De Brug 11 van maart 1996

De reïncarnatiegedachte

Jan Vermeir

Tot enkele decennia geleden leefden onze groot- en voorouders aan een min of meer rustig tempo hun leven, en over het algemeen was ook het religieuze gevoel daarin ingebed. Op zeer korte termijn echter zijn de maatschappelijke structuren zodanig complex geworden, dat niemand nog zijn weg daarin vindt. In de loop der laatste tientallen jaren werd ontzaglijk veel geestelijke energie besteed aan materiële uitvindingen en constructies, met het doel de uiterlijke levensstandaard te verbeteren en te vergemakkelijken. Zodoende is de maatschappij één grote automaat geworden, en de mens wil zich daar graag aan aanpassen omdat het nu eenmaal in zijn aard ligt een aangenaam leven te willen leiden: men hoeft zelf niet meer na te denken, noch initiatieven te nemen, men wil zich slechts laten meedrijven volgens het patroon dat de maatschappij ons ter beschikking stelt.

Desondanks leven er nog altijd religieuze impulsen in de harten der mensen, maar ook op het gebied van het religieuze doet de gemakzucht zich gelden. Hoewel de traditionele Kerk haar oude structuren krampachtig probeert in stand te houden, zijn die gedoemd om tenslotte te verdwijnen omdat de mens op zoek is naar geestelijke verruiming, naar religieuze vernieuwing. De mens meent die nieuwe religieuze impuls te kunnen vinden in de schaamteloze orakeltaal van allerhande bedriegers en halve gekken. Deze orakelaars -het is hier al vaker in dit tijdschrift aangehaald- beseffen maar al te goed dat de mens zich ook in zijn ziel behaaglijk wil voelen zonder dat het veel moeite mag kosten, en zij proberen daar harde munt uit te slaan. Geestelijk inzicht kan echter niet afgekocht worden, evenmin bestaat er een gemakkelijke weg om tot zo'n inzicht te komen; tot echte geestelijke bewustwording komen kost moeite, doet pijn en doet lijden. Zulk een weg tot bewustwording geeft de antroposofie aan, maar populair is zij niet, want het kost uitermate veel geestelijke energie alleen al om zich door de antroposofische lectuur te worstelen (om niet te spreken van de scholingsweg zelf). Rudolf Steiner heeft zijn geschriften en voordrachten doelbewust moeilijk gemaakt, niet alleen omdat het antroposofisch gedachtengoed onmogelijk op een vulgariserende manier kan weergegeven worden, maar ook om zijn lezers en toehoorders te verplichten om zelf -hoe diepzinniger, hoe beter- na te denken over de antroposofische levensbeschouwingen.

Éen van de antroposofische leerstellingen is de reïncarnatiegedachte, de esoterische wet die stelt dat de mensenziel herhaaldelijk op aarde incarneert, steeds in een ander lichaam van vlees en bloed. Het is waar dat de reïncarnatiegedachte in het esoterisch milieu zeer populair is, men moét er zelfs in geloven, zoniet wordt men niet au sérieux genomen. Wat men heden ten dage echter al niet onder de noemer "esoterie" onderbrengt ! Iedere charlatan of elke schizofreen die een beetje bovenzinnelijke onzin verkoopt noemt zich een esoterist, terwijl esoterie betekent: geheime kennis die alleen voor ingewijden toegankelijk is; en echte ingewijden lopen er zeer, zeer weinig op onze aardbol rond. De meesten die de mond vol hebben van reïncarnatie, nemen deze wet gewoon aan omdat het hun voorgezegd wordt, ze geloven er gewoon aan. Er is echter een groot verschil tussen inzicht en geloof; de beide staan lijnrecht tegenover elkaar, want naarmate men inzicht in iets krijgt, vermindert in dezelfde mate het geloof daaraan. De traditionele christelijke kerk streeft naar vernieuwing, ogenschijnlijk, want eigenlijk giet zij oude regels in nieuwe vormen; fundamenteel blijven de oude steriele dogma's echter gehandhaafd en de gelovige wordt aangemaand om zich daar aan te houden.

Misschien begint nu wel de tijd te komen om een dieper spiritueel inzicht te verkrijgen, want heeft Christus niet gezegd (Joh. 16,12-13): "Nog veel heb ik u te zeggen, maar gij kunt het nog niet dragen. Doch wanneer hij komt, de Geest der waarheid, zal hij u wijzen de weg tot de volle waarheid" ?

Hetgeen de mens onder andere nog niet kan dragen is het bestaan van reïncarnatie, en nochtans spreekt Christus zich daar uitdrukkelijk over uit (in Mat. 16, 10-13 waar Hij Johannes de Doper aanwijst als de teruggekomen Elia). Dat een verstokt atheïst de reïncarnatiegedachte verwerpt is niet meer dan normaal; de atheïst is immers consequent in zichzelf: hij is ervan overtuigd dat er niets anders bestaat dan de materie. Maar met dezelfde consequentie kan de antroposoof evengoed het bestaan van reïncarnatie verklaren, en haar zelfs op grond van logische gedachtengangen aantonen (in de volgende Brug zal daar verder op ingegaan worden).

In de mens zijn potentiële grotere zielekrachten beschikbaar dan men doorgaans denkt, en hij kan die tot een hoger niveau ontwikkelen: geloof kan evolueren naar inzicht. En de traditionele christenmens ontbreekt het aan durf om de stap te zetten -niet eens zo'n grote stap- naar het streven naar een dieper spiritueel inzicht.

Zolang de reïncarnatiegedachte niet betrokken wordt in de echte spiritualiteit, namelijk de wereld- en mensheidsevolutie, kan hierover nooit een fundamenteel inzicht verworven worden, dan kan ook nooit de Bijbel begrepen worden, en zeker niet het laatste deel van de Bijbel: de Apocalyps, het boek dat de toekomst van de mensheid openbaart.


*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
.

De Akasha-kroniek


Wat men in de algemene zin onder geschiedkundige kennis verstaat, gaat terug tot maximum vijf-, zesduizend jaar geleden, en is gebaseerd op nagelaten geschriften en documenten, mondelinge overleveringen, ook sagen en mythen waaruit een zekere geschiedkundige waarde kan afgeleid worden. Aan de hand van geologisch onderzoek, het bestuderen van aardlagen, fossielen e.d. kunnen een aantal gevolgtrekkingen gemaakt worden over hoe het ooit met onze aarde gesteld was. Ondanks het feit dat men nu over de modernste technologische apparatuur kan beschikken (zoals satellieten die gegevens doorzenden over de aardesubstantie en haar atmosfeer) blijven de geschiedkundige bevindingen slechts gissingen en veronderstellingen; hoogstens kan men bepaalde fragmenten van het geheel met zekerheid vaststellen, maar tot een volledig beeld van de aardeontwikkeling komt men in het geheel niet. c De ingewijde kan zo'n samenhangend beeld van de evolutie der aarde wél geven. Zelfs als men kritisch staat tegenover hetgeen de ingewijde over zulke zaken zoal beweert, toch kan men niet ontkennen dat diens theorie interessant, zelfs aannemelijk overkomt. Men kan zelfs de overtuiging krijgen dat die theorie de enig mogelijk ware is (wijzelf vinden het in elk geval de moeite waard om ons hierin te verdiepen).

De ingewijde haalt zijn kennis uit de Akasha-kroniek. Deze kroniek openbaart zich voor de ingewijde als een tableau waarop alles wat ooit gebeurd is zich als een levend beeld voor hem afschildert. Alle gebeurtenissen staan er naast elkaar, niet in de tijd, maar in de ruimte gerangschikt: wat zich volgens onze tijdsnormen vroeger afgespeeld heeft, staat in de Akasha-kroniek verder in de ruimte verwijderd. Fysieke materie of wezens treft men in die kroniek niet aan omdat het fysieke tijdsgebonden is, het ontstaat en vergaat in de tijd; hetgeen wel wordt waargenomen in deze kroniek zijn de geestelijke oorzaken achter het stoffelijke: wordt bvb. een bepaalde daad gesteld, dan wordt de gedachte of de impuls waargenomen die daarachter ligt, niet de daad zelf.

Alle echte ingewijden van de verschillende occulte scholen hebben toegang tot de Akasha-kroniek, en in wezen stemmen hun bevindingen overeen. Ook een ingewijde kan een beeld verkeerd interpreteren, maar hoe verder hij gevorderd is in het geestelijk schouwen, des te beter kan hij de beelden duiden en des te verder kan hij in de Akasha-kroniek doordringen. De ingewijde schouwt niet alleen het verleden, ook wat in de toekomst te gebeuren staat, kan hij "zien", tenminste, hij ziet hoe het verdere aardeverloop -volgens het Goddelijk plan- normaal gezien zou moeten verlopen.

Zo'n ziener was Johannes van Patmos, de schrijver van het Boek der Openbaring. Een ziener kan evenver in de toekomst als in het verleden schouwen, altijd bevindt hij zich in het midden, zoals het middelpunt van een cirkel altijd het middelpunt zal blijven: verschuift men dit naar eender welke richting, dan zal de cirkel in gelijke mate en in dezelfde richting mee verschuiven.

*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
.

De aarde- en mensheidsevolutie

door Jan Vermeir

In verschillende van zijn werken beschrijft Rudolf Steiner, telkens vanuit een ander oogpunt, de evolutie van de aarde en de mensheid, vanaf het eerste ontstaan tot aan het einde van de aarde-evolutie. Men kan zich afvragen of er vóór het aardebegin dan iets was en of er na het einde iets zal zijn.
Altijd is er iets, maar vóór het begin en na het einde van onze aardetijd komt men terecht in totaal andere werelden die in niets te vergelijken zijn met onze aardetijd. Met het aardebegin is immers de tijd begonnen, de evolutie; ervoor was er wat men zou kunnen omschrijven als eeuwigdurende rust. Het is trouwens zinloos om zich dergelijke vragen te stellen, omdat de geesteswetenschap op alles antwoordt wat nodig is om onze bestemming hier op aarde te volbrengen. Wil men hierover toch nog vragen stellen, dan licht Rudolf Steiner deze vraagstelling toe met een vergelijking:

" Wanneer men ergens op een weg sporen aantreft, kan men vragen: waardoor zijn die ontstaan ? Het antwoord kan luiden: door een wagen. Men kan verder vragen: vanwaar kwam die wagen, waar ging hij heen ? Weer is een gegrond antwoord mogelijk. Men kan nog verder vragen: wie zat er in die wagen, waarom maakte hij van die wagen gebruik, wat voor plannen had hij ... ? U ziet, wie verder blijft vragen, wijkt van de bedoeling van de oorspronkelijke vraagstelling af."

Er zal hier nu in het kort (niet alles kan vermeld en toegelicht worden) een beschrijving volgen van de aarde- en mensheidsontwikkeling.

