|
De Brug 15 van maart 1997 Beste lezer,
Dit is het eerste nummer van de Brug waarin geen enkel uittreksel uit het werk van Rudolf Steiner te vinden is. We zijn dus verder gegaan op de weg die we met het vorige nummer ingeslagen waren. Eerlijk gezegd voelen we er ons niet zo goed bij, een soort onzekerheid besluipt ons: bieden we voldoende geestelijk voedsel aan ? Wat u in deze aflevering kunt lezen aan verslagen van voordrachten spreekt misschien alleen maar het hoofd aan, terwijl de woorden van Rudolf Steiner ons kunnen raken tot in onze ziel . . . En toch wagen we het erop ! We hopen dat we voor een eventuele intellectuele eenzijdigheid voldoende tegengewicht bieden door een kort verhaal van Maurits Sabbe te publiceren, dat op het eerste zicht niets met antroposofie te maken heeft. Verder heeft de voordracht van Manfred Klett -waarmee we deze aflevering van de Brug beginnen- ons gewezen op een mooi gedicht van Christian Morgenstern: "Die Fußwaschung". Omdat we nu toch terug in de Paastijd zijn, vonden we het geen slecht idee om het af te drukken. We hebben het zeer vrij vertaald, het is aan u om te oordelen of we erin geslaagd zijn de betekenis en de toon van het origineel weer te geven.
Dankbaar diep, gij stomme steen,
Dankbaar diep, gij groene plant,
Ik dank u, steen en kruid en dier,
Wij danken u, gij mensenkind,
Wat God geschapen heeft, fdw Die Fußwaschung
Ich danke dir, du stummer Stein,
Ich danke euch, ihr Grund und Flor,
Ich danke euch, Stein, Kraut und Tier,
Wir danken dir, du Menschenkind,
Es dankt aus aller Gottheit Ein-
Terug naar gedichten.
* * * * * * * * * * *
Akasha-kroniek en biologisch-dynamische landbouw
Ter gelegenheid van de jaarvergadering van de Antroposofische Vereniging sprak Manfred Klett in Lier over de Akasha-kroniek. Op zaterdag en ook de zondag hield hij een voordracht die indruk maakte doordat een brok antroposofie zowel naar inhoud als naar geschiedenis levendig werd gemaakt.
Hieronder geven we in grote lijnen weer wat er te horen viel, tenminste inhoudelijk toch, het levendige van de spreker kunnen we onmogelijk nadoen. Daarvoor had u zelf maar de bijeenkomst moeten bijwonen !
In de Akasha-kroniek staat alles opgetekend wat door bewuste wezens ooit werd gedacht, gevoeld en gewild. Op het niveau van de Akasha is er geen sprake van tijd. Tijd speelt zich af in de fysieke wereld. Het heden kunnen we beschouwen als een etherische stroom uit het verleden, samenhangend met het denken, die een astrale stroom ontmoet die ons met het willen vanuit de toekomst tegemoet komt. Manfred Klett belichtte de biologisch-dynamische landbouw als een verschijnsel dat naar de toekomst wijst. Het is niet toevallig dat de aanzet voor de BD-landbouw gegeven werd na 3 x 7 jaar antroposofie, nl. met Pinksteren 1924, ná de Weihnachtstagung (daar ging de spreker 's zondags verder op in ). Zaterdag schetste hij een historische ontwikkeling van de landbouw. Die vindt zijn begin in de oerperzische cultuurperiode, die begon vóór het Kali-Yuga, het duistere tijdperk, zijn aanvang nam. Een figuur als Zarathoestra zag gans de wereld als een strijd van de krachten van het licht (Ahura Mazdao) tegen die van de duisternis (Ahriman). Hij wees de mens op de licht-kracht van de zon, en op de duisternis van de aarde, en spoorde hem aan om de aarde te doordringen met lichtkrachten. Door middel van de ploeg werd de aarde opengereten, zodat het licht erin kon doordringen. De dieren werden gedomesticeerd. Dat betekent dat de mens nog toegang kon vinden tot de groepszielen van de dieren. Hij werkte in op (sommige van) deze zielen en opende ze voor zijn gebruik. Hij kweekte aldus rassen voor het landbouwbedrijf. Al wat de dieren meegebracht hadden uit de oude Maan-tijd, hun erfelijkheid, werd geopend voor een toekomststroom. De koe wordt als offerdier gebruikt: zij offert zich aan de mens, zijn wil is voor haar wet, zelfs haar dood. Maar zo wordt zij ook verlost. Hetzelfde deed de mens met de plantenziel. Wilde plantensoorten werden bewerkt en geschikt gemaakt voor de landbouw. De plantenziel werd dus ook geopend. Dit alles was voleindigd vóór de bouw van de grote piramides, vóór 3101, het begin van het Kali-Yuga. De mens bedreef kunst in het levende, in de ziel van de natuur. De dood was ingevoerd, werd beheerst om een hoger leven te bevorderen. Voor verder terugliggende culturen zou het openrijten van de aarde met een ploeg een heiligschennis betekend hebben: het kwetsen van moeder aarde. Toen kwam de Egyptische cultuurperiode. Wat voorheen in het dierlijke en in het plantaardige gebeurd was, probeerde de mens ook in de steen te verkrijgen. De Egyptische piramides, de Griekse sculpturen kan men beschouwen als pogingen om de dood in het minerale te beheersen. Maar de mens slaagde er niet in, hij kon alleen vorm geven. Het bleek onmogelijk om nog dieper in het fysieke in te grijpen. Eerst moest het Mysterie van Golgotha plaatsgrijpen. Dit gebeuren was niet iets eenmalig. Wat toen ruimtelijk plaatsvond, is tegelijk ook beginnen werken in de tijd. Iets wezenlijks veranderde in de ontwikkeling van de aarde. We zien dat het proces, dat zich vóór het mysterie van Golgotha in de tijd afspeelde, zich nu herhaalt, maar in de ruimte. Niet voor niets begon dit proces in de tijd van de Graal (9de eeuw). We zien dus nu ook alles beginnen met het goddelijke, menselijke, daarna/daarrond het dierlijke, plantaardige, minerale. In de uitgestrekte wouden van Europa namelijk beginnen zich her en der monniken te vestigen, vanuit een impuls van de mysteriën in Ierland. Deze monniken leven in gebed, en zorgen voor hun levensonderhoud door de natuur om te vormen, door stukken woud te rooien en de open plekken te bebouwen. Kloostergemeenschappen ontstaan, ze houden huisdieren, ze leggen hun tuinen aan. Het oerbeeld van Europa ontstaat: in het midden een kerk, daarrond de mensen met hun woningen, waarin mens en dier onder hetzelfde dak leven, daarrond de tuinen, de akkers, het geheel omgeven door het woud. Een harmonie van akkerbouw en veeteelt. Kaïn en Abel terug verzoend ! Dan begint de bewustzijnsziel te ontwikkelen. De mensen verlaten de dorpsgemeenschappen en verkiezen het stadsleven: er is meer vrijheid. Deze beweging leidt tot de bloei van de Europese cultuur. Met het einde van het Kali-Yuga is ook het hoogtepunt van het materialisme bereikt, de geestelijke duisternis. En net zoals Zarathoestra het duister van de aarde met de ploeg toegankelijk liet maken voor de zon, zo maakte Rudolf Steiner het duister van het materialisme toegankelijk voor lichtkrachten. De landbouwcursus van Pinksteren 1924 kunnen we beschouwen als de zon die dat licht geeft. Deze cursus geeft aan de mens als landbouwer de mogelijkheid om als bewust Ik tussen het verleden en de toekomst te staan, niet door geloof of traditie, maar vanuit inzicht. De mens als mikrokosmos drukt zich uit in de aarde en zijn taak is: het veranderen van de stof, van de dood, van het minerale; het levendig maken van de aarde zelf, een transsubstantiatie bewerkstelligen, een wederopstanding. Dat moet gebeuren in de zintuiglijke wereld, dat is het geheim van de biologisch-dynamische landbouw. De preparaten van duizendblad, kamille en brandnetel kunnen de calcium- en kaliumzouten uit de aarde omzetten in een stikstof. De stikstof is de drager van het astrale, dus van wat uit de toekomst naar ons komt. Daardoor kan de tijd vorm krijgen. Het Akasha-wezen, de duur, komt in de fysieke wereld. En het is daar dat we de Akasha-kroniek moeten kunnen lezen. In de werkgroep ging Manfred Klett nog dieper in op zaken die tijdens zijn voordracht geklonken hadden. Over het omzetten van kalium in stikstof door het duizendblad bvb. Het grootste deel van onze atmosfeer, van wat we inademen is