De Brug 20 van juni 1998

Anastasia - de waarheid !

In de jaren vijftig leerde Jakob Streit in Zwitserland Anna Samweber kennen, een vrouw die jarenlang de medewerkster van Rudolf Steiner geweest was in Berlijn. Tien jaar later bezocht hij haar in haar woning in Oost-Berlijn, zij was toen 84 jaar. Zij vertelde hem urenlang over haar leven en toen zij over haar herinneringen aan Rudolf Steiner begon was hij zo verrast over de levendigheid en hartelijkheid van haar verhaal dat hij in haar aanwezigheid begon notities te maken. Na de dood van Anna Samweber bewerkte hij zijn notities en gaf ze uit. In dit boekje lezen we over het bewogen leven van Anna Samweber en haar ontmoeting met de tsarenfamilie in Odessa...


Anna Samweber groeide op in München. Na haar schooltijd stuurden haar ouders haar naar een klooster in Noord-Italië om een opleiding als lerares te volgen. Toen ze afgestudeerd was werd ze huislerares voor een meisje uit een zeer rijke Duitse redersfamilie in de havenstad Odessa aan de Zwarte Zee. Daar leefde toentertijd een grote Duitse gemeenschap en er was dan ook een Duitse school. In die school begon Anna Samweber mee te werken, naast haar opvoedingstaak in de redersfamilie. Met veel ijver en vreugde deed ze haar werk als hulpleerkracht. Uit die tijd herinnert ze zich een belangrijke gebeurtenis.

"Het was nog voor de oorlog uitbrak in 1914. In Odessa werd bekend dat de tsarenfamilie de stad zou bezoeken. De tsarina stamde uit een Duits vorstengeslacht en Duits was de omgangstaal in de tsarenfamilie. Zo viel onverwacht aan onze Duitse school de eer te beurt om liederen en gedichten voor te bereiden om de hoge gasten te ontvangen, om hen daarmee op te wachten. De tsarina zou de kinderen ontvangen. Uit veiligheidsoverwegingen bleef de tsarenfamilie in een speciale salontrein in het station van Odessa.

Toen de grote dag aangebroken was ging ik samen met een collega en een kinderschaar uit de Duitse school richting station. Ik had de opdracht gekregen om enkele welkomswoorden te spreken en het programma te leiden. Ik bezat toen al een klein fotoapparaat, dat had ik aan mijn collega gegeven zodat ze onopvallend een fotootje kon nemen van de tsarenfamilie. We stelden ons op in rij en gelid in een salonvoertuig en bewonderden het kostbare interieur, vooral het dessertbuffet dat door de banketbakkers van Odessa aangeboden werd. Eindelijk verscheen de tsarenfamilie, maar zonder de tsaar. De tsarina nam plaats in een klaarstaande zetel; haar kinderen stonden naast haar. Ik begon mijn begroeting in het Duits en onmiddellijk trad een adjudant mij tegemoet en zei: "Aan het hof wordt er Engels of Russisch gesproken !" Ik herpakte mij direct en sprak het welkomswoord in het Russisch.

De jongste dochter Anastasia stond juist naast het dessertbuffet. Terwijl onze kinderen hun liedjes en gedichtjes voordroegen bemerkte ik hoe Anastasia heimelijk het deksel van een pralinedoos omhoog lichtte, een bonbon in haar mond stopte en stilletjes een andere bonbon aan de tsarewitsj doorgaf. Ik glimlachte naar haar. De tsarina merkte dat op, keek opzij en zag juist hoe de tsarewitsj de bonbon in zijn mond stopte. Ze veerde recht, deed enkele stappen tot bij hem, pakte hem vast en beval energiek: "Uitspuwen, uitspuwen !", wat de tsarewitsj dan ook direct deed. Maar Anastasia slikte vlug de praline door. Zonder omwegen gaf de tsarina haar een slag op de hand. Natuurlijk waren wij allemaal wat geschrokken. Maar goed, ons programma ging verder en even later mochten wij beschikken. Het stiekem genomen fotootje, dat goed gelukt was en waarop de tsarenfamilie in de salonwagen duidelijk afgebeeld stond, dat had ik toch. Ik bewaarde het altijd zorgvuldig, ook op mijn vlucht uit Rusland in de oorlogstijd. Het zou later nog van onverwacht belang zijn."

"Het was in de jaren twintig dat ik via een krantenartikel vernam dat er in Duitsland een "Poolse boerenmeid" opgedoken was die zich uitgaf voor de tsarendochter Anastasia. Op grond van mijn ontmoeting met de tsarenfamilie in Odessa wou ik deze zaak nagaan.

Bij mijn onderzoek stootte ik op het adellijk geslacht "von Altenburg" dat met de tsarina verwant was. Door relaties kon ik het geregeld krijgen dat ik op een receptie uitgenodigd werd waar ook de zogezegde Anastasia aanwezig zou zijn. Toen ik haar zag en met haar in gesprek geraakte twijfelde ik er nauwelijks aan dat zij het was. Ik verzweeg mijn verblijf in Odessa en wat ik in die trein meegemaakt had. In Berlijn verbleef "Anastasia" een poosje in de Deense ambassade. Ik wou de zaak grondig uitpluizen. Door bemiddeling van een zekere mijnheer Vett kon ik haar bezoeken. Ik nodigde haar uit om de komende Kerstavond bij mij thuis door te brengen. "Anastasia" haalde herinneringen op. Ik vernoemde de stad Odessa. Direct begon "Anastasia" van dat toenmalig bezoek te vertellen. Ze wist nog alles van de ontvangst door de kinderen en waarom haar moeder haar daar in bijzijn van al die mensen een slag op haar hand had gegeven. Voor mij was daarmee het onloochenbaar bewijs geleverd dat zij de echte Anastasia was. Nu pas maakte ik mij bekend en vertelde dat ik de lerares met de kinderdelegatie was geweest.

Dezelfde avond vertelde zij nog over de executie in de kelder in Jekaterinenburg, waar haar ganse familie neergeschoten werd. Zij stond voor een oudere zuster en had waarschijnlijk maar een schampschot opgelopen, maar was samen met de anderen neergevallen en had het bewustzijn verloren. De mannen die de lijken moesten wegvoeren om te verbranden moeten plotseling gemerkt hebben dat het gekwetste meisje nog leefde. En nu moet men de Russische ziel kennen: op bevel schieten, dat doet men; maar een gewond, jammerend kind afmaken ? - dan spreekt het hart en handelt het medelijden.

De familie von Altenburg hielp Anastasia met alle middelen om een eerste proces te voeren om haar naam en erfrecht terug te krijgen. Bij de Bank van Engeland was een groot vermogen van de tsarenfamilie gedeponeerd. De jongste broer van de tsaar, Cyrill leefde toen met zijn vrouw in Parijs en vocht al lang om als erfgenaam erkend te worden. Cyrills vrouw was de heftigste tegenstander van Anastasia, terwijl Cyrill zelf overtuigd scheen dat ze de waarheid sprak. Omdat Anastasia Russisch sprak met een volks accent nam men dat als argument tegen haar. Haar moeder, de tsarina, was als Duitse in Engeland opgegroeid. Ik zelf had in Odessa gehoord dat Duits en Engels omgangstalen waren aan het hof. Deze talen waren Anastasia nog enigszins vertrouwd. Ikzelf moest als getuige op dat eerste proces verschijnen en mijn foto van de tsarenfamilie en mijn getuigenis wogen zwaar door.

Op een dag ging ik met Anastasia voorbij het station waar ook een bioscoop was. Men vertoonde juist een film over Raspoetin en er hing een reuzefoto van hem buiten. Toen Anastasia dit zag riep ze uit: "De heilige !" en viel in zwijm. Ondanks alle inspanningen duurde het twee uur voor ze terug bij kwam.

Het proces sleepte jaren aan. Het werd onderbroken door de tweede wereldoorlog. Toen het na de oorlog hervat werd stortte ook de publiciteit zich erop. Anastasia verkocht de verfilmingsrechten en met dat geld en met hulp van vrienden kon ze in het zuiden van Duitsland in een afgelegen huis een teruggetrokken leven leiden. Het proces ging verder. Nog niet zo lang geleden zijn er Engelse rechters urenlang met mij komen praten. Ik kon op alles afdoende antwoorden. Ik kwam ook te weten dat grootvorst Cyrill een brief geschreven had met een voorstel tot minnelijke schikking. Anastasia weigerde, ze zei: "Ik wil geen geld, ik wil mijn naam !"

*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*

.

Egoïsme en zwarte magie

[ ... ]
"We moeten eerst eens nagaan wat men onder "magie" verstaat, om daarna te kunnen inzien wat men onder "zwarte magie" moet verstaan. Vele mensen geloven het volgende: ze zeggen dat men occulte krachten kan verwerven, en denken daarbij gewoonlijk aan zeer minderwaardige, elementaire occulte krachten. Want gewoonlijk weten mensen die over zo'n zaken praten niets van hogere occulte krachten; door de band hebben ze helemaal geen idee van wat ze zich onder occulte krachten moeten voorstellen. Gewoonlijk zeggen ze er dan nog bij dat iemand zwarte magie beoefent als hij die krachten gebruikt voor zijn persoonlijk egoïsme. Dat is nu weer eens zo'n uitspraak waarvan men niet eens kan zeggen dat hij onwaar is. Maar het brengt ons ook niet verder als men zegt dat hij waar is, want er is eigenlijk helemaal niets bijzonder mee gezegd. Het is typisch voor een totaal abstracte denkwijze. Wie over dergelijke zaken wil spreken, moet vooral vast op de bodem van de werkelijkheid staan, zowel de fysieke als de geestelijke werkelijkheid; hij moet weten wat een realiteit is, dan zal hij niet meer over allerlei zaken leuteren die geen verband hebben met de werkelijkheid.

Ligt niet in deze uitspraak dat men occulte krachten niet in dienst mag stellen van het persoonlijk egoïsme, op een bepaalde manier niet een onmogelijke eis voor de mens van deze tijd ? Deze vraag moeten wij allereerst beantwoorden. Natuurlijk stellen diegenen die dat zeggen als eerste gebod op: gij moogt niet egoïstisch zijn! - Vanzelfsprekend, dat is een hoogste gebod. Maar voor wie met de werkelijkheid denkt, komt het er niet op aan dat zulke geboden opgesteld worden, maar of dergelijke geboden wel kunnen nageleefd worden. En wie gelooft dat het gebod om niet egoïstisch te zijn, door de mens van deze tijd zo zonder meer kan nageleefd worden, die geeft zich aan een grote illusie over. Diegene die het als zijn plicht beschouwt om illusies te ontmaskeren, die moet ook de illusie teniet doen dat een dergelijk gebod gemakkelijk zou kunnen worden nageleefd.

Misschien treedt daar ergens een mens naar voor en zegt: ik wil in de wereld actief zijn op een totaal onzelfzuchtige wijze ! - Ten eerste kan hij helemaal niet weten dat er bij de krachten waarmee hij werkt, ook een hele hoop occulte krachten zijn. Van iedere mens gaan occulte krachten uit. Als nu iemand zegt dat hij op een onzelfzuchtige manier in de wereld wil actief zijn, dan is dat een zeer, zeer mooi ideaal. Maar als we dan wat verder vragen: waarom wil je zo onzelfzuchtig zijn, waarom leg je jezelf dit gebod op ? -dan hoort men merkwaardige antwoorden, bvb.: door onzelfzuchtig te zijn kom ik langzamerhand tot een hoger niveau van volkomenheid; ik kan niet verdragen een waardeloze mens te zijn; ik wil een mens zijn die van betekenis is voor de wereld. - Als men dit gevoel zou analyseren, dan zou men erachter komen dat achter het motief om onzelfzuchtig te zijn dikwijls het ongelooflijkste egoïsme steekt, dikwijls een veel groter egoïsme dan hetgeen men aantreft bij mensen die helemaal niet onzelfzuchtig willen zijn, maar die eenvoudigweg hun zelfzuchtige instincten volgen. Volgt u de gedachtengang maar, u zult zien hoeveel zelfzucht er in de drang naar onzelfzuchtigheid steekt.

