|

* * * * * * * * * * * *
Over het mensbeeld in een opvoedingsmodel
Vóór de tweede wereldoorlog en nog geruime tijd daarna, waren er relatief weinig opvoedingsproblemen.
In onze streken overheerste een mens- en wereldbeeld dat sterk, zoniet uitsluitend door de katholieke kerk gevormd was. Het geloof in een strenge, straffende god was algemeen verbreid en wewrd bewust in stand gehouden. Sleutelwoorden waren volgzaamheid, onderwerping, hiërarchie.
In de opvoeding werd het bijbelse gezegde: "Wie zijn kinderen liefheeft, spaart hun de roede niet" (Spreuken 13,24) vrijelijk gehanteerd.
Echte christelijke waarden zoals bvb. tolerantie werden noch in de maatschappij, noch in de opvoeding toegepast. Het opvoedingsmodel van toen wordt nu het autoritaire genoemd.
Naarmate het geloof in een God en een hiernamaals verdween, werd het opvoeden moeilijker: het is lastig om waarden door te geven als men ze zelf nog moet zoeken. Die zoektocht naar andere waarden leidde ook naar andere opvoedingsmodellen, nl. het anti-autoritaire en het democratische model.
Albert Schmelzer schetst in "Erziehungskunst" van september 1994 een korte historiek.
"Tegenwoordig heerst er een geweldige onzekerheid wat betreft streefdoelen en methodes voor een morele opvoeding. De jaren vijftig stonden nog sterk onder het teken van de traditionele "oude waarden": van hogerhand ingegeven, conservatief en autoritair. De kerkelijke normen en die van de staat werden opgevolgd; het principe dat straf noodzakelijk was, werd nauwelijks in vraag gesteld. Dat veranderde in de loop van de jaren zestig door het opkomen van het zgn. Nieuw Links in Duitsland en de poging om het nationaal-socialistische verleden kritisch te beschouwen. Met Theodor Adorno's radiomanuscript "Opvoeding na Auschwitz" brak in 1966 een nieuw tijdperk in de pedagogie aan:"Als we willen dat er nooit meer een Auschwitz komt, dan moeten we de opvoeding veranderen". Een dergelijk postulaat dat de angst voor massale mensenvernietiging en volkerenmoord oproept, leidt tot een zoektocht naar de oorzaken daarvan. Adorno ziet die niet alleen in maatschappelijke factoren -zoals het agressieve nationalisme-, maar ook in een autoritaire opvoeding tot aanpassing: "Mensen die zich blindelings in het collectieve invoegen, maken zichzelf reeds tot een soort materiaal, doen afstand van hun vrije wil. Daarbij worden ze bereid anderen als een vormloze massa te behandelen. Diegenen die zich zo gedragen heb ik het manipulatieve karaktertype genoemd. Mensen van deze soort hebben zichzelf eerst enigszins gelijkgesteld met dingen. Vervolgens maken ze, als het mogelijk is, zelf andere mensen tot dingen."
Een pedagogie die aanpassing nastreeft door middel van discipline en hardheid is volgens hem inhumaan. Waar men volgens Adorno moet naar streven in de opvoeding is: "De kracht tot bezinning, tot zelfbeschikking, tot het niet-meedoen."
Dit uitgangspunt probeerde men in praktijk te brengen. Het Summerhill-model van A.S. Neill bleek hierbij eveneens een inspiratiebron : vele anti-autoritaire "Kinderläden" ontstonden en experimenteerden."
Deze nieuwe impuls verplichtte ook de mensen die niet zo radicaal waren om hun opvoedingsprincipes aan te passen. Daardoor kunnen we op dit ogenblik spreken van drie manieren, stijlen van opvoeden, nl. de autoritaire, de anti-autoritaire, en de zgn. democratische.
Wie geboren is vóór 1960 heeft waarschijnlijk de autoritaire opvoeding aan den lijve ondervonden. De meesten zijn er niet zo over te spreken. Hun eigen kinderen proberen ze op een andere manier op te voeden. Een keuze die men kan maken is die van de anti-autoritaire opvoeding. Het ziet er echter niet naar uit dat dit een bruikbaar alternatief is. Dat hebben ondertussen de zgn. alternatievelingen ook ingezien.
