De Brug 13 van september 1996

De Rozenkruisers

Wat de meeste geschiedenisboeken zo saai maakt is dat zij de geschiedenis weergeven als een opeenvolging van feiten, ze zijn dus weinig meer dan een chronologie. Dikwijls gaan de schrijvers ervan uit dat de mensen van vroeger dachten en voelden als de mensen van nu, en eventuele verklaringen van gebeurtenissen worden dan ook vanuit die optiek gegeven.
Dat er een geestelijke oorzaak of achtergrond steekt achter al die gebeurtenissen, daar heeft Rudolf Steiner op gewezen, en op concrete wijze geïllustreerd met verschillende voorbeelden.
Steunend op het werk van Rudolf Steiner, schreef Karl Heyer een boekje over "De Rozenkruisers in Europa". Daaruit distilleerden wij onderstaande tekst.

Uit de inleiding:

"De Rozenkruisers hebben vaak tegenslagen moeten verwerken. De tegenmachten waren tijdens de afgelopen eeuwen ten opzichte van de zwakke impulsen die binnen de Rozenkruisersstroming leefden nog te sterk, zelfs al droegen deze impulsen mogelijkheden voor de toekomst in zich. Het is daarom minder van belang te kijken naar wat tot stand gebracht is, als naar datgene wat de Rozenkruisers tot stand hadden willen brengen en wat in wezen kiem is gebleven."

Over de Rozenkruisers in het algemeen:

1) We kunnen de Rozenkruisersstroming alleen maar begrijpen als zijnde een deel van de spirituele stroming die een esoterisch Christendom nastreeft, zoals dat vroeger bij de Graalsbeweging en later bij de Orde van de Tempelieren het geval was. In zekere zin vormen de Rozenkruisers de voortzetting hiervan; op hun beurt waren zij door de eeuwen heen aan verandering onderhevig, omdat zij zich steeds aan de omstandigheden van het ogenblik moesten aanpassen.

2) De Rozenkruisersstroming had vooral tot taak de eerste aanzet te leveren tot de opbouw van het natuurwetenschappelijk tijdperk. Dit laatste had te maken met de verandering in de blikrichting van de mensheid, toen de voornamelijk op het innerlijke zieleleven en de bovenzinnelijke inzichten van de mens gerichte Middeleeuwen ten einde liepen en er een tijdperk aanbrak, waarin de mens de blik naar buiten moest gaan richten om de uiterlijke natuur en de zintuiglijke wereld te leren begrijpen, veroveren en beheersen. Door een verbinding tot stand te brengen met de zintuiglijke wereld ontwaakte in de mens de bewustzijnsziel, terwijl hij gedurende de Middeleeuwen nog aan de ontwikkeling van zijn verstands-gemoedsziel had gewerkt. De Rozenkruisers echter stelden zich tot taak ervoor te zorgen dat de mens gedurende de volgende eeuwen de zintuiglijke wereld zodanig zou veroveren, dat ook het geestelijke aspect van de wereld en de mensen niet zou worden vergeten. Met dit doel hielden zij zich bvb. bezig met een vorm van alchemie die rekening hield met het geestelijk aspect van de natuur. De Rozenkruisers zochten de geest die als scheppende kracht achter de natuur en in de mensen aanwezig is. Daarom probeerden zij een harmonie of synthese tot stand te brengen tussen inzicht in de natuur en Christendom, m.a.w. tussen filosofie en theologie etc.
Om deze reden kunnen aan het streven van de Rozenkruisers twee kanten worden onderscheiden (die echter samen wel een eenheid vormen):

- het zoeken van de geest achter de natuur: dit leidt tot wat we natuurwetenschap van de Rozenkruisers zouden kunnen noemen;

- Het zoeken van de geest in de mens: dit leidt eerder tot het historisch-sociale element, tot een streven naar het tot stand brengen van sociale verhoudingen die passen bij het nieuwe, vijfde na-Atlantische tijdperk. Hiervoor is een dieper geestelijk inzicht in het wezen van de mens nodig. [ ... ]

3) Van nog een andere kant belicht kan het streven van de Rozenkruisers gezien worden als een nieuwe weg naar inzicht in de geestelijke wereld, als een nieuw pad naar kennis van het bovenzinnelijke, geschikt voor mensen die leven in het tijdperk waarin de uiterlijke zintuiglijke wereld wordt veroverd; steeds minder mensen hebben een reden om zich terug te trekken uit die wereld en steeds minder mensen zijn daartoe in staat. Op die manier ontstaat naast en in de plaats van de christelijk-middeleeuwse inwijdingsweg die de mensen volledig afzonderde en uit het sociale leven wegrukte, de moderne inwijdingsweg van het vijfde na-Atlantische tijdperk.

"De leer van de Rozenkruisers drong in zijn zuivere vorm niet door. De natuurwetenschap ontwikkelde zich in materialistische zin: tot de eenzijdige zintuiglijke waarneming en het dode, passieve denken dat zijn ware wezen verloochent. De Ahrimanische impuls die de gehele nieuwe mensheidsontwikkeling in zijn greep had, lag hieraan ten grondslag.
Deze impuls heeft voornamelijk in en via de werken van Francis Bacon gewerkt. [ ... ] Achter deze noodlottige inbreng van Bacon schuilt, bezien vanuit een wereldhistorisch standpunt, de geestelijke stroming van het Arabisme, de afwijzing van de Christus-impuls die in de geschiedenis werkzaam is. Dit alles leidt aan het begin van de 17de eeuw tot een beslissende Ahrimanische vervalsing van de Rozenkruisersimpuls. Met dit feit hangen vele tragische ontwikkelingen in de verdere geschiedenis van de mensheid samen."

Het ontstaan en de eerste ontwikkelingsfase van de Rozenkruisers

"Het beginpunt ligt in de dertiende eeuw* .

Over dit beginpunt bestaat geen enkele uiterlijke overlevering, ook niet volgens de legende.
Dit beginpunt in de dertiende eeuw bestaat uit de inwijding van een individualiteit in Europa, die tijdens een vorig leven het mysterie van Golgotha had bijgewoond en die later bekend geworden is onder de naam Christian Rosenkreuz. Deze inwijding vond plaats, doordat twaalf mannen die de gehele wijsheid en de inhoud van het Atlantische en na-Atlantische tijdperk in zich hadden opgenomen, hun wijsheid aan deze individualiteit doorgaven.
Deze dertiende man, Christian Rosenkreuz dus, maakte die wijsheid openbaar in een nieuwe vorm: als het ware Christendom, de synthese van alle godsdiensten. Door zijn inwijding had hij een Christusbeleven zoals Paulus voor Damascus had.
De vrucht van deze inwijding was een ongelooflijk machtig etherlichaam, dat sindsdien bewaard is gebleven en dat ondanks de fysieke afwezigheid van Christian Rosenkreuz, inspirerend werkt op mensen die een innerlijke band met hem vinden.
Destijds, in de dertiende eeuw, is Christian Rosenkreuz vroeg gestorven. Hij werd echter al snel rond het midden van de veertiende eeuw opnieuw geboren. Ditmaal werd hij zeer oud: ruim honderd jaar. Hij ondernam lange, verre reizen door de gehele, in die tijd bekende wereld, ook naar het Oosten en naar Damascus, waar hij opnieuw hetzelfde Christusbeleven als Paulus had (ditmaal dus ook op dezelfde plek op aarde als Paulus).
Hij nam de totale wijsheid van de toenmalige wereld in zich op. Na zeven jaar keerde hij naar Europa terug en nam de meest ontwikkelde leerlingen en volgelingen van de twaalf (uit de dertiende eeuw) als zijn leerlingen aan. In 1459 stichtte hij de Rozenkruisersstroming en legde daarmee de grondslag voor verdere ontwikkelingen.
Dit alles speelde zich af in de vijftiende eeuw. Rudolf Steiner noemt deze eeuw zelfs "de eeuw van Christian Rosenkreuz". Ook noemt Steiner de opkomst van de steden, die rechtstreeks dateert van de veertiende eeuw en die de materialistische burgerlijke cultuur met zich meebracht. Daartegenover stelt hij het spirituele leven. Hierover zegt hij: "Het spirituele leven werd op het moment dat het materialisme zijn intrede deed, gered doordat Christian Rosenkreuz zijn Rozenkruisersorde stichtte."
Christian Rosenkreuz is volgens Rudolf Steiner vanaf de vijftiende eeuw met korte tussenpozen steeds opnieuw geïncarneerd. Zijn bewustzijn bleef gedurende al die incarnaties bewaard en bovendien was er steeds een gelijkenis in uiterlijke gestalte (kennelijk dankzij zijn etherlichaam).

De Rozenkruisersgeschriften uit het begin van de 17de eeuw

Aan het begin van de 17de eeuw gingen de Rozenkruisers zich ook op de buitenwereld richten. Dit was een groots opgezette poging, waarvan we de neerslag in de vorm van een aantal geschreven werken kunnen vinden. In die periode verschenen de volgende vier boeken, die men wel de "vier echte Rozenkruisersgeschriften" heeft genoemd:

1) De Chymische bruiloft van Christian Rosenkreuz Anno 1459, door Johann Valentin Andreae geschreven in 1604.
2) Algemene en totale hervorming van de hele wereld, van Boccalini, gedrukt in 1614.
3) Fama Fraternitatis van de prijzenswaardige Orde van het Rozenkruis, geschreven voor alle geleerden en leiders van Europa, Kassel 1614.
4) Confessio of getuigenis van dezelfde broederschap, Frankfurt am Main, 1615.
De auteurs van 3 en 4 zijn niet met zekerheid bekend.

Het verdere verloop in de 17de eeuw en de zege van het Baconianisme

De publicatie van de Rozenkruisersgeschriften aan het begin van de 17de eeuw baarde enorm veel opzien. De mensen schijnen gevoeld te hebben dat dit belangrijke, diepgaande impulsen waren die zich een weg naar de Europese cultuur trachtten te banen.
Maar al snel kondigden zich de tegenstanders aan. [ ... ]
Uit de methoden van de tegenstanders blijkt dat deze duidelijk tot de onwrikbare duurzaamheid van de achtergebleven machten behoren die het nieuwe, dat vanuit goede, vooruitstrevende impulsen voor het heil van de mensheid in het leven wil ingrijpen, door de tijden heen nooit een kans willen geven. Deze eendrachtige, ongeremde bestrijding van de Rozenkruisers in de 17de eeuw en de daarbij gebruikte methoden, is wel een van de overtuigendste bewijzen voor het voor de mensheid grote en universele dat in de zo omstreden stroming in wezen leefde. Tegelijkertijd wordt hierdoor de uitspraak van Rudolf Steiner begrijpelijk, waarin hij Christian Rosenkreuz de grootste martelaar onder de mensen noemde (afgezien van Christus die geleden zou hebben als een God). Hij zei ook dat het lijden waardoor Christian Rosenkreuz de grote martelaar zou worden, zou voortvloeien uit het feit dat "de mensen zo weinig ertoe komen om in hun eigen ziel te kijken, om steeds meer naar de zich ontwikkelende individualiteit te zoeken ..."

De eigenlijke Rozenkruisersimpuls werd niet opgepakt in de 17de eeuw. Hij ging ten onder in het gewoel van de dertigjarige oorlog. De poging was mislukt . . .

Terwijl Midden-Europa herstelde van de dertigjarige oorlog, werd in Engeland Francis Bacon geboren (in 1561).