En hoe zou het ook anders kunnen zijn ? De zelfzucht is een kracht die de goden niet zomaar in de mensennatuur hebben geplant opdat de mens haar zo zonder meer zou verloochenen of ontkennen. De zelfzucht behoort zelfs tot de meest wezenlijke zaken waarmee de mens werkt. Als wij de oorsprong van de zelfzucht onderzoeken, als wij vragen: waarom hebben de goden, die goede goden eigenlijk bij de mens de zelfzucht ingeplant ? - want volgens zo vele mensen is het iets afschuwelijks - dan bekomen wij het vanuit het echte occultisme het antwoord dat de zelfzucht een zeer machtige bescherming is tegen de dingen die met de mens in de wereld zouden gebeuren indien hij deze zelfzucht níet had. Weet u wat de mens het best ervan afhoudt om bepaalde zeer kwade krachten te gebruiken, waarover wij het zo dadelijk zullen hebben ?

Het is tegenwoordig een kleintje voor iemand die zelf aan zwarte magie wil doen om een mens als leerling aan te trekken en hem bepaalde handelingen en kunstgrepen van de echte zwarte magie bij te brengen; hij zou op een verschrikkelijke manier in de wereld kunnen werken. Maar de meesten zullen zich daar niet zomaar toe lenen. En weet u waarom niet ? Om de eenvoudige reden dat ze schrik hebben, dat ze vrezen voor hun persoonlijkheid. Ergens hebben ze toch een klein vermoeden van de gevolgen voor hun geest en in hun zelfzucht vrezen ze daarvoor. En dat is maar goed ook, dat ze vrezen en daarom de zaak maar zo laten. Indien de mensen bij het begin van de aarde-ontwikkeling direct de beschikking hadden gekregen over alle krachten die op het astrale, etherische en fysieke lichaam werken, dan zouden die mensen erge dingen hebben aangericht in de wereld. Daarom is hun het egoïsme gegeven, en dat brengt de mens ertoe om in de eerste plaats alleen maar voor zichzelf te zorgen, en deze zorg voor zichzelf neemt hem volledig in beslag. Als een schild hebben de goden het egoïsme rond de mens gedrapeerd. Egoïsme is het dat de blik van de mens verhult voor hetgeen achter de wereld van de zgz. werkelijkheid ligt. Het is buitengewoon belangrijk om dat niet uit het oog te verliezen. Het is een van de wijze remmen die de goden ingericht hebben opdat de mens niet te vlug doordringt in het geestelijk rijk.

Dat is dus het egoïsme; het is een goed beschermingsmiddel.

Men ziet dus dat men niet met woorden moet goochelen, want het zal nog een hele tijd duren vooraleer de mens onzelfzuchtig kan worden, vooraleer hij daartoe rijp zal zijn. Juist in onze tijd komt al dat gepredik over onzelfzuchtigheid zeer komisch over, onze tijd van het egoïsme in het kwadraat, waar iedereen zoveel mogelijk voor zichzelf wil in de wacht slepen van wat in het sociale bestel gegrondvest is."
[ ... ]

*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*

.

Hoe gaan we om met biografische inzichten ?

In het tijdschrift "Die Drei" van januari 1998 verscheen een artikel van Mathias Wais waarin de auteur nagaat welke de mogelijkheden en beperkingen zijn van inzicht in de eigen biografie als men een beslissing moet nemen die diep ingrijpt in het eigen levenslot.
Het artikel leek ons interessant genoeg om te vertalen. Een probleem was de uitdrukking "biografische Erkenntnis" die de auteur veelvuldig hanteert. "Erkenntnis" kan in het Nederlands op verschillende manieren vertaald worden: erkenning, kennis, inzicht, besef, zelfs feit. Wij gebruikten meestal "inzicht" hoewel dit woord niet helemaal dezelfde inhoud heeft als "Erkenntnis". Mathias Wais (geboren in 1948) studeerde judaïstiek, tibetologie en psychologie en werkt als consulent.



Een voorbeeld uit de praktijk: een vrouw van 37 komt bij de consulent met de vraag welke richting ze aan haar verder leven kan geven. Haar kinderen staan op eigen benen, haar huwelijk is reeds een aantal jaren geleden op de klippen gelopen en terug haar vroegere beroep uitoefenen (ze was boekhouder) spreekt haar niet echt aan. Samen met de consulent wordt er naar de rode draad in haar biografie gezocht. Wat in 't oog springt is een grote breuk op het ogenblik dat ze 18 jaar en 7 maand oud was. Haar ouders scheiden, zij wordt daardoor abrupt uit het ouderlijk huis gekatapulteerd. Ze moet verhuizen, verliest van de ene dag op de andere haar vriendenkring, en moet haar beroepsplannen herzien. Ze wilde pedagogie studeren, maar daarvoor is nu geen geld meer. Van de andere kant vond ze in haar nieuwe woonplaats vlug een nieuwe vriendenkring, en via een kennis kon ze een plaatsje als hulpboekhouder in een grote onderneming bemachtigen.
Deze vrouw kende iets van antroposofie en antroposofische biografiestudie, haar kinderen hadden ook in een Steinerschool gestudeerd, en ze formuleerde dan zelf het inzicht dat deze breuk -waarbij het verleden wordt afgeschud en tegelijk nieuwe levensperspectieven opduiken- een mooi voorbeeld is van de werkzaamheid van de maanknoop* .

De maanknoop, die om de 18 jaar en 7 maanden in de biografische dynamiek kan ingrijpen, bevrijdt ons van levensomstandigheden die voor onze verdere ontwikkeling geen toekomst meer hebben en brengt ons van buitenaf nieuwe mogelijkheden, nieuwe perspectieven.

Van hieruit formuleert de vrouw een ander inzicht - en nu wordt de zaak problematisch. Ze zegt ongeveer het volgende: " Ik ben nu 37 jaar en 4 maand, ik sta dus bij mijn tweede maanknoop. Dat komt ook overeen met mijn levensgevoel. Ik zou het oude willen afleggen en iets totaal nieuw willen beginnen. Onlangs woonde ik een euritmievoorstelling bij en ik was gefascineerd: dat wil ik ook doen, ik ga euritmie studeren, ik zou toch graag met iets kunstzinnigs bezig zijn."
Ze maakt een eind aan onze bijeenkomsten, ze vindt dat de biografiestudie voor haar een succes is geweest en ze neemt afscheid met de belofte eens een kaartje te sturen om te laten weten hoe haar nieuwe leventje verloopt.
Na twee jaar komt ze terug, gebroken en volledig uitgeput. Ze had zich effectief ingeschreven in een euritmieschool, maar kon de opleiding lichamelijk niet aan. Ze moest afhaken, en om een inkomen te hebben had ze terug een deeltijdse job als boekhouder moeten aannemen. Haar oudste dochter was ook niet gaan alleen wonen zoals ze verwacht had. Die was ziek geworden en had verzorging nodig. Aldus had moeder, tegen haar eigen verwachting in, noch tijd, noch energie gehad om zich bezig te houden met de dingen die haar persoonlijk interesseerden. Wat is hier verkeerd gelopen ?

Dergelijke en vele gelijkaardige voorbeelden doen de vraag rijzen: hoe gaan we om met biografische inzichten ? Wat zijn dat eigenlijk ? Hoe onderscheiden we ze van psychologische inzichten ? Hoe verkrijgt men biografische inzichten ? En wat doen we ermee ?

Biografische inzichten zijn geen leidraad voor de toekomst

Deze vrouw had de werkzaamheid en duidelijkheid van een biografische wetmatigheid ingezien. Vanuit een verlangen werd dit inzicht gebruikt als leidraad bij de actuele vraag naar de verdere levensloop. De vrouw ging ervan uit, omdat ze dat verwachtte, dat de tweede maanknoop dezelfde betekenis en werkzaamheid zou hebben als de eerste, het was toch een wetmatigheid nee ? Maar haar verdere levensweg toont dat ze zich bij de toepassing van deze wetmatigheid iets wijsgemaakt heeft. Alles verliep helemaal anders. Waarmee hebben wij hier dan te maken ?

Het inzicht betreffende de maanknoop is een biografisch inzicht. Achteraf beschouwd wordt een zinvolle samenhang duidelijk, op het moment zelf echter werd dit beleefd als een diepgrijpende breuk en als een schok. Niet alleen werd achteraf een zinvolle samenhang duidelijk, het was ook te verklaren vanuit de bekende biografische wetmatigheid. Maar het toepassen van deze kennis op de actuele situatie was geen inzicht, maar een wens, een verlangen. De conclusie van de vrouw voor haar actuele situatie wilde vanuit het oorspronkelijke inzicht iets vastleggen wat niet vast te leggen is. De kennis van de zingevende en toekomstgerichte werking van de maanknoop had niet een richtlijn mogen zijn voor het handelen in de concrete situatie.
Was het bijgevolg overbodig om die kennis over de werking van de maanknoop gehad te hebben ?
Nee, dat was niet overbodig, maar er werd verkeerd mee omgesprongen, omdat er iets als biografische kennis behandeld werd dat helemaal geen biografische kennis was. Biografische kennis kan pas achteraf opgedaan worden, en het gewettigde praktische gebruik ervan bestaat erin dat men deze kennis loslaat. Of, om het algemener te formuleren: inzicht in de biografie houdt altijd de oproep in om zich van dit inzicht vrij te maken als het om een concrete situatie gaat. De biografie wordt niet gunstig beïnvloed als wij inzichten in de diepere samenhangen van onze levenswegen als richtlijn nemen voor onze verdere handelingen en beslissingen. Een ontwikkelingsdynamiek ontplooit zich veel meer doordat wij het bekende overschrijden en met het onverwachte rekenen en dus afzien van wat we op grond van inzicht in algemene en individuele wetmatigheden kunnen verwachten.

Hierin onderscheidt biografische kennis zich van psychologische kennis. Het is karakteristiek voor psychologische kennis dat die iets verklaart en een verder gedrag verwacht dat beantwoordt aan de gewonnen inzichten. Psychologisch kan men dus voorspellingen maken. Wanneer ik als kind geleden heb door de afwezigheid van een vaderfiguur, zoek ik als vrouw altijd weer oudere mannen voor een relatie. Dat is een psychologisch inzicht en dat wordt gehanteerd als verwachting of voorspelling: ik kan verwachten dat de betreffende vrouw ook in de toekomst oudere mannen als partner zal zoeken.

In hoeverre heeft een gebeurtenis toekomstkracht ?

Biografische kennis zit op een ander niveau en moet op een ander niveau gehanteerd worden: wat betekent het voor mij, wat heeft dat met mij te maken, wanneer bepaalde omstandigheden een vorm geven aan mijn leven -in het laatste voorbeeld de afwezigheid van een vaderfiguur- en in hoever kan ik die voorgevormde toestand overstijgen ? Biografie is niet het afspelen van dwangmatigheden en wetmatigheden, maar een ontwikkelingsgebeuren, een zinvolle samenhang die zich in de tijd ontplooit en die een dynamiek ontwikkelt door het optreden van het nieuwe en onverwachte. Biografie ontstaat inderdaad pas wanneer het voorgevormde en regelmatige overstegen wordt. Natuurlijk wortelt de biografische ontwikkeling in uiterlijke gebeurtenissen en innerlijke belevingen die elkaar wederzijds beïnvloeden. Maar biografie is niet eenvoudigweg een dwangmatige, oorzaak-gevolgketting van gebeurtenissen, ervaringen en gedragspatronen. Bij het dier is dat wel het geval, en niet voor niets vindt de psychologie daar zijn oorsprong. Maar een dier heeft geen biografie. Dieren hebben een lot als soort, maar niet als individu. Hun leven is in zekere zin reeds klaar, is door instincten vastgelegd wat zijn afloop betreft. Het afzonderlijke dier heeft geen biografie nodig omdat het zich niet ontwikkelt. Zijn leven is eens en voor altijd geregeld. Ook wanneer het ene dier andere ervaringen heeft dan het andere, dan ontstaat daardoor geen biografie, maar alleen verschillende gedragspatronen.