De aarde maakt evenals de afzonderlijke mens verschillende incarnaties door; betreffende de aarde kan men in de plaats van incarnaties beter spreken over "planetaire ontwikkelingsstadia". Men telt zeven dergelijke stadia: aan onze huidige ontwikkelingsfase zijn drie stadia voorafgegaan: Saturnus, Zon en Maan, ons huidige stadium wordt Aarde genoemd, en in de toekomst zullen er nog drie volgen: Jupiter, Venus en Vulcanus*. Men moet zich goed voor ogen houden dat de verderaf liggende ontwikkelingstoestanden steeds minder overeenkomst vertonen met de tegenwoordige; zo kan de eerste, de Saturnusontwikkeling, en de laatste, de Vulcanusontwikkeling, op geen enkele manier nog vergeleken worden met de onze.

Het Saturnustijdperk

Op een gegeven moment (dit woord past eigenlijk niet aangezien de tijd nog niet bestond) in de eeuwigheid gebeurde er iets waardoor de evolutie een aanvang nam. De tijd ontstond doordat bepaalde hoge geestelijke wezens, de zgn. "Geesten van de Wil", zichzelf uitspraken in het heelal. In het Evangelie volgens Johannes wordt dit als volgt verwoord: "In het oerbegin was het Scheppende Woord en het Woord was bij God en het Woord was God; dit was in het oerbegin bij God."

Nadat dit uitspreken door de Geesten van de Wil een tijdlang geduurd had, begonnen andere geestelijke wezens, de Geesten van de Wijsheid, op die uitgestroomde wil, die aanvankelijk chaotisch was, in te werken, zodat er een zekere orde en differentiatie in die wil begon op te treden. Op die manier ontstonden de afzonderlijke mensenkiemen. Nadien grepen nog andere geestelijke wezens (die hier niet nader zullen vermeld worden) in waardoor in die mensenkiemen de aanleg ontstond van wat later de zintuigen zoals ogen, oren, strottenhoofd zouden worden. Ook de mensenkiemen zelf werkten mee aan hun eigen ontwikkeling, maar zij waren zich hiervan in het geheel niet bewust: als een automaat en in een diep trancebewustzijn voerden zij bij zichzelf uit wat door de hogere wezens bepaald werd. Met onze ogen zouden wij niets van die Saturnusmassa kunnen merken, alleen de aanleg tot het fysieke was er. Saturnus was niet meer dan een massa van ongelijkmatige, gedifferentieerde warmte, afkomstig van de afzonderlijke mensenkiemen. Die warmtetoestand werd niet teweeggebracht door uitwendige omstandigheden, zij was louter psychisch, innerlijk. Nu heeft de vroegere Saturnuswarmte zich in het menselijk lichaam naar binnen gekeerd en kunnen wij ze waarnemen in de warmte van ons bloed.

Op het einde van elke planetaire ontwikkeling, en dus ook na de Saturnusfase, treedt een rustpauze (pralaya) in totdat een andere ontwikkelingsfase uit het wereldduister tevoorschijn treedt. Dit betekent echter niet dat de wereldontwikkeling tijdens dergelijke rustpauzen zou stilstaan; integendeel, juist gedurende die rustpauzen stijgen de goddelijke wezens op naar een hogere vorm van ontwikkeling en oefenen daar -onder andere omstandigheden- de grootste activiteit uit om de volgende evolutieperiode voor te bereiden.

Zonnetijdperk

Op het Saturnustijdperk volgt het Zonnetijdperk. Gedurende dit stadium moet eerst de Saturnusontwikkeling -in een enigszins gewijzigde vorm- herhaald worden om het in aanleg gevormde mensenlichaam in staat te stellen zich aan te passen aan de nieuwe levensvormen. De warmtetoestand die op Saturnus heerste verdicht zich op de Zon tot een gasvormige of luchtachtige atmosfeer; de Zon begint ook op te lichten in het wereldruim. In de fysieke mensenkiem die tijdens het Saturnustijdperk ontstond, voegt zich met de hulp van geestelijke wezens nu het etherlichaam (of levenslichaam) in. Het etherlichaam legt de basis voor de latere klieren, de stofwisselings- en voortplantingsorganen. Ook de tegenwoordige planten hebben een etherlichaam, en daarom kan de bewustzijnstoestand van de mens op de toenmalige Zon enigszins vergeleken worden met die van een plant: een diep, droomloos bewustzijn zoals dat zich bij de huidige mens voordoet tijdens de droomloze slaap.

Maantijdperk

Na het Zonnetijdperk volgt weer een rusttoestand, waarna een nieuwe ontwikkelingsfase uit het wereldduister opduikt: die van de Maan. Opnieuw wordt eerst de Saturnus- en Zonnetoestand in aangepaste vorm herhaald om nieuwe levensontwikkelingen mogelijk te maken. Op de Maan evolueert de luchtatmosfeer van de Zon tot een waterachtige substantie. Naast het bestaande fysieke en etherlichaam wordt nu bij de mens -steeds onder leiding van hogere wezens- het astrale lichaam ingevoegd, en dit ligt aan de basis van het latere zenuwstelsel van de mens. Zelfbewustzijn bezit de mens nog niet, maar door het verwerven van een astraal lichaam kan hij nu gewaarwordingen van lust en onlust ondergaan. De bewustzijnstoestand van de mens tijdens de Maanfase wordt het beeldbewustzijn genoemd. Het kan vergeleken worden met de droombeelden die wij nu gedurende onze slaap meemaken. Terwijl onze droombeelden echter slechts vervormde reminiscenties zijn van uiterlijke en innerlijke belevenissen, was het beeldbewustzijn op de Maan veel reëler, het gaf de werkelijke levenstoestanden weer van het verkeer tussen de mensen en de geestelijke wezens.

Het Aardetijdperk

Na de Maanfase is er opnieuw een rusttoestand en daarna komt onze tegenwoordige planetaire ontwikkeling, de Aarde. In deze fase bekomt de mens zijn zelfstandigheid. Hij kan bewust denken, voelen en handelen zodat de huidige bewustzijnstoestand kan omschreven worden als het heldere waakbewustzijn.

Vooraleer verder in te gaan op de Aarde-ontwikkeling zullen we eerst nog in het kort de reeds als aanleg in de mens aanwezige bewustzijnstoestanden van de drie toekomstige planetaire incarnaties aanduiden.

Het Jupitertijdperk

Het beeldbewustzijn van de Maan wordt gevoegd bij het helder waakbewustzijn dat de mens zich op Aarde verworven heeft, en uit die combinatie ontstaat het zelfbewust beeldbewustzijn: het zelfbewuste Ik verbindt zich met het eigen geestwezen (Geestzelf). Binnen in de ziel zal de mens in imaginaties, in beelden, bewust zijn eigen wezen en andere wezens waarnemen. Hij zal de aard en werking schouwen van de wezens die achter het zintuiglijk waarneembare staan. Van de dood in de tegenwoordige betekenis van het woord zal; dan geen sprake meer zijn, want de materie kan dan geen belemmering meer vormen om in de geestelijke wereld te zien. Dan ook zullen wij onze opeenvolgende incarnaties en die van anderen kunnen aanschouwen.

Het Venus-tijdperk

Op Venus wordt bij de bovengenoemde toestand nog het aanvankelijk droomloze levensbewustzijn van de Zon gevoegd, dat door deze combinatie echter gemetamorfoseerd wordt tot bewust leven; de Ik-geest doorziet zijn eigen levensbestaan (levensgeest). Als in een inspiratie neemt de mens niet alleen waar, maar doorziet hij ook het ganse innerlijke karakter van zijn eigen ziel en van die van andere wezens.

Het Vulcanus-tijdperk

Dit is de zevende en laatste planetaire toestand die nog tot de algemene aarde-ontwikkeling kan gerekend worden. Hierna zal de mensheid overgaan naar een andere, hogere vorm in het wereldbestaan. De bewustzijnstoestand die de mens op Vulcanus zal bereikt hebben wordt het spiritueel bewustzijn genoemd. Ofschoon hij volkomen individueel blijft, zal hij één zijn met alle schepsels en wezens, met het ganse heelal, de mens wordt dan zelf geest (geestmens). Hij zal dan zelf scheppend in het wereldgebeuren kunnen optreden, hij zal dan op hetzelfde niveau staan als de "Geesten van de Wil" tijdens het Saturnustijdperk.

We gaan nu verder in op het Aardetijdperk.
Zoals wij gezien hebben verloopt de aarde-evolutie in zeven planetaire ontwikkelingsstadia, en parallel daarmee gaat de menselijke ontwikkeling doorheen zeven verschillende bewustzijnstoestanden: vorming van

- het fysiek lichaam op Saturnus
- het etherlichaam op de Zon
- het astraal lichaam op de Maan
- het Ik op de Aarde
- het geestzelf op Jupiter
- de levensgeest op Venus
- de geestmens op Vulcanus.

In de mens werd -respectievelijk op Saturnus, Zon en Maan- reeds de basis gelegd voor de geestmens, de levensgeest en het geestzelf, maar dit was uitsluitend het werk van hoge geestelijke wezens. Op Aarde krijgt de mens zijn Ik, en zo kan hij zelfstandig een begin maken met de omvorming van het astraal lichaam tot geestzelf, van het etherlichaam tot levensgeest en van het fysieke licham tot geestmens; op Jupiter, Venus en Vulcanus zullen de drie hoogste wezensdelen van de mens dan tot hun hoogste ontplooiing gekomen zijn (zie hierover o.a. De Brug 10).

Iedere bewustzijnstoestand is onderverdeeld in eenzelfde aantal onderverdelingen die elkaar in de tijd opvolgen, levensniveau's. Wat de Aarde betreft vallen deze levensniveau's samen met de zeven rijken: het eerste, tweede en derde elementaire rijk, het minerale rijk, het plantenrijk, het dierenrijk en het mensenrijk. De drie elementaire rijken zijn onder gewijzigde vorm herhalingen van het Saturnus-, Zonne- en Maantijdperk. Wij hebben gezien dat op Saturnus het warmte-element heerste, op de Zon het luchtachtige en op de Maan het waterachtige, en analoog hiermee is voor het eerste elementaire rijk "warmte" kenmerkend, voor het tweede "lucht" en voor het derde "water". De huidige wetenschap beschouwt water, lucht en vuur als fysische componenten van de materie; in de elementaire rijken is de "materie" echter zo ijl dat ze immaterieel is.

Dan volgt het minerale rijk, en daarin leven wij. Wij zijn van mening dat de mens in het mensenrijk leeft, maar in occulte zin is dat niet juist. Weliswaar zijn wij wezens, begaafd met een Ik-bewustzijn, maar heden ten dage zijn wij nog niet in staat om het planten-, dieren-, of mensenrijk te doorzien. Nu kunnen wij slechts het minerale begrijpen, met behulp van de krachten uit dit rijk kunnen wij de materie analyseren en omvormen, en het is daarom dat wij vanuit occult oogpunt in het minerale rijk leven. Wanneer de mens ooit leert doorzien welke krachten de plant doen groeien, wanneer hij zal begrijpen wat een dier kan voelen en wanneer hij de ziel van de mens volledig zal doorschouwen, dan zal hij opklimmen tot het planten-, dieren- en mensenrijk.