Albert Scmelzer gaat verder:
"Beate Scheffer, fractieleider van de Duitse Groenen blikte in 1992 zelfkritisch terug: "Ik vind de alternatieve opvoeding nog altijd even juist als vroeger, maar ik moet vaststellen : wij hebben ons opvoedingsdoel niet bereikt. In plaats van mondige, sociaal en ecologisch geëngageerde, politiek uiterst gemotiveerde jongeren heeft onze opvoeding een mensensoort voortgebracht die voor het overgrote deel egocentrisch, consumptiegericht, en in de ergste gevallen zelfs gewelddadig en xenofoob is."
Deze uitlating lokte een verhitte discussie uit die symptomatisch is voor de huidige onzekerheid. Zou het kunnen dat anti-autoritair opgevoede kinderen later als volwassene een grotere behoefte vertonen naar de vaste orde die ze in hun jeugd hebben moeten missen ? Wat in die richting wijst zijn de herinneringen van een leraar die zich aansloot bij een rechts-conservatieve groepering uit protest tegen de anti-autoritaire opvoedingsstijl in zijn jonge jaren: "Alleen al de herinnering aan de peutertuin is mij nu nog een nachtmerrie. Eeuwig-glimlachende vrouwen die niet wisten of ze nu moesten ingrijpen of niet. Wij plasten op het speelgoed ... en die lachten alleen maar. Wij sloegen een ander kind halfdood ... een vriendelijk vermanend woord was het enige dat ze konden uitbrengen. De grootsten smeerden de kleinsten vol verf en die stonden daar vastgenageld uit schrik en lieten ons begaan."
Deze beschrijving mag dan in retrospectief polemisch klinken, misschien is het zelfs een extreem eenmalig geval, maar toch maakt dit duidelijk dat niet alleen een autoritaire, maar ook een anti-autoritaire opvoedingsstijl, als het enkel maar "laissez-aller" betekent, voor de ontwikkeling van het kind weinig gunstig is."
Het blindelings opvolgen van hogere normen schijnt niet te deugen, een opvoeding zonder normen schijnt evenmin te deugen, het lijkt er dus op alsof de democratische opvoedingsstijl dé aangewezen manier is om op een moderne manier kinderen op te voeden. Maar hier stelt zich de vraag : moet men de opvoedingsstijl laten afhangen van de principes en waarden die op een bepaald ogenblik mode zijn ? Of van de willekeur van de opvoeders, t.t.z. van de interpretatie die zij geven aan het begrip "democratische opvoeding" ? Of moeten we een commissie van deskundigen, al dan niet door de staat aangesteld, laten uitmaken wat goed is voor de rest ? In een democratisch model lijken alle meningen evenveel aanspraak op waarheid te kunnen maken.
Dergelijke vragen dwingen ons om ons te bezinnen op het mensbeeld dat achter een opvoedingsmodel steekt. Als men geen bewustzijn van zo'n achterliggend mensbeeld heeft, dan kan om 't even wie mooie maar abstracte opvoedingsslogans lanceren. Het realiseren van die principes is een andere zaak ....
Hier laten we Rudolf Steiner aan het woord:
[ ...] "Met algemene uitspraken als bvb. "harmonische ontwikkeling van alle krachten en vermogens" legt men geen grondslag voor een werkelijke opvoedkunst. Deze kan slechts gefundeerd worden op een reële kennis van het mensenwezen. Hiermee wordt geenszins gesteld dat dat soort uitspraken onjuist zouden zijn, maar alleen dat men er even weinig kan mee beginnen als, staande voor een machine, met de bewering dat men al zijn onderdelen harmonisch moet laten functioneren. Alleen diegene die zonder vage uitspraken maar met een gedegen vakkennis voor een machine komt te staan, kan hem bedienen. Zo komt het ook bij de opvoedkunst aan op gedetailleerde kennis van de menselijke natuur, op een inzicht in de speciale ontwikkeling van elk onderdeel apart en in samenhang.
De ontwikkeling van het kind verloopt in drie biologische fasen van ongeveer zeven jaar:
- 1) van geboorte tot tandenwisseling
- 2) van tandenwisseling tot puberteit
- 3) van puberteit tot volwassenheid
Deze periodes komen overeen met ontwikkelingen in de ziel. Daarom moeten in deze fasen telkens andere opvoedingsprincipes gehanteerd worden.