Bij de mens is dat helemaal anders: het is precies zijn wezen dat hij gebeurtenissen en situaties individueel opneemt en vooral dat hij zelf omstandigheden met ontwikkelingsmogelijkheden kan opzoeken. De mens is open, onaf en -vooral vandaag- niet meer gebonden aan voorgevormde handelingspatronen. Er wordt van hem gevraagd dat hij persoonlijk handelt. Juist dat maakt ontwikkeling mogelijk. De biografie ligt niet in het opstapelen van gebeurtenissen en ook niet in het afdraaien van wat ooit geleerd werd, maar zij ligt verborgen in de innerlijke samenhang van alle innerlijke en uiterlijke belevingen. In de dynamiek van de samenhangen, niet-gerealiseerde mogelijkheden, keerpunten, toekomstplannen zowel als het verleden kunnen we, als we nauwkeuriger kijken, een wil tot vormgeving herkennen. Biografie is een geheel dat zich in de tijd ontplooit. Naarmate dit geheel meer en meer vorm krijgt, komt ook het individuele van de mens tevoorschijn. Het Ik leeft in de tijd, altijd naar de toekomst gericht. Het is nooit af. We moeten het Ik niet zozeer zoeken in afzonderlijke gebeurtenissen -een ongeval, een ontmoeting, een scheiding- maar in hetgeen door dergelijke gebeurtenissen vrijkomt aan ontwikkelingsmogelijkheden. Derhalve moet bij biografische studie minder de afzonderlijke gebeurtenis bekeken worden, maar wel de vraag in hoeverre deze gebeurtenis voor de toekomst belang heeft.

Zich openstellen voor het nieuwe en vroeger opgedane inzichten overstijgen

Om de impuls van het nieuwe te kunnen opnemen, om open te kunnen staan voor wat mij verder brengt, moet ik mijn vroeger opgedane kennis kunnen achterlaten. Daarmee wordt niet bedoeld dat ik ze vergeet en ook niet dat kennis van de eigen biografie overbodig zou zijn. Integendeel, die kennis is er om mij te laten zien op welk gebied ik moet open staan en wat ik te overstijgen heb.
Het juiste hanteren van de kennis van de werkzaamheid van de maanknoop in het eerste voorbeeld zou dus geweest zijn om waakzaam en open te zijn voor wat nu, in de crisissituatie ontstaat. De vrouw had zich moeten openstellen voor wat haar van buitenaf toekwam, en daarin had iets kunnen liggen, een hint, een vraag die haar leven een nieuwe richting kon geven. In plaats daarvan heeft ze, vanuit een begrijpelijk verlangen, besloten en aangenomen dat de maanknoop terug zo sterk zou werken als de eerste keer. Dat kan men echter op voorhand en ook in een acute situatie niet weten, alleen maar achteraf inzien. De maanknoop bevrijdt van levensomstandigheden die voor onze verdere ontwikkeling geen toekomstkracht hebben. Hoe kan men weten of datgene dat men beu is ook geen toekomstkracht meer heeft ? Dat kan men hopen, maar het is geen inzicht. Achteraf kan men dat inzien. Of omgekeerd: biografisch inzicht kan hoegenaamd geen richtlijn zijn voor biografisch handelen. Neemt men die kennis toch als richtlijn dan handelt men vanuit het verleden, vanuit iets dat al vorm heeft, het wordt een zuiver afspelen van wetmatigheden. Toekomst ontstaat slechts wanneer wij onze waarnemingen open stellen voor hetgeen wij vanuit het verleden, vanuit onze gevoelens, vanuit onze wensen helemaal niét verwachten.

De meeste ontmoetingen zijn karmisch

Een ander voorbeeld: een 50-jarige man, uitgesproken antroposoof, gehuwd, twee kinderen, leert een ongeveer 30-jarige aantrekkelijke jonge vrouw kennen. Het komt tot een intensieve, overweldigende ontmoeting die alles onderste boven keert. Totaal nieuwe aspecten van zijn persoonlijkheid worden aangesproken door deze nieuwe ontmoeting. Het schijnt hem dat hij een complete zieleverwantschap vertoont met deze jonge vrouw, en op het ogenblik dat hij haar leerde kennen hield hij zich juist bezig met de christelijke middeleeuwen. Daardoor komt hij op het idee dat zij beiden in de christelijke middeleeuwen een soort samenwerking afgesproken hadden, en dat hij daarom nu zijn verdere levensweg met deze vrouw moest gaan.*

Zie in dit verband Brug 16 : Rudolf Steiner schamper over antroposofen die niet zonder meer verliefd kunnen worden, bij hen is er altijd een karmische noodzaak !


Nu zou ik hier geen oordeel willen uitspreken in hoeverre de opvatting dat hier sprake is van een karmische noodzaak klopt of niet klopt. Laat ons aannemen dat het klopt. Dan hanteert hij in ieder geval deze kennis verkeerd, hij maakt dezelfde fout als de vrouw uit het eerste voorbeeld. Omdat hij een samenhang ingezien heeft, meent hij dat hij dit inzicht moét omzetten in een uiterlijke daad - dwangmatig dus. Daarmee maakt hij echter zichzelf onvrij en beperkt de mogelijkheden die in zo'n ontmoeting liggen geweldig in. Het vervolg van het verhaal was dan ook navenant. In het begin streelt het geweldig de ijdelheid door met zo'n 20 jaar jonger "karma" op bijeenkomsten te kunnen verschijnen, maar spoedig moest hij onder ogen zien dat hij met deze vrouw op juist dezelfde problemen stootte als met zijn eerste vrouw.
Wat zou een alternatief geweest zijn ? Ten eerste was het niet erg wonderbaarlijk om een ontmoeting aan te voelen als karmisch. De meeste ontmoetingen zijn karmisch. Dat is dus zo algemeen dat het niets kan zeggen over een individueel geval en welke consequenties men daar moet uit trekken. Ten tweede had hij er totaal anders kunnen mee omgaan. Ik bedoel het niet moreel, maar hij had zich van dit inzicht kunnen vrijmaken en die ontmoeting en wat ze bij hem losmaakte, kunnen opvatten als een oproep om zijn concreet leven zoals het was, te vernieuwen. Hij had kunnen nagaan waar hij zijn nieuw ontdekte capaciteiten zou kunnen inzetten, ook binnen het huwelijk. In de plaats daarvan heeft hij er een wetmatigheid van gemaakt. Hij heeft een biografisch gegeven als een fatum behandeld.

Iets gelijkaardig vinden we in de omgang van leerkrachten en ouders met hun kinderen. Iemand komt tot het besluit dat bvb. een sanguïnisch kind een potentieel druggebruiker is. Misschien is dat zo. Maar hoe gaat men nu met deze wetenschap om ? Houdt men dit besluit vast, cementeert het nog met speculaties over het karma van het kind, zoekt men dagelijks naar bevestigingen ? Dan maakt men zichzelf en het kind onvrij en het kind krijgt de stempel: "Potentieel druggebruiker". Of is men bereid om deze conclusie terug te laten voor wat ze is en heel bewust met het kind zodanig om te gaan dat ook nog andere trekken en ontwikkelingslijnen in hem kunnen vrijkomen. Maakt men er een probleemkind van of overstijgt men de eerste conclusie en zoekt dan naar het onverwachte ?
Een dergelijk hanteren van inzichten kan ook verlammend werken.
Een kunstenares wiens schilderwerken een eigenaardige mengeling waren van kinderlijke naïviteit en kennis van het demonische, wilde meer te weten komen over wat precies in haar ziel die creativiteit voedde. Een psycholoog stelde een samenhang vast tussen deze kennis van het demonische en haar bijna kinderlijke afweer daartegen. Ze was de dochter van een aggressieve alcoholicus en reeds als kind moest zij vader in toom houden en kalmeren als er terug eens een uitbarsting dreigde. Dat inzicht had ze nu. Maar nu kon ze niet meer schilderen. Want de oorzaak van haar creativiteit kwam telkens voor haar innerlijk oog te staan als ze voor de schildersezel ging staan.

De zin van biografisch inzicht: een impuls geven

Het kan niet de zin zijn van dergelijke inzichten dat ze ons voorgoed aan het verleden binden. Want wat is eigenlijk een biografisch gegeven ? Bij de biografiestudie zoekt men naar het Ik, dus naar iets van geestelijke aard. Ons eigenlijk Ik, onze individualiteit, die doorheen verschillende aardelevens gaat met telkens nieuwe zelfgekozen opdrachten, heeft een geestelijke natuur. Een biografisch inzicht is dus een geestelijk inzicht. Daarom is het zeldzaam en zekerheid omtrent dit inzicht is nog zeldzamer. Een indruk is nog geen inzicht. De conclusie, na het observeren van een bepaald gedragspatroon van een kind, dat het een potentieel druggebruiker is, is geen biografisch inzicht omdat een antroposoof die conclusie trekt. En ook verliefdheid op zich heeft geen kenniskracht. Integendeel: geestelijke inzichten kenmerken zich doordat ze niet ontstaan in een atmosfeer van wensen en hopen en evenmin in een atmosfeer van sympathie of antipathie voor of tegen iemand of iets. Geestelijk inzicht ontstaat niet uit beoordelingen en waardeoordelen, maar slechts als wij ons juist daarvan vrij maken. Ook inzichten, verkregen door over zichzelf na te denken, zijn dikwijls niet wat ze schijnen te zijn. Het is zeer moeilijk in zelfbespiegeling, in het bezig zijn met de eigen biografie, grondlijnen van het eigen bestaan terug te vinden. En nog moeilijker is dat als men het probeert te doen in een actuele levenscrisis, wat verliefdheid toch wel is. Alles wat met gevoelens, wensen, angsten te maken heeft, met onze waarnemings- en denkgewoontes, vormt een ongunstige achtergrond voor biografisch inzicht. Daarom verkrijgt men dat in de regel maar door uiterlijke en innerlijke afstand tot de zaak, door achteraf te beschouwen en door zich zonder vooroordeel open te stellen. Maar wie kan zo zonder vooroordeel t.o.v. zijn eigen leven zijn ?
Geestelijk inzicht heeft impulskarakter. Het verklaart niet zomaar iets. Het roept op. Het roept op om een daad te wagen. Een daad die niet voortvloeit uit de samenhangen die werden ingezien, maar die verder gaat. Biografisch inzicht geeft veelmeer een impuls dan dat het verklaart.

Pas als we durven handelen zijn we vrij

De laatste jaren wordt er vanuit de antroposofie enthousiast aan biografiestudie gedaan, maar dikwijls worden causaal-psychologische inzichten verwisseld met biografische en wordt er met biografische kennis omgegaan alsof het causaal-psychologische betrof. Biografiestudie is geen nieuwe of antroposofische variant van de causale psychologie, maar een impulsgevend gebeuren. Gevaarlijk zijn altijd de inzichten die fascinerend, vleiend of beangstigend zijn. We hanteren ze dan als een norm. Zo maken ze ons onvrij. Het is een elementaire fout te denken dat inzicht een moedige stap kan vervangen. Zonder inzicht kan die stap niet overwogen worden, maar de daad zelf moet uit het niets groeien, onvoorwaardelijk.
Pas als we durven handelen zijn we vrij. Het inzicht houdt ons eerst nog vast. Maar de stap die verworven inzicht achter zich laat is het medium van het Ik dat vorm geeft aan de biografie. Biografiestudie is derhalve aansporing tot handelen, tot een onvoorwaardelijke daad, en geen heruitgave van een causaal-psychologisch denken met geesteswetenschappelijke begrippen. Ze dient niet tot zelfverschoning of ijdele zelfbespiegeling, maar ze is een hulpmiddel bij onze ontwikkeling.

Het oude "Ken Uzelf" vraagt niet dat wij een psychologisch rapport over onszelf schrijven, maar wel dat wij onszelf overstijgen en gewoontes uit het verleden niet als verontschuldiging gebruiken voor ons gedrag en onze beslissingen in het heden. We moeten meer durven opnemen dan we tot hiertoe gedaan hebben. Dat heeft niets met vrijblijvendheid en willekeur te maken, integendeel: we moeten bewust vertrekken vanuit die oude gewoontes.
"Ken Uzelf" betekent bvb. voor een cholericus niet: "Zo ben je nu eenmaal, daar is niets aan te doen", en ook niet: "Wees niet cholerisch, zoek een temperament dat voor jezelf en de anderen gemakkelijker te verdragen is". Het betekent wel: "Ga er niet van uit dat je onvermijdelijk je temperament moet volgen, maar zoek een manier om meester te worden over dit temperament". Over de weg van inzicht en de relativering ervan moeten we een niets, een onvoorwaardelijkheid creëren, om het Ik te leren kennen; niet om die kennis te bezitten, maar om hem niet nodig te hebben. Dat moeten we in 't oog houden als we een gevoel willen krijgen voor de michaëlische dimensie van levenswegen van deze tijd.

*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*

.

Waarom antroposofie ?