stikstof. Daarin werkt het astrale, we zijn dus altijd omringd door bewustzijn, emoties enz. In het duizendblad vindt een omzetting plaats van oude (Maan-) materie naar nieuwe materie: van in de wortels, die in de aarde geen grens vinden, maar er onmerkbaar in overgaan -en dus het meest fysiek/mineraal zijn-, tot in de bloesem, die het dichtst bij het astrale staat. Deze bloesems worden verzameld, in een herteblaas gedaan, en op een plaats in de zon gehangen. Door het samenwerken van dierlijke en plantaardige krachten, onder invloed van de zon, worden deze preparaten zo gepotentieerd dat ze de aarde kunnen omvormen. De mens heeft de plicht om de aarde, het minerale om te vormen. De drie rijken, het minerale, het planten- en het dierenrijk bestaan uit wezens die terwille van de mens heel diep in de materie gezakt zijn. De mens staat in grote schuld t.o.v. deze wezens. Door de dieren naar het plantenrijk te verstoten (de moderne veeteelt) en de planten naar het minerale (hydrocultuur, genmanipulatie) vergroot hij nog die schuld. We zouden ons van deze schuld even bewust moeten zijn als de dichter Christian Morgenstern in zijn gedicht "Die Fußwaschung":
Ich danke dir, du stummer Stein, Bij de genenmanipulatie zien we ook een samengaan van dierlijke en plantaardige krachten (denk aan de tomaat met het gen van een vis! ). Deze koppeling vindt plaats in de genen, in het eiwit, in het stikstofelement, maar deze keer ver van de zonnekracht. Door dit proces worden elementarwezens nog meer aan de materie gekluisterd. Door het werken met BD-preparaten daarentegen, scheppen we nieuwe elementarwezens die dienaar worden van Christus. Rudolf Steiner verlichtte de duisternis van het materialisme, maar het is niet zo dat hij al zijn kennis als een openbaring uit de geestelijke wereld ontving. Nee, iedere stap die het menselijk denken zette in de richting van een materialistisch wereldbeeld -onder impuls van Ahriman-, was voor Rudolf Steiner een aanleiding om een spirituele tegenzet te doen. Zo zien we dat de geestelijke ontwikkeling van Rudolf Steiner gelijkloopt met een reeks ontdekkingen die uiteindelijk leidden tot de kernbom. De meest in 't oog springende parallel is wel het boekje "Die geistige Führung des Menschen und der Menschheit". Het bestaat uit drie voordrachten die Rudolf Steiner hield in 1911 in Kopenhagen, op het ogenblik toen quantumfysici aldaar hun atoommodel (Rutherford-Bohr* ) op punt stelden, een verdere stap in de richting van een atomistisch wereldbeeld. Rudolf Steiner stond erop dat deze voordrachten, gehouden voor een beperkt publiek van theosofen, nog hetzelfde jaar openbaar werden gemaakt, zoals hij in het voorwoord zegt "... omdat ik redenen heb om dit werk precies op dit ogenblik te laten verschijnen ..." In de derde voordracht zegt hij ook expliciet dat het idee dat de wereld uit atomen bestaat ingegeven wordt door wezens die de mens hinderen in zijn ontwikkeling. Rudolf Steiner is de confrontatie met Ahriman niet uit de weg gegaan. Daarom heeft Ahriman geen toegang tot de antroposofie ( Lucifer wél !). Wat in de Akasha-kroniek als een panorama te zien is, dat drukt zich in de fysieke wereld uit als tijd. Manfred Klett schilderde voor ons tijdens zijn tweede voordracht terug een levendig tableau, een bepaald gedeelte van de Akasha-kroniek. Hij begon zijn verhaal even na het begin van het Kali-Yuga (3101 v. C.). De Egyptische cultuurperiode begon zo rond het jaar 2907 v. C. In deze periode moest de gewaarwordingsziel ontwikkeld worden. In het Gilgamesj-epos zien we in de figuur van Eabani een menselijk Ik dat als een zon in de gewaarwordingsziel schijnt. Datzelfde Ik - na een minder bekende incarnatie in Efese- duikt weer op in de Griekse cultuurperiode waar het de verstandsziel ten volle benut en bewerkt: Aristoteles, die met zijn categorieën een gedachtenbouwsel opricht dat duizend jaar zou meegaan. Dezelfde individualiteit wordt nogmaals geboren in de Grieks-Romeinse cultuurperiode, en de kennis die zij vanuit de verstandsziel verkregen heeft, gaat zij nu door de gemoedsziel "verchristelijken": Thomas van Aquino, de middeleeuwse denker. Hij stierf met op zijn lippen de vraag :"Hoe kan het denken christelijk worden ?" Na Thomas' dood breekt de vijfde na-Atlantische cultuurperiode aan, de onze. Het Kali-Yuga, het duistere tijdperk duurt nog altijd voort. Tijdens dit duistere tijdperk ontwikkelde zich dus de gewaarwordingsziel en de verstands- en gemoedsziel. Ook het begin van de ontwikkeling van de bewustzijnsziel viel in dit duistere tijdvak, dat afliep in het jaar 1899. Bekijken we nu de ontwikkeling in de 19de eeuw wat nader. In 1843 heeft de strijd plaats tussen de Michaëlische en Ahrimanische scharen. Ahriman verliest en wordt op de aarde geworpen in 1879. Hij bezorgt hier het materialisme zijn hoge vlucht. Michaël stijgt op van de rang van aartsengel naar die van tijdsgeest. Dit jaar 1879 valt samen met de eerste maanknoop in het leven van de individualiteit die geboren werd als Rudolf Steiner. Hij schrijft dan zijn eerste werk. Tegen het einde van het Kali-Yuga, ongeveer 21 jaar later, heeft Rudolf Steiner al wat er aan grootse gedachten in de wereld gedacht is, in zijn ziel opgenomen en verwerkt. We zien hier een geest aan 't werk wiens denken echt "verchristelijkt" is. Als hij zich inleeft in een denksysteem, is er geen spoor van persoonlijke voor- of afkeur meer bij hem te bekennen, hij begrijpt een denksysteem zoals het werkelijk is, doorleeft het volledig, en verlost het daardoor: Rudolf Steiner was darwinist toen hij zich met het werk van Haeckel bezighield. Tijdens zijn hogere studies sprak hij zo dikwijls over het werk van Kant dat hij er een spotnaam aan overhield* . Het resultaat van zijn Nietzsche-studies was het boekje "Nietzsche, ein Kämpfer gegen seine Zeit". Hij was zo'n aanhanger van deze laatste dat hij op een enquête-formulier uit die tijd verklaarde dat hij, als hij niet Rudolf Steiner was, hij het liefst Nietzsche zou zijn (voor diens geestelijke vertroebeling). Tegelijkertijd was hij de eenzaamste, meest ontheemde mens op aarde. Hij had zich volledig op zichzelf gegrondvest, op zijn denken, op ideeën. Daardoor kon hij ook Max Stirner begrijpen, de vader van het anarchisme, wiens hoofdwerk als titel draagt: "Der Einzige und sein Eigentum". Rudolf Steiner was een anarchist ! In die tijd was er nog geen sprake van een (antroposofische) vereniging. Rudolf Steiner had dat niet nodig. Iemand die in het denken leeft, die filosofeert, heeft geen vereniging nodig. Hij wilde zijn taak, het verkondigen van de ideeën van karma en reïncarnatie verderzetten als filosoof, levend in de wereld der gedachten. Maar dan wordt hij benaderd door de "Meesters". Hij krijgt als opdracht om de imaginaties van de Michaëlsschool in de taal van zijn tijd te kleden zodat iedereen er toegang zou tot kunnen vinden. Hij komt in contact met de Theosofische Vereniging in 1900. Wat hij voordien met het exoterisch gedachtengoed gedaan had, doet hij nu met de esoterische stromingen uit het verleden: hij neemt ze in zijn ziel op en verlost ze daardoor. Hij verlost a.h.w. de Vrijmetselarij door haar verbinding met de Egyptische mysteriën bloot te leggen ("Die Mystik im aufgange des neuzeitlichen Geisteslebens" verschijnt in 1901 en "Das Christentum als mystische Tatsache" in 1902). In 1902 aanvaardt hij het voorzitterschap van de Duitse afdeling van de Theosofische Vereniging onder twee voorwaarden, namelijk dat Marie von Sivers zijn medewerkster kan zijn, en dat hij enkel de resultaten van zijn eigen onderzoek naar voor zou brengen. Vanaf dit ogenblik is er een soort lichaam gevormd waarin het wezen antroposofie zich kan incarneren. De Michaëlsschool incarneert zich als antroposofie in 3 x 7 jaar.