Lievegoed B., 1990, Ontwikkelingsfasen van het kind, p. 18 :
"In de eerste zevenjaarsperiode leeft het kind met het (onbewust) idee dat de wereld goed is. Het imiteert de volwassene. Zedepreken en bevelen zijn niet werkzaam, alleen het goede voorbeeld.
In de tweede periode wil het kind beleven dat de wereld mooi is. Hier moet men dus met (innerlijke) beelden werken, gepaste vergelokingen, als men het gedrag van het kind wil corrigeren.
Pas in de derde zevenjaarsperiode kan men redeneren, een beroep doen op inzicht. Het kind begint dan immers te zoeken naar waarheid, en stapt af van zijn vroegere "mythische" denken (cfr. Piaget).
Zoals voor de eerste kinderjaren nabootsing en uiterlijk voorbeeld de toverwoorden van de opvoeding zijn, zo zijn het voor de tweede fase: navolging en autoriteit. De vanzelfsprekende, aanvaarde, niet opgedrongen autoriteit moet voor het innerlijk beleven van de jonge mens staan als een onmiddelijk beeld, waaraan hij zijn geweten, zijn gewoonten en neigingen ontwikkelt, waarnaar zijn temperament zich regelt, en door welks ogen hij de wereld beziet.
Met de puberteit is de fase aangebroken waarin de mens, behalve de geslachtsrijpheid, ook de rijpheid verwerft zich een eigen oordeel te vormen over de dingen die hij tevoren geleerd heeft. Men kan geen groter schade aan een mens berokkenen, dan wanneer men te vroeg zijn eigen oordeel wakker roept. Een mens kan pas oordelen als hij eerst genoeg stof ter vergelijking verzameld heeft. Vormt men zich voor die tijd zelfstandige oordelen, dan moet daaraan alle grond ontbreken. Alle eenzijdigheid in het leven, alle dorre geloofsovertuigingen, slechts gefundeerd op een paar brokstukken van kennis, waarmee men een oordeel wil vellen over hetgeen de mensheid vaak doorheen lange tijdperken als waar beleefd heeft, komen voort uit opvoedingsfouten op dit gebied. Om rijp te zijn tot zefstandig denken, moet men eerst leren achten wat andere mensen hebben gedacht. Er bestaat geen gezond denken, of het is voorbereid door een gezond waarheidsgevoel dat gefundeerd is in de natuurlijke autoriteitsverhouding van opvoeder tot kind. Als dit gronbeginsel van de opvoeding in de praktijk werd gebracht, zou het niet voorkomen dat mensen op te jeugdige leeftijd zich reeds rijp achten tot oordelen en zich daardoor de mogelijkheid afsnijden onbevangen op alle aspecten van het leven in te gaan."[ ... ]
* * * * * * * * * * * *
.
Al doende leert men ...
Wat een geluk is het toch om in een vrij land te kunnen leven ! Enkele mensen vatten het plan op om een tijdschrift uit te geven, ze steken de koppen bijeen, maken afspraken, zorgen voor de middelen, en na verloop van tijd heeft men al acht nummers uitgegeven. En niemand die probeert dat te verhinderen. Of deze mensen bekwaam zijn om zoiets te doen, of ze wel iets zinnigs te zeggen hebben, of ze andere mensen daarmee een dienst bewijzen : er is geen enkele instantie die zich bezighoudt om dat te controleren. Dat komt omdat in ons land de Grondwet bepaalt dat de drukpers vrij is (artikel 18).
Van de andere kant heeft dit ook zijn nadelen. Hoe zit het immers met de kwaliteit van zo'n publicatie ?
Zoals het nu is, moeten de initiatiefnemers zelf maar in staat zijn om daar over te oordelen. Dat kunnen ze doen door ieder nummer eens kritisch onder de loupe te nemen, door te luisteren naar reacties van lezers, of ook door te luisteren naar hun eigen innerlijke stem, door af te gaan op hun gevoel of intuïtie. Of er behoefte is aan hun tijdschrift worden ze gauw gewaar aan het aantal abonnees.
Men ziet dat dat de kwaliteitsbewaking tamelijk eenvoudig is.
Eigenlijk té eenvoudig.