In het maart-nummer 1998 van "Die Drei" verscheen onder de titel "Wozu braucht man anthroposophie ?" een artikel van Karl-Martin Dietz, de mede-oprichter van het Friedrich von Hardenberginstituut voor cultuurwetenschappen in Heidelberg waar ook Rudy Vandercruysse actief is.

In Bertold Brechts "Leven van Galilei" komt er een aangrijpende passage voor: in opdracht en aanwezigheid van de groothertog van Toscana moeten enkele universiteitsprofessoren een advies uitspreken over Galileis telescoop waarmee hij de Jupitermanen ontdekt heeft. Deze manen zijn minieme details in de kosmos, maar hun bestaan brengt het wereldbeeld dat tot dan toe heerste in gevaar. Want als deze manen bestaan, dan zijn er geen kristallen sferen waarin de planeten zich bewegen. Daarom is de ontdekking zo revolutionair. De geleerden beginnen hun tegenwerpingen naar voor te brengen. Zijn er sterren mogelijk die geen steunpunt hebben aan de hemel ? Zijn zulke sterren nodig ? Storen ze de harmonie van de hemel niet ? Welke reden kunnen er zijn om het bestaan van vrijzwevende sterren aan te nemen ?

"Volgens de opvatting van de Oudheid zijn er geen sterren mogelijk die rond een ander middelpunt dan de aarde draaien, noch sterren die in de hemel geen steunpunt hebben." Altijd weer nodigt Galilei de heren uit om toch zelf eens door de telescoop te kijken en zich door de werkelijkheid te laten overtuigen. Maar dat is nu juist wat ze niet doen. Ze insinueren liever dat de sterren die daarmee zichtbaar zijn eigenlijk in de telescoop zelf zitten en niet aan het firmament. Tenslotte eindigt de sessie zonder resultaat. Galilei moest achteraf herroepen wat ieder met zijn eigen ogen had kunnen zien. Pas 350 jaar later werd de laatste tegenstand tegen Galilei opgegeven. In 1979 werd Galilei door paus Johannes-Paulus II gerehabiliteerd.

Een keerpunt - nu ?

Zou het kunnen dat er ook vandaag telescopen zijn waar men koppig niet wil door kijken ? En dat er algemeen aanvaarde interpretaties bestaan die datgene wat men hier zou kunnen ontdekken, wegdiscuteren ?

Galileis revolutie ging over de kijk op de kosmos. In de loop van onze eeuw is, na een lange voorbereiding, nog iets anders op het voorplan getreden: de menselijke persoonlijkheid. In de eerste plaats interesseert vooral de eigen persoonlijkheid. Hoe ga ik om met mijn zieleleven, hoe begrijp ik mijn biografie ? Anderzijds wordt meer en meer bemerkt dat daar waar prestaties gevraagd worden niets meer gaat zonder de individuele persoonlijkheid aan te spreken. Een keerpunt begint zichtbaar te worden, vergelijkbaar met dat uit Galileis tijd. Al wat gedaan wordt voor de gemeenschap komt niet tot stand door het individu met geboden, structuren of regels in toom te houden, maar door een verregaande ontplooiing van de individuele krachten. Het ontstaat allemaal door individuele vrijheid. Velen zien reeds vandaag dat de gemeenschap in de traditionele zin niet meer functioneert, velen voelen ook aan dat een fundamentele herbezinning nodig is, maar slechts weinigen beginnen met de realisatie ervan. Als men dan iets nieuws wil doorvoeren, dan moet men van alle kanten horen: iedereen weet toch dat zoiets niet kan. Wie bij het woordje "Ik" vooral aan de koppigheidsfase in de ontwikkeling van de kleuter denkt, zal het moeilijk hebben om "Ik" te koppelen aan "vermogen tot gemeenschap". Maar wat heeft hij dan eigenlijk van het Ik echt gezien ? Het is hier als met Galileis telescoop: ze staat opgesteld, maar weinigen kijken er door. In plaats van moedig de blik te richten op de menselijke individualiteit, ontwikkelt men liever ontwijkingsstrategieën.

De eerste bestaat erin om al het individuele als vanzelfsprekend subjectief te verklaren: de sterren zitten in de telescoop, niet aan de hemel. Er bestaat geen onafhankelijke, "objectieve" wereld, los van het subject, of anders is die niet te kennen. Al wat de mens denkt of doet, dient in laatste instantie de eigen persoon. Wetenschappelijke methodes, theorieën en systemen dienen slechts als intelligente versluiering van dit feit. De mens heeft altijd zich zelf tot doel, zelfs als hij zich daar niet van bewust is.

De andere, even groots en werkzaam geworden afleidingsstrategie bestaat erin om de individualiteit van de mens te gebruiken zonder ze ernstig te nemen. Conditionering (leermethodes, psychotraining, motivatie enz.) en manipulatie (marketing, reclame, verkiezingscampagnes enz.) proberen de afzonderlijke persoon dienstbaar te maken aan welbepaalde doelen.

Iedereen rekent vandaag met de menselijke persoonlijkheid, maar weinigen nemen haar au serieux. In plaats van een telescoop heeft men een kanon op de individualiteit gericht. In het schootsveld liggen vrijheid, de menselijke waardigheid en zelfverantwoordelijkheid. Om dit waar te nemen moet men helemaal geen verre continenten bezoeken.

De zoektocht naar de individualiteit van de mens is niet theoretisch. Ze raakt ons aller dagelijks leven. Zoals het bij Galilei niet om de Jupitermanen als zodanig ging, maar om het totale wereldbeeld, zo gaat het er ook nu niet om de afzonderlijke mens door een humanitaire gezinning tot respect en waardigheid te brengen, maar wel: de betekenis van het individu voor de maatschappij als geheel in te zien. Als samenwerking niet op structurering en delegering berust waarin het individu een plaats toegewezen krijgt (of waarvoor hij gevochten heeft), maar als samenwerking betekent vanuit individuele initiatieven autonoom te coöpereren, dan gaat het erom daarvoor de juiste processen te ontwikkelen. Daardoor verandert het totale leven van de mens.

Of ik impulsen tot handelen van buitenaf verwacht, of mijn levensdoelen in mij draag, dat onderscheid kan, met alle consequenties die erbij horen niet groot genoeg gedacht worden . Wat zie ik als ik besluit om een blik te werpen in de betreffende "telescoop" ?

Driemaal zicht op de 'hogere' mens

In het eerste volledige overzicht van de antroposofische scholingsweg ("Hoe verkrijgt men bewustzijn op hogere gebieden ?") worden drie basisvoorwaarden genoemd.

De eerste is de "devotie tegenover waarheid en kennis". Hierdoor wordt een afwenden ingeleid van de gewone subjectoriëntering (ik sta in het middelpunt van de wereld). Het behoort tot de devotie om zich helemaal naar het "andere" te richten, in plaats van het ten dienste te stellen van de eigen doeleinden. En niet alleen dat, want tegelijkertijd gaat het erom waarheid en kennis hoger te leren schatten dan het eigen bevinden: leren kennen om te kunnen vereren, niet om te beheersen. Een principieel kritische houding t.o.v. alle verschijnselen in de wereld heeft het nadeel dat mij veel ontgaat dat eigenlijk waard was om opgemerkt te worden. Als er schijnbaar zo weinig is dat verering waard is, ligt dat aan de omstandigheden, of aan het feit dat ik het eenvoudig niet waarneem ? Het gaat erom een innerlijke kracht te ontwikkelen die ieder mens in aanleg bezit, maar nog niet gevormd is. "Ontmoet ik een mens en veroordeel ik zijn zwakheden dan beroof ik mijzelf van een hogere kenniskracht; probeer ik mij liefdevol te verdiepen in zijn kwaliteiten, dan bouw ik die kracht op". Wie een houding van devotie in zich ontwikkelt, bevordert tweeërlei: een preciesere blik op de werkelijkheid en een versterking van de innerlijke kracht.

De tweede voorwaarde richt de blik naar binnen. Men zou moeten een "rijk innerlijk leven" ontwikkelen. Wie altijd maar van indruk naar indruk huppelt, ontneemt zichzelf de mogelijkheid om het beleefde op zijn echte waarde te schatten. Dat wordt samengevat in een kort zinnetje: "Iedere idee die geen ideaal wordt, doodt een kracht in je ziel; iedere idee die wel tot ideaal wordt creëert in jou levenskrachten". Waar de eerste houding (devotie) ons losmaakt uit onze eigen voorstellingsgevangenis en de wereld voor ons opent, daar brengt de tweede houding (rijk innerlijk leven) een tegenpool: we moeten de indrukken van de buitenwereld nemen als stimulans voor onze eigen zieleactiviteit.

De derde voorwaarde heet "innerlijke rust": "Zorg voor ogenblikken van innerlijke rust en leer om op deze ogenblikken het wezenlijke van het onwezenlijke te onderscheiden". Hier worden dus het gericht zijn op de wereld en de versterking van het innerlijk leven in evenwicht gebracht door de eigen inspanning. Ik ga mij dus niet laten meeslepen door wat van buitenaf tot mij komt en evenmin geef ik mij over aan mijn rusteloze zieleleven. Ik probeer eerder beide bewust te sturen door mijn Ik te laten beslissen of iets al dan niet wezenlijk is. Met deze derde houding kom ik tegenover mijzelf te staan. Dit kan beginnen met een zelfkritisch afstand-nemen, maar moet verder ontwikkeld worden tot men het eigen leven werkelijk zelf ter hand neemt. Hoe meer kracht ik daarvoor gebruik, des te duidelijker bemerk ik dat in mijn gewone dagelijkse persoonlijkheid nog een andere steekt die met de eerste bewust kan omgaan en in die mate een "hogere" mens is.

Die drie basisvoorwaarden van de scholing roepen natuurlijk veel vragen op: over wat soort werkelijkheid zou het kunnen gaan bij die devotie ? Hoe neem ik mijn innerlijk leven ter hand zodat ik mijzelf kan onderscheiden van wat er allemaal door mij flitst (traditionele voorstellingen, vroegere belevenissen of de TV-uitzending van gisteravond) ? Hoe leer ik met mijn kritisch vermogen om te gaan zodat enerzijds geen wezenlijke inzichten aan mij ontsnappen en ik anderzijds geen naïeve mens word die alles wat hij tegenkomt "reuzeleuk" vindt ? En tenslotte: hoe onderscheid ik wezenlijk van onwezenlijk ? Dat oordeel valt niet zomaar op te rapen en men kan het ook niet overnemen van iemand anders. Ik moet het zelf vinden. Het begin van het boek "Hoe verkrijgt men ..." is een goede hulp. Het geeft een richting aan en roept vragen op die in de volgende hoofdstukken stapsgewijs verdiept worden.

Maar zelfs wie slechts tot aan de drie basisvoorwaarden zou geraken kan reeds inzien dat het hier gaat om wezenlijke innerlijke krachten tot omkeer t.o.v. de heersende beschaving.

Zich inleven en kritiek -al is die nog zo gerechtvaardigd- terughouden, laat reeds het traditionele onderscheid tussen 'objectief' en 'subjectief' stilaan verdwijnen. Dit onderscheid verdwijnt echter niet doordat het ene door het andere overstemd wordt zoals bij manipulatie (de buitenwereld overwint het subject) of in het psycho-wereldje (alleen het subject telt). Er moet veeleer een nieuwe eenheid in de polariteit gevormd worden. Zolang evenwel een kritische houding beschouwd wordt als dé deugd van de autonome mens zal deze stap niet te zetten zijn, evenmin als wanneer men zich laat overspoelen door zintuiglijke indrukken.

Met een rijk innerlijk leven kan men de indrukken van de buitenwereld laten nawerken en aldus vérwerken. Men moet dus niet de prikkels als dusdanig afschaffen maar een innerlijke kracht ontwikkelen die ze onder controle houdt. Dat dan de neiging groeit om het aantal prikkels te beperken, is een gevolg van de nieuw verworven autonomie van het Ik en niet het resultaat van een blind opvolgen van een abstract voorschrift.