Ieder levensniveau moet op zijn beurt zeven vormfasen doorlopen, zo ook het minerale levensniveau waarin wij ons bevinden. In de vormfasen van het minerale rijk onderscheidt men achtereenvolgens: de geestelijke wereld, de astrale wereld, de etherwereld, de fysieke wereld (de onze), en daarna de naar hoger niveau geëvolueerde astrale, ether- en geestelijke wereld.

De termen "fysiek" en "mineraal" moet men goed uit elkaar houden. Volgens de gangbare rede is iets wat mineraal is, bvb. een kristal of een steen, een onderdeel van de fysieke wereld. Vanuit occult standpunt is het fysieke eigenlijk een onderdeel van het minerale rijk, want het minerale rijk doorloopt alle vormfasen, vanaf het geestelijke naar het fysieke en dan terug naar het geestelijke. Het minerale rijk doorloopt de eerste vormfase in de geestelijke wereld en manifesteert zich daar in de vorm van de hoogste menselijke gedachten, zoals hoge morele idealen en mathematische ideeën. Dan daalt het af naar de astrale fase waar de wereld van de rede, van de gedachte heerst, en vervolgens naar de etherwereld waar zich droombeelden van het fysieke leven beginnen te vormen. Tenslotte vedicht het minerale rijk zich tot het fysieke, de toestand waarin wij heden ten dage leven. Wanneer het fysieke zich zal oplossen, zal het minerale rijk overgaan naar een hogere etherische vormfase.

Nog is de onderverdeling niet afgelopen. Iedere vormfase moet namelijk doorheen zeven tijdvakken. De tijdvakken van de vormfase waarin wij leven, de fysieke, noemt men: het Polaire tijdvak, Hyperborea, Lemurië, Atlantis, ons tegenwoordig tijdvak (het Arische), het tijdvak van de Zegels, en tenslotte dat van de Bazuinen (zoals die twee laatste in het Boek der Openbaring genoemd worden).

Uit een geestelijke toestand verdichtte de Aarde zich langzaam tot stoffelijkheid. Aanvankelijk was alles nog zeer ijl, er bestond slechts een soort lucht en chemische elementen, en in die substantie prentte de mens -zijn ziel was nog in het geestelijke- een afdruk van zijn wezen.

Aarde, zon en maan (hier worden de hemellichamen van het tegenwoordig planetenstelsel bedoeld) waren toen nog als in een soort oernevel één geheel. Dit stelsel was echter niet bruikbaar voor een hogere ontwikkeling. Alles ging veel te snel voor de mens, en was dit stelsel gehandhaafd gebleven, dan zouden wij vandaag geboren worden en morgen grijsaards zijn. Anderzijds waren er wezens die dit snelle ontwikkelingstempo wél nodig hadden, en die maakten zich los van de Aarde en namen de lichtste materie mee. Zo is onze huidige zon ontstaan. Door het uittreden van de zonnematerie nam de warmte af en daardoor begonnen de stoffen een vaste vorm aan te nemen. Zo verdichtten de Aarde en de mens zich geleidelijk aan; de verdichting gebeurde echter zo sterk dat alles veel te grove vormen begon aan te nemen. Er moest daarom nog iets gebeuren opdat een normale ontwikkeling zou kunnen tot stand komen: de Aarde stootte haar grofste materie en de erbij horende wezens af, en dat werd wat wij nu de maan noemen.

Het uittreden van de zon en de maan bracht grote veranderingen teweeg in het menselijk lichaams- en ziele-organisme. De mens werd gescheiden van de geestelijke wezens die voordien zijn bestaan regelden; die wezens huizen thans op de zon en op de maan. De mens was dus verplicht zich te richten naar de buitenwereld en langzaam aan begon hij zijn eigen wezen te onderscheiden van de dingen om hem heen. Zo ontstond het zelfbewustzijn of het Ik, en tegelijk hiermee ook het fysiek equivalent ervan: de mens ontwikkelde zijn eigen warmtebron, het bloed. De ziel kwam echter ook onder de invloed van de verleidingen van de stoffelijke wereld, en daarmee werd de menselijke wilekeur in het leven geroepen, of de eerste aanzet tot "goed" en "kwaad".

Voorheen was de mensenziel tweeslachtig, want zij bezat zowel mannelijke als vrouwelijke eigenschappen. Maar toen de aarde zich tot stoffelijkheid verdicht had, moest de ziel zich voegen naar de wetten van de materie, en die wetten hebben ertoe geleid dat het mensenlichaam een eenzijdige gestalte heeft gekregen. Aldus kwam de scheiding der geslachten tot stand. Dit gebeuren getuigt evenwel van een diepe wijsheid in de wereld: vanaf dan was het de ziel niet meer mogelijk haar ganse innerlijke voortplantingskracht te verbruiken; een gedeelte daarvan (voor de man de vrouwelijke, en voor de vrouw de mannelijke voortplantingskracht) kon niet meer naar buiten treden en kwam aldus vrij voor het vormen van andere organen. Met die krachten werden de hersenen gevormd en zo deed het denken, de rede zijn intrede in de wereld.

De vorming van de eerste fysische materie ligt al in een oerver verleden en de voorbije tijdvakken strekken zich dan ook uit over zeer lange tijdsperioden. De Atlantische periode bvb., het tijdvak waarin de basis gelegd werd voor ons logisch denken, duurde ongeveer een miljoen jaar. Wij bevinden ons nu in het vijfde tijdvak, dat ongeveer 10.000 jaar geleden begon, na de grote Atlantische overstroming (de zondvloed uit het Oude Testament), en wij zijn momenteel over de helft ervan. Nu kan men de vraag stellen of dat wel kan: het Atlantische tijdvak heeft een miljoen jaren geduurd, en het onze maximaal 20.000 jaar, aangezien dit pas 10.000 jaar geleden begon en wij al over de helft ervan zijn. Men moet echter niet de tijdsduren beschouwen, maar bedenken dat er sprongen in de evolutie kunnen gemaakt worden. Zoals de knop van een plant misschien een winter lang nodig heeft gehad om zich in de plant te ontwikkelen en op een morgen als het ware uit het niets ontspruit, zo moet men zich ook voorstellen hoe het zelfbewustzijn dat al zeer lang voorbereid werd, in onze tijd ineens tot zijn volle ontplooiing komt.

Tenslotte is elk tijdvak nog eens onderverdeeld in zeven cultuurperioden. In ons tijdvak zijn vier ervan reeds voorbij: de oud-Indische, de oud-Perzische, de Egyptisch-Babylonische, en de Grieks-Romeinse cultuurperiode; wijzelf leven in de vijfde cultuurperiode, en na de onze komt nog de Russische en de Amerikaanse cultuurperiode.

Ons tijdvak moet de denkkracht tot volledige ontplooiing brengen, ten dienste van het zelfbewustzijn, want alleen een wezen dat kan denken is zich van zichzelf bewust en ook van andere wezens.

In het Boek der Openbaring worden de cultuurperiodes uitgebeeld door de "zeven gemeenten". De volgende cultuurperiode, de zesde, wordt er de gemeente van Philadelphia genoemd, de gemeente van de broederliefde. Door het denken moeten wij zo ver komen dat wij bewust worden van onze medebroeders, en in de zesde cultuurperiode zullen een aantal mensen dit principe in hoge mate toepassen; die mensen zullen de kiem vormen voor de verdere evolutie. Hiertoe is het echter noodzakelijk dat het denken levend wordt; men moet leren om met het ganse wezen te denken, en niet met de hersenen alleen. Het droge, abstracte denken dat slechts onvruchtbare theorieën voortbrengt -en waarover wij nochtans ontzettend fier zijn- is gedoemd om te verdwijnen. Een groot aantal mensen zal nochtans dit hersen-denken halsstarrig blijven aankleven. Dit soort denken zal karakteristiek zijn voor de laatste cultuurperiode. Deze zal mensen voortbrengen die "lauw" zijn, noch heet,. noch koud (Openb. 3:15). Die periode zal slechts een overgangstijd zijn, onvruchtbaar voor de toekomstige wereldevolutie en tenslotte uitmonden in de "grote oorlog van allen tegen allen", die in de grootste zelfzucht zijn oorsprong vindt. Diegenen echter die het beginsel van de broederliefde zullen toepassen, zullen de weg banen naar het volgende tijdvak.





.


Schema

door fdw

Voor een beter begrip van het vorig artikel is het niet slecht om de evolutie van de Aarde als planeet eens schematisch te bekijken. Doordat we ons in het vijfde tijdvak en tegelijk in de vijfde cultuurperiode bevinden, geraken we gemakkelijk in verwarring als er ergens over de toekomst, over een zesde periode gesproken wordt. Temeer daar Rudolf Steiner zelf niet altijd dezelfde benamingen gebruikt voor bepaalde tijdsgedeelten.

De Aarde ontwikkelt zich in grote fasen (ook bewustzijnstoestanden genoemd) die de naam van een hemellichaam dragen. De eerste fase noemen we Saturnus. Binnen die fase kunnen we zeven levensniveau's onderscheiden.

Saturnus: 7 levensniveau's, elk levensniveau 7 vormfasen.

Zon: 7 levensniveau's, elk levensniveau 7 vormfasen.

Maan: 7 levensniveau's, elk levensniveau 7 vormfasen.

Aarde: 7 levensniveau's, elk levensniveau 7 vormfasen.

Jupiter: 7 levensniveau's, elk levensniveau 7 vormfasen.

Venus: 7 levensniveau's, elk levensniveau 7 vormfasen.

Vulcanus: 7 levensniveau's, elk levensniveau 7 vormfasen.

Wat we nu onze Aarde noemen is in feite een soort incarnatie van een "wezen" dat al onder verschillende gedaantes vroeger bestond. Hieronder bekijken we eens hoe de 7 levensniveau's en de 7 vormfasen van onze Aarde verder opgedeeld worden. Al deze onderverdelingen hebben een naam gekregen, voor het merendeel al in de oud-Indische tijd, laat u dus daardoor niet afschrikken.
Pralaya staat voor een periode waarin alles oplost in het wereldduister.


Eerste elementaire rijk - 7 vormfasen
dan een Groot Pralaya
Tweede elementaire rijk - 7 vormfasen
dan een Groot Pralaya
Derde elementaire rijk - 7 vormfasen
dan een Groot Pralaya
Minerale rijk ( = vierde levensniveau) 1ste vormfase: hoger devachaan
dan klein pralaya
2de vormfase: lager devachaan
dan klein pralaya
3de vormfase: astrale wereld
dan klein pralaya
4de vormfase: fysieke wereld1ste tijdvak: Polaris
2de tijdvak: Hyperborea - de huidige zon scheidt zich af
3de tijdvak: Lemurië - de huidige maan scheidt zich af
4de tijdvak: Atlantis
zondvloed
Over deze periode gaat de Apokalyps5de tijdvak: Na-Atlantis de zeven gemeenten uit de Apokalyps
1) Oud-Indische cultuurperiode = Efeze
2) Oud-Perzische cultuurperiode = Smyrna
3) Egyptisch-Babylonische cultuurperiode = Pergamum
4) Grieks-Romeinse cultuurperiode= Tyatira
5) Huidige cultuurperiode = Sardes
6) Russische cultuurperiode = Philadelphia
7) Amerikaanse cultuurperiode = Laodicea
grote oorlog van allen tegen allen
6de tijdvak: de zeven zegels uit de Akopalyps
7de tijdvak: de zeven bazuinen uit de Apokalyps
de fysieke aarde verdwijnt en gaat over in een astrale toestand =
klein pralaya
- 5de vormfase: hogere astrale wereld
dan klein pralaya
- 6de vormfase: vervolmaakt lager devachaan
dan klein pralaya
- 7de vormfase: vervolmaakt hoger devachaan
Eerst een groot pralaya
Vijfde levensniveau : Plantenrijk - 7 vormfasen

Dan een groot pralaya

Zesde levensniveau : Dierenrijkenrijk - 7 vormfasen

Dan een groot pralaya

Zevende levensniveau : Mensenrijk - 7 vormfasen

Dan een groot pralaya

*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
.