Het zou toch veel beter zijn indien er een comissie bestond om over zo'n zaken te oordelen, dat zou toch veel objectiever zijn, nietwaar. We denken aan mensen die daartoe speciaal opgeleid zijn, examens afgelegd hebben, en die volgens bepaalde normen wetenschappelijk en dus objectief kunnen nagaan of de kwaliteit van zo'n tijdschrift wel voldoet.
Spijtig genoeg bestaat een dergelijk controlesysteem niet. Maar misschien komt dat er nog in de toekomst.
De mensen die in het onderwijs staan, die hebben meer geluk. Hoewel onze Grondwet vrijheid van onderwijs garandeert (artikel 17), en zij eigenlijk in dezelfde situatie als die arme uitgevers moeten terechtkomen, toch kunnen zij wél genieten van een controlesysteem dat de kwaliteit van hun werk nagaat, nl. de inspectie.
Dat bespaart hen een heleboel beslommeringen, ze moeten alleen maar de normen kennen volgens dewelke het inspectieteam oordeelt, en dan zorgen dat ze volgens deze normen te werk gaan, en iedereen is tevreden : de inspecteurs die de minister vertegenwoordigen, de minister die de ouders vertegenwoordigt, de ouders die de kinderen vertegenwoordigen.
Een bureaucratische omweg, zult u zeggen ? Misschien, maar kent u een betere manier ? Men kan het toch niet aan het oordeel van één persoon overlaten om over een pedagogische situatie te oordelen ?
De inspectie is dusdanig georganiseerd dat een subjectieve inschatting van een pedagogische situatie zo goed als uitgesloten is : het inspectieteam bestaat immers uit vier personen, en die komen in de klas kijken hoe het er aan toe gaat. De aanwezigheid van die vreemde man(nen) in de klas verandert niets aan de situatie, want zij zijn slechts waarnemers. De juf kan dus met de kinderen doen zoals ze gewoon is, de kinderen kunnen reageren zoals ze gewoon zijn. De inspecteur kan best wel de invloed van zijn aanwezigheid op de intimiteit van het klasgebeuren inschatten. Achteraf hoort de juf dan wel of ze gewerkt heeft zoals het hoort.
Niets dat gemakkelijker is: zijzelf moet zich niet dagelijks meer afvragen of ze op de juiste weg bezig is, wat ze voor dit of dat kind afzonderlijk kan doen, al dat overbodig gepieker is niet meer nodig.
En wat de normen betreft waaraan alles getoetst wordt, daar kunt u gerust in zijn, die zijn degelijk: ze zijn immers opgesteld door professoren van de universiteit !
Eindelijk zullen situaties zoals het voorval dat hieronder beschreven wordt, zich niet meer kunnen voordoen zonder dat de betreffende leerkracht of school de gepaste gevolgen ondervindt ...
"Een jonge onervaren godsdienstleraar moest met lede ogen aanzien hoe hij de controle over een achtste klas totaal verloor: de kinderen deden met hem wat ze maar wilden. Hij dacht dat hij misschien terug meer greep op hen zou krijgen door met hen een toneelstuk in te oefenen. Hij koos de legende van Selma Lagerlöf "De lichtvlam". In dit stuk brengt een wilde ridder een kaarsvlam van Jeruzalem naar Florence, naar zijn vaderstad. Door de vele slechte ervaringen verandert hij en wordt een ander mens.
De "ergste" van al de leerlingen -hij wou later clown worden- kreeg de rol van ridder Raniero. De godsdienstleraar moest al vlug vaststellen dat men met kinderen slechts kan toneelspelen als men de groep goed in de hand heeft. Hij was dikwijls vertwijfeld over de repetities en over zijn pedagogische flater. De opvoering zelf, die lukte tot zijn verbazing wonderwel.
De knaap die de rol van Raniero gespeeld had kreeg een hersentumor toen hij zeventien was. Vier jaar lang moest hij lijden onder deze zware ziekte, tot hij op zijn eenentwintigste stierf. Op zijn sterfbed zei hij steeds weer tot de mensen uit zijn directe omgeving: "Jullie weten toch, ik ben Raniero, ik draag mijn licht terug naar mijn vaderland."