En de 'hogere mens' tenslotte ? Tegenwoordig hanteert men in de praktijk een (vaak niet uitgesproken) mensbeeld dat uitgaat van gedetermineerdheid. Zeker wat betreft zijn lichamelijkheid. De mens wordt beschouwd als bepaald door erfelijkheid en dus genetisch gedetermineerd. In alle ernst wordt dan dikwijls verkondigd: de moderne levensomstandig-heden zijn spijtig genoeg zo complex geworden dat de genetische aanpassing niet kan volgen, daarom kan de mens de problemen van zijn tijd zo moeilijk de baas. De determinatie betreft ook de ziel van de mens. Het is natuurlijk zo dat de mens in zijn eerste levensjaren gevormd wordt door zijn omgeving en dat bepaalt niet alleen gewoontes en visies, zelfs tot in de volwassenheid, maar dat bepaalt ook de zielekrachten die hij kan ontwikkelen. In die mate is de mens "slachtoffer" van zijn ouders. Nu worden misdaden reeds gerelativeerd door te wijzen op invloeden in de vroegste jeugd. De rol van de maatschappij tenslotte (opvoeding, beroep enz.), die biografisch als laatste komt, geeft vorm aan de geestelijke activiteit van de mens, zijn meningen en horizonten. Tegenover deze gesloten mensbeelden is het moeilijk om te komen tot de gedachte dat de mens wel eens zelf verantwoordelijk zou kunnen zijn voor zijn leven. Het heeft ook weinig zin om daar een ander mensbeeld tegenover te stellen. Beslissend kan echter zijn om vanuit die drie zielehoudingen telkens weer tot de ontdekking te komen dat er nog een "hogere mens" in mij schuilt, mijn eigenlijk wezen, dat gevrijwaard blijft van al deze gedetermineerdheden. De ontdekking van deze "hogere mens" is misschien heel tenger en misschien niet van lange duur; maar die ontdekking betekent zoveel als de Jupitermanen van Galilei. Ze heeft een ontzettende consequentie. Als men deze ontdekking gemaakt heeft, veranderen alle begrippen omtrent het eigen zelf.

Antroposofie als wil en waarneming

Waartoe dus antroposofie ? Omdat we daar hier niet al te diep kunnen op in gaan, kunnen we slechts, onder voorbehoud, enkele voorstellen doen.

Uit het voorafgaande volgt dat antroposofie ertoe kan dienen om zekerheid omtrent zichzelf te krijgen en het wezenlijke (de individualiteit) van zijn vormen (rollen, uiterlijk, levensstandaard enz.) te onderscheiden. Dit onderscheid blijft niet theoretisch, het verandert het leven. Meer bepaald: als gevolg van dit onderscheid dat ík zelf en niemand anders gemaakt heb, verander ík mijn leven. Daarmee verandert ook mijn creativiteit, mijn levensgevoel en mijn liefde tot de wereld. Maar hier stuiten we op een geheim: wie deze scholing aanvangt óm gelukkiger te leven, die zal ontgoocheld worden. Antroposofie is niet geschikt als middel tot het doel. De gekarakteriseerde veranderingen zijn veeleer een gevolg van de inspanning die men levert om zichzelf te leren leiden.

Eens ik bij mijzelf het wezenlijke ontdekt heb, kan ik het ook bij andere mensen vinden. Ik behandel dan de mensen niet meer als figuren die een rol spelen, beoordeel niet hun eigenaardigheden en vermogens, maar ik neem ze als dusdanig waar. Daarmee treed ik in een totaal andere wisselverhouding tot de andere mensen. Deze wisselverhouding kan ook omgekeerd beginnen: ik probeer eerst mij in het wezen van de ander te verplaatsen en daardoor wordt het gemakkelijker om ook mijn eigen wezen te ontdekken. In ieder geval gaat het hier om dialogische processen. Als er op dit gebied nog meer ervaring wordt opgedaan, dan begint men de werking te voelen van wezens die niet in een lichaam incarneren. Men moet voorzichtig zijn met te stellen (en ook met het ontkennen) dat het hier gaat om "goden", "geesten", of "engelen" zoals men die uit berichten van vroegere tijden kent. Ook hier telt alleen wat toegankelijk is voor de individuele ervaring. Oogkleppen zouden even onvruchtbaar zijn als illusies.

De toegang tot het eigen wezen hangt samen met de toegang tot het wezen van de ander. Daaruit resulteren dialogische krachten die het maatschappelijk leven en de samenwerking revolutionair kunnen veranderen. Wie de ander dialogisch tegemoet treedt, zal hem niet meer met de gebruikelijke "leidinggevende methodes" als een instrument willen en kunnen behandelen. Wie, zoals velen, vasthoudt aan de mening dat de menselijke samenleving slechts door voorschriften en structuren te regelen is, die lijkt op de professoren van Galileis telescoop. Hij weigert iets te zien dat heel goed waar te nemen is, maar dat de volledige sociale verhoudingen zou veranderen als men het zou erkennen.

.

Zie in dit verband ook Vrije Opvoedkunst van maart 1998. Daar wordt bericht over een geschil dat leerkrachten moesten uitvechten met de inspectie van het onderwijs in Den Haag in verband met wat wij de eindtermen zouden noemen. De Heren Professoren wilden zich gewoon niet laten overtuigen. Ten einde raad las een leerkracht het gedicht van Han G. Hoekstra voor, "De Ceder":

Ik heb een ceder in mijn tuin geplant,
Gij kunt hem zien, gij schijnt het niet te willen.
Een binnenplaats meesmuilt ge, sintels, schillen,
En schimmel die een blinden muur aanrandt,
Er is geen boom, alleen een grauwe wand.
Hij is er, zeg ik, en mijn stem gaat trillen,
Ik heb een ceder in mijn tuin geplant,
Gij kunt hem zien, gij schijnt het niet te willen.


Terug naar de gedichten,.

De ontmoeting van mens tot mens zoals hier beschreven, kan overal en ook onder moeilijke omstandigheden gezocht worden. Als een bijzonder oefenterrein werd daarvoor de Antroposofische Vereniging gegrondvest door Rudolf Steiner. Hij beschreef ook de antroposofie en wat zij aan gemeenschappen kon vormen als een "testmethode voor het algemeen -menselijke en voor het algemene dat zich in de wereld voordoet". De Antroposofische Vereniging kent geen vooropgestelde doelen die zouden moeten gehaald worden, maar zij dient volledig de individuele ontmoeting en het handelen voor de gemeenschap dat eruit voortvloeit. Antroposofie leeft echter niet uitsluitend als wezensontmoeting. Zij kan ook een stimulans voor concreet handelen zijn. Bijvoorbeeld als een werkgemeenschap bepaalde doelen nastreeft (school, instelling, ziekenhuis, boerderij enz.) Om de practische problemen op te lossen zoekt men vingerwijzingen. De ervaring leert dat uit het bestuderen van de antroposofie dergelijke vingerwijzingen kunnen voortkomen voor de enkeling en voor de gemeenschap. "Studie" heeft tot doel om in de omgang met de antroposofie altijd meer en meer zelfstandig te worden (juist zoals bij het bestuderen van een fysicaleerboek). Wie in het werk van Steiner een maatregelencatalogus zoekt, dus oplossingen in plaats van aanwijzingen, die verstaat de zaak even verkeerd als wie in de antroposofie alleen maar theorie zonder practisch belang meent te vinden. Dat leerstellingen, "uitspraken" of "richtlijnen" de kern vormen van de antroposofie, zo'n opvatting hoort thuis in een antroposofisch foltermuseum.

Antroposofische samenwerking kan op verschillende niveau's plaatsvinden. Waar dat in alle vrijheid kan gebeuren levert het een bewustmaking t.o.v. het individuele op, zowel het eigen individuele als dat van de ander. Het is tevens een stimulans tot en een zelfstandig maken van de ideeënvorming. En het vormt een vertrouwensmilieu dat het ook mogelijk maakt te handelen zelfs als de individuele opvattingen niet overeenstemmen. Daardoor onderscheidt zich deze vorm van gemeenschap van bvb. een zelfhelpgroep of van een "team" (waar individualisten samenwerken alleen om het doel te bereiken).

Antroposofie, een project "individualiteit"

Velen zullen misschien tegenwerpen: zoals de arbeidsomstandigheden op dit ogenblik zijn gelijken ze toch dikwijls op het bovenvernoemd "foltermuseum". Wie zou dat willen ontkennen? Maar menigeen die zich beschouwt als een kritisch toeschouwer in dit museum zou zich mogen afvragen of hij in werkelijkheid zelf geen foltertuig is. Het experimenteel karakter van de antroposofie brengt mee dat niet alles lukt. Ook Galilei heeft niet op z'n eentje de grote omkeer veroorzaakt. "Hoe meer men mislukt, des te meer bereikt men" heeft Alberto Giacometti eens tegen een bezoeker van zijn museum gezegd.

Wat tot hiertoe beschreven werd, waren geen resultaten, maar de omtrekken van een project dat als dusdanig nog in de startblokken steekt. Bij dit project gaat het om een ommekeer, het verlaten van de ego-persoon en het kiezen voor individualiteit. Voor het praktische leven betekent dat bvb.: - zich ideeën vormen i.p.v. ideologische horizonten, - dialogische opening i.p.v. een mentaliteit van zelfverwezenlijking, - toekomstoriëntering i.p.v. gebondenheid aan de traditie, - individueel gevormde sociale processen i.p.v. voorgevormde structuren.

Er zijn geen trainingsprogramma's voor deze ommekeer. Die vindt plaats telkens een individu zijn eigen leiding neemt, gesteund door het sociale milieu van de dialoog. Om mee te werken aan het "Project Individualiteit" worden nog vele capabele initiatiefmensen gezocht.

*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*

.

De vrijheid van de mens

In GA 222, de voordracht van 18 maart 1925, legt Rudolf Steiner uit hoe de mens vroeger automatisch gedachten meekreeg terwijl hij de wereld aanschouwde. Sinds de 4de eeuw n.C. is dat veranderd. Toen is het "bestuur" van de wereldgedachten overgegaan van de hiërarchie van de Exousiai (Geesten van de Vorm) naar de hiërarchie van de Archai (Geesten van de Persoonlijkheid).
Daardoor heeft de mens de mogelijkheid gekregen om in de 5de na-Atlantische cultuurperiode -de periode van de bewustzijnsziel- tot innerlijke menselijke vrijheid te komen. Want waar hij vroeger de gedachten vanzelf meekreeg, moet hij nu door eigen innerlijke ziele-arbeid tot gedachten komen.
Er is wel een verwikkeling opgetreden. Een deel van de wezens van de hiërarchie van de Exousiai was niet bereid om dat "bestuur" van de kosmische wereldgedachten over te dragen aan de Archai. Tot op de dag van vandaag blijven deze 'achtergebleven' Exousiai dan ook een gedeelte van de gedachten beheren, namelijk de gedachten die de mens automatisch meekrijgt doordat hij in een bepaald volk of natie geboren wordt.
Het is aan de mens om een keuze te maken: ofwel blijft hij zich richten naar de achtergebleven Exousiai en blijft hij steken in een misplaatst nationalisme, ofwel kiest hij voor de juiste Archai en tegelijk voor de vrijheid.

[ ... ]
" De mensheid in vroegere tijden voelde dat ze haar zedelijke ideeën van de goden kreeg. Dat was in de tijd toen precies de Exousiai, de Geesten van de Vorm, de mensen gedachten influisterden, dus ook de zedelijke ideeën. De mens wist dat waarlijk, zelfs als de aarde zou ten onder gaan in een warmte-dood, dat er in de toekomst toch goddelijk-geestelijke wezens zouden zijn die de wereldgedachten uit de ganse kosmos bezitten. De mens wist: niet ik maak gedachten, maar de gedachten die zijn er, net zoals de natuur er is. Net zoals alles wat zich in de natuur afspeelt, hebben ook gedachten een eeuwig bestaan.

Men moet goed beseffen dat vandaag de dag vele mensen het alsmaar moeilijker hebben om een juiste verhouding tot het leven te vinden. Sommigen willen dat toegeven -dat zijn misschien nog de besten-, anderen willen dat niet toegeven, maar door hun handelen ontstaat die algemene wereldchaos waarin wij nu terecht zijn gekomen.

Maar alles wat er vandaag is als wereldchaos, als wereldwanorde, dat is het daadwerkelijk gevolg van deze innerlijke verscheurdheid, dit niet-weten dat de morele wereldorde een realiteit is. De mensen zouden zich het liefst van al onverschillig willen opstellen t.o.v. de grote wereldvragen omdat ze zich er niet kunnen toe brengen om toe te geven waar de verscheurdheid eigenlijk ligt. Het liefst zouden ze dat vergeten.