Bacon, zo legt Rudolf Steiner uit,

"verscheen op een zeer belangrijk moment op het toneel, aan het begin van het vijfde na-Atlantische tijdperk, toen alles onzeker was geworden en het niet meer mogelijk was om zich op de oude manier ideeën te vormen omtrent de wereldvraagstukken. Er bestond een drang naar vernieuwing die zich uitdrukte door het feit dat er juist in die tijd een dieptepunt was voor wat betreft het werkelijke, geestelijke begripsvermogen van de mensheid. De mensen bezaten alleen het op de zintuigen gerichte verstand. Hiermee trachtte Bacon nu de basis te leggen voor een wetenschappelijke overtuiging. Hij was het die het experiment maakte tot het belangrijkste uitgangspunt van waaruit wetenschap zou moeten opgebouwd worden. Van meet af aan ging het er in de Baconiaanse denkwijze om, het dode tot verklaringsprincipe van het wereldwezen te maken. Op die manier vindt men wel aanknopingspunten voor verklaringen van de buiten-menselijke natuur, maar nu juist niet van het wezen van de mens. Daardoor is in de latere eeuwen van de Baconiaanse denkrichting het begrip voor de eigenlijke mens en zijn wezen verloren gegaan". Rudolf Steiner vervolgt dat "echter niemand de grote impulsen van het morele, van het sociale willen, vinden zonder op het wezen van de menselijke natuur in te gaan. Om die reden is ook het begrip voor de impulsen van het morele en sociale willen tijdens deze eeuwen verdwenen, juist door de inbreng van de Baconiaanse denkrichting. Daarom ook ontstaat gelijktijdig met het doden van het begrip voor de wereld, zoals dit van Bacon uitgaat, de pure nuttigheidsmoraal. Goed is wat voor de mens nuttig is, zowel voor ieder individu als voor de totale mensheid, aldus de Baconiaanse definitie.
En zo hebben we, uitgaande van de Baconiaanse overtuiging, die veel meer verbreid is dan wie dan ook zich heden realiseert, aan de ene kant een wetenschappelijke denkrichting die alleen het buiten-menselijke kan begrijpen, en aan de andere kant een moraal die slechts van het Ahrimanisch nuttige uitgaat." (Dit wordt dan verder uitgewerkt door Hobbes, Locke, Hume, Spencer, Newton, Darwin ...).
Men zou niet treffender dan door middel van al deze uiteenzettingen kunnen aangeven dat in de Baconiaanse geestesgesteldheid werkelijk het tegengestelde leeft van de geestesgesteldheid van de echte Rozenkruisers* .

Zo voltrekt zich in en door Bacon de grote afwijking van de Rozenkruisersstroming en valt de natuurwetenschappelijke impuls in de latere eeuwen ten prooi aan Ahrimanische invloeden. Terwijl de ware Rozenkruisersstroming de weg volgt van de opdracht van het wezen dat we Michaël noemen, is Bacon in hoge mate overgeleverd aan de macht van de "draak". Daardoor is hij de belangrijkste impulsator voor het moderne materialisme en intellectualisme geworden."
[ ... ]

Het Baconianisme leefde sterk in de kringen van de vrijmetselaars van waaruit de Franse revolutie geïnspireerd werd. De Franse revolutie kunnen we zien als een poging om een nieuwe structuur te vinden voor een maatschappij in beweging. Maar met het dode, rationalistische denken van het Baconianisme kon alleen maar het oude opgeruimd worden -hetgeen weliswaar zeer bevrijdend werkte-, maar nieuwe, levende structuren opbouwen kon het niet. Uiteindelijk mondde deze denkrichting uit in het Bolsjevisme.
Reeds ten tijde van Lodewijk XIV probeerden de Rozenkruisers in de figuur van de Graaf van Saint-Germain de ontwikkeling die leidde tot de revolutie om te buigen door invloed uit te oefenen in de leidende kringen rond de koning. Maar ook deze impuls werd niet opgenomen ...

*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
.

Kometen

Zowel de impulsen van de goede machten (Michaël) als die van de tegenmachten zijn voor de goede waarnemer zichtbaar: aan de nachtelijke hemel bvb.
Daarover gaat dit artikel.
In een eerste fragment gaat het over de komeet van Halley die om de 76 jaar terugkeert. Ze was goed zichtbaar in 1910, toen Rudolf Steiner 49 jaar was.

[ ... ]

"Wat betekent het kometarische bestaan nu voor de aarde ? Welke missie is daaraan verbonden ? De beantwoording van deze vragen moet vooral vergelijkenderwijs geschieden en er moet op gewezen worden, dat in de tegenstelling van man en vrouw op aarde tweeërlei levens zich afspelen. Allereerst is daar het verloop van de alledaagse gebeurtenissen in het gezin van 's morgens tot 's avonds, met een regelmaat zoals van zomer en winter, van zonneschijn en storm, onweer en hagel. Dat kan zo een tijdlang doorgaan. Maar dan gebeurt er iets, dat komt binnenvallen en als een ingrijpende verandering wordt gevoeld en vooral dan, als er een kind geboren wordt.
Dit onderbreekt het steeds terugkerende verloop van de dingen en het blijft als iets nieuws in de samenleving van man en vrouw.

Dit kunnen we vergelijken met wat de komeet te doen heeft als opgave voor het aarde-leven. Zij brengt in ons aardse bestaan datgene binnen wat stamt uit het vrouwelijk element van de kosmos. Als de komeet zich laat zien, bewerkstelligt dat een stoot in de verdere ontwikkeling van de mensheid. Niet zo zeer in de eigenlijke ontwikkeling zelf, maar in alles wat vroeger nog in de mensheid werd geënt.
We kunnen dit waarnemen aan de Halley-komeet, aan wat als geestelijke krachten erachter staat. Als zij verschijnt is er steeds iets nieuws voor de aarde-ontwikkeling aan verbonden. In deze tijd verschijnt zij weer. Daarmee wordt ingeluid en geboren een nieuwe etappe in materialistische zin. Op de drie laatste verschijningen in de jaren 1682, 1759 en 1835 volgt nu deze (van 1910 - red.). In het jaar 1759 kwamen hieruit de krachten en geestelijke machten tevoorschijn, die de geest van de materialistische Verlichting hebben gebracht. Wat zich op aansporing van de geesten en krachten, die achter de Halley-komeet staan, in die zin heeft ontwikkeld, dat was bvb. wat Goethe zo zeer geërgerd heeft in het "Système de la Nature" van Freiherr von Holbach, alsook in de Franse Encyclopédisten.

Toen dan in 1835 de Halley-komeet zich weer liet zien, werd het materialisme opmerkelijk weerspiegeld in de opvattingen, die van Büchner en Moleschott uitgingen en die dan in het materialisme in de tweede helft van de 19de eeuw in de breedste lagen werden opgenomen. Nu in het jaar 1910 beleven we een nieuwe verschijning van de oude komeet en dat betekent een crisisjaar wat betreft de zojuist besproken zienswijze. Alle krachten zijn dan aan het werk om uit de menselijke ziel een nog oppervlakkiger, een nog ongelukkiger mening tevoorschijn te roepen, een verderfelijke materialistische wereldbeschouwing. Er staat de mensheid een geweldige beproeving te wachten, waarin het erom zal gaan, of de mensheid zal kunnen waar maken, dat bij de dreiging van de diepste val, ook de impuls tot opstijgen alom het sterkst aanwezig is. Want anders zou het niet mogelijk zijn dat de mens de weerstanden kan overwinnen die de materialistische zienswijze hem in de weg leggen. Als de mens niet aan het materialisme zou zijn blootgesteld, dan zou hij deze ook niet door eigen kracht kunnen overwinnen. Nu krijgt hij de gelegenheid een keuze te maken tussen het spirituele en het materialisme. Vanuit de kosmos worden ons de voorwaarden voor dit crisisjaar toegezonden." [ ... ]

[ ... ] "Aldus staat de mensheid op de tweespalt: ofwel met wat door de komeet van Halley komt, ondergedompeld te worden in een duisternis die nog ónder Kali Yuga ligt, ofwel met een antroposofisch begrijpen niet te kijken naast hetgeen aan nieuwe vermogens sluimert, om de wegen te vinden naar het land dat volgens de Oosterse literatuur verdwenen is, maar dat Christus de mensheid weer zal tonen: het land Shamballa. Dat is het grote punt aan de scheidingsweg: naar onder of naar boven; ofwel naar iets dat als een wereld-kamaloka nog onder het Kali Yuga ligt, ofwel naar datgene wat het de mensen mogelijk maakt het gebied te betreden dat bedoeld wordt met de benaming Shamballa."

Andere kometen hebben andere opgaven, zo bvb. de Biela-komeet.

[ ... ] "Ziet u, in 1773 werd in Parijs plots het gerucht verspreid dat een geleerde een voordracht zou houden in een geleerd gezelschap; in die voordracht zou hij bewijzen dat er een komeet met de aarde in botsing zou komen en dat dat de ondergang van de aarde zou betekenen. Toentertijd was dat iets waarvan men dacht dat dat heel wetenschappelijk kon bewezen worden. Er kwam daar toen in de 18de eeuw in Parijs een geweldige angst - het bijgeloof was nog groot. Als men vandaag de dingen nagaat die zich toen in Parijs afspeelden, dan ontdekt men dat er een groot aantal miskramen plaatsvonden. De vrouwen hadden van zuivere schrik vroeggeboorten. Mensen die een of andere zware ziekte hadden, stierven toen dat bekend werd. Een ongelooflijke opschudding in gans Parijs omdat bekend werd dat een geleerde een voordracht zou houden over een komeet die op de aarde zou botsen en dat de aarde zou teloor gaan." [ ... ]

In 1772 had de Fransman Montagne inderdaad een komeet ontdekt die voor het blote oog onzichtbaar bleef. De Oostenrijkse amateur-astronoom Biela stelde vast -in 1826- dat deze komeet een omloopstijd had van 6,6 jaar. De komeet werd naar hem genoemd. In 1832 passeerde ze op slechts 30.000 km van de baan van de aarde. De astronoom Littrow berekende dat de komeet altijd dichter bij de aarde kwam, en dat er een mogelijkheid was (omdat kometenbanen nogal onstabiel zijn) dat de komeet in 1933 effectief in botsing zou komen met de aarde.
Bij haar verschijning in 1845 scheen de komeet in twee stukken te zijn uiteengevallen; ook in 1852 werden beide kometenhelften, die reeds 1,5 miljoen km van elkaar verwijderd waren, nog waargenomen. Sindsdien werd de Biela-komeet niet meer gezien. In de plaats daarvan verscheen een meteorenzwerm, die in 1872 bij zijn eerste verschijning een echte meteorietenstorm te zien gaf. De radiant (het punt aan de hemel van waar de meteoren schijnen te komen) lag in het sterrenbeeld Andromeda. Een meteorenzwerm wordt genoemd naar het sterrenbeeld waarin hij verschijnt: de Andromeniden verschenen daarna in 1879, in 1885 (terug een geweldige meteorenstorm), zwakker in 1892 en 1899. In onze eeuw zijn ze nagenoeg verdwenen.
Wat was nu de opdracht van die komeet ? Rudolf Steiner vervolgt:

[ ... ]

"De komeet gooit zijn totale materie in de loop der eeuwen af en zal zeer binnenkort helemaal niet zichtbaar meer zijn; ze zal niet meer terugkomen omdat ze haar materie langzaam aan de ruimte en ook een beetje aan de aarde afgegeven heeft. Ik zal u nu de andere kant van de zaak tonen.
Ziet u, als men de menselijke ontwikkeling nagaat, dan is het zo dat de geestelijke vermogens van de mensen altijd anders worden. Wie dat niet gelooft die verstaat gewoon de ganse geestelijke ontwikkeling van de mensheid niet. Want al onze uitvindingen hadden toch al veel vroeger moeten gedaan zijn indien de mensen altijd dezelfde geestelijke vermogens hadden gehad ! In oude tijden hadden ze niet kleinere geestelijke capaciteiten, maar andere. Dat heb ik u al op de meest verschillende wijzen uitgelegd, ook naar aanleiding van vragen die gesteld werden.