Van 1902 tot 1909: Van 1909 tot 1916: De Antroposofische Vereniging wordt opgericht, we zien de mysteriedrama's, de euritmie, al het kunstzinnige rond het eerste Goetheanum, kortom al wat uit het middengebied, het voelen, stroomt. Van 1916 tot 1923: Het ontstaan van verschillende initiatieven, zoals de sociale driegeleding, de Waldorfschool, geneesmiddelfabricage, de Christengemeenschap. Het willen openbaart zich.
In 1923 vindt de geboorte plaats van het Ik van het wezen antroposofie in de zgn. Weihnachtstagung. Deze bijeenkomst kwam er omdat de Vereniging te klein geworden was voor het wezen antroposofie. We moeten ons het volgend moment voorstellen tijdens deze bijeenkomst: Rudolf Steiner komt binnen in de zaal waar zo'n kleine duizend mensen zwijgend rechtstaan; in dit verticale gebaar ontvangen ze a.h.w. een Ik-inslag, de grondsteen wordt in hun harten gelegd. Rudolf Steiner verbindt hier zijn eigen karma met dat van de Vereniging.*
In deze periode ontstaan uit samenwerking verschillende initiatieven: Camphill, Emerson College, de antroposofische bank in Bochum, Triodos. Het wezen antroposofie is terug dichter bij de mens gekomen en laat een RECHTsimpuls invloeien. In de derde periode, vanaf 1990, is in de wereld een ECONOMISCHE impuls werkzaam geworden. Initiatieven op dit terrein, die in de vorige periode jammerlijk mislukten, groeien nu op als kiemplantjes. Het wezen antroposofie heeft zich terug nog een trap lager geïncarneerd. Volgens Manfred Klett heeft het wezen antroposofie zich indertijd terug getrokken om ons vrij te laten. Het was niet de bedoeling dat we enkel maar uitvoerders zouden worden van de ideeën van Rudolf Steiner. Dit wezen wil ieder initiatief begeleiden, en trekt zich dan terug om karma en vrijheid te laten werken. Het vertrouwt, het rekent op de vrij-willende mens. Het wezen antroposofie heeft een driegeleed lichaam nodig, en het is onze taak om ten eerste, dit in te zien en ten tweede aan dit driegelede lichaam te werken.
* * * * * * * * * * *
Het menselijk IkOp 16 november 1996 sprak Dr. Wim Engelbrecht terug eens in Elsene, ditmaal over het Ik en zijn betrekking tot het bloed.
Dr. Engelbrecht begon zijn voordracht met een verhaaltje: Zoals die kleine jongen leefde met het idee dat hij zichzelf geschapen had, zo denkt tegenwoordig ook de mensheid. Een scheppende vader zou er niet zijn, alleen maar toeval: door dit toeval is de mens ontstaan, en opgebouwd uit atomen. En ons fysiek lichaam kunnen we eigenlijk wel beschouwen als iets dat uit atomen, losse punten bestaat. Het is immers onderworpen aan de zwaartekracht, en een kenmerk van de zwaartekracht is dat ze altijd een puntvormig aangrijpingspunt heeft. Ook is alle zwaartekracht naar één punt georiënteerd, nl. naar het middelpunt van de aarde. Bij alle fysieke lichamen kunnen we het zwaartepunt aangeven, dat aangetrokken wordt door het middelpunt van de aarde. Bij een hogere levensvorm, de plant, zien we dat hij tegen de zwaartekracht in groeit. Hij blijft evenwel aan zijn eenmaal gekozen plaats gekluisterd. Een nog hogere levensvorm, het dier, kan zich van een vaste plaats losmaken, maar verliest daarbij zijn vertikaliteit, het moet op vier punten steunen. Het is pas de volgende hogere levensvorm, de mens, die vrij kan rondlopen en de rechte stand kan bewaren. Dat is een gevolg van een wezensdeel dat de mens heeft, maar het dier niet: het Ik. De dieren die min of meer rechtop kunnen lopen (pinguïn, mensaap) zijn slechts karikaturen. Wat onderscheidt de mens nog verder van het dier ? Het dier groeit relatief vlug, de mens houdt zich in, houdt zich terug: hij blijft de eerste vijf maand van zijn leven liggen, en hij wacht nog zes jaar vooraleer hij zijn echte tanden ontwikkelt. Tegen die tijd zijn alle hogere zoogdieren al volwassen, ze kunnen ook veel meer dan een mens van die leeftijd. Ze zijn echter gespecialiseerd: de een kan heel hard lopen, de andere hoog springen, goed ruiken enz. De embryo's van een mensaap en een mens verschillen nauwelijks, en een heel jong aapje is zo schattig omdat het zo menselijk is . Maar al heel spoedig begint het te verdierlijken: de kaak groeit uit tot een snoet, het voorhoofd wijkt terug. Alleen de mens blijft mens. De Nederlandse wetenschapper Louis Bolk heeft dit verschijnsel bestudeerd en geformuleerd in de zgn. retardatietheorie. Daaruit blijkt dat de menselijke vorm er oorspronkelijk eerst was, en dat de diervormen daaruit ontwikkelden. Ieder (hoger) dier heeft een eigenschap van de mens verder ontwikkeld, heeft zich gespecialiseerd. Dat werd hun voordeel en tegelijk de rem op hun ontwikkeling. Het dier stamt dus eigenlijk van de mens af en niet omgekeerd. Het zich terughouden, de retardatie, kunnen we beschouwen als de biologische tegenhanger van een andere typisch menselijke karaktertrek, nl. het geduld. Om het verband van het leven met het Ik duidelijk te maken, begon Dr. Engelbrecht terug met een anecdote. Toen Dr. Zeylmans van Emmichoven 30 jaar was ontmoette hij Rudolf Steiner. De bekende Nederlandse antroposoof was toen bezig met proeven die de invloed van kleuren op het menselijk gemoed aantoonden. Hij had reeds vastgesteld dat rood activeert, dat blauw beschouwelijk maakt, en dat groen noch activeert noch beschouwelijk maakt, dat het neutraal blijft. Rudolf Steiner wees hem erop dat men niet tot dieper inzicht in de kleuren kon komen als men het kleurenspectrum op een lijn bleef zetten. Nee, de kleuren moesten in een cirkel geplaatst worden: dan heeft men onderaan de zeven kleuren van de regenboog (rood, oranje, geel, groen, blauw, indigo, violet) en bovenaan vijf purpurs. Purper heeft de eigenschap dat het zowel activeert als beschouwelijk maakt, het lichte purper (ook perzikbloesemkleur genoemd) is bovendien de kleur van het leven, de kleur van de mens. Een tweede zaak waar Rudolf Steiner Zeylmans' aandacht op vestigde was het principe van de omstulping. Zoals men een handschoen zou uittrekken, zodanig dat de binnenkant buiten wordt, zo werken de levenskrachten. Met een schets kunnen we dat als volgt verduidelijken:
![]() Die levenskrachten vermeerderen ook door ze te gebruiken. Dit inzicht, dat een energiebron vergroot door ze te gebruiken, is voor de huidige wetenschap onbegrijpelijk. Nochtans is het zo dat we niet méér kracht in bvb. onze armen zullen ontwikkelen door ze te sparen en in het gips te laten leggen, maar wel integendeel, door ze met zware gewichten te oefenen. De wetenschap kan ook wel vaststellen dat organismen groeien, maar waarom die groei dan opeens afneemt en stopt, daarvoor is er geen verklaring. Letten we echter op het verband tussen groei en bewustzijn, dan wordt het al iets duidelijker. Een boreling (zeer laag bewust) verdubbelt zijn gewicht op 5 maand tijd; sommige (lagere) dieren laten een verloren lidmaat terug aangroeien; de lever, het minst bewuste orgaan, groeit en vult een lege ruimte op die eventueel door een operatie is ontstaan. Waar bewustzijn ontstaat stopt de groei. De levenskrachten geven vorm, en het menselijk Ik bewerkt deze vorm. Het neemt beelden op door de hersenen en bouwt er vormkrachten mee op. Het Ik staat tussen het innerlijk en de waarnemingen die van buiten komen. We kunnen dat vergelijken met het volgende beeld: Een boom aan een rivier; door het gebladerte schijnt de zon en vormt vlekken op het wateroppervlak. Die vlekken blijven dezelfde, maar worden door altijd ander water weerspiegeld. Zo handhaaft het Ik zich tussen opbouwende en afbrekende krachten. Naar binnen toe ontwikkelt het het innerlijk, naar buiten toe ontwikkelt het de wil. Dat het Ik ook de rechte gestalte van de mens in stand houdt, zagen we al. Als het Ik niet in orde is, dan wordt ook die gestalte niet bewaard, en treden er verkrommingen op, reuma enz. Het Ik-bewustzijn hangt samen met de herinnering, het ontwaakt rond het derde, vierde jaar. Slechts weinig mensen herinneren zich iets van vóór die leeftijd. Dieren spiegelen in hun bewustzijn hun omgeving. Dat bewustzijn is doffer dan bij de mens, maar wel veel ruimer, ze nemen veel meer waar. Een mens neemt bvb. waar wie zich in de ruimte bevindt waar hij vertoeft, een dier speurt ook of zich in de aangrenzende kamer iemand bevindt. Vele eeuwen geleden stond de mens ook op dit niveau. Met zijn doffer bewustzijn nam hij een godenwereld waar, terwijl hij eerder dromerig in zijn fysieke omgeving verbleef.