Het getal van het Beest - 666

door Jan Vermeir

In de Brug 10 werd een artikel overgenomen uit het tijdschrift "Tournant" (nr. 41). Het betreffend artikel verwijst naar het getal 666 -het getal van het Beest- uit de Apocalyps. De auteur ervan schrijft: "Het getal 666 is voortaan geen mysterie meer. We weten dat het de gigantische computer voorstelt die de grote controleur zal zijn van alle mensen ..."

Weliswaar mag aan die bewering een zekere waarheid toegekend worden, maar zij is slechts een allegorische verklaring van het getal 666, en in wezen wordt het getal zelf er niet mee verklaard.

Het getal 666 wordt in de christelijke voorstelling in verband gebracht met het Laatste Oordeel, wanneer de Christus zal komen om "te oordelen over de levenden en de doden". Dat is ook zo, maar hoe dit oordeel zal geschieden en de tijd waarin dat zal gebeuren, daarover heeft men doorgaans een verkeerd begrip. Men stelde zich letterlijk voor dat tijdens het Laatste Oordeel de doden uit hun graven zullen opstaan, en men heeft altijd gedacht dat de wederkomst van de Messias nakend was. Vele religieuze groeperingen -die zonder overdrijving sekten mogen genoemd worden in de slechte betekenis van het woord- hebben in de loop van de recente geschiedenis het nakende einde der tijden voorspeld, en dikwijls stelden zij dit einde precies vast voor een bepaald jaartal. Zo oefent het jaar 2000 op velen een magische werking uit, want dit is een rond getal: dan zou het Laatste Oordeel komen. Dat jaartal heeft echter geen enkele concrete waarde: het is slechts een rond getal uit het tiendelig getallenstelsel en dat werd ingevoerd om het tellen en rekenen te vergemakkelijken. Daarenboven zal het Laatste Oordeel zich niet voltrekken in een welbepaald jaartal, maar in de loop van een grote tijdspanne. In elk geval is het einde der tijden nog niet gekomen, en daarom zijn de sekten momenteel voorzichtiger in hun uitspraken geworden. Zij beweren nu: het einde is voor zeer binnenkort, voor de nabije toekomst.

Zij steunen zich in die overtuiging vooral op de eeste zinnen uit het Boek der Openbaring: "Openbaring van Jezus Christus, die God hem gegeven heeft, om aan zijn dienaren te tonen hetgeen binnenkort geschieden moet". Hoewel er in iedere Bijbelvertaling nadrukkelijk vermeld is dat de vertalingen op de grondtekst gebaseerd zijn, toch is die vertaling niet juist. In de oorspronkelijke Griekse tekst staat -en dat kan met zekerheid geverifieerd worden: "Openbaring van Jezus Christus, die God hem gegeven heeft, om te tonen, in het kort, hetgeen geschieden moet". "om te tonen in het kort, hetgeen geschieden moet " betekent waarlijk gans iets anders dan "om te tonen hetgeen binnenkort geschieden moet".

Zeven is het getal van de tijd, van de evolutie, en in het Boek der Openbaring wordt niet in het tientallig maar in het zeventallig stelsel gerekend. Wie het bovenstaand schema bekijkt, kan vaststellen dat wij ons in de 4de vormfase bevinden, in het 5de tijdvak, en in de 5de cultuurperiode.

Er zijn dus al 3 vormfasen, 4 tijdvakken en 4 cultuurperioden volledig tot voleinding gekomen, en zodoende bevinden wij ons in het getal 344 van de evolutie.

Wanneer 6 vormfasen volledig zullen doorlopen zijn en men op het einde van de 7de is, en wanneer in die vormfase 6 tijdvakken verlopen zijn en men op het einde van de 7de is, en wanneer in dat tijdvak 6 cultuurperioden voorbij zijn en men in de 7de cultuurperiode is, pas dan is het getal 666 volkomen. Het einde der tijden is dus zeker nog niet nabij, het ligt integendeel in een zeer verre toekomst, maar wij moeten ons er wel zeer goed van bewust worden dat die tijd ooit eens zal komen.

"Hier is de wijsheid zelf: wie verstand heeft, zoeke de zin van het getal van het dier, want het is het getal van een mens, en zijn getal is zeshonderd zesenzestig". (Openb. 13:18)

"Het getal van het dier is het getal van een mens": dat is een nogal dubbelzinnige omschrijving, in de Openbaring is er immers sprake van verschillende dieren; hoe moeten wij dit verklaren ?

Om enig inzicht te verkrijgen wat betreft het eerste dier, het dier met de "tien hoorns en de zeven koppen"(Openb. 13:1), moeten wij teruggaan in de geschiedenis tot het begin van de Atlantische tijd, toen de mens nog geen eigen persoonlijkheid had opgenomen. Toen behoorde de mens nog tot een soort dierachtige groepsziel, en in de loop dere tijden moest hij zeven verschillende van zulke groepszielen in zijn wezen opnemen. Dit is gebeurd in de zeven cultuurperioden van Atlantis; in elke cultuurperiode heeft de mens zich toen verbonden met steeds een andere groepsziel. Eén daarvan bvb. lijkt op dat wat de leeuw kenmerkt, het leeuwachtige, alles wat te maken heeft met het moedige, het agressieve element. Iedere groepsziel ligt aan de basis van de vorming van een fysiek orgaan; voor het leeuwachtige is dat het hart.

Die zeven dierachtige groepszielen, die nu a.h.w. in de menselijke aard zijn ingeperst, worden in de occulte taal koppen genoemd, omdat de helderziende, wanneer hij zo'n groepsziel als het leeuwachtige schouwt, de indruk heeft een leeuwekop te zien. En een hoorn is iets eeltachtig, een verdikking. Aangezien uit de krachten van elke groepsziel een fysiek orgaan, een verdichting dus, ontstaan is, worden die organen in occulte zin "hoorns" genoemd. Nu wordt er niet over zeven hoorns, maar over tien hoorns gesproken. Hoe komt de schrijver van de Openbaring daaraan ?

In de vijfde periode van Atlantis begon de mens voor het eerst iets als een Ik-besef gewaar te worden, en toen begon hij ook een onderscheid te maken tussen man en vrouw. Daarom worden de "hoorns" die ontstaan zijn in de 5de, 6de en 7de periode van Atlantis dubbel gerekend: in een mannelijke en in een vrouwelijke vorm. Men heeft dus vier hoorns van de vier eerste perioden, en dan de 3 X 2 = 6 hoorns van de drie laatste periode, hetgeen samen tien geeft. Die koppen en hoorns, die vroeger te rechter tijd ontstaan zijn ten behoeve van de menselijke ontwikkeling, moeten mettertijd echter oplossen. De mens moet het dierachtige uit zijn wezen bannen , en hij kan daarin slechts gelukken indien hij het Christusbeginsel in zich opneemt. Doet hij dat, dan wordt bvb. het hierboven vermelde leeuwachtige element tot edelmoedigheid; in het andere geval ontaardt het in heerszucht. Wanneer de fysieke aarde zal overgegaan zijn in een vergeestelijkte toestand (na het zevende tijdvak), zal de mensheid verdeeld zijn in twee groepen: de ene groep zal uit mensen bestaan die "hun gewaden gewassen hebben en stralend wit gemaakt; zij zullen deel uitmaken van de nieuwe wereld, van het "nieuwe Jeruzalem".

En tot de andere groep zullen zij behoren die de Christus niet nagevolgd hebben en daarom het dierachtige in hun aard niet overwonnen hebben, en zij zullen alle kenmerken vertonen van het dier met de 10 hoorns en de 7 koppen. Dat is het ogenblik waarop het tweede dier gewacht heeft om ten tonele te verschijnen in het wereldgebeuren. Het is het dier met de twee hoornen (Openb. 13:11). Dit wezen dat afkomstig is uit andere wereldperioden is de tegenstander van Christus. Het zal een diepe bevrediging voelen als het kan invloed uitoefenen op wezens die tot het boze geneigd zijn. Het tegendeel van de hoogste liefde is het verschrikkelijkste sadisme. En dat laatste is het kenmerk van het dier met de twee hoorns. Het zal proberen om zoveel mogelijk andere wezens in zijn invloedssfeer te krijgen en hen trachten te verleiden tot de meest boosaardige, sadistische daden, om hen tenslotte mee te sleuren in de afgrond. Want dit dier zal samen met hen die het gevolgd hebben, na afloop van de periode 666, definitief uit de wereldontwikkeling gestoten worden.

*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
µ.

Waarom hebben antroposofen het dikwijls zo moeilijk ?

Als antroposoof moet men dikwijls zijn leven doorbrengen temidden van mensen -familieleden en vrienden- die van antroposofie niets afweten. Men heeft ooit wel geprobeerd om deze mensen warm te maken voor het antroposofisch gedachtengoed, de ene staat er al wat welwillender tegenover dan de andere, maar uiteindelijk oogst men alleen onbegrip, spot, zelfs vijandschap. De mensen vinden het maar flauwekul. Ze zien geen reden om de antroposofie in hun leven op te nemen, en deze opvatting wordt nog versterkt wanneer ze vaststellen dat de antroposoof met al zijn mooie ideeën en gedachten eigenlijk een veel moeilijker leven heeft dan zijzelf: nu eens heeft hij problemen in zijn relatie(s), dan weer in zijn beroep, dan met zijn gezondheid. Indien alle antroposofen een uiterlijk geslaagd leven zouden leiden, dan zou ook de antroposofie voor hen misschien aantrekkelijker worden ...
Ook de antroposoof twijfelt soms wel eens: wat heb ik nu eigenlijk aan gans die antroposofie ? Bezie nu toch mijn leven eens ! Als ik mijzelf vergelijk met al diegenen die zich van een geestelijke wereld niets aantrekken ...

Hoe komt iemand tot de antroposofie en van waar al die persoonlijke moeilijkheden ? Rudolf Steiner legt het uit in de voordracht van 4 augustus 1924.

[ ... ] " We moeten toegeven dat de mens in het gewone levensverband weinig van zijn karma voelt en dat hij het leven neemt alsof de dingen die voor hem belevenissen worden, nu eenmaal gebeuren langs toevallige aaneenschakelingen. Dat er in wat ons in het aardeleven gebeurt van geboorte tot de dood een karmische, lotsbeschikkende samenhang zou zijn, daar wordt weinig rekening mee gehouden. En als men er al rekening mee houdt dan gelooft men direct dat daarin iets fatalistisch werkt, iets dat de menselijke vrijheid in vraag stelt enzomeer.