Als we echter terugkeren, dan is dat niet de enige komeet die op zo'n manier "genade betoont" door op het gepaste ogenblik te splijten en zich op te lossen, maar er zijn talloze kometen die dat deden. Kometen zorgden altijd voor bijgeloof. Antroposofie bekijkt de zaak absoluut wetenschappelijk.
Als we ons zo zouden verder ontwikkelen zoals we ons tot hiertoe ontwikkeld hebben, dat zou men zich niet kunnen voorstellen. Ach, de mensheid is zo vreselijk verstandig ! Vergelijkt u eens een mens met zijn verstandigheid, met al wat hij in de school geleerd heeft, met een mens uit de 12de, 13de eeuw die niet kon schrijven ! U moet maar bedenken: we hebben daar een zeer schoon gedicht van Wolfram von Eschenbach, iemand van adel uit de 13de eeuw; hij heeft een gedicht gemaakt - maar hij kon het niet schrijven; hij moest een pater laten komen aan wie hij het dicteerde: dat is de "Parcival, waar Wagner zijn "Parsifal" op gebaseerd heeft en gecomponeerd heeft. U ziet dat de mensen toen andere vermogens hadden. We moeten zelfs niet verder dan de 12de, 13de eeuw teruggaan: toentertijd kon een man van adel niet schrijven; lezen kon Wolfram von Eschenbach, maar schrijven kon hij niet.

Nu, ziet u, deze vermogens komen niet vanzelf, die ontwikkelen zich. En als we zo zouden voortgaan, zoals we nu doen, dat we iedereen tussen zijn zesde en zijn veertiende met alle mogelijke wetenschappen volproppen -wat van de ene kant wel goed is- dan zouden de mensen stilaan iets worden wat vroeger helemaal niet bestond, en wat vandaag zoveel voorkomt, ze worden nerveus, zoals men zegt. Nerveuze mensen zouden we worden. En nu zult u zien dat die heren dokters die toentertijd in de jaren veertig (van de 19de eeuw, zie voetnoot - vert.)* zo dom waren dat ze dachten dat de mensen niet zouden kunnen leven als er treinen zouden rijden, dat deze heren dokters van uit het standpunt van hun wetenschap toch niet zó dom waren ! Want, vanuit wat ze toen konden weten, konden ze niet anders dan zeggen: als de mens per trein zal reizen, dan gaat hij stilaan werkonbekwaam worden; hij gaat zijn geheugen verliezen, zijn zenuwen worden geprikkeld, hij wordt bibberig. Dat konden ze vanuit de toenmalige wetenschap zeggen. Het was absoluut juist wat ze zeiden, maar één ding zagen ze over het hoofd ...

De mensen zijn een beetje nerveuzer geworden, dat is waar. Als u maar vergelijkt hoe u bent als u van uw werk komt, hoe anders dat is dan de mensen in de jaren dertig, veertig (1830, 1840 - vert.), die 's avonds hun slaapmuts opzetten, en zo vreselijk gemoedelijke mensen waren, zonder een greintje zenuwen ! De wereld is in dit opzicht wel anders geworden, maar toch niet zo erg als die heren dokters van Nürnberg het zich toen voorstelden. Nu zit het echter zo: De Nürnbergers hangen niet iemand op als ze hem niet eerst hebben; en zo was het daar toen ook. Ze konden niet oordelen volgens een wetenschap die ze nog niet hadden. En wat is het dan wat die heren dokters toen nog niet konden weten ? Ze konden niet weten dat, terwijl zij dat allemaal studeerden, de komeet zich langzamerhand oplost. Want wat doet die ? Welnu, mijne heren, die fijne meteoorregen, die komt van de komeet ! In plaats dat zij eenmaal met de aarde botst en de mensheid de schedel inslaat, geeft zij langzaam haar materie af. Die zit in de aarde, die materie, stuk voor stuk. Om de zoveel jaar leverde de komeet iets voor de aarde.

En al die mensen die van de wetenschap willen leven, en niet willen toegeven dat de aarde eigenlijk iets uit de ruimte eenvoudigweg opvreet, die zijn zo dom als diegenen die beweren dat wanneer iemand een stuk brood eet het niet in zijn lijf zit. Het zit natuurlijk wél in de aarde, wat wij van de kometen hebben. Maar de mensen kijken daar altijd overheen. De wetenschap neemt er geen notie van. Waar zit dat dan wat de komeet afgegeven heeft ? Dat gaat over in de lucht, van de lucht in het water als het water verdampt en weer uit de lucht valt; van het water gaat het in de wortels van de planten, van de plantenwortels in wat wij op tafel zetten. En vandaar komt het in ons eigen lichaam en wij eten mee op datgene wat de komeet ons eeuwenlang gegeven heeft. Dat is echter sinds lang vergeestelijkt. En in plaats van in 1933 de aarde een kopje kleiner te maken, heeft de komeet zich al lang als aardevoeding aan de aarde geschonken, en doordat ze een geneesmiddel is, een aardegeneesmiddel, neemt ze van de mensen iets weg: de nervositeit.
Ziet u, daar heeft u een stuk geschiedenis: de kometen verschijnen daarboven aan de hemel, en na enige tijd komen ze tot ons, vergeestelijkt, vanuit de aarde." [ ... ]

Zowel het verschijnen van kometen als het optreden van meteorenzwermen zijn dus de zichtbare afspiegeling van geestelijke gebeurtenissen.
In 1933, het jaar dat Hitler aan de macht kwam, was er een enorme meteorietenstorm te zien. Op het hoogtepunt van de activiteit werden er in Ierland ongeveer 100 meteoren per seconde geteld, net een sneeuwstorm op een heldere dag. De radiant van deze zwerm lag in het sterrenbeeld Draak, die daardoor eigenlijk een soort vuurspuwende draak werd.
Met de woelige periode 1968-1969 hangt misschien de meteorenregen van 1966 samen, de Leoniden genaamd, naar het sterrenbeeld Leeuw waarin de radiant lag. In de V.S. werden tot 155.000 meteorieten per uur waargenomen.
De Leoniden verschijnen om de 33,3 jaar. Het is merkwaardig dat noch in 1900, noch in 1933 veel Leoniden te zien waren. Volgens Rudolf Steiner wordt het sociale leven beheerst door een ritme van 33 jaar. De impuls die in 1966 gegeven werd is spijtig genoeg vastgelopen (zie het artikel van Christoph Lindenberg op blz. 11). De volgende Leonidenstorm wordt voor 1999 verwacht: een nieuwe impuls voor een vastgelopen maatschappelijk leven ?

Tot slot een fragment dat goed aansluit bij het beeld van de Draak en de Leeuw (die dan staat voor de Michaëlische moed). Eveneens uit de arbeider-voordrachten, de toon is daardoor wat volkser dan in de voordrachten voor de leden van de antroposofische vereniging:

[...]

"Nu kunt u een interessante vraag opwerpen. U kunt zeggen: die kometen die dus samenhangen met dat cyaan -wat dan weer met de wil van de mens samenhangt- die verschijnen onregelmatig; nu eens komt er een, dan is zij lange tijd niet te zien. Dat veroorzaakt bij de mensen ook altijd bijgeloof; precies datgene wat niet altijd verschijnt maakt hen bijgelovig als het dan komt. In de zonsopgang en zonsondergang zagen de mensen van oudsher het goddelijke; later heeft het meer bijgelovig mensengemoed over de kometen allerlei nonsens gefantaseerd. U kunt nu de vraag opwerpen: waarom is het met de kometen ook niet zo dat zoals op bepaalde momenten 's morgens in het jaar de zon verschijnt, ook een komeet verschijnt ? Wel, indien dat het geval was, als de komeet met haar staart net zo regelmatig zou komen en verschijnen als de zons- of maansopgang of ondergang, dan zouden wij mensen geen vrijheid hebben; dan zou alles in ons zo regelmatig zijn als zonsopgang en ondergang, als maansopgang en ondergang. En wat in ons samenhangt met deze regelmaat in het heelal, dat is in ons ook natuurnoodwendigheid. Wij moeten eten en drinken, met een zekere regelmaat, we moeten slapen met een zekere regelmaat. Indien de kometen even regelmatig opkwamen en ondergingen als de zon en de maan, dan zouden wij ons niet willekeurig kunnen bewegen, we zouden eerst moeten wachten: we zouden in een kramptoestand verkeren; de komeet verschijnt: we kunnen gaan ! Ze verdwijnt weer: we geraken terug in de kramptoestand. We zouden geen vrijheid hebben. Deze zogenaamde zwerfsterren zijn datgene wat ons vanuit het heelal de vrijheid geeft. En zo kunnen we zeggen: wat in de mens noodwendig is, honger, dorst, slapen, waken enz. dat komt van de regelmatige verschijningen; en dat wat in de mens willekeurig is, wat vrijheid is, dat komt van de komeetachtige verschijningen en dat geeft de mens de sterkte voor de kracht die in zijn spieren werkt.

In onze tijd heeft men volledig verleerd om te letten op wat in de mens vrijheid is. De mensen hebben niet eens meer zin voor vrijheid. Daardoor hebben de mensen zich in de nieuwere tijd totaal vastgepind op dat wat alleen maar natuurnoodwendigheid is. Nu is het zo dat de mensen in hun feesten uitdrukken hoe ze gezind zijn. Ze hebben bvb. de feesten voor de noodwendigheid: Kerstmis, Pasen, maar het herfstfeest, het Michaëlsfeest hebben ze laten vallen, omdat dat samenhangt met de vrijheid, met de innerlijke sterkte van de mens. En zo studeren de mensen eigenlijk ook bij de kometen hoogstens het materiële. Van het andere, daarvan zeggen ze: tja, daarover kan men nu eenmaal niets weten. En zo ziet u vandaag aan de ene kant dat de mensen de vrijheid schuwen; aan de andere kant ziet u dat ze niet het juiste verstand, niet het vernuft hebben om de onregelmatigheden in het heelal te studeren. Als die er niet waren, dan hadden we geen vrijheid. Zodat we kunnen zeggen: de Atheners, die namen alles op wat in het innerlijk van de mens zat. Dat maakte hen praatgraag.

Een aspect van het materialisme is dat het vreselijk praatgraag maakt. Dat maakt het echter ook ongevoelig, afgestompt voor alles wat ons sterk kan maken voor meteoreninvloed. Daarom is het Michaëlsfeest hoogstens een boerenfeestdag, en de andere feesten zijn iets dat met noodwendigheid samenhangt, hoewel zij ook niet meer zo hooggeacht worden als in oude tijden, omdat men überhaupt de samenhang met de geestelijke wereld verleerd heeft.