![]() De mensen lieten zich regeren door personen die nog contact hadden met de godenwereld: de koningen in de oudste tijden waren ingewijden, de farao's nog min of meer. Later waren de koningen niet meer ingewijd, maar ze gingen te rade bij priesters, die echter zelf altijd maar minder rechtstreeks contact hadden met de godheid. De scheiding tussen godsdienst en wetenschap (en kunst trouwens ook) voltrok zich. Een atomistisch wereldbeeld ontwikkelde zich. Van een wetenschapper als Virchoff nam de mensheid het denkbeeld over dat de mens opgebouwd is uit cellen, en dat de mens ziek wordt als een aantal van deze cellen ziek zijn. Gelukkig begint men nu meer en meer in te zien dat zieke cellen geen oorzaak, maar veeleer een gevolg zijn van een zieke mens, van een verstoord evenwicht van de levenskrachten. Men begint de invloed van een ziele- of geestesfactor bij het ontstaan en verloop van bvb. kanker te bestuderen (en te publiceren in toonaangevende tijdschriften als "The Lancet". Het meer ontwikkelde Ik van de moderne mens maakte het ook noodzakelijk om de mysteriën te veranderen. Het element van vrijheid moest erbij komen. Dat was in de oude mysteriën helemaal niet het geval: de kandidaat werd lange tijd gevolgd, voorbereid, en ingewijd in totale afhankelijkheid van de inwijders. Deze manier van inwijden bestaat ook nu nog, maar ze is niet meer de goede manier. Dr. Engelbrecht vertelde van een man die op vier maand tijd ingewijd werd in Tibet, maar die het contact met de geestelijke wereld niet kan controleren. Een onderzoeker ontmoette een man in Egypte en die deed hem uit zijn lichaam treden (zonder de vrije wil van die onderzoeker te respecteren). Men kan het contact met de geestelijke wereld op twee manieren proberen te herstellen: op de oude, Oosterse, onvrije manier (die ook de theosofen nastreven) of op een moderne manier: de antroposofie.
![]() In onze tijd gaat er een stroom van het hart naar de epifyse: dat is het bloed dat geëtheriseerd wordt. Bij de mens begint zich te manifesteren wat zich 2000 jaar geleden voorgedaan heeft bij het Mysterie van Golgotha, toen het bloed dat uit de wonden van de Christus vloeide etherisch werd. De mens is geroepen om dit proces na te doen; door enthousisme (lett.: god in zich opnemen) gaat dit vlugger. Leren wij enthousiast zijn, dan helpen we mee aan de ontwikkeling van de mensheid en van de wereld. fdw
* * * * * * * * * * *
Karma en reïncarnatie
Op 26 oktober sprak Bruno Skerath in Elsene over karma en reïncarnatie. Uit de aankondiging in de folder van het Centre Emile Verhaeren kon men opmaken dat het zou gaan over de grote betekenis van ontmoetingen met bepaalde personen in ons leven, dat het accent dus meer op karma zou liggen. Dat bleek evenwel niet het geval te zijn ... Het wezen van de antroposofie.
Omdat antroposofie in onze moderne tijd een rol wil spelen, moet ze zich naar de vorm aan deze tijd aanpassen. Dat betekent dat ze moet opgebouwd zijn volgens de principes die het huidige denken doordringen: ze moet wetenschappelijk zijn, of, om in bijbelse taal te spreken: ze moet aan de keizer geven wat de keizer toekomt (Mat. 22:21). Naar inhoud heeft ze het over de bovenzinnelijke wereld, naar vorm is ze wetenschappelijk. Want de mensen van onze tijd willen weten, begrijpen. En Rudolf Steiner wilde dat ook: hij wou niet geloofd worden, niet vereerd worden, maar begrepen worden. De traditionele religie kan het bestaan van dergelijke "mislukte" levens alleen maar toeschrijven aan de willekeur van een Opperwezen. Waarom laat Hij dit toe, Hij die toch almachtig is, en evengoed iedereen zou kunnen gelukkig laten leven ? De gelovige die hierover dieper nadenkt, moet beginnen twijfelen. Reïncarnatie
Met de begrippen karma en reïncarnatie kan de antroposofie troost en inzicht bieden in het waarom van zo'n levens.
De meeste mensen slapen 's nachts en waken overdag, maar sommige slapen ook nog overdag. Net zoals men zijn dag kan verslapen, kan men ook wel eens zijn leven verslapen. Antroposofie bekijkt het leven als een ontwikkelingskans en kan dus het uiterlijke bestaan van één incarnatie relativeren wat betreft "geslaagd" of "mislukt".
De realiteit van de geestelijke wereld
De geestelijke wereld bestaat, maar het feit dat wij mensen een fysiek lichaam hebben, maakt dat hij voor ons niet waarneembaar is. Om iets van de geestelijke wereld te kunnen ervaren moet de verbinding met het fysieke lichaam losser zijn dan gewoonlijk. Waarom is er een bestaan in de geestelijke wereld nodig tussen twee incarnaties ? Dat kunnen we een beetje vergelijken met de behoefte aan slaap. De mens moet zich kunnen regenereren, opnieuw krachten opdoen. Na de slaap worden we wakker in dezelfde omgeving en daardoor kunnen we onmiddellijk terug aan de slag. Na een verblijf in de geestelijke wereld is het aanzien van de aarde, van de cultuur echter dusdanig veranderd, dat een mens bijna een derde van zijn leven nodig heeft om zich opnieuw te oriënteren, om zijn nieuwe taak te kunnen volbrengen, telkens in een ander geslacht, beroep, milieu enz. Tot slot wijdde Bruno Skerath nog even uit over karma, minder dan de toehoorders verwacht hadden dus. Voor de meeste aanwezigen waren het geen nieuwe dingen die hij wist te vertellen, maar we verwijzen in dit verband naar de "Brieven aan de leden" van Rudolf Steiner, waarin hij zegt:
"Ook wie nog zo ijverig antroposofie bestudeert zou toch een blij en licht gevoel moeten kunnen hebben als hij naar een bijeenkomst van antroposofen gaat, omdat hij zich op de mensen verheugt die hij daar zal aantreffen. Hij zou er zich ook dan nog op moeten kunnen verheugen als hij bij voorbaat weet dat hij niets anders te horen krijgt dan wat hij allang heeft opgenomen."