Ik heb meermaals uitgelegd dat precies het intensieve doordringen van de karmische samenhangen het wezen van de vrijheid pas in het juiste daglicht stelt. En zo moeten we dus niet bang zijn als we nauwkeuriger de karmische samenhangen bekijken, dat ons daardoor een onbevangen blik op het vrijheidswezen van de mens zou verloren gaan. Ik heb u de dingen geschilderd die samenhangen zowel met de vroegere aardelevens van zij die in de Michaël-gemeenschap komen als met het leven tussen dood en een nieuwe geboorte. U ziet daaruit dat het er bij die mensen -dus in de grond bij u allen- karmisch op aan komt dat het geestelijke een grote, een betekenisvolle rol speelt in de ganse innerlijke structuur van de ziel.

In onze huidige materialistische tijd met al zijn opvoedings- en levensverhoudingen kan een mens op een eerlijke manier tot zoiets als de antroposofie slechts komen doordat hij een karmische impuls in zich heeft die hem tot het geestelijke drijft - komt hij er anders toe, dan is het oneerlijk. Deze karmische impuls is de samenvatting van al wat meegemaakt werd vóór het neerdalen naar dit aardeleven zoals ik het beschreven heb.

Maar dit feit, dat de mens zo sterk verbonden is met geestelijke impulsen die direct op zijn ziel werken, dat brengt hem ertoe om zich op een minder intensieve wijze als dat bij andere mensen het geval is, in de uiterlijke lichamelijkheid te voegen bij het neerdalen uit de geestelijke naar de fysische wereld. Men zou kunnen zeggen: al diegenen die zich op de beschreven manier inleefden in de Michaël-stroming waren voorbestemd om in het fysieke lichaam te komen met een zekere terughoudendheid. En dat ligt eigenlijk aan de basis van het karma van antroposofenzielen.

Bij diegenen die vandaag vanuit een innerlijke drang volledig bewust en angstig ver blijven van al wat antroposofie is, bij hen vindt men overal dat ze volledig vastzitten in de fysieke lichamelijkheid. Bij diegenen die zich vandaag richten naar het geestelijke leven dat de antroposofie wil geven, vindt men minstens een lossere verhouding van astraal lichaam en Ik-organisatie tegenover de fysieke en etherorganisatie. Dat houdt dan ook in dat de mens minder gemakkelijk in het leven zijn draai vindt, eenvoudigweg omdat hij tussen meer mogelijkheden te kiezen heeft dan anderen, omdat hij gemakkelijk ontgroeit waar anderen ingroeien. Bedenkt u slechts hoe sterk vele mensen vandaag datgene zijn wat ze door uiterlijke levensomstandigheden geworden zijn, en het is zo dat er eigenlijk geen twijfel kan over bestaan dat ze passen in die uiterlijke levensomstandigheden -hoewel dat dikwijls op een merkwaardige manier wel het geval is. Men ziet een beamte, een handelaar, een werfleider, een fabrikant enz. : ze zijn wat ze zijn met een absolute vanzelfsprekendheid. Natuurlijk komt het ook bij hen voor dat ze zeggen : het lijkt alsof ik voor iets beter geboren ben, tenminste toch voor iets anders-, maar dat is dan niet zo ernstig bedoeld.

Vergelijkt u daarmee eens de oneindige moeilijkheden die te vinden zijn bij hen die door een innerlijke drang naar de spiritualiteit van de antroposofie gedreven worden. Misschien wordt dat nergens zo duidelijk, zo merkwaardig intensief getoond, als juist bij de jeugd, en wel bij de jongste jeugd.

Ziet u, als men namelijk de oudere kinderen uit de Steinerschool neemt, die in de hoogste klassen zitten, dan vindt men zowel bij de mannelijke als de vrouwelijke studenten dat ze verhoudingsgewijs snel vooruitgaan met de ontwikkeling van hun ziel en geest, maar dat het daardoor reeds voor deze jonge mensen niet gemakkelijker, maar dikwijls moeilijker -want gecompliceerder-, is om het leven innerlijk te vatten. De mogelijkheden zijn wijdser, ze worden groter. En terwijl het anders in de gewone gang van het huidige leven geen al te zware opdracht is -bepaalde uitzonderingen niet meegerekend- voor diegenen die als opvoeder, als leraar de opgroeiende jeugd bijstaan, om middelen en wegen te vinden om op de juiste manier raad te geven, welnu het raadgeven wordt moeilijker als men de kinderen probeert verder te brengen zoals in de Steinerschool, omdat het algemeen-menselijke meer naar voor treedt, omdat de brede horizon die ze zich eigen maken nu eenmaal een groter getal aan mogelijkheden voor het zieleoog stelt.

Daarom is het voor leraars in de Steinerschool, nadat ze door hun karma tot dit beroep zijn gebracht, zo noodzakelijk om zich van hun kant een breed gezichtsveld, een inzicht in de wereld, een gevoel voor de ganse wereld eigen te maken. Alle pedagogische maatregelen in detail zijn veel minder belangrijk op deze plaats dan precies deze wijdse blik. En men kan gerust zeggen: ook aan het karma van zo'n leraar wordt het terug duidelijk hoe het totaal aan mogelijkheden groter, ja veel groter is dan anders. Want zo'n jonge mens of een kind betekent voor een leraar niet één bepaald raadsel, maar menigvoudige, naar alle kanten gedifferentieerde raadsels. [ ... ]

Deze vele mogelijkheden die daar bestaan op alle gebieden vragen van de antroposoof initiatief, innerlijk initiatief van het zielsleven. En men moet er kennis van nemen dat voor de antroposoof de volgende stelling geldt, dat de antroposoof tot zichzelf moet zeggen : nu ik eenmaal door mijn karma antroposoof geworden ben, nu verlangt datgene dat mij tot de antroposofie kon brengen dat ik er acht op sla hoe in mijn ziel -ergens meer of minder diep- de noodzaak verschijnt om in het leven zielsinitiatief te vinden, om uit het innerste van het eigen wezen iets te kunnen beginnen, een beslissing te kunnen nemen. Dat is in het karma van ieder afzonderlijk antroposoof eigenlijk geschreven: word een mens met initiatief en let erop, als ge door belemmeringen van uw lichaam of belemmeringen die zich anders voordoen, het middelpunt van uw wezen met het initiatief niet vindt, hoe in de grond leed en vreugde bij u van dit vinden of niet-vinden van het persoonlijk initiatief afhangen !

Dat is iets dat in gouden letters altijd voor de ziel van de antroposoof zou moeten staan, dat het initiatief in zijn karma ligt, en dat veel van wat hij in het leven tegenkomt, ervan afhangt in hoeverre hij zich dit initiatief wilsmatig kan bewust worden." [ ... ]

*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
.

Aan de kant van Michaël: antroposofen

In de 19de eeuw begon een grote strijd op geestelijk gebied die nog altijd niet beslecht is: de strijd tussen Michaël en Ahriman om het menselijke bewustzijn, om de menselijke intelligentie. Door de ontwikkeling van de moderne beschaving zijn de mogelijkheden van Ahriman geweldig toegenomen. Michaël kan alleen rekenen op de mensen die zich vanuit een innerlijke drang aan zijn zijde plaatsen door zich open te stellen voor de impulsen van de antroposofie. Dit heeft gevolgen voor het karma, niet alleen van de antroposoof maar ook van de niet-antroposoof in zijn omgeving, en zelfs voor de hiërarchie van de engelen ! Rudolf Steiner in de voordracht van 3 augustus 1924.

[ ... ]

"Temidden van dit alles staat tenslotte de antroposofische beweging. Want zij hangt immers samen met deze ganse Michaël-stroming, zoals blijkt uit wat ik tot hiertoe beschreef.

Bekijkt u nu eens, in dit licht, de karmische samenhangen van afzonderlijke persoonlijkheden die vanuit een innerlijke drang in de antroposofische beweging geraken. Vooreerst komen zij uit de wereld, zij staan toch in bepaalde wereldsamenhangen. Welnu, er zijn in de wereld werkelijk al veel gemeenschappen geweest die mensen verenigd hebben, maar nog nooit is de samenvoegende kracht zo specifiek geweest als dewelke die door de michaëlische krachten wordt bewerkstelligd. Daardoor wordt er een bijzondere situatie geschapen voor diegenen die vanuit de wereldsamenhang hun weg naar de Antroposofische Vereniging vinden. Men kan in andere verenigingen geraken, kon daar altijd in geraken: de lotsbestemming wordt er niet al te zeer door beïnvloed. In de Antroposofische Vereniging kan men niet komen, tenminste als deze komst heel eerlijk is en de ziel diep aangrijpt, zonder dat de lotsbestemming wezenlijk en diep beïnvloed wordt. En dat wordt dan zeer bijzonder duidelijk wanneer men de dingen, ik zou zeggen, met het juiste vizier bekijkt.

Neemt u een mens die pas in de Antroposofische Vereniging of antroposofische beweging komt, die voordien ergens op een bepaalde manier samenhing met niet-antroposofen of ook daarna met hen nog blijft samenhangen. Dit verschil tussen hij die erin komt en hij die erbuiten staat of erbuiten blijft is van veel meer betekenis als dat in om 't even welke andere gemeenschap het geval is.

Twee soorten van samenhangen zijn er. We leven nu eenmaal, doordat alles wat ik beschreven heb vervuld is, in een tijd van ongelooflijk grote beslissingen, zodat dit naast elkaar staan van antroposofen en niet-antroposofen vandaag iets doorslaggevends is. Ofwel gaat het om de vereffening van oud karma voor diegene die in de Antroposofische Vereniging staat, ofwel gaat het om het vormen van nieuw karma voor diegene die er niet in staat. En dat is een groot onderscheid.

Nemen we aan dat een antroposoof een nauwe band heeft met een niet-antroposoof. Dan kan het dus zijn dat de antroposoof oude karmische banden met de niet-antroposoof moet vereffenen, of het andere kan zich voordoen dat de niet-antroposoof karmische banden voor de toekomst moet smeden met de antroposoof. Tenminste, deze twee situaties zijn de enige -allemaal een beetje verschillend natuurlijk- die ik kon waarnemen. Daarbuiten is er niets, behalve deze twee gevallen is er niets.

Daaruit volgt echter dat het nu werkelijk om een tijd van grote beslissingen gaat: dat ofwel ingewerkt wordt op de niet-antroposofen in de zin dat ze tot de Michaël-gemeenschap komen, ofwel dat er gewerkt wordt om diegenen die niet tot de Michaël-gemeenschap behoren er verre vandaan te houden. Dat is de tijd van de grote tweespalt, de grote crisis, waarvan eigenlijk de heilige boeken van alle tijden spreken en die in de grond bedoeld is voor onze tijd.