Op deze manier wordt alles doorzichtig. Wanneer de mensen terug zullen verstaan hoe weldadig de kometeninvloed is, dan zullen ze er waarschijnlijk wel aan denken om in de herfst graag een of andere feestelijkheid in te richten, om een soort vrijheidsfeest te houden. Dat hoort in de herfst: een soort Michaëlsfeest, vrijheidsfeest. Dat laten de mensen vandaag voorbijgaan omdat ze daarvoor absoluut geen begrip hebben; ze hebben geen begrip voor de vrijheid buiten in de natuur, en bijgevolg ook niet voor de vrijheid in de mens. Ziet u, de eerzame dame Maan en de majestatische heer Zon, die zitten op hun tronen, willen dat alles afgemeten is, omdat ze voor vrijheid in het universum, in het heelal, geen echte zin hebben. Dat moet natuurlijk zo zijn. Maar de kometen, dat zijn de vrijheidshelden in het universum; daarom ook hebben die de stof in zich die bij de mens samenhangt met de daad, met de vrije daad, met de willekeur, met de wilsactiviteit. En zo kunnen wij zeggen: kijken we naar de zon, dan hebben we in haar datgene wat in ons innerlijk altijd gelijkmatig ritmische spelen uitvoert, het hart en de ademhaling. Kijken we naar een komeet, dan zouden we ieder keer als een komeet verschijnt, een vrijheidsgedicht moeten maken, omdat zij te maken heeft met onze vrijheid !
We kunnen zeggen: de mens is vrij omdat in het wereld-al voor deze zwervers in het heelal, de kometen, ook vrijheid heerst." [...]




*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
.

Cultuur en onderwijs

In het zomernummer van het tijdschrift "Die Drei" verscheen een commentaar van Christof Lindenberg over de culturele revoluties in Oost en West.

In het Oosten ...

Dertig jaar geleden begon in China onder de leiding van Mao Tse Tung en de Rode Gardes de Grote Proletarische Revolutie, die de maatschappij ging zuiveren van de laatste resten van bourgeoisie en feodalisme. Tijdens deze "cultuurrevolutie" geraakte het land in de greep van een terreur die wij ons nauwelijks kunnen voorstellen. Administratie en universiteiten werden lamgelegd: de traditie van het Confucianisme moest over boord gegooid worden en een proletarische cultuur ging gegrondvest worden. Pas na de dood van Mao Tse Tung op 8 september 1976 eindigde deze tienjarige campagne tegen de oorsprong van de Chinese cultuur.

In het Westen ...

In Europa en de V.S. traden deze revoluties met wat vertraging op -ze begonnen zachter, maar werkten des te ingrijpender. Maar ook in de V.S. en in hun Europees aanhangsel gaat het om de vernietiging van de traditionele culturen. Dat wordt wel niet zo direct geformuleerd, maar als men naar de realiteit kijkt, dan is de tendens onmiskenbaar. Onder het mom van "Political Correctness" is er een gedachtenpolitie ontstaan die de strijd tegen de dead white males zoals Homeros, Vergilius, Dante, Shakespeare, Goethe en Emerson, propageert en die in plaats van de studie van Milton en Coleridge allerlei indoctrinatieprogramma's ingevoerd heeft. Het bestuderen van onderdrukte randculturen, de wereld van de underdogs, en obscure auteurs kwamen op het programma van de hogescholen te staan. Langs alle kanten schoten zelfbenoemde therapeutengroepen uit de grond die zich op de slachtoffers van de traditionele cultuur stortten.

In de naam van "Political Correctness" wordt de geschiedenis consequent herschreven. Paleontologen hebben ontdekt dat de wieg van de mensheid in een Afrikaanse vallei stond, en voor de vlijmscherpe logica van de afrocentristen volgt daaruit dat Afrika überhaupt de bakermat van de cultuur is: de Europese cultuur, zegt men dan, stamt uit Egypte, en Imhotep -bij de Grieken bekend als Hermes Trismegistos- was een zwarte, net zoals Cleopatra en Euclides. De zwarten in Egypte vonden de hiëroglyfen en de pyramiden uit. Dat de geschiedschrijving tot hiertoe de Egyptenaren niet als zwarten heeft voorgesteld, is te wijten aan een kwaadwillige samenzwering van blanke historici, die de prestaties van zwart Afrika willen verdringen ... Dat er in de blanke geschiedschrijving, bvb. bij Toynbee, racisme zit, valt niet te ontkennen, maar het heeft weinig zin om in de plaats daarvan een ander racisme of een historiografisch nationalisme te plaatsen. Dat zou alleen maar de zekerste weg naar de totale verwarring zijn en naar de ideologische oorlog van allen tegen allen.

Vroeger beroemde Amerika zich op zijn integratiekracht, Amerika was de smeltkroes van alle naties. Vandaag domineren de culturen van de minderheden, het Amerikaanse Engels wijkt terug: men bezint zich over zijn "roots", er wordt Mexicaans Spaans gesproken, Frans, Vietnamees en Chinees. Nu kan een veelvoud aan culturen alleen maar begroet worden: cultuur is altijd pluralistisch, kleurig, bont en niet uniform. Ook zijn de duizendvoudige verschijningen van cultuur waard om overdacht te worden en herinnerd te worden. De culturen van de Maori's, Toengoezen, Khmer, Abessiniërs en Ovambo's, Inca's en Azteken behoren niet minder tot het geheel der mensheid als de cultuur van Engeland of Frankrijk. Het gaat erom deze verschillende culturen als een deel van het gemeenschappelijk erfgoed van de mensheid te bestuderen, te verstaan en in de geest samen te zien.

Wat echter vandaag in het teken van multiculturalisme geënsceneerd wordt, is gewoon een nieuw nationalisme met alle kentekens van een wildgeworden mythologie en folklore die de communicatie tussen de mensen onmogelijk maakt. Cultureel separatisme versplintert de mensheid. De V.S. vallen innerlijk uiteen in rijk en arm, zwart en wit, in analfabetendom en hooggeleerde specialisten. De gemeenschappelijke spraak en cultuur werd eerst onbelangrijk gemaakt en dan vernietigd. We staan voor het paradoxale verschijnsel dat gelijktijdig met de voortdurend toegenomen communicatiemogelijkheden de werkelijke communicatie tussen de mensen zeer snel afneemt.

Speciaal in Duitsland ...

In Duitsland werd de cultuurrevolutie onder de titel "onderwijshervorming" doorgevoerd. Het aantal studenten steeg van 291.000 in 1960 tot 1.856.000 in 1995. Het aantal middelbare scholieren ging van 1.284.000 in 1960 naar 5.574.000 in 1994. Een dergelijke kwantitatieve verhoging van het aantal jongeren die van hoger onderwijs kunnen genieten, kan ons natuurlijk verheugen. Maar deze wonderbaarlijke vermenigvuldiging van studenten en scholieren had een prijs.

De school, zo vertellen ons deskundigen, moet "leuk" zijn. De leraar is de entertainer van wie men vermaak kan verwachten. Alstublieft geen "prestatiedruk". Boeken worden niet, in ieder geval niet ten einde gelezen. De leraar brengt op losse bladen fotocopies van de belangrijke passages mee naar de klas, en dat is het dan. De lessen geschiedenis en biologie worden door filmvoorstellingen ingevuld: mediapedagogiek noemt men dat. Veel van wat vroeger vanzelfsprekende leerstof was werd over boord gegooid. Het begint bij het middelhoogduitse gedicht, over Shakespeare tot de Duitse klassiekers. Duitse studenten kennen slechts zelden een Sofocles, Tacitus, Dante, Keats of Shelley.

Lessing, Goethe, Schiller behoren in grote mate tot de "dode blanke mannen", die men rustig kan negeren. De meeste germanisten hebben noch tot Goethes Faust, noch tot Hölderlins Hymnen een persoonlijke benadering - hoe zouden ze die dan kunnen doorgeven ? Niet dat ze niet als specialisten Benjamin of Brecht, Schnitzler of Tucholsky meer of minder grondig bestudeerd hebben, maar meestal blijft het daarbij. In de scholen staan Max Frisch ("Andorra") en Dürrenmatt ("Die Physiker") op het programma omdat ze actuele problemen illustreren. Nog erger is het gesteld met het vak godsdienst. De grote wereldreligies worden niet aan de scholieren voorgesteld - dat was nooit het geval, maar vandaag de dag is dat erg; maar ook de Bijbel is in grote mate onbekend.

Nu zou men kunnen menen dat in onze tijd de natuurwetenschappen literaire, historische en religieuze thema's met meer of minder recht verdrongen hebben. Maar wie de huidige natuurwetenschappelijke leerboeken eens doorbladert, zal bemerken dat die natuurwetenschappen geen toegang tot de natuur verlenen, geen begrijpen, maar in de regel worden hoogtheoretische modelvoorstellingen aangeboden: complexe beelden van atomen, electronen, neutronen, ionen, anionen, chromosomen - allemaal zaken die een leerling zo vlug mogelijk weer vergeet zonder dat hij zich ermee kan verbinden, tenzij hij heel speciaal geïnteresseerd is. Dit inflatie-onderwijs zonder kop eindigt in oriënteringsverlies voor de leerling, en tenslotte in geestelijk analfabetendom. Want natuurlijk kent ieder naar zijn keuze filmsterren, popidolen, voetballers en alle reclamedeuntjes van de televisieprogramma's, men weet hoeveel in-line-skates kosten en waar men goedkoop Dr. Martens schoenen kan kopen; het eigenlijke gespreksthema, dat is vanzelfsprekend de vacantie - wee diegene die nog niet in Florida was.

Frankrijk als voorbeeld

Eén land in Europa probeert deze ontwikkeling niet mee te maken en houdt vast aan het klassieke onderwijscanon, omdat dit een culturele identiteit aanreikt; omdat men meent dat culturele communicatie zonder kennis van historische bijbetekenissen niet mogelijk is : Frankrijk.

Frankrijk, dat zich verbitterd weert tegen de Amerikaanse invloed, blijft zweren bij de overlevering van de traditie, en de Franse scholieren studeren nog altijd hun Lagarde/Michard "Les Grands Auteurs van Rabelais en Montaigne tot Proust en Camus". Vive la France !

*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
.

Lucifer en Ahriman

De mens kan op twee manieren afdwalen van de weg die hij moet volgen, hij kan teveel naar het aardse neigen, of teveel naar het geestelijke.
Dat heeft te maken met de werking van twee wezenheden, over wie we het in dit tijdschrift al vaker hadden, nl. Lucifer en Ahriman.

[ .. ]

"Deze twee mogelijkheden (om af te wijken - vert.) ontstaan doordat naast de machten die tot de normale orde der hiërarchieën behoren, andere wezens bestaan. We hebben eerst de elementaire wezens in de drie natuurrijken, dan de mens, daarna de hogere hiërarchieën waarvan men in de zin van de echte geesteswetenschap zegt dat ze er zijn in hun "kosmische tijd"; maar daarnaast zijn er andere wezenheden die op een bepaalde manier hun wezen niet te rechter tijd ontplooien. Dat zijn de luciferische en ahrimanische wezenheden over wie we vaak gesproken hebben, en waarvan u zich reeds een voorstelling gemaakt heeft: de luciferische wezenheden zijn in feite wezens die zoals ze zich nu voordoen, eigenlijk in een vroeger kosmisch stadium zouden moeten geleefd hebben. Daarentegen zijn de ahrimanische wezens zoals ze zich nu uitleven, bestemd om in een latere kosmische periode op te treden. Achtergebleven kosmische wezenheden zijn de luciferische wezens, te vroeg gekomen wezens zijn de ahrimanische wezens.
De luciferische wezenheden hebben verzuimd de tijd mee te maken die hun enigszins toegemeten was; ze zijn er niet toe gekomen omdat ze verzuimd hebben de ontwikkeling ten volle mee te maken. Aldus onthullen ze zich vandaag, als ze zich openbaren, als teruggebleven op een vroegere ontwikkelingstrap.
De ahrimanische wezenheden kunnen, als we het zo mogen uitdrukken, niet wachten om op een later tijdstip van de kosmische ontwikkeling datgene te worden waarvoor ze een aanleg hebben. Ze willen het nu reeds zijn. Daardoor verharden ze in het tegenwoordig bestaan en tonen ze zich ons in de gestalte die ze eigenlijk pas in een latere ontwikkeling van het kosmisch leven mogen hebben.