Met dat wat men vandaag onze uiterlijke civilisatie noemt, daarmee kan er aan die verscheurdheid niets verholpen worden. Die is alleen op te lossen op basis van een geestelijke wereldbeschouwing zoals die door de antroposofie gezocht wordt. En dan kan men pas inzien hoe het de Archai zijn die nu in de kosmos, in de kosmische leiding, de opdracht gekregen hebben om de gedachten der mensen, die nu geïsoleerd, door innerlijke arbeid in de ziel ontstaan, werkelijk overal te verbinden met de wereldgebeurtenissen, om die overal in een orde te plaatsen.

En op een grootse, geweldige manier vindt de mens terug de basis voor de morele wereldorde, juist op deze manier. Hoe vindt hij die ? Welnu, de mens kon niet vrij worden zolang hij het gevoel niet kon ontwikkelen: gij ontplooit uw gedachten vanuit uw eigen individualiteit; gij zijt de maker van uw gedachten.

Maar daarmee scheuren wij tegelijkertijd de gedachten los van de kosmos. In oude tijden was het min of meer zo: als ik hier de zee der kosmische gedachten teken (geel), en daar de mensen (rood), dan moet ik datgene wat in iedere mens als een deel der kosmische gedachten instroomt zó tekenen (geel). De mens hing vast aan de kosmische gedachtenwereld, die daalde tot in hem neer. Dat dit zo kon zijn, was te danken aan de werkzaamheid van de Geesten van de Vorm.

In de loop van de mensheidsontwikkeling is dat anders geworden. We hebben hier de zee der kosmische gedachten (geel), het "bestuur" is overgegaan op de Archai. Als ik nu daar beneden de afzonderlijke mensen teken, dan is dat wat hun gedachten zijn, afgesnoerd; het hangt niet meer samen met de kosmische gedachten. Dat moet zo zijn. Want de mens kon nooit een vrij wezen worden als hij niet zijn gedachtenwereld losgemaakt had van de kosmos. Hij moet zijn gedachtenwereld losmaken, afscheuren om een vrij wezen te worden; maar dan moet die weer aangeknoopt worden. Wat dus noodzakelijk is, dat is het beheer van die gedachten -die in eerste instantie niet voor het menselijk leven, maar wel voor de kosmos belangrijk zijn (groen)- door de Archai, de Geesten van de Persoonlijkheid.

Maar laat ons nu die gedachten eens met een morele gezinning beschouwen, en laten wij voelen hoe deze gedachte vanuit een morele gezinning wordt, dat wij kunnen zeggen: wij zullen, als we de geestelijke wereld betreden -hetzij wanneer we door de poort van de dood zijn gegaan, hetzij ergens anders of in de aardetoekomst- wij zullen de Geesten van de Persoonlijkheid tegenkomen, de Archai. Dan zullen we waarnemen wat zij hebben kunnen doen met onze gedachten, die ter wille van onze vrijheid in ons geïsoleerd waren. En we zullen onze waarde als mens en onze menselijke waardigheid leren kennen aan hetgeen de Archai uit onze gedachten hebben kunnen maken. En de kosmische gedachte richt zich direct naar de morele gezinning, naar de morele impulskracht.

Als antroposofie op de juiste manier wordt opgevat dan kan daar vandaag zeer zeker overal morele impulskracht uit ontspringen. Antroposofie moet dan wel met de ganse mens gevat worden. Als we die gedachte vasthouden, de gedachte van verantwoordelijkheid t.o.v. de normaal ontwikkelde Archai, als we onze geestelijke verhouding in de kosmos juist inschatten, dan worden wij pas echte mensen van onze tijd. En dan zullen we op de juiste manier kijken naar wat ons altijd omringt: niet alleen een zintuiglijke wereld maar ook een geestelijke wereld. Wij zullen opkijken naar die geestelijke wezens, de Archai, ten opzichte van dewelke de mens verantwoordelijk moet worden als hij op de juiste manier waardig zijn mensheidsontwikkeling wil doormaken in de loop van de aardetijden. We zullen zien hoe de huidige tijd nog steeds geconfronteerd wordt met wat overgebleven is aan Geesten van de Vorm die nog altijd de gedachten willen besturen op de oude manier. En dat is de belangrijkste beschavingsopdracht ! Dat zijn de eigenlijke diepere opgaven voor de mens: door zijn juiste verhouding tot de Archai, tot de Geesten der Persoonlijkheid, vrij te worden, opdat hij daardoor ook de juiste verhouding vindt tot de Geesten van de Vorm die vandaag met de gedachten nog altijd hetzelfde willen doen als wat ze vroeger deden, vroeger terecht, maar nu totaal ten onrechte. En van de ene kant zullen we datgene vinden wat het leven in de wereld vandaag moeilijk maakt, maar we zullen ook overal wegen vinden om uit die moeilijkheden te geraken. Alleen moeten we die wegen als vrije mensen zoeken. Want als we niet de wil tot vrije gedachtenontplooiing hebben, wat moeten de Archai dan met ons aanvangen ?

Waar het op aankomt in onze tijd, dat is dat de mens werkelijk een vrij wezen wil zijn. In de meeste gevallen wil hij dat nog niet. Hij moet nog leren om dat te willen. Het valt hem vandaag nog moeilijk zichzelf te willen als een vrij wezen. Het liefst zou hij eigenlijk hebben dat hij zou kunnen wensen wat hij graag heeft en dat er dan de juiste geesten zouden zijn die zijn wensen op een onzichtbare bovennatuurlijke manier zouden vervullen. Dan zou hij zich misschien vrij voelen, menswaardig voelen ! We moeten slechts een paar reïncarnaties laten passeren, niet eens zo'n lange tijd, zo rond het jaar 2800 of 3000, en dan zullen we het onszelf niet meer kunnen vergeven in een daaropvolgende incarnatie -waar we vanzelf op vroegere incarnaties zullen kunnen terugkijken- dat we ooit menselijke vrijheid verwisseld hebben met een tegemoetkomen van de menselijke gemakzucht door inschikkelijke goden !

Deze twee zaken verwisselt de mens immers tegenwoordig: vrijheid en inschikkelijkheid van goedhartige goden t.o.v. de menselijke gemakzucht, t.o.v. gemakkelijke menselijke wensen. Dat willen vandaag toch vele mensen, dat er goede goden zijn die hun wensen vervullen zonder zelf iets te moeten doen. Zoals gezegd, we moeten maar wachten tot het jaar 2800 of 3000 en in een daaropvolgende incarnatie zullen we dat ten zeerste verachten. Maar juist wanneer we vandaag een goede morele gezinning ontwikkelen, dan moet die ook verbonden zijn met een zekere morele sterkte die de vrijheid echt wíl - de innerlijke vrijheid om te beginnen; de uiterlijke zal zich dan wel op de juiste manier ontwikkelen als de wil tot innerlijke vrijheid er eenmaal is. Daartoe is wel noodzakelijk dat men op de juiste manier kan waarnemen waar overal die achtergebleven Geesten van de Vorm actief zijn.

Nu, ze zijn overal actief. Ik kan mij voorstellen -het menselijk intellect heeft nu eenmaal zo'n luciferische neiging- dat er mensen zijn die nu zeggen: ja, het zou toch veel verstandiger geweest zijn vanwege de goddelijke wereldorde indien die achtergebleven Geesten van de Vorm niet bedrijvig zouden zijn, indien ze zelfs helemaal niet bestonden ! - Mensen die zo denken raad ik aan om, als verstandig mens zich eens voor te stellen dat ze zich zouden voeden zonder dat tegelijkertijd de darmen gevuld worden met onaangename stoffen. Het ene is nu eenmaal niet mogelijk zonder het andere. En zo is het in de wereld ook niet mogelijk dat de dingen die op grootse en geweldige wijze de menselijke waardigheid toelaten, er zijn zonder hun overeenkomstig correlaat.

Waar kunnen we die achtergebleven Geesten van de Vorm bedrijvig zien ? In de eerste plaats zien we ze vandaag in de nationale chauvinismen die zich over de ganse wereld verspreiden, daar waar de gedachten van de mensen niet vanuit hun innerste centrale kern ontwikkeld worden, maar vanuit het bloed, vanuit hetgeen uit de instincten stroomt."
[ ... ]

*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*

.

Zelfbeheersing en matiging der driften - volgens Nietzsche

In zijn boek "Hoe verkrijgt men bewustzijn op hogere gebieden?" begint Rudolf Steiner met uit te leggen welke de voorwaarden zijn om een dergelijk bewustzijn te bereiken. Eén daarvan is de innerlijke rust. Die moet mogelijk maken dat men de "hogere mens" in zichzelf kan vinden die de innerlijke heerser moet worden die met een vaste hand de uiterlijke mens leidt. Het is de bedoeling dat men niets denkt of doet wat niet door het eigen Ik beslist werd.

De mens die dit doel nastreeft kan al vlug ondervinden dat hij op vele gebieden niet heerser, maar slaaf is van zijn begeerten en driften: hij kan bvb. het roken niet laten, of het drinken of snoepen enz. Nu zegt Steiner (blz. 104) dat de we onze plicht dikwijls boven onze gezondheid moeten stellen, maar het genot mogen we zeker niet onze gezondheid laten ondermijnen. Genot kan alleen maar een middel zijn om de gezondheid in stand te houden, nooit een doel op zich. Anderzijds zegt hij dat het zinloos, zelfs schadelijk is om een ascetisch leven te gaan leiden als er voor ascese gekozen wordt vanuit een zelfde beweegreden als men andere genotsmiddelen zoekt: men kan met ascese even goed een -weliswaar subtielere- wellust bevredigen.

Maar goed, voor wie vanuit een eerlijk streven heerser wil worden over zijn driften, kozen we volgend stukje van Friedrich Nietzsche, getiteld "Zelfbeheersing en matiging en het uiteindelijk motief daartoe" (uit "Morgenrood"). Van zo'n uitmuntend psycholoog kunnen we misschien wel iets leren ...



"Ik vind niet meer dan zes wezenlijk verschillende methoden om de heftigheid van een drift te bestrijden.

Ten eerste kan men de aanleidingen tot bevrediging van een drift ontwijken en haar door lange en steeds langere tijdsspannen van niet-bevrediging verzwakken en doen uitdrogen.

Vervolgens kan men zich een strenge regelmatige ordening in haar bevrediging tot wet maken; doordat men op deze wijze in haar zelf een regel aanbrengt en haar eb en vloed in vaste tijdsgrenzen insluit heeft men tussentijden gewonnen waarin zij niet langer stoort, -en van daar uit kan men wellicht overgaan tot de eerste methode.

Ten derde kan men zich opzettelijk overgeven aan een wilde en bandeloze bevrediging van een drift, om de hiermee gepaard gaande walging te oogsten en met deze walging enigerlei macht over de drift te verwerven: mits men niet zo handelt als de ruiter die zijn paard ten dode ophitst en daarbij zelf zijn nek breekt, -wat helaas de regel is bij deze poging.

Ten vierde bestaat er een intellectuele kunstgreep, namelijk met de bevrediging een of andere zeer pijnlijke gedachte zo onverbrekelijk te verbinden, dat na enige oefening de gedachte van de bevrediging altijd terstond zelf als zeer pijnlijk wordt ervaren (bvb. wanneer de christen zich aanwent te denken aan de nabijheid en de hoon des duivels bij het geslachtelijk genot, of aan eeuwige hellestraffen voor een moord uit wraak, of alleen maar aan de verachtelijkheid die bvb. volgt op een gelddiefstal in het oog van de door hem meest vereerde nmensen, of wanneer iemand reeds honderd maal aan een heftig verlangen naar zelfmoord de voorstelling van de ellende en de zelfverwijten van verwanten en vrienden tegenovergesteld en zich daarmee op het wankele vlak van het leven behouden heeft: thans volgen deze voorstellingen in hem op elkaar als oorzaak en efffect). Hieronder valt het ook wanneer de trots des mensen, zoals bvb. in het geval van Lord Byron en Napoleon, in opstand komt en het overwicht van een enkel affect over de gehele houding en de ordening der rede als een belediging ervaart: waaruit dan de gewoonte en de lust ontstaat de drift te tiranniseren en haar als het ware te doen knarsen ("Ik wil niet de slaaf te zijn van een of andere goesting" schreef Byron in zijn dagboek).