Want dat is nu eenmaal het bijzondere van de Michaël-impulsen dat ze bepalend zijn en dat ze precies in onze tijd bepalend zijn. De mensen die in de huidige incarnatie door de antroposofie Michaël-impulsen opnemen, die bereiden daardoor hun ganse wezen voor, -door die Michaël-impulsen op te nemen- zodanig dat dit diep indringt in de krachten die anders alleen door ras- en volksverbanden bepaald worden.

Denkt u eens hoe sterk men kan spreken in de zin van: dat daar is iemand die in een bepaald volksverband staat. Men ziet het hem aan dat hij een Rus, een Fransman, een Engelsman, een Duitser is. Men ziet het de mensen aan en men klasseert de mensen naargelang, men plaatst ze in een vakje als men erover nadenkt wanneer men ze ziet, over waar ze eigenlijk zouden kunnen bijbehoren. Men vindt het beduidend als men aan iemand kan zien of hij een Turk of een Rus is enz.

Bij diegenen die vandaag met werkelijk innerlijke zielekracht, met een hartsimpuls antroposofie opnemen als hun diepste levenskracht, zullen dergelijke verschillen geen zin meer hebben als ze terug op aarde zullen komen.

Men zal zeggen: van waar komt die dan wel ? Die is niet van één volk, niet van één ras, die is a.h.w. boven alle rassen en volkeren uitgegroeid.

Ziet u, ten tijde van de laatste Michaël-heerschappij, in de tijd van Alexander de Grote, ging het erom het Griekse element kosmopolitisch te verspreiden, uit te dragen. Door de tocht van Alexander is toen iets ontzaglijks geschied ter verspreiding van iets gemeenzaams. Maar dat kon nog niet zo diep ingrijpen omdat Michaël nog altijd de kosmische intelligentie beheerde. Nu is de intelligentie op aarde gekomen. Nu wordt zoiets diep ingrijpend, nu grijpt dat ook in in het aardse aspect van de mens. Het geestelijke bereidt zich voor om voor de eerste maal rasvormend te worden. En de tijd zal komen dat men niet meer zal kunnen zeggen: die mens ziet eruit alsof hij daar of daar bijbehoort, dat daar is een Turk, of Arabier, of Engelsman, of Rus of Duitser, maar dan zal men moeten zeggen: die mens heeft in een vroeger leven de drang gevoeld om zich naar het geestelijke in michaëlische zin te richten. Zodat dus rechtstreeks fysiek-scheppend, fysiek-vormend datgene optreedt wat door Michaël beïnvloed is.

Dat is dan echter ook wat zich diep, diep inprent in het karma van de enkeling. Vandaar de lotsbestemming van zij die eerlijke antroposofen zijn: niet echt hun draai kunnen vinden in de wereld en toch de noodzaak om ernstig, in volle ernst de wereld tegemoet te treden.

Ik heb laten verstaan dat de mensen die nu met volle intensiteit actief zijn in de antroposofische beweging, op het einde van de eeuw zullen terugkomen, dat zich dan anderen met hen zullen verenigen, omdat daardoor definitief zal moeten beslist worden over de redding van de aarde, over het redden van de aardebeschaving voor de ondergang. Dat is de missie van de antroposofische beweging die, ik zou zeggen, aan de ene kant het hart zwaar bedrukt, maar van de andere kant het hart verheft en begeestert. Naar deze missie moet uitgekeken worden.

En dan is het zeker noodzakelijk dat men als antroposoof weet dat in deze situatie voor de antroposoof het karma zwaarder te dragen is als voor andere mensen. Vooreerst zijn de mensen die in de Antroposofische Vereniging komen ertoe voorbestemd om het karma zwaarder te beleven als andere mensen. En wil men ontsnappen aan dit zwaarder lot, wil men zijn karma gemakkelijk uitleven, dan wreekt zich dat op een of andere manier. Men moet ook in het karma-beleven kunnen antroposoof zijn; men moet opmerkzaam kunnen kijken naar het karma-beleven om een echte antroposoof te zijn. Het karma gemakkelijk uitleven, de wil om het karma gemakkelijk uit te leven, dat leidt ertoe dat het zich wreekt in een fysisch ziekworden, in fysieke ongevallen enzomeer.

Deze fijnere samenhangen in het leven moet men nu eenmaal in 't oog houden; dan ziet men ook samen met deze intiemere samenhangen vele andere zaken. En het is de beste voorbereiding om werkelijk geestelijk te schouwen, wanneer men op deze intiemere samenhangen in het leven let. Het is niet een juist principe om op een zweverige manier allerlei abnormale visioenachtige toestanden te willen ontwikkelen. Het is integendeel ongemeen belangrijk om zich bezig te houden met wat er intiemer gebeurt in de lotsbeschikkingen die men kan observeren.

Zien wij het dan niet ons karma worden, beste vrienden, dat wij naast mensen leven of geleefd hebben die innerlijk absoluut verhinderd worden om tot de antroposofie te komen, ondanks alles wat wij hen -ik zal niet zeggen tegemoetbrengen, maar- zouden kunnen tegemoetbrengen als ze het maar wilden aannemen ? Dat zien we toch. Dat is iets dat ongetwijfeld bij het grote doorslaggevende van het tegenwoordige leven hoort. En wat zich daar afspeelt zal een karmische betekenis hebben zowel voor wie in de antroposofische beweging komt als voor wie er buiten blijft; het zal buitengewoon beduidend worden.

Want stellen we ons nu voor dat deze mensen zich in een toekomstige incarnatie weer ontmoeten -wat er in een volgende incarnatie gebeurt dat wordt nu reeds in deze incarnatie voorbereid : dan zal deze ontmoeting met mensen waartegenover we nu staan zoals ik hierboven karakteriseerde, van die aard zijn dat het vreemd-zijn dat anders bestaat tussen mensen wezenlijk zal zijn toegenomen. Want Michaël werkt ook tot in fysieke sympathieën en antipathieën. Dit alles speelt zich nu reeds voorbereidend af, het speelt zich voor ieder antroposoof afzonderlijk nu reeds voorbereidend af. Vandaar dat het ongemeen beduidend is voor de antroposoof om juist de karmische verhoudingen in 't oog te houden die zich afspelen tussen hemzelf en niet-antroposofen. Want daar spelen zich namelijk zaken af die reiken tot in het eerstvolgende hiërarchieënrijk.

Want, ziet u, er bestaat een tegenpool voor wat ik geschilderd heb: dat de Michaël-impulsen rasvormend gaan worden, er is daarvan een pendant.

Nemen wij het geval dat het karma beschikt dat een of andere persoonlijkheid op de uitmuntendste wijze aangegrepen wordt door de antroposofische impulsen, met hart en zin, ik zou zeggen, met geest en ziel aangegrepen wordt. Welnu, in dat geval is er iets noodzakelijk dat uitgesproken zonderling, paradox klinkt; maar het is wel noodzakelijk: zijn engel moet iets leren. En dat, ziet u, dat is ontzaglijk veelbetekenend. Het antroposofenlot dat zich afspeelt tussen antroposofen en niet-antroposofen, dat veroorzaakt een golfslag tot in de wereld van de engelen. Dat leidt tot een scheiding van de geesten in de wereld van de engelen. De engel die de antroposoof begeleidt naar zijn volgende incarnaties, die leert om zich nog dieper dan hij dat vroeger kon, in de geestelijke wereld te oriënteren. En de engel die bij de andere hoort die niet tot de antroposofie kon komen, zinkt weg. En het wordt dus eerst aan het lot van de engelen duidelijk hoe de grote scheiding geschiedt. Het is nu zo -en dat, mijn beste vrienden, is iets waarop ik jullie harten zou willen wijzen- dat uit een relatief eendrachtig rijk der engelen een tweedelig rijk ontstaat, een rijk van engelen met een drang naar hogere werelden en één met een drang naar beneden naar lagere werelden. Terwijl zich hier op aarde de vorming van de Michaël-gemeenschap voltrekt, kunnen we boven deze gemeenschap opstijgende engelen en naar beneden gaande engelen waarnemen. Eigenlijk kan men vandaag, als men dieper de wereld beschouwt, voortdurend deze stromingen, die zo iets hartsbeklemmends hebben, observeren." [ ... ]

*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
.

Natuurvoeding


Dat er een biologisch-dynamische landbouw en biologisch-dynamische voeding is, hebben we te danken aan Rudolf Steiner. Vanuit de geesteswetenschap heeft hij de impulsen gegeven om tot hoogwaardige akkervruchten te komen zonder dat daarbij de aarde chemisch moet vergiftigd worden.
Vele mensen die bewuster willen leven schakelen over op biologische voeding, enerzijds omdat ze zelf gezonder wilen zijn of worden, anderzijds omdat ze graag in een gezonder, properder milieu willen leven. Maar wat stellen ze dikwijls vast ? Zijzelf voelen zich bij die verandering van dieet heel goed, hun kinderen echter ontwikkelen een regelrechte afkeer van al wat naar de natuurwinkel ruikt. Naast een gezondheidsprobleem zit men nu ook met een pedagogisch probleem !
Men kan redeneren: als het kind ergens een afkeer van heeft, dan betekent dat dat zijn lichaam dat niet verdraagt, we laten het zijn "natuurlijk instinct" volgen. Het is toch zo dat in onze tijd bij vele ouders een afkeer bestaat om hun kind te dwingen om een bevel op te volgen. Dus laat men het kind zijn gang gaan, het moet niet eten wat de ouders eten, zijn broertje evenmin, en ook zijn zusje niet enz. In vele gezinnen wordt dan ook nog nauwelijks samen gegeten: ieder eet wanneer het hem uitkomt en wat hem belieft.

In het volgende fragment uit "Geisteswissenschaft und Medizin" (312de deel uit de Gesamt Ausgabe, p. 320) gaat Rudolf Steiner even in op het sociale aspect van de voeding.

[ ... ]

"Nu ga ik hier een hoofdstuk invoegen dat schijnbaar niets ter zake doet. Dat is nl. wat men dieet-vragen zou kunnen noemen en die ook samenhangen met de zaken die we zojuist behandeld hebben. Deze dieetvragen zijn zo belangrijk omdat ze niet alleen een geneeskundige maar ook een sociale betekenis hebben. Men kan veel discuteren of het Mazdaznan-dieet of gelijkaardige zonderlinge dieten een betekenis hebben en te rechtvaardigen zijn. Dat kan men; maar bij dit alles komt het er toch op neer dat de mens bij al wat hem zo aangeraden wordt, tot een onsociaal wezen wordt gemaakt. Daar botst werkelijk het sociale met het geneeskundige. Hoe meer we erop aangewezen zijn om voor onszelf iets anders te moeten hebben wat betreft onze voeding, wat betreft al wat uit de omringende wereld komt, des te meer worden we onsociale wezens. De betekenis van het Avondmaal ligt niet in het feit dat Christus iedere discipel iets anders gegeven heeft, maar dat Hij iedereen hetzelfde heeft gegeven.