* * * * * * * * * * *
De wil versterken door te leren
Hoe moet iemand die les wil geven aan volwassenen te werk gaan ?
Een eerste weg is het leren in de school, het schoolleren, waar de leersituatie georganiseerd wordt in schoolverband; dan is er het leren door het leven, het leren van het lot, van de eigen biografie, de leersituatie is het leven zelf; tenslotte is er de innerlijke scholingsweg, hier is de eigen ziel gegeven als leersituatie. Rudolf Steiner legt uit dat ons etherlichaam eigenlijk bestaat uit 7 levensprocessen. Welnu, aan ieder van die 7 levensprocessen kan men een leerproces koppelen:
Ook als we iets willen leren van het lot (de tweede leerweg), dan kunnen we daarin de 7 leerprocessen herkennen.
[ ... ] "Het is zeer belangrijk om deze tweede leerweg volledig te begrijpen, hoe hij zijn oorsprong vindt in vroegere levens, en welke betekenis hij heeft voor de toekomst. De opvoeding
Dat het kind anders leert dan de volwassene, werd reeds op vele andere plaatsen beschreven. Bezien vanuit de biografie van de mens moet de overgang van school-leren naar volwassen-leren rond het 21ste levensjaar plaatsvinden. Pas als we 21 zijn, staat ons Ik volledig ter beschikking om onafhankelijke, actieve leerprocessen te controleren. Bij vele mensen vindt deze overgang veel te weinig of zelfs niet plaats, en het school-leren wordt voortgezet. De organisatie Naast de opvoeding heeft ook de organisatie of de gemeenschap waarin men leeft en werkt, een sterk vormende invloed. Schrijver dezes kon dikwijls tijdens management-seminaries vaststellen of iemand van Shell kwam, of van IBM, of Ford, of hij uit de banksector of uit de verzekeringswereld kwam, of beamte was. We moeten ons afvragen hoe sterk de krachten in een arbeidsgemeenschap wel kunnen werken dat ze uiterlijk waarneembaar worden. Is men nog individu, of reeds een "organisatie-man" geworden ? Het krachtencomplex dat hier werkzaam is, heeft vele lagen en vormen. Men kan bvb. de krachten onderscheiden die van het product komen, van de functie, of van de cultuur van de organisatie.
Product:
Functie:
Organisatiecultuur: Onder bepaalde omstandigheden leidt dit tot verstarring. Ontelbare leidinggevende krachten hebben moeten vaststellen dat een overgang naar een ander soort bedrijfscultuur voor hen bijna onmogelijk was. Het gaat hier om een strijd tussen het Ik en de organisatie, individu en gemeenschap. In 't begin is dit leren van het leven dikwijls zeer verrijkend, omdat men in de concrete dagelijkse praktijk ongelooflijk vele waardevolle ervaringen kan opdoen. Er kan echter een moment komen, waar al dit leren tot een gewoonte wordt, en verstart tot een vastgelopen denk- en handelingspatroon. Tenslotte is men niet meer in staat om anders te reageren. In de biografie ligt het kritieke punt rond het 35ste levensjaar, in het midden van het leven. Dan wordt bepaald of men een "organisatie-man" wordt, of een individuele mens blijft, die creatief aan de voortdurende vernieuwing van de onderneming kan bijdragen. [ ... ] Het beroep De krachten die de persoonlijkheid vormen zijn het sterkst bij de vrije beroepen (arts, kunstenaar, advocaat, consulent, priester enz.). Als men zo'n beroep langere tijd uitoefent, als men het vak echt onder de knie heeft -wat dikwijls lang duurt-, en daarbij creatief blijft, dan wordt men door collega's beschouwd als een "professional", als een autoriteit. Iemand die zichzelf altijd herhaalt, routinewerk aflevert, wordt niet meer als professioneel beschouwd. Ook iemand die langere tijd niet meer in de praktijk staat, wordt niet meer als collega bekeken. Dat alles leidt ertoe dat zulke experten zich te sterk met hun beroep vereenzelvigen. Dan oefent men geen beroep meer uit, men ís het. En daar wordt beroepsontwikkeling tot beroepsmisvorming. Enkele voorbeelden: - De leraar, die bij besprekingen niet bondig kan zijn, maar zich gedraagt alsof hij zijn klas onderwijst. Hij kan een gevangene worden van zijn eigen spreken. Een belerende (pedante) karaktertrek kan zich ontwikkelen. - De consulent, die onder alle omstandigheden alles altijd beter weet en iedereen raad geeft hoe iets kan beter gedaan worden, daarbij zichzelf verbergend achter deze stijl. - De priester, die in iedere sociale situatie een moreel element overaccentueert. - Ambtenaren, die zo gewoon zijn alles te doen volgens het reglement, dat ze bij een onverwachte gebeurtenis zoals een natuurramp, niet snel gepaste geïmproviseerde noodmaatregelen kunnen treffen. - Een vormingswerker verdraagt het moeilijk als hij iemand niet kan helpen; dat zou zijn onkunde kunnen aantonen. Dat leidt tot innerlijke verkramptheid en verkeerde beslissingen. - De bedrijfsleider gebruikt dikwijls wilstaal, kort, snel, afgekort, alleen het nodige, belangrijkste zeggend. Dat kan het vermogen doen verkommeren om zich bvb. in alle rust eens bezig te houden met de gevolgen van bepaalde keuzemogelijkheden, met morele problemen. Vele managers zijn naar buiten gerichte pragmatici geworden, die hun innerlijk leven verwaarlozen. Deze voorbeelden maken duidelijk waar het om gaat bij beroepsdeformatie. We spreken dus van beroepsdeformatie als persoonlijkheid en beroep identiek geworden zijn. Het beslissende punt ligt hier rond het 49ste jaar, relatief laat dus. De problematiek begint reeds bij het 28ste jaar, wanneer men in het beroepsleven altijd meer specialist wordt en slechts een beperkt gebied werkelijk beheerst. Tussen de 28 en de 35 jaar is er nog een evenwicht tussen het individuele en het beroep. Vanaf 42 jaar echter dreigt de verleiding om datgene dat men goed kan, altijd maar te verbeteren, of om kost wat kost te vermijden wat men niet zo goed beheerst, omdat het onzekerheid en angst meebrengt. Zo wordt deze levensperiode een voortdurende, half bewuste strijd tussen innerlijke tekortkomingen en uiterlijk succes. De specialist -arts, boekhouder, dominee enz.- mag geen fouten maken en moet tegenover zijn omgeving altijd weer bewijzen dat hij op zijn terrein perfect is. Tegen dat men 50 is, plagieert men aldus op een beperkt gebied altijd zichzelf. Een verbetering van de eigen activiteit kan er nog zijn, maar iets wezenlijks nieuw niet.
Een oplossing ligt in de mogelijkheid om iets op te geven van wat men heel goed kan, om een innerlijke ruimte te creëren, waarin men creatief kan blijven. [ ... ] Het zevenledige leerproces in het leren-van-het-leven (Wegens plaatsgebrek overlopen we dit vluchtig. Geïnteresseerden kunnen altijd het boek van Coenraad van Houten onlenen bij fdw.) 1) Ademhaling = een beslissende gebeurtenis kunnen waarnemen. 2) Verwarming = de gebeurtenis in de eigen biografie opnemen.
3) Verwerking = de betekenis ontdekken van de krachten van het lot. 4) Individualisering = het lot accepteren. 5) In stand houden = de verandering oefenen in het dagelijks leven. 6) Groei = het vermogen om de krachten van het lot waar te nemen laten groeien (= zin voor karma). 7) reproductie = orde in het eigen levenslot brengen. Samenvattend kan men zeggen dat het leren-van -het-leven kan beschouwd worden als uitgangspunt van alle leerprocessen. Het bevrucht, verdiept en vermenselijkt het gewone schoolleren dat dikwijls ver van het leven afstaat. Het vormt echter ook het uitgangspunt voor een geestelijke scholingsweg.