Ten vijfde: men onderneemt een dislocatie van zijn energiemnassa's door zich de een of andere bijzonder zware en inspannende arbeid op te leggen of zich opzettelijk te onderwerpen aan een nieuwe prikkel, een nieuw genoegen en zodoende gedachten en fysiek krachtenspel in andere banen te leiden. Daarop loopt het ook uit wanneer men een andere drift tijdelijk begunstigt, haar rijkelijk gelegenheid tot bevrediging biedt en haar zo tot verspilster maakt van die energie, waarover anders de door haar heftigheid lastig geworden drift gebieden zou. Deze of gene verstaat wellicht ook de kunst de afzonderelijke drift die de baas zou willen spelen in toom te houden door al zijn hem bekende andere driften een tijdelijke opwekking en feestelijkheid te vergunnen en ze te bevelen het voer te verorberen dat de tiran voor zich alleen wil hebben.

Ten zesde tenslotte: wie het verdraagt en verstandig acht zijn gehele lichamelijke en psychische organisatie te verzwakken en te onderdrukken, die bereikt daarmee natuurlijk eveneens het doel van de verzwakking van een afzonderlijke heftige drift: zoals bvb. hij doet die zijn zinnelijkheid uithongert en daarbij dan wel tegelijk zijn weerbaarheid en niet zelden zijn verstand mede uithongert en te schande maakt, zoals de asceet.

Dus: - aanleidingen ontwijken,
- regel in de drift planten,
- oververzadiging en walging voor haar opwekken en de associatie van een kwellende gedachte (zoals die van de schande, de kwade
- gevolgen of de beledigde trots) tot stand brengen,
- vervolgens de dislocatie der energieën en
- tenslotte de algemene verzwakking en uitputting

- dat zijn de zes methoden: dát men de heftigheid van een drift bestrijden wíl, hebben wij niet in onze macht, evenmin, tot welke methode men vervalt, evenmin, of men met deze methode succes boekt. Veeleer is ons intellect bij dit proces duidelijk niet meer dan het blinde werktuig van een andere drift, die een rivaal is van die, welke ons door haar heftigheid kwelt: zij het de drift tot rust of de vrees voor schande en andere kwade gevolgen of de liefde. Terwijl "wij" ons dus menen te beklagen over de heftigheid van een drift, is het welbeschouwd een drift, die klaagt over een andere; dat wil zeggen: de waarneming van het lijden aan een dergelijke heftigheid vooronderstelt dat er een even heftige of nog heftigere andere drift bestaat, en dat er een strijd ophanden is, waarin ons intellect partij dient te kiezen."



*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*

.

Theosofie

Vele mensen die een spirituele verdieping in hun leven zoeken komen nooit tot antroposofie omdat ze die te moeilijk vinden. Bijna onvermijdelijk komen ze dan uit bij groeperingen of publicaties die eveneens een geestelijke leer aanbieden, maar waar rekening gehouden wordt met de menselijke gemakzucht. In een groot aantal zgn. "New-Age" groepen heeft men het over de geestelijke achtergrond van de wereld en het zijn vooral begrippen uit de theosofie die, op een of andere manier bewerkt, gepresenteerd worden.

De lezer of toehoorder krijgt allerlei interessante wetenswaardigheden voorgeschoteld die weliswaar zijn intellectuele nieuwsgierigheid bevredigen, maar die in tegenstelling met antroposofische werken, niet al te veel geestelijke inspanning vragen. Er wordt dus nog altijd geen begin gemaakt met een geestelijke omscholing van de ziel.

Men kan toch een relatieve waarde toekennen aan deze gemakkelijkere versies van de antroposofie. Voor sommigen is het misschien een stadium om tot antroposofie te komen, anderen zullen waarschijnlijk toch overtuigd geraken dat er in de wereld méér is dan wat de materialist ons wil doen geloven.

Hieronder drukken we een hoofdstuk af uit een theosofisch werkje over de Bijbel (Grove, D.E., "De mysterieleringen van de Bijbel", Amsterdam, 1987). Vergeleken met bvb. de Evangelievoordrachten van Rudolf Steiner is het zeer gemakkelijke lectuur. Maar de antroposoof merkt direct dat hier alleen voedsel voor het verstand en niet voor de ganse ziel aangeboden wordt.

De symboliek van het Heilige Land

Zoals de bijbelse geschiedenis eigenlijk een weergave is van de ervaringen van de ziel en een beschrijving geeft van de beproevingen, verzoekingen en gevaren die elke pelgrim op de weg ontmoet, doch ook van die fasen van vreugde en geestelijke verlichting waarmede zijn streven wordt beloond, zo is de geografie van de Bijbel een kaart van 's mensen eigen aard, het slagveld waarop een voortdurende strijd woedt tussen de krachten van het licht en van de duisternis. Het toneel van alle conflicten is de mens, zijn vele nederlagen, zijn uiteindelijke overwinning wordt voorgesteld door het Beloofde Land der Israëlieten, dat stap voor stap overwonnen moet worden, onder leiding en het bevel van de Allerhoogste.

Het symboliseert de overwinning van de mens op zichzelf en de geleidelijke toewijding van zijn gehele aard aan het goddelijk doel, zodat, als de tijd daar is, de Christuskracht in hem actief kan worden. Deze gelouterde, getransformeerde aard wordt dan inderdaad een Heilig Land, waarin het goddelijk bewustzijn ontwaakt, de Christus van het Hart wordt geboren en de genadige heerschappij van de geest wordt gevestigd.

De eerste geografische zinspeling in de Bijbel betreft een rivier die uit Eden vloeide en zich in vieren verdeelde (Gen. 2:10). Een onderzoek naar de namen van deze rivieren, levert een hoogst belangwekkend resultaat op, hetwelk ons in zwaar versluierde allegorie een beeld geeft van de viervoudige aard des mensen, nl. lichaam, ziel, denkvermogen en geest.

De eerste rivier heet Pison en wij lezen dat deze een land genaamd Havila omspoelt waar zich goud, bedólah en sardonyx bevindt. Welke waarde heeft deze inlichting ? Geen enkele, indien zij slechts een oud en vergeten land betreft, maar zeer interessant en van diepzinnige betekenis wanneer wij vernemen dat Pison betekent "stoffelijke werkelijkheid" en Havíla "energie, kracht, leven", want dan wordt hij symbolisch voor de geest in de stof of de mens in zijn aan het zintuiglijke gebonden, fysieke aard.

( Het woord "stof" of "materie" is aan het verdwijnen uit onze wetenschappelijke vocabulaire en er is een neiging dit te vervangen door "energie"; misschien is "statische energie" nog de beste uitdrukking voor de idee van het massieve, hetgeen dan zou corresponderen met de fysieke werkelijkheid. In dit verband is het van betekenis dat het land Havíla de woonplaats wordt van de geslachten van Ismaïl, de zoon die Abraham geboren werd uit Hagar, de Egyptische; Egypte was altijd symbolisch voor het fysieke leven of de knechtschap der incarnatie).

Goud is symbolisch voor wijsheid, geestelijke rijkdom. Zoals de mens door zijn arbeid goud uit de aarde haalt, zo kan hij uit de innerlijke diepten van zijn wezen wijsheid voortbrengen.

Bedolah is een hars, d.w.z. plantaardig sap of essence, die naar buiten gevloeid en gestold is. Het woord betekent "datgene wat zich afscheidt en hard wordt" (zoals water verhardt tot ijs); het is daarom een zeer toepasselijke analogie voor het proces waardoor de geest, het vluchtige "vast" wordt in een verschijning of lichaam. Zoals het sap van een boom naar buiten dringt, "zichzelf afscheidt en hard wordt", zo kristalliseerde de geestelijke levensessence in zijn naar buiten gerichte openbaring in vorm. De sardonyx (onyx) is een zwarte steen met witte plekken in de diepte verspreid, ook een beeld suggererend van de geest verweven met de stof.

De tweede rivier, de Gihon, wordt in verband gebracht met Ethiopië - het woord betekent "vuur", een zeer oud symbool voor het denkvermogen, intelligentie en mentale activiteit.

De derde rivier, de Hiddekel, betekent "universele vloeistof". ( De zielestof in de wereld is het vrouwelijke waterelement; vandaar dat het astrale of zieleleven van gevoel en emotie altijd uitgebeeld wordt als vloeibaar met als symbool water, de zee, enz. ). Er wordt gezegd dat hij oostwaarts stroomt en hierin kunnen wij een zinspeling lezen op de ziel, de emotionele intuïtieve aard die altijd het licht zoekt.

De vierde, Eufraat, betekent "beginsel van vruchtbaarheid" d.w.z. scheppende kracht, vruchtbaarheid, energie - het is de inwonende geest, de bron van alle leven ( Voor verdere betekenissen van deze rivieren, zie Fabre d'Olivet "The Hebraic Tongue restored")

De mens wordt uit de Hof van Eden gezonden "de wildernis in", symbool van het pelgrimspad van streven naar omhoog. Daar moet hij werken aan de ontwikkeling van eigen latente vermogens, aan de transmutatie van de lagere eigenschappen en de ontplooiing van de hogere, opdat door zijn arbeid deze wildernis van zijn geknechte aard "bloeie als een roos" (Jesaja 25:1-2). In de theosofische terminologie uitgedrukt, blijft het Ego of Hoger Zelf, de "God", op het geestelijk gebied, de "Tuin" of het "Paradijs", terwijl de lagere persoonlijkheid in incarnatie gezonden wordt om daar te graven en te zoeken naar wijsheid, om daar in smart voort te brengen, d.w.z. om het geestelijk leven door lijden te doen geboren worden. Zoals Israël de tucht van de wildernis moet doormaken, zoals ook Jezus de beproevingen in de woestijn moet doorstaan, zo dwaalt, hongert en lijdt de ziel tot de tijd van beproeving voorbij is en het volle geestelijke leven wordt ingegaan.

"Bergen" betekent een verheven bewustzijnstoestand. De mens wordt aangespoord zich te verheffen boven het niveau van de gewone zintuiglijke waarneming en de normale visie. "Zweef als een vogel naar Uw gebergte" (Psalm 11:1). "O Zion, gij verkondigster van goede boodschap! Klim op enen hogen berg" (Jesaja 11:9).

Jakob offerde op de berg (Gen. 21:54); David bad tot God op de berg (2 Samuel, 15:32); Mozes ontving de wet op de berg (Ex. 19:3). Toen Maria de boodschap ontvangen had, (zich bewust was geworden van het inwonend goddelijk leven) reisde zij naar het gebergte (Luk. 1:39).

Zoals de wet van Mozes op de berg was gegeven, zo is ook de kern van Christus' leer, de wet der liefde, vervat in de Bergrede, gegeven vanuit de meest innerlijke waarneming van de waarheid.

Van Jezus lezen wij dat hij zich telkens weer terugtrok in deze toestand van hoger bewustzijn.

1. Voor meditatie en gebed (Mat. 14:23).
2. Alvorens te prediken (Mat. 5:1).
3. Als Hij voor een grote beslissing stond, zoals bvb. de keuze van zijn discipelen (Marcus 3:13-14).
4. Voor genezend werk.


Tenslotte wordt het profetisch gezicht geschonken op de "grote en hoge berg" van geestelijk zienerschap (Openb. 21:10). In contrast met het voorgaande, zijn de steden der vlakten symbolisch voor het kwade.

Bij de vernietiging van Sodom en Gomorra klinkt het gebod "Vlucht om Uws levens wil; zie niet achter U om en sta niet op deze ganse vlakte; vlucht naar het gebergte heen opdat gij niet omkomt" (Gen. 19:17). Ondanks dit verbod werd het Lot toegestaan in Soar te blijven. Deze naam betekent "de kleine stad" en stelt in deze allegorie een kleine zwakheid voor. Lot voerde aan dat hij niet naar de berg kon ontkomen, maar bad dat hij mocht vluchten naar deze stad, "is zij niet klein", zei hij. Soms blijven wij ons hardnekkig overgeven aan kleine fouten, hoewel deze ons weerhouden van de hoogten van geestelijk inzicht en perceptie.

Egypte stelt knechtschap, onderdrukking en duisternis voor. (De Hebreeuwse naam is MISRAIM en deze betekent datgene wat bindt, in een keurslijf dwingt, onderdrukt; misschien komt hiervan ons woord miserie).

