04-09-2002                                                    Mark Deweerdt


Dehaene keert zich scherp tegen burgerdemocratie


Oud-premier stelt 'losse herinneringen' en 'kritische bedenkingen' te boek


(tijd) - 'Niets staat zo dicht bij elkaar als rechtstreekse democratie en dictatuur. Niets is immers zo manipuleerbaar als de anonieme massa.' Minister van Staat en oud-premier Jean-Luc Dehaene keert zich in zijn boek 'Er is nog leven na de 16', dat gisteren werd voorgesteld, onverholen tegen de burgerdemocratie. 'Ik ben er zeker van dat de burgerdemocratie in een impasse zal terechtkomen', schrijft Dehaene.


'Ik denk dat het voor mezelf tijd is om andere dingen te gaan doen. Ik ben niet in de politiek geboren. Ik zal er zeker niet in sterven.' Met die woorden kondigde Jean-Luc Dehaene op 14 juni 1999, daags na de 'dioxineverkiezingsnederlaag' van zijn partij, aan dat hij een punt zette achter een ministeriële loopbaan van 17 jaar. De hem sindsdien vaak gestelde vraag wat hij nu doet en of hij het premierschap niet mist, zette Dehaene aan het schrijven. Memoires zijn het niet, beklemtoont hij, maar die komen er ooit, want 'mensen die een belangrijke politieke rol hebben gespeeld, hebben een soort morele verplichting om hun memoires te publiceren'. Wat Dehaene op papier heeft gezet, noemt hij 'losse herinneringen en gedachten, aangevuld met een paar kritische bedenkingen over heden en toekomst'. Macht en onmacht In het eerste hoofdstuk van het boek - dat nogal wat zetfouten en onnauwkeurigheden bevat - kijkt Dehaene terug op de periode sinds de verkiezingen van 13 juni 1999, meer bepaald zijn burgemeesterschap van Vilvoorde en zijn overstap naar het bedrijfsleven, als bestuurder van Telindus, Umicore, Lotus Bakeries, Interbrew en Domo, en voorzitter van de raad van beheer van de inmiddels samen met LHSP ter ziele gegane VZW Sail Trust. Dehaene leerde in die drie jaar dat de bedrijven de regels van de corporate governance niet op dezelfde manier toepassen en dat de verhouding tussen management en bestuur enorm verschilt van het ene bedrijf tot het andere. Anders dan in de politiek, kan er in het bedrijfsleven meestal discreet worden gewerkt, kan men er de tijd nemen om een tactiek af te spreken, ook tegenover de media, en zijn de (boekhoudkundige) beoordelingscriteria objectief. De beurs is dan weer even onvoorspelbaar als de kiezer, de analisten even betweterig en wispelturig als de politieke journalisten, meent de gewezen regeringsleider. Het tweede hoofdstuk is een bijgewerkte versie van een artikel dat Dehaene in 2000 voor het politologisch tijdschrift Res Publica schreef, waarin hij de macht en de onmacht van de eerste minister analyseert. Zelf de agenda bepalen, over een stevige dossierkennis beschikken, zich omringen met uitstekende medewekers en de ploeggeest bevorderen zijn volgens hem de ingrediënten van een sterk premierschap. In het derde hoofdstuk reflecteert Dehaene over de fases van de staatshervorming waar hij als kabinetschef (1980), formateur (1988) en eerste minister (1992) actief bij betrokken was. Hoofdstuk vier gaat over de Europese eenmaking en de toekomst van de Europese Unie. In het vijfde en laatste hoofdstuk slaat Dehaene een brug tussen zijn beleid als minister van Verkeerswezen (1988-1992) en het huidige mobiliteitsvraagstuk. Tussen de hoofdstukken in, schrijft de oud-premier op een meer badinerende toon over het 'Dehaenees', zijn liefde voor kastelen, zijn passie voor kunst en voetbal, en zijn wereldreizen. Fortuyn Dehaene onthult geen politieke bedrijfsgeheimen, al gunt hij de lezer sporadisch een blik achter de schermen. Zo deelt hij mee dat Herman de Croo aan het einde van de onderhandelingen over de devaluatie van de Belgische frank (1982) van pure tevredenheid de 'Internationale' begon te zingen. De oud-premier heeft de reputatie de dingen bij hun naam te noemen, en in zijn boek is dat niet anders. Onder eerste minister Wilfried Martens (CVP) was de samenwerking met de ministers van Buitenlandse Zaken Leo Tindemans (CVP) en Mark Eyskens (CVP) volgens Dehaene 'catastrofaal': 'Het was een non-relatie gebaseerd op een ongezond wederzijds wantrouwen.' Om die reden wilde Dehaene als premier geen christen-democraat op Buitenlandse Zaken. De scherpste kritiek is nochtans voor paars-groen, waarvan onder meer het begrotingsbeleid, de politiehervorming, de beslissing de Federale Voorlichtingsdienst op te doeken en de hervorming van het kiesstelsel het moeten ontgelden. In een 'naschrift', dat het kopje 'De politiek na Pim Fortuyn' kreeg, rekent Dehaene af met de burgerdemocratie, waarvan Guy Verhofstadt de 'evangelist' en Fortuyn 'een perfect product' is. Dehaene zingt de lof van de overlegdemocratie, waarin akkoorden werden gesloten 'tussen partijen na ruggespraak met sterke organisaties, die hun leden strak omkaderden'. De overlegdemocratie is in de jaren 70 ten onder gegaan in de economische crisis, toen er niets meer te verdelen viel en er keuzes moesten worden gemaakt, en in de maatschappelijke evolutie na mei 1968. In de burgerdemocratie die in de plaats gekomen is en in maatregelen als de rechtstreekse verkiezing van de burgemeester, het referendum en de afschaffing van de lijststem om de band tussen de burger en de politiek te versterken, gelooft Dehaene niet. Hij blijft geloven in groepsvorming rond een gemeenschappelijk programma. Dehaene beseft dat de partijen die geworteld zijn in de industriële maatschappij het moeilijk hebben in de informatiemaatschappij. Hij hoopt dat de generaties die in het informatietijdperk geboren zijn, de nieuwe vormen van politiek zullen uitwerken. Zelf rekent Dehaene zich daar niet meer bij. MD Jean-Luc Dehaene, Er is nog leven na de 16. Uitgeverij Van Halewyck, 208 blz. ISBN 90-5617-411-8.


markd


De Financieel-Economische Tijd