* * * * * * * * * * *
Euritmie met Alain DuchampOp vrijdag 1 november van vorig jaar kwam Alain Duchamp naar België, om een euritmie-weekend te begeleiden. Alain Duchamp is eurythmist, tevens klasleraar in de Steinerschool in Lyon, waar hij ook lichamelijke opvoeding en Werbeck-zang geeft. De vrijdagavond hield hij een eerste voordracht, over euritmie in 't algemeen. 's Zaterdags en de zondagvoormiddag konden de geïnteresseerden dan zelf kennis maken met de euritmie, eerst met enkele basiselementen, en daarna met de euritmie als sociale kunst. De vrijdagavond dus, legde Alain Duchamp het wat en waarom uit van deze bewegingskunst die door een impuls van Rudolf Steiner in het begin van deze eeuw ontstond. Het woord euritmie bestaat uit de Griekse woorden "eu" (goed, schoon, juist) en "rythmos" ( ). In oude beschavingen, in oude tijden was gans het leven ingebed in een ritme. Dat bleven tradities die nog lang in onze tijd nawerkten, bvb. het verbod op nachtwerk, of zondagwerk. In bepaalde culturen werd er zelfs alleen maar tijdens beperkte periodes van het jaar gezorgd voor een nageslacht. De moderne tijd heeft dit alles afgeschaft. De mens heeft zich geëmancipeerd van die natuurlijke ritmes. Nochtans leeft zijn eigen organisme volgens een min of meer vast ritme. Maar de moderne maatschappij heeft daar lak aan. Mensen worden verplicht het ritme van machines, van productieschema's te volgen. Als we rekening houden met het oude adagium "Ritme vervangt kracht", dan kunnen we begrijpen waarom de moderne mens dikwijls zo krachteloos is. En dit uit zich vooral in zijn wilsleven. Bekijken we maar de bewegingen van de meeste van onze tijdgenoten: hoe houterig, hoe stuntelig, hoe onhandig zelfs kinderen geworden zijn. En vergelijken we dat eens met mensen die meer volgens natuurlijke ritmes leven, bvb. sommige Afrikaanse volkeren, hoe sierlijk ze bewegen, vooral in hun traditionele kledij ! Daarom is euritmie er: om de moderne mens terug te leren bewegen. Er is immers geen sprake van dat wij ons zouden moeten terugtrekken uit de hedendaagse wereld om terug volgens een meer natuurlijk ritme te gaan leven. Een kwartier euritmie per dag bvb., volstaat al om de negatieve gevolgen van eentonig machinewerk op te heffen. Eurythmisten die in bedrijven werken (iets dat vooral in Duitsland, Nederland en Scandinavië al gebeurt) hebben daar zeer goede ervaringen mee. Bewegingen spruiten voort uit de ziel, wezens zonder ziel (mineralen, planten) bewegen niet. Bij de mens is het zo dat het strottehoofd meebeweegt tijdens het spreken. Ook vlammen veranderen naargelang de klank die weerklinkt; daar zijn proeven mee gedaan. Denken we ook aan het werk van Chladny: zand op een metalen plaat vormt een bepaalde tekening als er op de zijkant van de plaat met een strijkstok een toon wordt voortgebracht. Klank geeft dus vorm. Bij het spreken scheppen wij klanken die onze verre voorouders nog zagen.* Euritmie doen is: deze vormen zichtbaar maken; als mens a.h.w. een strottehoofd worden en meedansen met de klank. Dat is niet zo gemakkelijk, want ons fysiek lichaam vormt een serieuze belemmering, het is zo stroef (St. Franciscus noemde het "zijn ezel"). Eurythmisten in het eerste jaar van de opleiding moeten een constant gevecht leveren met hun eigen fysiek lichaam, velen houden het zelfs niet vol. Ook het lesgeven is niet gemakkelijk: de eurythmist moet opboksen tegen een ganse maatschappij die het tegenovergestelde wil van wat hij wil: bezielde bewegingen tegenover zielloze bewegingen. Zelfs de moderne bewegingskunsten, dans en ballet, zijn niet bezield. Er is totaal geen overeenstemming tussen wat de toeschouwer hoort (de muziek) en wat hij ziet (de bewegingen). Zoiets verscheurt de mens, maakt hem ziek, schizofreen a.h.w. Er zit geen schoonheid in, en dat terwijl de schoonheid toch het kleed van de waarheid is. De spreker ging in op enkele vragen van de toehoorders: Wat moeten we denken van een verschijnsel als de "dansende derwisjen" ? (d.i. een Turkse secte die bekendheid geniet doordat de mannen tijdens hun bijeenkomsten in traditioneel gewaad (met punthoed) zich al draaiende door een ruimte bewegen zonder elkaar ooit aan te raken, en zonder duizelig te worden) Vergeleken met de euritmie moeten we vaststellen dat de beweging hier "dronken" maakt, ze bewerkt een trance, een bewustzijnsvermindering, terwijl euritmie juist een verhoogd bewustzijn, een grotere wakkerheid beoogt. Euritmie staat ook in tegenstelling tot de klassieke bewegingskunsten, want ze wil niet iets tonen, iets mimeren of schijnen, ze wil iets zijn. De eurythmist moet het gedicht, het muziekstuk zíjn, niet het uitbeelden. Wat Taï-Chi betreft: volgens Alain Duchamp doen "Taï-Chi-ers" graag en goed euritmie, zolang het statisch, ter plaatse blijft. Als er een verbinding moet gemaakt worden tussen het hoofd en de benen, dan geraken ze in problemen. Euritmie werkt met een dimensie meer, het bewegen is er ruimer (ruimtelijker). Zelfs "Taï-Chi-ers" geven toe dat euritmie completer is. Toen gevraagd werd waarom zoveel meer mensen Taï-Chi doen, en zo weinig mensen euritmie, verwees de spreker naar het Boeddhisme: dat heeft in Frankrijk alleen al 2 miljoen aanhangers, antroposofie slechts enkele duizenden. Waarom ? Het is gemakkelijker. Is antroposofie dan moeilijk ? In feite niet. Het hangt alleen maar af van de wil die men kan opbrengen. Wie de wil kan opbrengen, die kan (traag maar zeker) ook de "Filosofie der Vrijheid" begrijpen. Maar onze tijd is gemakzuchtig en wil eenvoudig geen heldere gedachten ontwikkelen. Vraagt men beoefenaars van andere bewegingskunsten naar het hoe en waarom van hun kunst, dan blijven ze vaag. Dikwijls is het enige antwoord: pourquoi pas ? En dat terwijl in onze tijd bewustzijn moet centraal staan, ook in de beweging. Euritmie werkt gezondmakend: de toeschouwer zou gezonder moeten weggaan na een voorstelling. Omgekeerd werkt slechte euritmie ziekmakend. Er wordt verteld dat Rudolf Steiner eens passeerde voorbij een podium waarop eurythmisten aan 't oefenen waren, en opeens wegdook met een afwerend gebaar. Daarmee wou hij de eurythmisten erop attent maken welk een slechte "straling" er uitging van bepaalde bewegingen. Enkelen vertelden over een euritmie-voorstelling in Dornach, waar een eurythmist zo te keer ging dat de helft van de zaal hem begon uit te jouwen. Een andere eurythmist die daar aanwezig was verklaarde achteraf dat er hier sprake was van eurythmische "zwarte magie". Naar verluidt is die eerstgenoemde eurythmist later ziek geworden en moest hij zich laten verzorgen in een instelling voor geesteszieken ! Bij een muzikant merkt het publiek direct als hij een valse noot speelt, maar om hetzelfde bij bewegingen waar te nemen, daartoe is er veel meer scholing nodig. Daarom is een belangrijk onderdeel van euritmie-stages: leren zien, om zo tot een oordeel te kunnen komen. Een "gewone" artist kan een ster zijn op het podium, en in zijn privé-leven totaal ontspoord en losbandig. Dat kan niet bij een eurythmist: die kan niet aldus een levensleugen aanhouden zonder ziek te worden. Daarom ook is deze kunst niet voor iedereen weggelegd. Ongeveer een derde van de beginnende studenten stopt ermee of krijgt de raad ermee op te houden. Voor bepaalde mensen kan een kwartiertje euritmie per dag heel gezond zijn, maar een ganse dag euritmie gedurende langere tijd zeer nadelig ! De weldadige invloed van euritmie kan op drie gebieden gesitueerd worden: in de kunst, als podiumkunst; in de geneeskunde, als heileuritmie; in de pedagogie, in de Steinerschool. We herinneren hier even aan een uitspraak van Rudolf Steiner: in de Waldorfschool is niets verplicht, behalve één ding: euritmie. Tijdens de cursus zelf konden de deelnemers dan ervaren wat euritmie concreet bewerkstelligt: tegenwoordigheid van geest, handigheid, sociaal gevoel; drie zaken die in onze tijd ver te zoeken zijn, en die men ook met sport niet dikwijls kan verwerven. Sport maakt niet handiger bvb., ze maakt bewegingen vaak mechanisch; en de overdreven competitiegeest laat evenmin toe een echt sociaal gevoel te ontwikkelen. Daarom : euritmie !