Dat is de incarnatie, waartoe de ziel wordt getrokken teneinde te arbeiden, te leren en kostbare ervaring op te doen, waarbij de zintuigen "harde meesters" zijn.

De bijbelse schrijvers spreken consequent van "neder gaan naar Egypte", wijzend op de nederdaling van de geest in de stof. Wij herinneren ons dat de Israëlieten in eerste instantie vrijwillig naar Egypte gingen, omdat daar "koren" was; koren wijst hier op dat voedsel (of menselijke ervaring) waardoor de ziel alleen kan groeien en zich ontwikkelen. Dat het mensenras toen in een toestand van knechtschap en ellende verviel, verwijst naar de karmische banden waardoor de ziel gekluisterd wordt gedurende haar verdere bestaan; Exodus beschrijft haar geleidelijke bevrijding.

Anderzijds is Assyrië zinnebeeldig voor rechtvaardige en onvermijdelijke vergelding. De Israëlieten gingen vrijwillig naar Egypte, maar werden tegen hun wil gevankelijk naar Assyrië gevoerd. Het Boeddhistische spreekwoord: "Lijden volgt op het kwaad even zeker als de wagen de os volgt die hem trekt" is een verklaring der universele morele wet; er is geen mogelijkheid te ontsnappen aan deze opeenvolging van oorzaak en gevolg. Israël ondergaat nederlaag en gevangenschap voor zijn ongehoorzaamheid; de straf is een bestaan, gescheiden van de Allerhoogste, een leven beroofd van het besef der blijvende tegenwoordigheid van het Goddelijke, want het is de zonde alleen, die de mens scheidt van zijn Hoger Zelf.

Hij lijdt onder het gevoel van ballingschap, het gemis van geestelijke vreugde, hij kan geen "Lied des Heeren zingen" in dat "vreemde land" (Psalm 137).

Nu komen wij aan de verovering van het Heilige Land.

Na uit de duisternis of onwetendheid van Egypte ontkomen te zijn, is het Israël (d.w.z. het door de zintuigen beperkte bewustzijn, nadat het de jaren van dwalen in de woestijn had moeten ondergaan: de beproevingen die het zoeken naar waarheid, licht en vrijheid altijd moeten vergezellen) eindelijk toegestaan de verovering van het beloofde land aan te vangen. De eerste stad die ingenomen wordt is Jericho. Deze naam betekent "twijfel" en het is duidelijk als wij begrijpen dat het eerste wat wij nodig hebben als wij iets nieuws beginnen, vertrouwen is - vrees moet men van zich afwerpen - daarom moet eerst Jericho belegerd worden. Het geschal der ramshoorns, het geroep dat voorafgaat aan de val der stad is de hardnekkig volgehouden noot van het geloof, de vaste gelofte waardoor de overwinning tenslotte wordt behaald.

Wij lezen dat de stad "gesloten was; er ging niemand uit, er ging niemand in" (Jozua 6:1) - een verwijzing naar de remmende invloed van vrees, de noodlottige belemmering van besluit en handeling veroorzaakt door gebrek aan vertrouwen.

Er staat in het Nieuw Testament een ander betekenisvol verhaal over Jericho, de geschiedenis van de Barmhartige Samaritaan. De betekenis van Jeruzalem kan men hier opvatten als het bolwerk der gevestigde godsdienst; nedergaan van Jeruzalem naar Jericho zou daarom betekenen het verlaten vcan de bescherming der orthodoxie, stoutmoedig genoeg zijn om te twijfelen, te vragen, zelf de waarheid te zoeken. Elke ziel moet deze reis van tijd tot tijd ondernemen en het is een gevaarlijke reis, want er komt een stadium waarin de geest, het denkvermogen, ontdaan wordt van alles wat behoort bij het oude geloof, als het beroofd wordt van het ene geloof na het andere.

De Farizeër is de conventionele zienswijze, die niet meer kan voldoen, zij biedt geen hulp; De Leviet is het priesterlijk gebruik, ceremonieel en ritueel, welke geen bevrediging meer kunnen bieden. De Barmhartige Samaritaan is de nieuwe spirituele perceptie, die de olie der troost uitgiet en de wijn der inspiratie.

De volgende stad die genomen wordt is Ai, hetwelk hier betekent zelf-wil. De Israëlieten geloofden dat deze stad gemakkelijk kon veroverd worden en trokken niet in volle sterkte op en leden bijgevolg een nederlaag (Jozua 7:3-5). De onervaren pelgrim ziet in deze wil ook niet zo'n moeilijk obstakel, maar in werkelijkheid is dit een grote tegenwerkende kracht op het pad, omdat het een element is dat zich sinds eeuwen gevestigd heeft en daarom kan deze wil slechts met de uiterste inspanning gecorrigeerd worden. Deze persoonlijke wil heeft de mens in langere tijdperken moeten ontwikkelen met het doel tot volledige individualisatie te komen; maar eenmaal opgebouwd moet deze kracht overgegeven worden aan een hogere macht.

Het is alsof wij een heel leven moesten doorbrengen met het maken van een machtig en volmaakt afgestemd muziekinstrument en als het klaar is, het moeten afstaan voor gebruik door een meestermusicus. "Onze willen zijn de onze om ze de Uwe te maken".

Stap voor stap wordt de ene stad na de andere aangevallen en vernietigd - zo overwint de omhoogstrevende discipel de ene zwakheid na de andere, totdat zijn gehele aard onder zijn beheersing is en gewijd aan de wil van de Allerhoogste. De enige rivier, die door Palestina loopt is de Jordaan, "de rivier van God", hetgeen betekent spirituele, creatieve kracht. Zich erin wassen brengt genezing (2 Kon 5:10); erin gedoopt te worden brengt geestelijke verlichting (Marcus 1:10,11); de Jordaan over steken is een uitbreiding van het bewustzijn ondergaan en een nieuwe levensorde binnen treden." [ ... ]

*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*

.

"Ik wil niet vereerd worden, ik wil begrepen worden !"



Deze uitspraak van Rudolf Steiner is bekend geworden dankzij de bijdrage van Adelheid Petersen "Dornach in den Jahren 1914 / 1915" in het boek "Erinnerungen an Rudolf Steiner". We vertaalden de betreffende passage.



[ ... ] "Rudolf Steiner sprak in die dagen avonden aan een stuk over het innerlijke wezen der kunsten en hun samenhang met de geleding van het menselijke wezen, met de ganse kosmos, met de aarde-evolutie van Saturnus tot Vulcanus: een perspectief "zo groot, zo geweldig, dat wij nauwelijks genoeg kunnen voelen, kunnen beleven om het ons intensiever duidelijk te maken". Maar ook sprak hij woorden op de pijnlijkste toon, met zware verwijten: "Dat zijn werkelijk de bitterste ontgoochelingen als datgene wat men met het geesteswetenschappelijk streven wil bereiken telkens weer afglijdt naar het persoonlijk-menselijk willen en naar persoonlijk-menselijke ambities. Als het persoonlijke een rol begint te spelen in juist die gemeenschap die ons in ons streven naar de geesteswetenschap zou moeten omsluiten."

Vermaning en verwijt waren maar al terecht. Om met Nietzsche te spreken: het ging er in de beweging menselijk - al te menselijk aan toe! In de Kerstperiode was Rudolf Steiner getrouwd met Marie von Sivers. Wat voor schokgolven dat teweeg bracht bij de leden (voornamelijk bij de vrouwelijke, maar niet alleen bij die! ), dat was gewoon ontzettend. Van hysterische extase, hysterische vertwijfeling tot en met het vaststellen van "een ingewijde die ontspoort", en daartussen alle varianten. Waar was het vertrouwen tot de grote leraar ?

Terzelfdertijd kwamen onregelmatigheden aan het licht bij de bouw van het Goetheanum. Rudolf Steiner riep een vergadering bijeen, een van de pijnllijkste herinneringen van gans mijn leven. Zijn ogen vlamden, zijn stem donderde. Marie Steiner zat zo wit als een vaatdoek, de ganse avond als versteend. Nadat hij scherp alles had terechtgewezen wat door zijn huwelijk was ontketend ("Het is mijn privé-zaak waar niemand zaken mee heeft"), begon hij over de mistoestanden op de werf. "Daarbuiten heeft men het altijd over het blinde geloof van de antroposofen in een autoriteit. In werkelijkheid is het echter zo dat ik maar iets moet zeggen en direct gebeurt het tegendeel". Het was alsof bliksem en donder losgebroken waren. Hij sprak van de vergiftiging van de arbeid, van gewetenloosheid tegenover de geestelijke wereld.

Dan viel er een doodse stilte, hij zette zich neer naast Marie Steiner.
Iemand, ik herinner mij niet meer wie, stond aarzelend op en zocht stamelend naar woorden ter verontschuldiging, woorden van berouw en zei tenslotte dat Herr Doktor moest weten dat iedereen hem zo geweldig vereerde. Toen schoot Rudolf Steiner recht en riep met een stem die trilde van toorn, ja van vertwijfeling: "Ik wil niet vereerd worden ! Ik wil begrepen worden !"

De aarde scheen opengespleten ! Niemand durfde nog opkijken. Niemand sprak een woord. Rudolf Steiner verliet de zaal met Marie Steiner, zonder groet. In alle stilte ging de vergadering uiteen.
Het is nodig dat deze zaken overgeleverd worden. Latere generaties moeten weten wat voor een martelaar Rudolf Steiner geweest is. Dat kan het gevoel voor verantwoordelijkheid vergroten en de zelfbezinning klaren.
Toen reeds zei Rudolf Steiner dat zijn werk niet van buitenaf bedreigd werd:" De vijanden zitten onder ons, bij de leden zelf."
[ ... ]

Anna Samweber ondervond aan den lijve hoe Rudolf Steiner omging met ongepaste verering. In het boekje "Aus meinem Leben" vonden we volgende anekdote:

"Bij een van de grote openbare voordrachten in Berlijn, toen Rudolf Steiner ijverde voor de sociale driegeleding, maakte hij altijd gebruik van een aparte uitgang die naar de kleedkamer leidde, vanwaar ik hem dan door een lange donkere gang naar buiten bracht. Eens na zo'n voordracht stonden vele mensen rond hem die hem met hun vragen en problemen bestookten en hem nog een lange tijd in beslag namen. Ik wachtte bij een zijdeur. Ik had zijn mantel, sjaal en hoed al genomen en hield alles in mijn armen om het hem aan te geven eens hij eindelijk vrij zou zijn. Zo stond ik geruime tijd aan de zijdeur tot hij kwam. Hij nam alles aan, ging terug naar de kleedkamer en hing alles terug aan de kapstok. Dan nam hij een voor een alles zelf en kleeddde zich aan. Ik was zo verbaasd dat ik eruit flapte: "Maar Herr Doktor, stelt u zich eens in mijn plaats, hoe moet ik mij nu voelen ?" Hij repliceerde:"En ik, hoe moet ik mij voelen ?"

Zwijgend gingen wij door de donkere gang. Normaal leidde ik hem bij de hand, want hij zag zeer slecht in het donker. Plotseling sprak hij: "Bent u nu boos dat u mij tegen de muur laat lopen ?" En verder vroeg hij of ik niet wist waarom hij zo gehandeld had. Toen ik ontkennend antwoordde, zei hij:"Denk er maar eens over na !"

De volgende dag en de dag daarna, toen hij mij zag, was zijn eerste vraag: "Hebt u erover nagedacht ?" Ik werd er nerveus van en toen ik 's nachts dan wakker werd, viel het mij in. Toen de mensen na de voordracht rond Rudolf Steiner stonden en hem belegerden, had ik een goed gevoel gehad bij de gedachte:"Staan jullie maar rond hem, maar ik heb toch zijn mantel en zijn hoed."
Toen hij mij de volgende dag voor de vierde keer vroeg of ik erover nagedacht had, zei ik:"Ja, Herr Doktor, ik weet nu waarom." Hij antwoordde:" Ziet u, dat is nu wat niet mag !"

Ieder greintje van persoonlijkheidscultus stond hem geweldig tegen, en hij liet niet toe dat dat ten opzichte van zijn persoon gekoesterd werd."



In het boek "Life - and how to survive it" van Robin Skinner en John Cleese staat een mooie cartoon van Bud Handelsman die illustreert hoe moeilijk het is om 'vereerders' te doen afzien van hun misplaatste verering.



Terug naar de anecdotes.



*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
Terug naar de inhoudstafel