Het mogelijk maken dat men als mensen kan samenzijn bij het eten of drinken, dat heeft een grote sociale betekenis. En alles wat erop uit draait om deze gezonde sociale natuur van de mens in te perken, dat moet toch met enige voorzichtigheid behandeld worden. Want een mens die aan zichzelf overgelaten wordt, niet alleen wat betreft hetgeen in hem bewust leeft, maar ten opzichte van al wat organisch in hem werkzaam is, die krijgt eigenlijk alle mogelijke goestingen en tegengoestingen. Het is helemaal niet zo belangrijk om op deze goestingen en afkeer te letten zoals men dat gewoonlijk doet. Want als een mens ertoe komt om iets wat hij eigenlijk niet verdraagt -niet alleen met zijn subjectieve smaak, maar met zijn ganse constitutie niet verdraagt-, wanneer hij ertoe komt om dat te leren verdragen, als hij dus een tegengoesting in de ruimste betekenis van het woord overwint, dan heeft hij meer voor zijn lichaamsorganisatie gewonnen, dan wanneer U nog zo lang van hem weghoudt datgene waar hij een anti-appetijt voor heeft. In het overwinnen van iets dat men niet verdraagt ligt nu precies het opbouwen van een beschadigd orgaan, of, als men naar het etherische kijkt, zelfs van een nieuw orgaan. De kracht om organen op te bouwen zetelt nl. in niets anders dan in het overwinnen van een afkeer. Door in te spelen op wat het lichaam verdraagt of niet verdraagt dient men vanaf een zeker punt de organen niet meer, men hypertrofieert ze, men brengt ze tot ontaarding, zodat, als men te veel rekening houdt met wat het lichaam door zijn beschadigingen van zich wil ver houden, men de lichaamsorganisatie schaadt. Als men daarentegen probeert de mens langzaam aan gewoon te maken aan wat eigenlijk voor hem niet geschikt lijkt, dan versterkt men altijd de lichaamsorganisatie.

In dit opzicht heeft onze moderne natuurwetenschap bijna alles toegedekt wat we aan kennis nodig zouden hebben. "[ ...]

***

In dit verband is het misschien interessant de anekdote te vermelden die Dieter Brüll aanhaalt in zijn boek "De sociale impuls van de antroposofie" (p. 193)

" Tussen twee bijeenkomsten wippen zijn aanhangers een klein restaurant binnen om het middageten te gebruiken. Er is weinig dat voor vegetariërs geschikt is, en daarom is het spiegelei, roerei en omelet wat de klok slaat. Even later komt Steiner binnen en bestelt voor zichzelf het menu van de dag - met vlees. Niet om zijn leerlingen te shockeren, maar omdat hij de sociale instelling jegens de waard belangrijker vond dan het vegetarisch principe. Wij kennen van hem immers ook het woord over het "fanatieke opkomen voor de edelste impulsen", dat "het ergste voor de zedelijke ontwikkeling " kan veroorzaken."

( Meer anecdotes hier.)

*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
.

De vijgeboom


In 1957 verscheen een boek van de bekende Engelse filosoof Bertrand Russel : "Waarom ik geen Christen ben", een verzameling essays over godsdienst en aanverwante onderwerpen. De titel van het boek slaat op een voordracht die de schrijver hield in 1927.
Bertrand Russel was een moreel hoogstaande persoonlijkheid die veel "christelijker" leefde dan de meeste van zijn tijdgenoten. Maar als materialist kon hij met zijn gezond verstand alleen de uiterlijke geschiedenis van het christendom en de godsdienst nagaan. En dat levert natuurlijk geen fraai beeld op : onverdraagzaamheid en oorlog zijn schering en inslag. Beter dus om geen christen of godsdienstige te zijn, dat was zijn conclusie ...
Op nog geen twintig bladzijden maakt hij het proces van het christendom, een begrip voor het Mysterie van Golgotha moeten we van hem dus niet verwachten, zelfs niet voor de persoon van Jezus, wiens gedrag hij soms onbegrijpelijk vindt:

[ ... ] "Er zijn nog andere zaken, minder belangrijke. Zo is er bvb. het geval van de zwijnen in het land van de Gadarenen (Evangelie volgens Marcus, 5de hoofdstuk ). Het was toch niet erg lief tegenover de zwijnen om de boze geesten erin te laten varen en hen de helling te laten afstormen naar de zee. We moeten voor ogen houden dat Hij almachtig was, en dat Hij de duivels eenvoudig had kunnen doen weggaan; maar Hij verkoos om ze in de varkens te laten varen.
En dan is er nog de eigenaardige geschiedenis met de vijgeboom, daar heb ik mij altijd vragen bij gesteld. Wat gebeurde met de vijgeboom ?
" En de volgende dag, toen zij van Bethanië kwamen, werd Hij hongerig. En toen Hij van verre een vijgeboom zag, die bladeren had, ging Hij daarheen om te zien of Hij er ook iets aan vinden zou. En er bij gekomen vond Hij er niets aan dan bladeren; want het was de tijd niet voor vijgen. En Hij antwoordde en zeide tot hem : Nooit ete meer iemand vrucht van U in eeuwigheid ! ... en Petrus ... zeide tot Hem : Rabbi, zie, de vijgeboom dien Gij vervloekt hebt, is verdord."
(Marcus 11:12)
Dit is een zeer eigenaardig verhaal, want het was niet het juiste jaargetijde voor vijgen, en dat kon je de vijgeboom toch niet kwalijk nemen. Persoonlijk voel ik het zo aan dat Christus noch wat betreft wijsheid, noch wat betreft deugdzaamheid even hoog staat als sommige andere mensen die in de geschiedenis bekend zijn. Ik denk dat ik Boeddha en Socrates hoger zou schatten in dat opzicht." [ ... ]

Hier zien we duidelijk dat zelfs de grootste geleerden van onze tijd, waar het gaat om de diepere krachten achter de menselijke ontwikkeling, niet meer inzicht hebben dan de eerste de beste caféklant.

Wat een verschil met Rudolf Steiner : om een gebeurtenis als die met de vijgeboom te verklaren heeft hij een inleiding van acht voordrachten nodig (in de cyclus over het Marcus-Evangelie), en pas daardoor kan hij die bewuste gebeurtenis in het juiste licht plaatsen.
We drukken de betreffende passage hieronder af, maar de lezer zou toch de voorgaande voordrachten moeten lezen om een volledig begrip van de zaak te krijgen.
Een interessante "toevalligheid" : Bertrand Russel haalt Boeddha en Socrates aan. Welnu, in de vierde voordracht van de voornoemde cyclus heeft Rudolf Steiner het over Boeddha en Socrates als vertegenwoordigers van diametraal tegenovergestelde stromingen in de mensheidsevolutie, stromingen die door de Christus verbonden worden. Rudolf Steiner sprak daarover in september 1912.

[ ... ] "Een bijzondere plaats waar men terug het methodisch-kunstzinnige kan leren kennen dat in het Evangelie verborgen is aan occulte feiten van de mensheidsevolutie, is de volgende, eens te meer een kwelling voor de uitleggers.

" En de volgende dag, toen zij van Bethanië kwamen, werd Hij hongerig. En toen Hij van verre een vijgeboom zag, die bladeren had, ging Hij daarheen om te zien of Hij er ook iets aan vinden zou. En er bij gekomen vond Hij er niets aan dan bladeren; want het was de tijd niet voor vijgen. En Hij antwoordde en zeide tot hem : Nooit ete meer iemand vrucht van U in eeuwigheid ! En zijn discipelen hoorden het."

Als we eerlijk zijn moeten we toch vragen : dat is toch zonderling wat daar in het Evangelie van een God gezegd wordt, dat hij naar een vijgeboom stapt, vijgen zoekt maar ze niet vindt, en dat men er de reden bijvertelt waarom hij er geen vindt - want er staat uitdrukkelijk "Het was niet de tijd voor vijgen", dat betekent dus dat Hij op een moment dat er geen vijgen zijn naar een vijgeboom stapt, vijgen zoekt en geen vindt - en daarna zegt : "Nooit ete meer iemand vrucht van U in eeuwigheid !"
Wat voor verklaringen worden er al niet voor deze passage gegeven, terwijl er droog en nuchter niets anders staat dan dat de Christus Jezus op een zonderlinge manier honger krijgt, naar een vijgeboom stapt op een ogenblik dat er geen vijgen groeien, geen vijgen vindt en vervolgens de boom vervloekt zodat er in alle eeuwigheid geen vijgen meer aan groeien.
Ja, wat is nu die vijgeboom, en waarom wordt dat alles verteld ?

Wie occulte schriften kan lezen, die zal in de "vijgeboom" vooreerst hetzelfde herkennen als datgene waarvan bij Boeddha gesproken is, die onder de "Bodhiboom" zat en de verlichting ontving voor zijn prediking in Benares. Onder de "Bodhiboom" is hetzelfde als : onder de "vijgeboom".
Wereldhistorisch bekeken was men ten tijde van Boeddha wat betreft het menselijk helderzien nog in de "tijd van de vijgen", dat betekent, men verkreeg de verlichting, zoals het bij Boeddha het geval was, onder de Bodhiboom, onder de vijgeboom.
Nu was dat niet meer zo. Dat moesten de apostelen inzien. Nu was het wereldhistorisch ogenblik aangebroken dat aan die boom, waaronder Boeddha zijn verlichting ontving, geen vruchten meer waren.
En wat met de ganse mensheid toen gebeurde, dat spiegelde zich toentertijd in de ziel van de Christus.
Ook in Empedocles van Sicilië zien wij een representant van de mensheid, een representant voor vele mensen, die eveneens hongerden omdat hun ziel niet meer de openbaring vond die hun vroeger gegeven werd, en die het nu moest stellen met de abstracties van het Ik. Zo kunnen wij van de hongerende Empedocles spreken, van de honger naar de geest die alle mensen van de nieuw aangebroken tijd voelden. En de ganse honger van de mensheid sloeg neer in de ziel van de Christus Jezus vóór het Mysterie van Golgotha aanbrak.
En de apostelen moesten dit geheim deelachtig worden en ervan weten. Christus leidde ze naar de vijgeboom en sprak van het geheim van de Bodhiboom. Hij verzweeg -omdat het geen betekenis meer had- dat nog Boeddha vruchten aan deze vijgeboom had gevonden. Maar nu was het niet meer de tijd van de "vijgen" die Boeddha ten tijde van de prediking te Benares van de Boddhiboom gehaald had; Christus moest integendeel vaststellen dat voor alle eeuwigheid nooit meer de kennisvruchten zouden rijpen aan de boom waarvan het licht van Benares uitstroomde: nu moesten ze komen van het Mysterie van Golgotha.
Welk feit hebben wij voor ons ? Het feit dat de Christus Jezus met zijn apostelen van Bethanië naar Jeruzalem gaat en dat bij die gelegenheid bij de apostelen een bijzonder sterk gevoel, een bijzonder sterke kracht tevoorschijn wordt geroepen die in de zielen van de apostelen helderziende krachten naar voor haalt zodat ze vooral naar imaginaties neigen. Er worden helderziende, imaginatieve krachten gewekt bij de apostelen. Zij zien helderziend de Bodhiboom, de vijgeboom, en de Christus bewerkstelligt bij hen het inzicht dat van de Bodhiboom geen kennisvruchten meer kunnen komen; want het is niet meer de tijd voor de vijgen, d.w.z. de oude kennis, het oude inzicht. Voor alle eeuwigheid zal deze boom verdord zijn en een nieuwe boom moet groeien, de boom die bestaat uit het dode hout van het Kruis, waaraan niet de vruchten rijpen van het oude inzicht, maar de vruchten die de mensheid moet hebben van het Mysterie van Golgotha, dat met het kruis van Golgotha als een nieuw zinnebeeld verbonden is.
In plaats van het beeld van de Boeddha, gezeten onder de Bodhiboom is er nu een ander beeld in de wereldgeschiedenis gekomen: het beeld van Gogotha, waar een andere boom, de boom van het kruis, opgericht is, waaraan de levendige vrucht van de zich openbarende Mensengod hing, opdat van Hem het nieuwe inzicht zou uitstromen van de zich altijd maar verder ontwikkelende boom die in alle eeuwigheid vruchten moet dragen."
(Einde van de achtste voordracht)


*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
.