Toen zijn vroegere godsdienstleraar dat hoorde, werd hij geweldig ontroerd: hoe de engelen een mens zijn zwakke kanten kunnen ombuigen tot zo iets wonderbaarlijks." [ ... ]
(Uit: Erziehungskunst 11/1993)
Zelfs iemand die niet aan de werking van engelen gelooft, wordt ontroerd door zo'n verhaal : hij begrijpt dat hier pedagogisch iets gewerkt heeft.
Als men de ernst en diepte van echte pedagogie stelt tegenover de voorschriften- en controlezucht van een ambtenarenklasse, dan voelt men zich opgeroepen om zich met alle macht te verzetten tegen deze verderfelijke tendensen in onze moderne maatschappij.
Men stelt zich maar eens voor dat een inspecteur (of inspectieteam, of schoolbegeleider) tijdens die repetities aanwezig zou zijn geweest: de arme leerkracht zou er kunnen voor doen hebben, nietwaar ?
Een ander voorbeeld:
"Toen de bovenbouwleraren van Steinerscholen uit verschillende landen op een keer bijeenkwamen en over het probleem van moeilijke klassen spraken, werden de verschijnselen in een aantal bovenbouwklassen waarin de leerlingen hetzij opvallend weinig werklust vertoonden dan wel ronduit opstandig waren, zeer nauwkeurig beschreven. Alle denkbare oorzaken voor die moeilijkheden werden nagegaan. Toen bleek dat er een "kleinste gemene deler" was. In alle gevallen hadden de leerlingen in de onderbouw klasseleerkrachten gehad die geen noemenswaardige oppositie duldden en die tot in de achtste klas een strenge uiterlijke discipline handhaafden. Over het algemeen was alles goed gegaan zolang die klasseleerkracht bij hen was. Maar in de negende klas, toen het team van bovenbouwleraren de plaats innam van de klasseleerkracht, begonnen de problemen -en vaak heel snel.
Toen werden er voorbeelden aangehaald van klassen die gedurende de laatste schooljaren een bijzonder enthousiasme en een uitgesproken loyauteit aan de dag legden. Toen bleek dat ook deze gevallen iets gemeen hadden: een klasseleerkracht die het niet zo nauw had genomen met de uiterlijke discipline, maar voor wie de leerlingen een warme genegenheid hadden vertoond. Bijzonder veel indruk maakte het volgende voorbeeld. Een lerares had een heel grote klas omdat zij graag altijd maar weer nieuwe leerlingen toeliet. Tijdens de lessen leek het bij haar vaak op een stormachtige zee. Vaak moest ze schreeuwen om zich verstaanbaar te maken. Als zij zong met haar klas, dan bereikte de wanorde orkaankracht. Haar onderwijs was rijk aan kennisoverdracht, maar niet bepaald systematisch. Temidden van al dat leven heerste er tussen lerares en leerlingen een bijzonder goede menselijke verhouding. Toen de leerlingen overgingen naar de bovenbouw, hadden zij grote hiaten in hun kennis. Maar nu ging de verwerving van kennis met een merkwaardige snelheid en groot enthousiasme vooruit. Maar al te vaak joegen de leerlingen de leraren op. De besprekingen stonden op een opvallend hoog peil, zowel menselijk als intellectueel.
Dergelijke waarnemingen moeten natuurlijk uiterst voorzichtig benaderd worden. Men moet vooral niet denken dat de Steinerpedagogie, consequent toegepast, een zekere vorm van ongedisciplineerdheid aanbeveelt. Alle leraren en alle klassen zijn anders. Wat in het ene geval juist is, kan in het andere onuitvoerbaar zijn." [ ... ]
(Uit: De Vrije School- F. Carlgren)
Daarom is vrijheid in het onderwijs onontbeerlijk, ook de vrijheid om fouten te maken. Immers, "Al doende leert men", maar men moet er de kans toe krijgen. Iemand die in zijn werkomgeving dagelijks een vreemde taal moet spreken, kan gerust van start gaan met een basiskennis, na verloop van tijd zal hij die taal meer of minder vloeiend spreken, het is echt niet nodig dat hij eerst vier jaar filologie gaat studeren, of dat hij iedere week op de rooster wordt gelegd. Hij weet zelf maar al te best waar hij tekort schiet en we kunnen gerust rekenen op zijn eigen wil en inzet om tot goede resultaten te komen.