* * * * * * * * * * *
Hoe grootvaders broer uit den Oost weerkeerde.Het hiernavolgend verhaal speelt zich af in de tijd dat België nog verenigd was met Nederland, dus tussen 1815 en 1830. De schrijver is Maurits Sabbe (1873-1938). Zoals we in het editoriaal al schreven: op het eerste zicht heeft dit verhaal niets met antroposofie te maken. Maar wie zich, na de lectuur van de vorige Brug, verdiept heeft in het boek "De spirituele betekenis van vergeving" van Prokofieff, die zal hier zeker een mooie illustratie vinden hoe vergiffenis schenken voor een man vanuit een totaal ander zielegebied gebeurt als bij een vrouw, hoeveel meer weerstanden er moeten overwonnen worden om deze stap te zetten. Wel twintig keer heeft grootvader mij deze geschiedenis verteld en telkens heeft ze mij wonderlijk ontroerd. Grootvader, in den handel en den kommer der werkelijkheden oud geworden, was geen man van verbeelding en onder zijne eenvoudige woorden zag men steeds de vertrouwbare waarheid liggen, als de vaste bodem onder het klare water van diepe beken. Vooral toen hij déze geschiedenis ophaalde, kreeg zijn stem een innige waarheidsklank, die mij bij ogenblikken als een huivering, gans doordrong. - 't Is mij leed, dat ik verplicht ben aldus over mijn eigen bloed te spreken, - zo begon hij gewoonlijk - 't is me bitter leed. Mijn oudste broer, - God gedenke zijne ziel- mijn Arie was een verloren zoon, een gesel voor zijne ouders. Werken zat er niet in. Geld verbrassen in liederlijk gezelschap, schande werpen op zijn naam, het vaderlijk gezag sarren, dat alles was dagelijks vergrijp bij hem. Toen ik het waagde hem een broederlijk, hartelijk vermaan te geven, zeide hij mij, dat hij oud en groot genoeg was om te weten wat hij doen en laten moest, en schimpte toen met mij, gedwee, mak schaapje. De jongen was verblind. Moeder hoorde ik hem dikwijls zeggen, dat hij haar nog bloed zou doen wenen. Vaders lankmoedige lijdzaamheid was op zekeren dag uigeput en mijn baldadigen broer werd het ouderlijk huis ontzegd. Deze verbanning, waarmede vaders bespot en beledigd liefdegevoel zolang geaarzeld had en waarvoor moeder schrikte als voor de dood, maakte op mijn broer niet den minsten indruk. "Blij, dat hij weg was," tergde hij; "lang wist hij het al, dat zij hem de straat op wilden verstoten." Nog enige dagen bleef hij thuis. Vader had nog maar, bleek en bevend, het hoge woord uitgesproken, of hij scheen in zijn besluit te wankelen. Een enkele beweging van berouw vanwege mijn broer zou alles weer goed gemaakt hebben. Moeder smeekte Arie, dat hij vader om vergiffenis zou vragen, en vader zelfs scheen als naar die vraag te hunkeren. Arie bleef echter nors-koppig en in zijn dolzinnigheid ging hij zich bij een "zielenverkoper" aanbieden om bij het Nederlands Indische leger ingelijfd te worden. Het was alsof er iets brak in mijn hart, toen ik op het onverwachts mijn broer, met zijn hoed op en een reiszak in de hand, de eetzaal zag binnentreden en vader en moeder met schamperheid hoorde toesarren, dat ze nu maar blij konden zijn, dat ze nu van hem zouden ontslagen worden, wat ze al zo lang wensten, dat hij naar den Oost trok. Met een hevigen ruk bonsde hij de kamerdeur toe en trok met luid hoongelach het huis uit. Lange tijd bleven vader en moeder toen onbeweeglijk en sprakeloos; het was alsof de slag, die hun daar toegebracht werd, hen met pijnlijke nasidderingen verlamde. Ik gevoelde mij benauwd en had de ontzettende stilte daar wel willen onderbreken, doch te vergeefs zocht ik naar de woorden. Ik had wilen opstaan en mijn broer achternalopen, doch ik was als aan den bodem vastgeschroefd. Eindelijk schoten moeders ogen vol zware, blinkende tranen; ze nam, steeds zwijgend, haar zakdoek om zich de wangen af te drogen. Toen hief vader eensklaps het hoofd op en zeide, kort maar beslist: - Vrouw, vrouw, ik wil niet, dat hier geweend worde ! Hij, die daar wegging, is ons kind niet meer, hij is ons van nu af zo vreemd als de straat. Ik wil niet, dat er ooit over gesproken of om getreurd worde. Ik w i l het niet. Nu was het wel te horen, dat vaders wil onwankelbaar als een rots was geworden. Moeder bleef zwijgen en boog het hoofd met een smartvollen trek op het gelaat, die getuigde tegen welken prijs haar gescheurd hart zich onderwierp. Een vreemde onrust waarde dien gansen avond rondom mij. Ik vreesde den luiden klank van mijn stappen in de holte van ons ouderwets, groot huis. De trillingen der droeve avondklokken op de naburige St. Jacobskerk gingen door mijne ziel als een gehuiver. Steeds gedrukt zwijgend nutten wij ons avondbrood. Alleen de eikenhouten kast onderbrak met haar ontzenuwend, beangstigend gekraak de sterfhuisstilte, die in de ruime zaal, vol geheimzinnige schemeringen, heerste. Moeder liet vader eerst naar boven gaan en toen hij nauwelijks de trap op was, kwam ze mij gejaagd haastig en omzichtig toefluisteren. - Toe, jongen, open het nachtslot en de grendels van de voordeur, voor ge slapen gaat. Ga stil, dat vader het niet hoort. Ik begreep toen moeders bedoeling niet en vroeg: - Waarom het nachtslot en de grendels openen ? - Och, zeide ze toen, 't is de eerste keer, dat Arie niet onder ons dak zal slapen en moest zijn moeder nu de deur gegrendeld laten, dan keerde hij vast nooit meer weer . . . Toen ik hoorde, dat moeder het zo meende, ging ik naar de voordeur. In dezen tijd nam ik echter dit heerlijk bijgeloof harer moederliefde zeer sceptisch op. Ik ging naar de deur om moeder te paaien en opende het nachtslot niet. Beneden aan de trap was ze mij zonder licht blijven wachten om zich te vergewissen of alles in orde was. Terwijl ik haar voorloog, dat de grendels opgeschoven waren, gaf ze mij zwijgend een kus en ik voelde op mijn wangen de lauwe vochtigheid van de nieuwe stille tranen, die ze stortte. Nu liepen er maanden, jaren voorbij zonder dat we iets van Arie vernamen. Ik had steeds gehoopt, dat wij eens een brief van hem zouden ontvangen hebben, doch niets kwam bewijzen, dat Arie's halsstarrige wrok verzwakt was, niets kwam ons berichten of hij het ginder ver goed of kwaad had. In vaders bijzijn spraken moeder en ik nooit over Arie, wij wisten dat hij het niet zou geduld hebben. Doch toen ik met moeder alleen was, haalden wij al onze herinneringen aan Arie op en deden hem weer als met een weemoedvol genot om ons heen leven. Alles wat ik toen in boeken en nieuwsbladen over Indië las, moest ik moeder vertellen, en toen ik haar dan zeide hoe de zon ginder kan laaien op die dorstlanden, welk gevaarlijk gedierte ginder in de dichte wouden gluipt en sluipt, hoe bloedig soms tegen de wederspannige inboorlingen geworsteld wordt, dan