Als men uitkijkt naar de verten van de kosmos, en naar -ik zou zeggen- het ensemble der sterren dat zich vertoont kijkt: wat is dit uitzicht ? Waarom hebben wij zo'n beeld ? Wij hebben dit bijzonder uitzicht, het zicht op de melkweg en op de rest van de sterrenhemel omdat dat de openbaring is van de luciferische wezens van de wereld. Wat ons zo op een bepaalde manier lichtend, stralend omgeeft, is de openbaring van de luciferische wezens van de wereld; het is datgene dat nu zo is omdat het op een vroegere trap van het bestaan is achtergebleven. En als we over de aardbodem wandelen, de harde aardbodem, dan heeft deze vaste aardbodem zijn vastheid, zijn hardheid, omdat daarin op een bepaalde manier ahrimanische wezens zijn samengebald, wezenheden die de trap waar ze nu onnatuurlijkerwijze gaan op staan eigenlijk pas op een later ogenblik in hun ontwikkeling mogen innemen.
Daardoor bestaat dan ook de mogelijkheid, door ons in de zintuiglijke wereld te begeven, dat wij ons door de aanblik van het hemelgewelf altijd meer en meer luciferisch maken. Dus, als wij in het leven tussen geboorte en dood de neiging hebben om ons over te geven aan het aanschouwen van het hemelsaspect, dan betekent dat eigenlijk niet direct iets, het betekent dat ons als instinct iets gebleven is uit de tijd die we doorbrachten in de geestelijke wereld vóór de geboorte of de conceptie, toen we met de sterren leefden. We zijn daar te sterk verwant geworden met de kosmische wereld. We begonnen teveel te gelijken op deze kosmische werelden, en daardoor is ons uit deze werelden de neiging gebleven, die niet als een bijzonder sterke neiging optreedt, om vooral op te gaan in de zintuiglijke aanblik van de sterrenwereld. Wij ontwikkelen deze neiging, wanneer we door ons karma -dat wij in ieder geval op ons laden tussen geboorte en dood- de tijd tussen dood en een nieuwe geboorte te sterk verslapen, wanneer we te weinig neiging ontwikkelen om daar een vol bewustzijn te hebben.

Het andere daarentegen, het opgaan in het aardse leven, dat is iets dat wij direct hier tussen geboorte en dood ontwikkelen. Dat is de eigenlijke ahrimanische mogelijkheid in het leven van de mens. De luciferische mogelijkheid hangt dus eigenlijk samen met hetgeen we onszelf aandoen door een verwantschap met de schijn-geesteswereld; en de ahrimanische verwantschap die wij opdoen, komt doordat we tussen geboorte en dood een te grote neiging ontwikkelen tot wat ons als uiterlijke zintuiglijke wereld omgeeft. Als we in dat aardse te sterk ingroeien, als we op een bepaalde manier zo sterk in dat aardse opgroeien dat we vanuit dat opgroeien in het aardse onze zielstoestand niet kunnen richten naar het bovenzinnelijke, dan treden in ons de ahrimanische verwantschappen op.

Nu heeft dat alles een diepere betekenis voor de ganse ontwikkeling van de menselijke wezenheid. Door tussen dood en een nieuwe geboorte als het ware te verzinken in de geestelijke wereld, en door wat we dan worden als we hier niet het juiste evenwicht vinden tussen geestelijke wereld en materiële wereld, dus doordat we een te sterke verwantschap met het bovenaardse ontwikkelen; als zulke zaken zich dan altijd meer ophopen, dan kunnen we geleidelijk tot een aardebestaan komen - en precies in onze tijd worden die dingen beslissend- , dan kunnen we onder bepaalde omstandigheden reeds in de volgende incarnatie tot een aardebestaan komen, waarin we niet meer kunnen oud-worden. Dat is de ene mogelijkheid die ons kan bedreigen: het niet meer kunnen oud-worden. We kunnen terug geboren worden, en de luciferische machten kunnen ons a.h.w. terughouden in het kind-stadium. Zij kunnen het zo inrichten dat wij niet meer rijp worden. Mensen die zich al te zeer overgeven aan een bepaald soort dweperij, aan onduidelijke mystiek, die een bepaalde afkeer hebben voor klaar omlijnd denken, die verzuimen om klare voorstellingen te ontwikkelen over de wereld, ook mensen die verzuimen innerlijke ziele-activiteit te ontwikkelen, mensen dus die min of meer erop los dromen; die stellen zich bloot aan het gevaar om in de volgende incarnatie niet meer oud te kunnen worden, om kinderlijk in de slechte zin van het woord te blijven.

Het is een luciferische impuls die op die manier in de mensheid gaat werken. Daardoor zouden deze mensen in de volgende incarnatie niet volledig in het aardse leven kunnen onderduiken. Ze zouden zich a.h.w. niet genoeg uit de geestelijke wereld wagen om in het aardse leven binnen te treden. De luciferische machten die eens een verbinding met onze aarde hebben aangegaan, streven ernaar om in de mensen dusdanige instincten wakker te roepen dat de aarde-ontwikkeling eens zou komen tot een stadium waarin de mensen kinderen zouden blijven, waarin de mensen niet oud zouden worden. De luciferische machten zouden het zo ver willen brengen dat er op aarde geen grijsaards meer zouden rondlopen, maar mensen die, bevangen door een soort jeugdheidswaan hun leven zouden doorbrengen. Daardoor zouden deze luciferische machten de aarde ertoe brengen om altijd meer en meer als ganse planeet één lichaam te worden dat ook één gemeenschappelijke ziel zou hebben waarin de afzonderlijke zielen opgaan. Een gemeenschappelijk zielewezen en een gemeenschappelijk lichaamswezen, dat is wat Lucifer voor de ontwikkeling van de aarde nastreeft: a.h.w. een groot organisch wezen uit de aarde te maken met een gemeenschappelijke ziel waarin de afzonderlijke zielen hun individualiteit verliezen.*


naar Brug 12

Als u zich herinnert, wat ik reeds meermaals uiteengezet heb, dat datgene waar het op aan komt in de ontwikkeling van de aarde, niet ligt in het minerale, niet in het plantenrijk, niet in het dierenrijk, want dat is in de grond allemaal afval van de ontwikkeling; maar waar het op aan komt, dat speelt zich eigenlijk af binnen de grenzen van de menselijke huid, en binnen de organisatie van de mens liggen de krachten die de ontwikkelingskrachten van onze planeet uitmaken; u begrijpt dan ook dat hetgeen van de aarde gaat worden, niet kan afgeleid worden uit voorstellingen over de fysieke wereld; dit soort voorstellingen hebben slechts een beperkte interesse voor ons. Een voorstelling van wat er van de aarde gaat worden verkrijgen we alleen als we de menselijke wezenheid zelf kennen.
Deze menselijke wezenheid kan echter een verbinding, een krachtverwantschap aangaan met de luciferische macht die zich met de aarde verbonden heeft, en dan kan de aarde a.h.w. te weinig geïndividualiseerde wezens dragen; ze kan meer een totaalwezen worden, een onbestemd totaalwezen met een gemeenschappelijke zielekwaliteit. Dat is wat de luciferische machten nastreven.
Neemt u eens het beeld dat menig "diepzinnig" mysticus zich van de toekomstige toestand die hij zou wensen, maakt: die wordt zo geschilderd dat ze zouden willen opgaan in het Al, dat ze hoogstens willen verdwijnen in een soort pantheïstisch geheel. Zo kunt u al iets waarnemen van de luciferische neiging die in vele mensenzielen leeft.

Anderzijds hebben ook ahrimanische wezens een verbinding met onze aarde aangegaan. Zij vertonen een tegengestelde tendens. Zij werken vooral door de krachten die ons organisme aantrekken tussen geboorte en dood, die ons organisme volledig doordringen met geestelijkheid, t.t.z. die ons altijd meer en meer intellectualistisch maken, ons altijd meer en meer met verstand doordringen. Want van de verbinding van de ziel met het fysieke lichaam hangt onze wakkere intelligentie af, en als deze hypertrofieert, als ze te sterk wordt, dan beginnen we teveel gelijkenis te vertonen met het fysieke bestaan, dan verliezen we eveneens het evenwicht. Dan treedt de neiging op die de mensen verhindert om in de toekomst op de juiste manier af te wisselen tussen aardeleven en geestelijk leven tussen dood en nieuwe geboorte.

Dat is wat eigenlijk Ahriman nastreeft: de mens ervan weerhouden op de juiste manier in zijn verder bestaan door aardelevens en bovenzinnelijke levens te gaan. Ahriman zou de mensen er willen van weerhouden om toekomstige incarnaties door te maken. Hij zou willen dat de mens reeds in deze incarnatie alles kan meemaken wat hij op de aarde kan meemaken. Dat kan men echter alleen intellectueel, dat kan men niet als ganse mens. Maar de mogelijkheid bestaat dat de mens zo vernuftig wordt, dat zijn vernuft hem toelaat zich voorstellingen te maken van al wat er op aarde nog zou kunnen gebeuren. Het is trouwens ook een ideaal van vele mensen om met hun verstand alles te kunnen vatten wat er op aarde nog zou kunnen voorvallen. Maar de belevenissen die men in toekomstige levens zal meemaken, die kan men niet vatten; men kan in dit leven slechts de beelden vatten, de intellectuele beelden die zich dan verharden in het fysieke lichaam. En dan bekomt men een diepe afkeer om nog verdere incarnaties te moeten meemaken. Men ziet er zelfs een soort zaligheid in om niet meer te willen verschijnen op aarde.

Vooral in het decadente Morgenland -ik heb reeds vaker uiteengezet hoe de cultuur van het Morgenland in de decadentie is gekomen- kan Ahriman deze dwaalweg aangeven. Hoewel de Oosterlingen in hun innerlijk meer beheerst worden door luciferische machten, toch kan Ahriman hun wezen benaderen en hij kan hen, juist doordat ze door luciferische machten ingepalmd zijn, de neiging inplanten om in een bepaalde incarnatie het aardse leven te willen afsluiten. Bepaalde leermeesters van de mensheid die in Ahrimans dienst werken, kunnen het zelfs als een ideaal voorhouden dat de mens er moet naar streven om in een bepaalde incarnatie, voordat de aarde zelf aan haar einddoel is geraakt, het aardebestaan af te sluiten en het fysieke bestaan niet meer te moeten betreden.

