoging van de aankoopprijs van koffie voor de multinationals toch niet zoveel uitmaken', besluit Kanjagaile. De Tanzaniaan pleit ook voor een herstel van het Internationaal Koffieakkoord, dat in 1998 opgeblazen werd. 'Het akkoord bracht stabiliteit in de koffiemarkt dankzij een quotaregeling. Een controle van het koffieaanbod kan de prijzen opnieuw hoger duwen.' Kanjagaile gaat vrijdag samen met mensen van de Oxfam-Wereldwinkels praten met de top van Douwe Egberts in België. 'Ik hoop dat ik hun dit verhaal duidelijk kan maken. Tien jaar geleden was de koffiemarkt goed voor 30 miljard dollar. Daarvan bleef 10 miljard hangen in de ontwikkelingslanden die koffie produceren. Nu is de markt 55 miljard dollar waard, maar er blijft maar 7 miljard dollar achter in het Zuiden.' De mensen van Oxfam geven ondertussen een petitie met 120.000 handtekeningen af. De ondertekenaars vragen Douwe Egberts, dat als enige producent niet participeert met het Max Havelaar-keurmerk voor solidaire koffie, meer koffie rechtstreeks bij de koffieboeren te kopen en koffie te kopen via solidaire handelskanalen.

De Financieel-Economische Tijd van 24 januari 2003.