zag ik telkens op haar gelaat weer dienzelfden smartelijken trok, die mij op den dag van Arie's vertrek zo getroffen had. Veel van hetgeen ik las, verzweeg ik haar voortaan en sprak op den duur bijna uitsluitend over Arie's verleden thuis. Wij dachten, moeder en ik, dat Arie, buiten vader om, nog alleen aan ons beiden toebehoorde. Vader liet althans nooit blijken, dat hij nog aan Arie dacht. Nu viel het eens voor, dat mijne ouders en ik op een grijzen zondagachternoen in de voorkamer zaten. Vader en moeder speelden, steeds even woordgierig, enige boompjes jas en ik keek gedachtenloos door het groene horretje onze straat op, - de schreiensdroeve Naaldstraat met haar lange blinde muren en huizen, groot en eenzaam als kloosters. Geen ziel was op den weg, slechts een verlaten hond scheerde langs de huizen. Toen ging er in de verte een dronkemansgebral op, vermengd met den schellen klank van een trekorgel. Het gerucht naderde, luid galmend tegen de huizen der kerkstille buurt, en toen hoorden wij duidelijk de toenmalige straatdeun, waar de harmonica doorheensnikte en jankte:
" Ha ! ha ! ha ! Mijn lief is naar den Oost, Ware er toen plotseling een zwaard door het hart mijner ouders gegaan, ik had ze niet erger ontdaan gezien. Mijn moeder brak in hevig traangesnik los en vader stond opeens recht; zijn beenderig dor gelaat was bleek als de dood en 't scheen me, dat ook hij ging wenen, doch ijlings verliet hij de kamer en kwam er van de helen namiddag niet meer weer. Toen wisten moeder en ik, dat Arie toch niet, buiten vader om, aan ons beiden alleen toebehoorde. Moeder vooral was innerlijk gelukkig deze ontdekking gedaan te hebben. Vaders wil was voor haar steeds een wet waaraan ze zich slaafs onderwierp, wat het haar ook kosten mocht. Doch nu had ze gemerkt, dat vaders hardvochtige wrok tegen Arie zo onverwachts gewankeld had en ze durfde afkomen met een verzoek, waarover ze mij reeds herhaaldelijk gesproken had, doch waarmede ze totnogtoe bij haren man niet had durven aankomen. Ze vroeg vader heel schuchter, als een smeekbede, of hij het Nederlands koloniaal bestuur niet eens vragen wou hoe het hun zoon ginder ging. Doch nu bleek het, dat het gevoel vader slechts gedurende een enkel onbewaakt ogenblik week gemaakt had. Toen moeder hem hare vraag stelde, beheerste hij zich weer volkomen en zijn antwoord luidde, koud en afwijzend: - Op den avond van zijn vertrek heb ik u gezegd, dat hij mij zo vreemd was als de straat, dat is hij mij gebleven en ik wil, dat hij het u ook zij . . . En moeder onderwierp zich weder lijdzaam en gedwee. Toen gingen weer jaren voorbij, steeds zonder een woordje nieuws over Arie aan te brengen. Doch nu gebeurde iets wonderbaars, iets, dat ik nooit zou geloofd hebben, ware 't mij zelf niet overkomen. Een wreed, bangelijk iets was het, dat ik niet meer zou wensen te beleven. Ik was naar bed gegaan en ingeslapen, toen ik opeens de huisbel hoorde rinkelen. Ik stond op en ging naar de voordeur. Het nachtslot deed ik krassend verspringen. Ik verschoof de grendels en opende op een kier. Nog voor ik kon kijken wie gescheld had, voelde ik de deur open duwen, een lauwe lucht kwam tegen mij aangestroomd en, rakelings langs mij voorbij, met zekeren stap, zag ik mijn broer, mijn broer Arie, de huisgang sprakeloos instappen. Mijn broer was 't, zo zeker als ik hier sta; Arie, lang en mager, met puntbaard om het wasgele aangezicht . . . Hij groette me niet, keek me niet aan, maar ging, bekend met den weg, de lange gang door, de trap op, die naar de slaapkamer onzer ouders leidde. Ik zag hem daar voor me gaan, ik hoorde zijn hand schuiven langs de trapleuning, ik hoorde de trap kraken onder zijn tred . . . En toen vernam ik niets meer. 's Morgens toen ik ontwaakte kwam de herinnering aan dat nachtvisioen mij zo tastbaar duidelijk voor de geest, dat ik mij wezenlijk afvroeg of dat alles nu werkelijk gebeurd was of slechts een droom was geweest. Gestadig bleef dat beeld van mijn weerkerenden broeder mij voor de ogen, hoe sceptisch ongelovig ik op het punt van droombetekenis en geestverschijningen ook was, gevoelde ik toch een zekere onrust in mij. Trots me zelf dacht ik verscheidene malen aan moeders verzoek om de deur te ontgrendelen op den avond van Arie's vertrek en ik was vastbesloten haar niets over mijn nachtgezicht te vertellen. Doch na het ontbijt, zodra ik met moeder alleen was, boog ze zich tot mij en zeide met lage, ingehouden stem, aangedaan en geheimzinnig:- Jongen, uw broer is hier te nacht geweest . . . Een rilling voer me toen door het lichaam en met angstig opengespalkte ogen staarde ik moeder aan. - Ik verzeker het u, Arie is hier geweest. Zo midden in de nacht hoorde ik de trap kraken onder den druk van stijgende voetstappen, de kamerdeur ging open en, ofschoon het pikdonker om mij was, zag en herkende ik het bleke aangezicht van onzen Arie. Ik verzeker het u, het was geen droom, want zó kan een mens niet dromen . . . Hij kwam bij ons bed staan, langs mijn kant, en hij lachte mij stil bedrukt en minnelijk smekend aan. Toen legde hij een vinger op de mond en wees naar vader als om te beduiden, dat wij hem niet mochten wekken. Ziet ge, het was voor mij alleen, dat Arie gekomen was. Hij boog zich over mij en aaide mijn wangen en mijn hals . . . Kon dat wel een droom zijn ? Ik voelde zijne handen mij aanraken, brandend warm. Hij ontblootte mijne borst, vlijde zijn hoofd daar neer en begon toen als een heel klein kindeken zijn dorst te lessen, gulzig en gejaagd als een, die in langen tijd geen droppel vocht over de lippen kreeg en thans aan verboden bronnen dronk. Met beklemde borst had ik moeder aangehoord. Nu vezelde zich in mij het geloof vast, dat mijn nachtelijk wedervaren en de wonderbare voortzetting ervan bij moeder geenszins een begoocheling of een droom was geweest. Mijne onbestemde onrust veranderde in een licht koortsige benauwdheid. Elk ogenblik meende ik voetstappen achter mij te horen verschuiven. 't Was alsof er rondom mij iets geheimzinnigs aan 't leven was gegaan, iets dat aan mijn zintuigen ontsnapte, doch mij bijwijlen innerlijk, vluchtig deed oprillen. Nu kon ik het niet meer zwijgen; ik zeide aan moeder dat ik Arie binnengelaten had.
Moeder weende niet toen ze aldus sprak, het was alsof nu op haar smartgelaat de glans der zaligheid lichtte. Als een opstandelinge wierp ze eensklaps de gedweeë onderwerping aan vaders wil van zich af en beslist sprak ze:
Moeder beval mij toen uit haar naam aan het Nederlands Ministerie van Koloniën om inlichtingen te schrijven. Slechts toen mijn brief weg was vertelde zij alles aan vader.
Het einde wees het uit.
* * * * * * * * * * *
|