Bij al hetgeen opduikt in bepaalde theosofische leerstellingen die op een slaafse manier zaken uit het huidige decadente Morgenland overnemen, treft men ook de overtuiging aan, die nooit in de antroposofie werd overgenomen, dat het zelfs een bijzondere graad van volmaaktheid voor een mens is als hij niet meer in een aards leven moet verschijnen. Dat is een ahrimanische influistering. Door deze ahrimanische influistering wordt echter in de grond ook iets vreselijks veroorzaakt. Door deze ahrimanische influistering zou de aarde nu niet een uniform groot organisme met een uniforme zieletoestand worden, zoals Lucifer dat zou willen, maar de aarde zou zich integendeel kunnen overindividualiseren. De mensen zouden dan op een trap van ahrimanische ontwikkeling terecht komen dat ze nog wel zouden sterven, maar het vreselijke zou zich voordoen dat de mensen, na hun dood, zoveel mogelijk aarde-gelijkend zouden worden, ze zouden aan de aarde blijven kleven, zodat de aarde zelf slechts een verzameling van afzonderlijke, individuele mensen zou worden. De aarde zou a.h.w. een kolonie van afzonderlijke, individuele mensenzielen worden.
Dat is wat Ahriman voor de aarde in petto heeft: de aarde geheel en al een afdruk van deze intellectualiteit te maken, ze gans te verintellectualiseren. Vandaag moet de mensheid inzien dat het lot van de aarde van de wil van de mens zelf afhangt. De aarde zal worden wat de mens van haar maakt. De aarde zal niet worden wat fysieke krachten uit haar maken. De fysieke krachten zullen oplossen, zullen geen betekenis hebben voor de toekomst van de aarde. De aarde zal datgene worden wat de mens van deze aarde maakt." [ ... ]



*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
.

Ahriman en intelligentie

Het volgende uittreksel, uit de voordracht van 3 augustus 1924, sluit goed aan op het vorige artikel: als de aardse atmosfeer vervuild is, dan is dat een aanwijzing dat ook de geestelijke atmosfeer niet meer helder is.

[ ... ] "Ahriman heeft bepaalde tendenzen in de cultuurontwikkeling in bezit genomen, in zijn dienst gesteld. Bedenkt u toch eens: dat de mensen intelligentie kunnen bezitten, dat is eigenlijk pas mogelijk geworden sinds de 15de eeuw, sinds de bewustzijnsziel in de mensen zit. Want die is eigendom van de mens, die kan zich intelligentie verwerven. Sedert die tijd pas is datgene tot de mens gekomen waarop ze zo geweldig pochen, deze persoonlijk-werkzame intelligentie.
Probeert u maar eens een kleine rekening te maken, -eigenlijk omvat ze iets verschrikkelijk groots, maar dan alleen ruimtelijk- probeert u eens een kleine rekening te maken, mijn beste vrienden: telt u maar in gedachten eens op wat tegenwoordig op één dag door krantenschrijvers over gans de wereld uitgedacht wordt om de kranten te kunnen laten verschijnen; overziet u dat alstublieft eens. Overziet eens dit totaal aan intelligentie dat uit de pennen gekauwd wordt en op papier komt, dan gedrukt wordt enzoverder. Overziet u wat daar aan persoonlijke intelligentie door de wereld vloeit !

En gaat u dan een paar eeuwen terug, gaat u naar de 13de eeuw terug en overziet of daar eigenlijk zoiets te vinden is. Er is helemaal niets te vinden, er is gewoon geen sprake van dat daar iets van te vinden is.
Maar ik wil u nog een opgave voorschotelen. Stelt u zich zo in gedachten eens voor -het is vandaag zondag, er is genoeg gelegenheid voor- hoe vele vergaderingen van West naar Oost over politieke aangelegenheden, om te beginnen over Europa, er gaande zijn, en hoeveel persoonlijke intelligentie daar terug in de atmosfeer van de aarde stroomt. Stelt u zich de 13de eeuw voor: daar deed men het zonder dat alles, geen kranten, geen vergaderingen, dat was er gewoon niet. Als u zich verplaatst naar de 13de eeuw, dan heeft u, kijkend over de wereld, een totaal vrij uitzicht; er zijn daar geen krantenredacties, geen politieke bijeenkomsten. Dat is er allemaal niet, u kijkt overal vrij door. Vandaag kijkt u en overal klotsen persoonlijk-intelligente golven. Die zijn er, daar kunt u niet doorheen kijken, men kan de lucht snijden, in het geestelijke. Net zoals in vele zalen, waar ieder zijn pijp of sigaar rookt, men de lucht kan snijden, zo is het op geestelijk gebied ook met de lucht.
[...]

Al deze dingen die de laatste eeuwen opgedoken zijn, wat is dat ? Dat is geestelijk voedsel voor ahrimanische machten. Die hebben dan de mogelijkheid om precies op dit gebied strijd te leveren. Daardoor zijn de mogelijkheden van Ahriman om in de grijpen in de beschaving altijd machtiger en machtiger geworden.
Geesten als Ahriman zijn er natuurlijk niet om in een fysiek lichaam op aarde te incarneren, maar ze kunnen toch op aarde werkzaam zijn: zij kunnen actief worden op aarde, weliswaar niet door te incarneren, maar wel door voor een bepaalde tijd te incorporeren, te werken met de capaciteiten van een mens vanuit die mens.
Het zal mijn opdracht zijn om precies over deze praktijk van Ahriman te spreken. En ik zou willen aantonen hoe Ahriman bvb. nog niet zo heel lang geleden als schrijver is opgetreden ... "
[ ... ]

Ahriman als schrijver

In de vorige Brug zagen we dat in de vorige eeuw in de geestelijke wereld een scheiding plaatsvond tussen de engelen. Een deel bleef aan de zijde van Michaël, een ander deel scheidde zich af. Ahriman gaat nog actiever worden en meer rechtstreeks ingrijpen. Daartoe gebruikt hij die afgescheiden engelwezens.

[ ... ] "Ziet u, het is zo dat de wezens uit de hiërarchie der angeloi die zich met het aarde-principe verenigd hebben, eigenlijk reeds sedert de 9de, 10de eeuw op aarde leven. En dit is weeral eens het schokkende, beste vrienden: op aarde neemt het materialisme toe, en het zijn precies de meest vergevorderde, de verstandigste mensen die het geestelijke loochenen, die beginnen te spotten over het feit dat geestelijke wezens evenzeer in hun omgeving leven als de fysieke mensen. In deze tijd, waar het materialisme zich altijd meer uitbreidt, dalen meer en meer engelen af en gaan leven op aarde. Ze doen mee. Juist zij zijn het die zich op bepaalde tijdstippen, als het menselijke bewustzijn verduisterd is, incorporeren en op aarde actief worden. Een groot aantal engelwezens houdt zich terug, maar zij die door hun engelkarma het dichtst bij de ahrimanische krachten staan, die houden zich niet terug, die incorporeren zich in mensen, duiken in een mens onder op bepaalde tijdstippen.

Dan ontstaat wat ik in de vorige voordracht beschreven heb: daar is dan zo'n mens op aarde, hij heeft een menselijke begaafdheid, menselijke intelligentie die hij uitleeft, misschien zelfs op een geniale manier; maar op een bepaald ogenblik waar zijn bewustzijn verduisterd is, neemt een ahrimanische engel-intelligentie bezit van hem.. En dan kan het volgend verschijnsel zich voordoen: daar is een mens, hij ziet eruit als een gewone mens en vanuit zijn menszijn schrijft hij een en ander. Nu kan het ahrimanische juist de mensen bereiken door wat in een intelligente vorm kan opgenomen worden. Men moet zijn persoonlijkheid laten gelden, als men niet wil overspoeld worden door al wat ik in de loop van deze voordrachten heb aangeduid. En daardoor komt het dat Ahriman als auteur kan optreden. Hij bedient zich natuurlijk van een angeloswezen. Hij kán schrijven. En nu wij in het teken van onze "Kerstconferentie" verenigd zijn, nu mag over dergelijke zaken niet gezwegen worden. Daarom zou ik nog het volgende willen bemerken.

Ziet u, één van de briljantste schrijvers van de laatste tijd, die kon men heel anders beoordelen, vóór zijn laatste werken dan verschenen zijn. Toen ik mijn boek schreef over Nietzsche stond hij publiekelijk bekend als een schitterend auteur, die de menselijke vermogens ten top had gedreven. Achteraf geraakte bekend wat Nietzsche gedurende de tijd van zijn ineenstorting geschreven had. Dat zijn vooral twee werken, "Antichrist" en "Ecce Homo": dat zijn twee werken die Ahriman geschreven heeft - niet Nietzsche, maar een ahrimanische geest, geïncorporeerd in Nietzsche. Daar trad voor het eerst Ahriman als schrijver op aarde op. Hij gaat dat nog doen. Nietzsche is eraan ten gronde gegaan. Denk u in tegenover welke impulsen men staat als men tegenover de ideeën staat die in Nietzsche geleefd hebben in de periode toen hij vanuit die geest die schitterende maar duivelse werken schreef, de boeken "Antichrist" en "Ecce Homo" - intelligente werken ! Ik heb gesproken over de grote, omvattende intelligentie van Ahriman. Iets dat uitmuntend, schitterend is, vermindert men niet in waarde door het ahrimanisch te noemen; zoiets denken simpele lieden die niet weten wat een grootsheid er in Ahriman kan schuilen. Men kritikeert niet, men looft niet als er van Ahriman sprake is; zeer veel op aarde hangt van hem af.

Wie gebloed heeft -in zijn ziel, bedoel ik dan- zoals ik gebloed heb toen ik voor het eerst Nietzsches "Wille zur Macht" las, dat later uitgegeven werd op zo'n manier dat niemand er een juiste voorstelling kon van krijgen, en wie tegelijkertijd kan schouwen in de rijken die -sinds de heerschappij van Michaël begon, in de jaren 80 van de vorige eeuw- slechts door een heel dunne wand gescheiden zijn van de fysieke aarderijken; wie weet hoe dat rijk onmiddellijk grenst aan het fysieke rijk, zodat men kan zeggen dat dat rijk gelijkt op het rijk dat de mens doorloopt na zijn dood; wie doorziet welke inspanningen er in deze richting zijn gedaan: die weet hoe deze inspanningen impulsgevend tot uitdrukking komen in zoiets als "Ecce Homo" en "Antichrist". Men hoeft er slechts aan te denken wat voor ahrimanische uitlatingen er in de "Antichrist" staan. Ik weet niet of het in de nieuwere uitgaven ook zo staat. Ergens schrijft hij over Jezus -ik citeer niet woordelijk- en hij zegt dat Renan Jezus als een genie omschrijft. Nietzsche ziet in hem geen genie, hij zegt: Strict fysiologisch zou hier een ander woord beter passen . . . In mijn uitgave van Nietzsches werken staan op deze plaats drie puntjes, ik weet niet of dat in de nieuwste uitgaven ook zo is, maar in het manuscript staat hier "idioot", voluit geschreven. Dat Jezus een "idioot" genoemd wordt, dat is de hand van Ahriman. En nog veel meer van dit soort zaken staat daar. En wie zou niet geloven dat daar in Nietzsche die, terzelfdertijd dat hij die dingen schreef een neiging tot het katholicisme in zijn ziel voelde -dat ging parallel, u moet dat niet vergeten- wie zou niet geloven dat daar een diep raadsel verborgen zit ?

De "Antichrist", met welke woorden eindigt het ? Met de woorden -ik kan het niet letterlijk citeren-: "Ik zou het op alle muren willen schrijven, en ik heb schrijfgerief met vér-schijnende letters, ik zou op alle wanden willen schrijven wat het Christendom is: het Christendom is de grootste vloek voor de mensheid ! "- Zo eindigt het boek. Daar zit toch een probleem. Men moet alleen maar zien hoe dat ganse rijk dat maar met een dunne wand van het onze gescheiden is, waar zich alle geestelijke conflicten op het einde van het Kali-Yuga-tijdperk, en zelfs voor een deel daarna afgespeeld hebben, hoe dat rijk in het fysieke aardenrijk wil binnendringen."
[ ... ]




*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
.