Rudolf Steiner - persoonlijk

De volgende fragmenten komen uit het boekje van Herbert Hahn "Rudolf Steiner, wie ich ihn sah und erlebte", in het nederlands vertaald als "Rudolf Steiner zoals ik hem gekend heb". De auteur probeert te beschrijven hoe men bij Rudolf Steiner ondanks de geweldige inzichten en gedachten die hij naar voor bracht, toch in de eerste plaats getroffen werd door de grote menselijkheid, door zijn warm hart.

"Dit soort menselijkheid waar ik het zojuist over had, kon ik duidelijk aanvoelen als hij na de voordrachten de vragen begon te beantwoorden.
Meestal werden die vragen direct na de voordracht, maar soms ook ervoor, op briefjes overgemaakt aan de spreker. Ze hadden niet alleen betrekking op hetgeen in de voordracht behandeld werd, maar gingen over de meest verscheiden levensgebieden. Rudolf Steiner bekeek ze niet op voorhand, noch rangschikte hij ze, maar de een na de andere werd voorgelezen en beantwoord. Bij deze totaal geïmproviseerde bezigheid had men de gelegenheid om het allesomvattende van deze unieke geest te bewonderen, zijn brede levenservaring, zijn grote ontwikkeling. Maar nog groter was de indruk die de mildheid en menselijkheid maakte die van ieder woord uitging - zoals ik reeds aanduidde.
Zo herinner ik mij een vraag die bij een deel van het publiek, hoofdzakelijk bij de jongere mensen, een zekere vrolijkheid veroorzaakte : "Wat moet men doen bij liefdesverdriet ?"
Ikzelf stond perplex en dacht bij mezelf : wat moet men in 's hemelsnaam op zo'n vraag antwoorden, vooral als ze zo algemeen en openlijk gesteld wordt ? Het zou mij niet verwonderd hebben indien de spreker er niet zou willen op in gaan. Tot mijn grote verbazing, en ook tot die van vele anderen, ging hij er toch op in, zorgvuldig, behoedzaam, zelfs uitgesproken mild. Men had de indruk alsof hij heel duidelijk de ongelukkige mens voor zich zag die deze vraag gesteld had. En alsof hij wist dat het hier niet ging om een bagatel, om banaal bakvisverdriet, maar om een doodernstige levenscrisis. En hij antwoordde op zo'n manier dat ieder woord ertoe bestemd scheen om te troosten, te genezen, op te richten, ja - om hoop te wekken. Hij zei o.a. dat men eigenlijk niet zo zonder meer kon weten of het eigen gevoel toch niet in de diepte van de andere ziel beantwoord werd. Bij zulke ingrijpende ervaringen zou men vooral niet naar dit ene mensenleven mogen kijken, maar naar de wonderlijke draden die van het ene leven naar het andere verder weven. En daar is het dan zo dat veel van wat vandaag verloren schijnt, toch nog dikwijls op wonderbare wijze kan rijpen en vrucht dragen. In ieder geval is ieder echt mensengevoel voor alle eeuwigheid niet verloren ...
Ik weet niet meer wat Rudolf Steiner nog allemaal zei op deze vraag die hoogstwaarschijnlijk een vertwijfelde kreet om hulp was. Maar ik herinner mij goed dat de lachers vlug verstomden en iedereen spoedig met ingehouden adem luisterde.

Hoezeer Rudolf Steiner steeds weer niet alleen op de inhoud der vragen, maar op hun achtergrond lette, kwam naar voren bij een andere gelegenheid. Toen legde eens een jongmens, kennelijk een eerstejaars student, hem een vraag voor op een brutale en onbeschaamde toon. Rudolf Steiner keek hem ernstig aan en zei toen, elk woord nadrukkelijk uitsprekend :" U zult eerst bescheidenheid moeten leren." Waarna hij zich afwendde en de vragensteller liet staan. En zelfs uit deze zelden voorkomende strengheid bleek, geloof ik, Rudolf Steiners menselijkheid. Die liet zich hier alleen van een andere kant zien. Hij voelde zich door en door verantwoordelijk en verplicht aan de geest. Daarom moest hij nieuwsgierigheid, sensatiezucht en overmoed op hun plaats zetten. Maar, zoals gezegd, dat was slechts in enkele gevallen nodig; want Rudolf Steiners wezen maakte dat de kobolden die zich achter deze drie ondeugden verscholen, vanzelf in zijn tegenwoordigheid hun mond hielden.

Er is mij één merkwaardig geval meegedeeld, dat geloofwaardig is en zich ook in die tijd afspeelde, maar waarvan ik niet zelf getuige heb kunnen zijn. En in dit geval schijnt Rudolf Steiner toch eenmaal te zijn ingegaan op nieuwsgierigheid en sensatiezucht.
Op een keer was er een groep studenten die al verscheidene voordrachten van Rudolf Steiner gehoord had en ook de wonderbaarlijke manier van de vragenbeantwoording had bijgewoond. De stelligheid waarmee daar de meest uiteenlopende vragen beantwoord werden, kwam hun verdacht voor: ze ergerden zich ronduit over dit voor hen onbegrijpelijk fenomeen. En zo kwamen ze tot het drieste en aanmatigende besluit om die zonderlinge redenaar eens in de val te laten lopen. Onder hen waren enkele natuurwetenschappers in spe, meest botanici. Ze visten ergens uit een vergeten hoek een half vergeeld dik boek op over de flora van Zuid-Amerika. Ze schreven daaruit de namen op van verschillende hun volledig onbekende en voor hen ook volkomen oninteressante Zuidamerikaanse planten. Op de eerstvolgende avond dat Rudolf Steiner een voordracht hield lag er een briefje op de lessenaar met de vraag :" Wat heeft de geesteswetenschap te zeggen over de volgende planten ?" en daar volgden dan louter en alleen namen die de meeste mensen fantastisch in de oren klinken, zoals n.x. peruviana of n.y. brasiliensis.

De studenten waren naast elkaar gaan zitten. Ze volgden de voordracht maar met een half oor, want ze verkneukelden zich al bij voorbaat in de verlegenheid die beslist zou volgen wanneer Rudolf Steiner dat briefje in handen kreeg. Eindelijk brak het met zoveel spanning verwachte ogenblik aan. Met zijn diepe, sonore stem las Rudolf Steiner voor:" Wat heeft de geesteswetenschap ... enz enz. " Even hield hij op. De spanning bij de studenten steeg ten top. Toen zei hij ongeveer dit :" Ja, dit is lang geen alledaagse vraag, want de hier genoemde planten zijn totaal onbekend voor de meeste aanwezigen." Hij pauzeerde even. Triomfantelijk keken de studenten elkaar aan. "Daarom", hervatte hij," lijkt het mij het beste dat ik u eerst, al is het maar in enkele woorden, een beeld van deze planten geef." En toen begon hij inderdaad zo'n nauwkeurige beschrijving te geven, alsof hij elk van deze planten afzonderlijk voor zich had, als gleed zijn hand over hun bladeren en ademde hij de geur van hun bloemen in. De studenten kregen er koude rillingen van. Ze durfden elkaar niet meer aan te kijken. In ademloze spanning zaten ze verder te luisteren. Want Rudolf Steiner zei verder dat er niet gevraagd was wat voor soort planten het waren of hoe ze er uitzagen, maar naar hetgeen de geesteswetenschap erover te zeggen had.
En met een paar voorbeelden wees hij erop dat de wortel van die plant voor ziekten van deze of gene groep als geneesmiddel kon geprepareerd worden, de bloemen van de andere plant voor dit of dat. Ook ditmaal sprak hij volkomen concreet. De studenten hadden het oorspronkelijk plan dat ze gesmeed hadden voor deze tien minuten helemaal vergeten en luisterden vol verbazing. Maar toen ze naar huis gingen en over alles wat er gebeurd was nog eens nadachten, schaamden ze zich diep. Dit gaf enkelen van hen een morele en geestelijke prikkel en leidde ertoe dat ze zich ernstig gingen verdiepen in de antroposofische wetenschap en zelf op dat terrein werkzaam werden.

*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
.

Alcohol

In een ander boekje van Herbert Hahn, "Begegnungen mit Rudolf Steiner", lezen we iets interessant over de werking van alcohol.

[ ... ] " Zeer ernstig vatte Rudolf Steiner de negatieve werkingen op die alcohol op de huidige mens uitoefent. In het verleden had alcohol een opdracht, een missie : hij moest de mens losmaken uit de bloedsbanden en op zijn manier het (natuurlijke) helderzien uitdoven. Vandaag kan er van geen enkele positieve invloed van de alcohol meer sprake zijn. De fijnere innerlijke organisatie van de mens wordt erdoor tot verstarring gebracht, en er wordt een soort "tegen-ik" ingebouwd. Wie oefeningen doet in de zin van de geesteswetenschap breekt door ieder alcoholgebruik iets af van wat hij reeds bereikte. Hij benadrukte dat hij dit niet zei om op te roepen tot een dogmatische onthouding, of in de zin van een fanatiek anti-alcoholisme. Hij deelde dit enkel mee opdat de enkeling bewust met deze kennis zou kunnen leven en weten wat hij doet.
Hijzelf ging alcohol zodanig uit de weg dat hij zelfs uitwendig gebruik vermeed. Zo spoorde hij ook aan om voor het bewaren van medicamenten in de toekomst andere middelen te zoeken als de verbinding met alcohol. Eveneens ried hij aan om voorzichtig te zijn met alle reukessencen, parfums. Van dewelke die in onze streken gebruikelijk zijn kon hij alleen lavendel en Eau-de-Cologne aanraden. " [ ... ]

In het boek "Humor und Heiterkeit im Leben und Werk Rudolf Steiners" wordt Fred Poeppig geciteerd :

" Een dame die van oordeel was dat het glas wijn dat ze iedere avond dronk toch niet schadelijk kon zijn, kreeg van Rudolf Steiner te horen : " Dat heeft dezelfde werking als zou u iedere dag een huis bouwen en het 's avonds weer afbreken !" Daarom ook kon hij op de vraag : "Welke werking heeft alcohol op wie aan geestesscholing doet ?' antwoorden : "Geen ... want wie aan geestesscholing doet drinkt geen alcohol !"

*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*

Terug naar de inhoudstafel .