Liefde

"All you need is love" zongen de Beatles in 1968, en daarmee brachten zij op hun manier een boodschap aan een generatie, zoals andere soorten predikers dat op hun manier gedaan hadden. De oorlogen die sindsdien gevoerd zijn bewijzen dat ook de Beatles even weinig succes hadden met hun slogan als hun ernstiger voorgangers of tijdgenoten. In onze tijd kan liefde alleen uit inzicht ontstaan, zo betoogt Rudolf Steiner.

[ .. ]

" In zekere zin hangt wat wij nu meemaken ( de eerste W.O. - vert.) samen met de diepste impulsen der mensheidsontwikkeling in onze tijd. Ik heb reeds dikwijls gezegd: waarom beoefenen wij antroposofie ? Wij beoefenen haar omdat ze een wereldopdracht is, iets dat door de geestelijke wereld van de mensheid geëist wordt. Er moeten aan de mensheid een aantal imaginaties meegedeeld worden; de mensen moeten in de loop van de komende tijd een aantal geestelijke waarheden opnemen. Het is nu eenmaal zo beschikt in de gang van de mensheidsontwikkeling. Dat staat natuurlijk in tegenspraak, in een echte tegenspraak, in een conflict daarmee, dat de mensen slechts langzaam aan rijp moeten worden, en dat dat traag gaat. Maar de imaginaties willen in de mensheidsontwikkeling binnendringen. Er wil daar iets in de mensheidsontwikkeling in, dat, ik zou zeggen, een stuk boven het fysieke plan ligt, dat hoger ligt. De mensen wijzen dat tegenwoordig nog af, ze wijzen het in de allergrootste mate af. Daardoor verschijnt het tegenbeeld. En het tegenbeeld van imaginaties zijn passies, zijn emotionele ontladingen, die uit de diepte van de mensennatuur opstijgen, die even diep ónder het fysieke plan liggen als de imaginaties erboven liggen.

Als wij vandaag de mensen elkaar zien te lijf gaan met haat, met werkelijke onwaarheden - wat zijn die haat en die onwaarheden ? Het zijn spiegelbeelden van de imaginaties die naar boven willen komen, en die nu in zulk een vorm verschijnen omdat de mensen er zich tegen verzetten. Wat op een bepaalde hoogte bóven het fysieke plan ligt, dat komt als zijn omwerkingsproduct, als iets dat even ver ónder het fysieke plan ligt; dat moet zijn loop hebben. Ook dat kunnen we zien liggen in het algemene mensenkarma, wat tegenwoordig op deze wijze op zo'n onheuglijke manier geschiedt.

Waarom moet het dan precies nu zijn, in ons tijdperk, dat de mensen een zeker aantal spirituele waarheden moeten ontvangen ? Daarover kunnen we als volgt een antwoord geven.

Er zijn twee mogelijkheden. Ofwel heeft de mens een zekere zin voor spirituele waarheden, hij heeft er een oor naar en neemt ze op in hart en ziel, zodanig dat hij antroposoof wordt, zoals men in onze tijd antroposoof kan worden. Ofwel doet zich het andere geval voor, dat de mens de spirituele waarheden afwijst, bvb. door te zeggen dat het allemaal baarlijke nonsens zijn, die uit de hoofden van enkele imbeciele fantasten ontspringen, die beter hun tijd met iets nuttiger zouden doorbrengen.

Nu, als de mens door de poort van de dood gaat, dan treedt hij vanzelfsprekend in de geestelijke wereld binnen. En als iemand zou vragen : treedt men misschien alleen maar de geestelijke wereld binnen als men zich tussen geboorte en dood een weten verwerft van deze geestelijke wereld ? - dan zou men hem in zekere zin kunnen zeggen: vanzelfsprekend komt ook diegene in de geestelijke wereld die niets van deze wereld kent; heel vanzelfsprekend komt die er ook in.

Maar wat is het verschil tussen deze beide mensentypen ? Het onderscheid is aanzienlijk. [ ... ] De mens die door de poort van de dood gaat zonder zich te hebben bekommerd om het spirituele in onze tijd op te nemen, geeft zijn ziel aan de hogere werelden bijna zoals hij ze gekregen heeft toen hij bij zijn geboorte in het fysieke bestaan terecht kwam, en de hogere werelden hebben niets aan hem, behalve wat ze hem bij zijn incarnatie gegeven hebben.

Wie echter niet alleen door geloof, maar ook door een inleven in de geestelijke wereld, zich hier iets toeëigent van wat hij uit de geestelijke wereld kan bekomen, die geeft bij zijn dood zijn ziel niet aan de geestelijke werelden zoals hij ze bij zijn geboorte ontvangen heeft; hij geeft de bovenzinnelijke werelden ook wat hij zich hier verworven heeft aan begrippen, voorstellingen, belevingen, en dat is niet alleen van hem, maar dat hoort toe aan de bovenzinnelijke wezenheden. Wie dat niet meebrengt, leeft zich natuurlijk ook in in de geestelijke wereld, maar die draagt niets bij tot de vooruitgang van de mensheid. Zou men altijd zo geleefd hebben, of vanaf een bepaald tijdstip zo beginnen leven, dan zou er geen vooruitgang tot stand zijn gekomen of de mensheid zou vanaf een bepaald tijdstip zo gebleven zijn zoals ze was. Dat er vooruitgang, een verdere ontwikkeling plaatsgrijpt, dat zielen altijd iets nieuws kunnen vinden wanneer ze in een nieuwe incarnatie de aarde betreden, dat hangt ervan af of ze de gelegenheid hebben om datgene wat de bijzondere opdracht van de tijd is, in zich op te nemen.

Uiteindelijk is het een soort besluit of men een verhouding met de geestelijke wereld aangaat, of niet. Iemand zou bvb. kunnen zeggen: wat kan mij de ganse menselijke vooruitgang schelen ? Wat kan mij de aarde-ontwikkeling schelen ? Voor mijn part mag de aarde stilstaan ! Ik kan ook zonder dat verder leven. Wie geen echte liefde koestert, geen interesse voor de wereldvooruitgang heeft, die kan zo praten. Wie echter liefde voor de mensenvooruitgang als hoogste plicht in zich draagt, die kan deze keuze niet maken. Ook op dit gebied heerst er vrijheid. Daarom zullen vanzelfsprekend zielen alleen in vrijheid en uit liefde voor de ware menselijke vooruitgang en het heil van de mensen tot de antroposofie komen. Men kan dus ook niet eens alleen uit egoïsme antroposoof worden; want als men het wordt dan draagt men iets tot de vooruitgang bij, waar men zich anders zou aan onttrekken. Men werkt dus in liefde, niet alleen voor zichzelf, maar voor iets anders.

Dat is het wat ik altijd wil laten doorschemeren in alle uiteenzettingen over de geesteswetenschap die wij zoeken: dat deze wetenschap een levendige, een actieve kracht is. Ik spreek niet van het schouwen, ik spreek van deze wetenschap; het schouwen levert alleen de resultaten. Ik heb het over het zich inleven in die resultaten door de mensen. Geesteswetenschap is iets levendig, iets actief, iets dat zich inleeft in de zielen, iets dat werkt en schaaft aan onze zielen. Daarom heb ik dikwijls de volgende vergelijking gebruikt: zo alleen maar van liefde spreken is hetzelfde alsof men voor een kachel zou gaan staan en zou preken dat ze moet warmte geven omdat dat haar plicht als kachel is. Hoe schoon de preek over haar taak als kachel ook is, zij zal er geen warmte door geven. Maar zij zal warm worden als men er hout insteekt en dat doet branden.

En zo is het in de grond met al het gepreek over mensenliefde, en dit gepreek heeft bij de mensen evenmin succes als bij de kachel. Uiteindelijk heeft men te allen tijde gepreekt en het resultaat, dat kunnen we wel vaststellen. Maar wat niet alleen een weten is van de geestelijke wereld, wat niet slechts voorstelling, woord is, maar wat in woord iets levendig is, iets werkend, dat is het hout dat wij onze ziel geven, en dat brandt als het op de juiste manier door onze ziel wordt opgenomen. Precies door uiteenzettingen als die van vandaag kan men dat leren; daar onvlamt inzicht, daar wordt inzicht liefde, want de mens wordt veranderd door het geestesleven dat in zijn diepten, in zijn fundamenten begrepen wordt. Deze verandering is voor de mens zelfs heel ongemakkelijk; hij stoot de spirituele waarheid af en zou liever blijven staan bij de maja." [ ... ]

*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
.

Nogmaals over het temperament

"Hoe verkrijgt men bewustzijn op hogere gebieden ?"
Als men dit bekende boek van Rudolf Steiner leest, dan krijgt men de indruk alsof iedereen zomaar dit hogere bewustzijn zou kunnen bereiken. Rudolf Steiner stelt het trouwens zelf zo expliciet: iedereen die het echt wil, die kan het. Zijn bedoeling is natuurlijk om niemand op voorhand af te schrikken of te ontmoedigen.

In de praktijk echter zijn er vele belemmeringen, en af en toe gaat Rudolf Steiner daar dieper op in. Zo kan bvb. ons eigen temperament al een eerste, nauwelijks te overwinnen hindernis betekenen.

In de cyclus "Innerlijke ontwikkeling door antroposofie" die in 1913 in Den Haag gehouden werd, heeft hij het over hoe bepalend ons temperament is bij het willen bereiken van een hoger geestelijk niveau.

[ ... ]

"Iets anders, dat ook met het etherlichaam verbonden is, maar dieper ligt, wordt nu bemerkbaar. Voorheen was dit ook al mogelijk, doch niet zo duidelijk. Dat is het temperament. Door de veranderingen van het etherische lichaam wordt de antroposoof gevoeliger voor zijn eigen temperament. Laten we beginnen met een temperament, waarbij dit het duidelijkst tot uiting komt: het melancholische.

De melancholicus, die niet tot de antroposofie is gekomen, is iemand die mopperend door de wereld gaat, boordevol afbrekende kritiek, veel sterker onderhevig aan sympathie en antipathie dan bijvoorbeeld een flegmaticus.

Nu bestaan er allerlei graden van melancholie en wanneer iemand met zo'n melancholisch temperament -of hij nu een onaangename mopperaar is, die de gehele wereld afwijst vol verachting en haat, of iemand die slechts iets gevoeliger is voor de verschijnselen van deze wereld- aan een geestelijke ontwikkeling begint, dan zal hij juist op grond van dit temperament zijn etherlichaam gaan ervaren. Het samenspel van krachten, waardoor de melancholie in hem veroorzaakt wordt, gaat hij duidelijk in zichzelf waarnemen. Terwijl hij zijn ontevredenheid voordien slechts richtte tegen de indrukken uit de wereld buiten zich, begint hij thans deze ontevredenheid tegen zichzelf te keren.

Een eerste vereiste bij een geestelijke ontwikkeling is, zorgvuldig zelfkennis te oefenen en zich te realiseren, dat door dit oefenen een melancholicus in staat gesteld wordt de optredende veranderingen rustig en gelaten te aanvaarden. Zoals hij eerst tegen de wereld was, zo begint hij nu zichzelf te bekritiseren en niets meer aan zichzelf goed te keuren.

Men kan deze dingen slechts juist beoordelen, wanneer men hetgeen onder temperament verstaan wordt, op de juiste wijze beziet. Een melancholicus is alleen daarom een melancholicus, omdat bij hem het melancholische temperament overheerst. Want in wezen heeft iedere mens alle vier temperamenten in zich. Een melancholicus is ten opzichte van bepaalde dingen flegmatisch, van andere sanguïnisch, en van weer andere cholerisch. Het melancholische heeft slechts de overhand boven de andere drie. Zo bezit ook de flegmaticus eveneens alle andere temperamenten, doch het flegmatische temperament heeft in zijn ziel de overhand, terwijl de andere temperamenten zich meer op de achtergrond houden. En zo is het ook bij de overige temperamenten.

Zoals nu de verandering van het etherische lichaam bij de uitgesproken melancholicus optreedt, dat hij zich met zijn melancholie om zo te zeggen tegen zichzelf keert, zo treden ook veranderingen en nieuwe gevoelens ten opzichte van de andere temperament-eigenschappen naar voren. Door een wijze zelfkennis te oefenen kunnen de schadelijke invloeden van het overheersende temperament worden opgeheven, doordat ook de overige temperamenten worden ontwikkeld. Men moet wel onderkennen hoe deze veranderingen ten opzichte van de andere temperamenten optreden en hoe zij elkaar in evenwicht houden.

Laten wij aannemen dat een flegmaticus antroposoof wordt, waartoe hij weliswaar moeilijk te bewegen zal zijn. Maar laten we aannemen dat hij een echte goede antroposoof wordt. Dit is stellig niet onmogelijk, want soms staat een flegmaticus machteloos tegenover sterke indrukken. Indien hij dan niet al te zeer in de ban is van het materialisnme, is juist het flegmatische temperament niet eens zo'n slechte voorwaarde voor een geestelijke ontwikkeling. Evenwel moet het flegmatische temperament dan niet zo grotesk worden voorgesteld als dit gewoonlijk gebeurt. Wanneer zo'n flegmaticus antroposoof wordt, verandert zijn temperament op een bijzondere wijze. Hij is dan sterk geneigd zichzelf zeer goed waar te nemen en daaronder in het geheel niet te lijden. Deze rustige zelfbeschouwing van het flegmatische temperament is geen slechte voorwaarde voor een geestelijke ontwikkeling, omdat de flegmaticus zich niet opwindt zoals de melancholicus over wat hij bij zichzelf waarneemt. Daardoor gaat zijn zelfbeschouwing in de regel dieper dan die van de melancholicus, die telkens weer wordt geremd door het tieren tegen zichzelf. Wanneer daarom een flegmaticus een ontwikkelingsweg gaat, is hij om zo te zeggen de beste leerling voor een ernstige antroposofische ontwikkeling.

Ieder mens heeft nu eenmaal alle temperamenten in zich. Terwijl het melancholische temperament bij een melancholicus overheerst, bezit hij ook flegmatische kanten. Wanneer een melancholicus antroposoof wordt en men hem op de een of andere wijze leiding kan geven, moet men trachten zijn gedachten te richten op zijn flegmatische kant. Hij zal dan zeker beginnen zichzelf de scherpste verwijten te maken, doch men moet trachten zijn belangstelling te wekken voor hetgeen hem vroeger koud liet. Wanneer dit gelukt, worden de schadelijke gevolgen van de melancholie enigszins teruggedrongen.

De sanguinicus, die uiterlijk beschouwd in zijn leven immers van indruk naar indruk snelt en zich niet gaarne bij één indruk bepaalt, wordt een eigenaardige antroposoof. Merkwaardigerwijze wordt hij op het moment, dat hij antroposoof tracht te worden of dat een ander hem antroposofie tracht bij te brengen, flegmatisch ten opzichte van zijn eigen innerlijk. Dat is een gevolg van de verandering, die in zijn etherische lichaam plaats grijpt. Daarom heeft een sanguïnicus over het algemeen aan zijn temperament geen goed instrument om tot een geestelijke ontwikkeling te komen. Wanneer hij er echter toe komt -en dat gebeurt veelvuldig, omdat hij zich immers interesseert voor alle mogelijke zaken, dus ook wel, zij het niet intensief of langdurig voor antroposofie- dan moet hij tot een soort zelfbeschouwing komen. Behalve een enkel ding, dat niet bijzonder diep gaat, is hij echter maar weinig geïnteresseerd in zijn eigen innerlijk. Hij ontdekt allerlei interessante eigenschappen in zichzelf en is daarmee tevreden. Hij spreekt heel graag over deze interessante eigenschappen, vergeet echter direct alles weer, ook wat hij aan zichzelf heeft waargenomen. Diegenen die door een kortstondige belangstelling met antroposofie beginnen en weer weglopen, zijn vooral sanguïnisch van aard.

Weer anders is het bij het cholerische temperament. De cholericus zal het slechts bij uitzondering lukken om antroposoof te worden. Als iemand een bijzonder uitgesproken cholerisch temperament bezit, zal hij beslist antroposofie afwijzen en er niets willen van weten. Het kan echter ook zo zijn, dat een cholericus door levensomstandigheden die door zijn karma zijn beïnvloed, tot de antroposofie wordt gebracht. Dan zal hij het moeilijk hebben om veranderingen in zijn etherische lichaam te bewerkstelligen, omdat juist dit etherlichaam bij hem zo bijzonder ondoorlaatbaar en moeilijk te beïnvloeden is. Het etherische lichaam van een melancholicus -vergeef mij de alledaagse vergelijking- lijkt op een leeggelopen rubberbal: wanneer men die indeukt, blijft de deuk lang zitten. Het etherlichaam van een cholericus is als een stevig opgepompte rubber bal: als getracht wordt hem in te drukken, lukt dat niet en bovendien geeft hij nog een flinke tegendruk. Het is stug en weerbarstig.

De cholericus heeft het daarom erg moeilijk met het omvormen van zijn etherische lichaam en hij stoot dan ook van meet af aan de geestelijke ontwikkeling die hem moet veranderen, terug. Hij kan om zo te zeggen geen vat op zichzelf krijgen.

Doch wanneer de cholericus met de ernst des levens geconfronteerd wordt of wanneer hij een lichte melancholische ondertoon in zijn cholerische temperament heeft, kan deze laatste nuance hem ertoe brengen zijn choleriek zo te ontwikkelen, dat hij met man en macht aan zijn weerstand biedende etherlichaam gaat werken. Wanneer het hem dan toch gelukt in zijn etherlichaam veranderingen teweeg te brengen, dan ontwikkelt hij hierdoor een zeer bijzondere eigenschap: hij verkrijgt door zijn geestelijke ontwikkeling het vermogen om uiterlijke feiten zakelijk en exact te formuleren en in hun oorzakelijke of geschiedkundige samenhang onder woorden te brengen.

Nu is geschiedschrijving iets dat in de regel niet door ontwikkelde antroposofen wordt gedaan. Wie echter gevoel heeft voor goede geschiedschrijving, die werkelijk de feiten laat spreken, zal hierin altijd het onbewuste instinctieve begin vinden van wat een antroposoof met een cholerische inslag juist als geschiedschrijver zou kunnnen vertellen of beschrijven. Mensen zoals bijvoorbeeld Tacitus stonden aan het begin van een soort instinctieve esoterische ontwikkeling, vandaar zijn onvergelijkelijk schone beschrijvingen. En indien een ontwikkelde antroposoof Tacitus leest, dan weet hij dat deze buitengewone wijze van geschiedschrijving voortkomt uit een zeer bijzondere bewerking van het etherlichaam door een cholerisch temperament.

Nog duidelijker komt dit tot uiting, indien de auteur een esoterische ontwikkeling heeft doorgemaakt, zoals het geval is met Homerus (ook al zal men dat over het algemeen niet willen geloven). Homerus heeft al zijn grandioze beeldende beschrijvingen te danken aan de wijze waarop zijn cholerische temperament op zijn etherische lichaam heeft ingewerkt.

Zo zouden op dit gebied nog veel meer feiten uit het gewone leven kunnen worden aangehaald om aan te tonen, dat de cholericus zich door een geestelijke ontwikkeling een uitzonderlijke vaardigheid eigen maakt om de werkelijkheid en de oorzakelijke innerlijke samenhangen in de wereld te beschrijven. Wanneer iemand met een cholerisch temperament een geestelijke ontwikkeling doormaakt, dan dragen zijn beschrijvingen reeds het karakter van waarheid en waarachtigheid." [ ... ]

*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
.

Rudolf Steiner persoonlijk

Kurt von Wistinghausen was een jonge kerel toen hij in juni 1924 Rudolf Steiner hoorde en zag in Breslau. Na een voordracht, speciaal voor de jongeren, en die eveneens over de Michaël-impuls ging, was er gelegenheid om vragen te stellen:

[ ... ] "Toen in de vragenbeantwoording, die reeds op 9 juni zo lang geduurd had, de vraag gesteld werd naar het juiste geestgerichte beroep en naar een handelen in de zin van de Michaëlsidee, sprak Rudolf Steiner met beslistheid over het inhoudslozer worden van de gewoonlijke beroepen, en van de noodzaak om naast het beroep een weg te vinden naar de krachtbron die het leven vorm geeft. In deze context kwamen de grandioze Michaëlsfeesten ter sprake die hij, Dr. Steiner, voor de toekomst op het oog had, maar die hij vast en zeker zou weerhouden zolang in de antroposofische beweging de kracht niet aanwezig was om dat feest "op een waardige manier" te houden. "Als het op een waardige manier gehouden wordt, dan zal het grote impulsen in de mensheid laten invloeien".

Terwijl Rudolf Steiner van die toekomstige "feesten van hoop en verwachting" sprak, werd zijn gestalte voor de ogen van de aanwezigen kaarsrecht, zijn blik richtte zich over onze hoofden weg als naar de verte en kreeg een stalen glans, die ons als de spiegeling van een wereld scheen, die hij direct aanschouwde. Met verheven stem zei hij dat men bij deze feesten een beeld voor zich zou moeten hebben van "Michaël met leidersogen, met een wijzende hand, met een geestelijk bewapening".

Dat was een ogenblik, zo indrukwekkend dat het bepalend was voor het verdere leven. [ ... ]

Oskar Schmiedel studeerde scheikunde in Nürnberg in 1907. Hij woonde een voordracht van Rudolf Steiner bij in München. Hij vertelt:

"Tijdens een voordracht voor de antroposofen te München legde Rudolf Steiner uit dat edelstenen eigenlijk zintuigorganen zijn van hogere hiërarchieën. Na de voordracht stelde ik de vraag of er bij de fabricatie van synthetische edelstenen dan zintuigen geschapen werden. Daarop antwoorde Rudolf Steiner dat hij dat niet kon zeggen omdat hij nog niet bij zo'n fabricatieproces aanwezig kon zijn om dat waar te nemen.

Na de vragenbeantwoording kwam hij bij mij, klopte mij op de schouder, bijna verontschuldigend, en zei: "Echt waar, ik heb dat nog niet kunnen bijwonen". Dat was een van de zeldzame keren die ik meegemaakt heb dat Dr. Steiner het antwoord op een vraag schuldig bleef. Maar dit geval bevestigde weerom dat hij geen antwoord gaf dat niet steunde op eigen waarneming."

Terug naar de anecdotes.

*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
Terug naar de inhoudstafel .