Bernard Lievegoed besluit zijn boek "Ontwikkelingsfasen van het kind" als volgt:
[ ... ] "In het steeds streven ligt ook het geheim van de pedagogie. Het kan nooit erg zijn als iemand bepaalde fouten maakt, het is alleen maar erg als hij ze na jaren nog steeds maakt !
Onze filistreuse maatschappij heeft een heilloze angst voor fouten, zij tracht zich daar op alle manieren tegen te verzekeren, door handleidingen en examens, maar zij vergeet dat zij daarmee slechts bepaalde fouten vastspijkert om geen nieuwe te doen begaan* . Want niemand zal toch overtuigd zijn dat er ergens op het gebied der pedagogie de laatste absolute wijsheid gevonden is.
Tussen de twee uitersten: verstarring in oude vormen en in-het-wilde-weg experimenteren zal men moeten doorzeilen.
De enig werkelijke waarborg voor een verantwoorde pedagogie ligt in het verantwoordelijkheidsbesef van de pedagoog, in zijn wens steeds te willen leren van het leven, steeds zijn daden te toetsen aan zijn diepste geweten.
Een pedagoog die zelf niet staat in de volle stroom van de zelfopvoeding kan geen kinderen werkelijk opvoeden. In zijn plaats zou net zo goed een grammofoon of film kunnen treden.
Dát er een tendens ontstaat om deze beide daadwerkelijk in de plaats te stellen van de met pedagogie worstelende mens komt voort uit het algemene gebrek aan vertrouwen dat men in de strevende mens heeft.
Toch is de onvolkomen les van de zoekende pedagoog voor het kind van oneindig grotere pedagogische waarde dan de technisch-volkomen les van de grammofoonplaat.
De mens die vanuit zijn diepste morele krachten voorwaarts streeft, is ondanks zijn onvermijdelijke fouten een lichtend voorbeeld voor de morele ontwikkeling de jeugd. Deze zal hem vereren omdat ze voelt dat hij verwant is aan hun eigen groeiend wezen.
Men zal de moed moeten hebben bepaalde risico's te nemen om voorwaarts te kunnen komen.
Ik had op de lagere school een onderwijzer wiens lijfspreuk was: als je geen risico's wil nemen dan moet je op je stoel blijven zitten, en dan zal je beleven dat de poot van je stoel breekt en je toch nog je nek breekt !
Met voorzichtigheid risico nemen op pedagogisch gebied betekent: vrij laten, daar waar een menselijk vertrouwen kan bestaan in de kunde en het oprechte streven van een groep pedagogen.
De selectie van de pedagogen zou reeds moeten gebeuren tijdens de opleiding: slechts zij met een warm enthousiasme voor hun vak, met een zekere mogelijkheid tot kunstzinnige ontplooiing (wat iets anders is dan een kunstzinnige begaafdheid) en met de wil ook zelf als mens verder te komen, zouden op de scholen aangesteld moeten worden. Hen die niet voldoen aan deze eisen zal men tijdens de opleiding al andere wegen moeten wijzen (wat weer wat anders is dan hen af te wijzen).
De gehele opleiding zal grondig moeten veranderen, het zal een vriendschappelijke leiding moeten worden, waar tezamen met de jeugd ernaar gezocht wordt ieder op de juiste plaats in het leven te krijgen. Dan pas kan men verwachten dat diegenen die ongeschikt zijn voor de pedagogie op tijd naar een ander beroep overgeheveld worden. Dan pas zal men uit andere opleidingsinstituten de pedagogisch waardevolle krachten kunnen aantrekken.
Uiteindelijk bepaalt echter de uit verantwoordelijkheidsbesef gegroeide wil tot zelfopvoeding of men ook een goed onderwijzer blijft; want velen beginnen goed, doch gaan ten onder in de sleur.
De strijd tegen de sleur is het grootste probleem der pedagogie. Hij moet uitgaan van de hoofden der scholen en de leiders der middelbare scholen, gesteund door de inspecteurs van het onderwijs; hij wordt gemakkelijker gemaakt als het voor de pedagogen ook mogelijk is om eigen methoden te zoeken en daardoor ook eigen verantwoordelijkheid te dragen.
Het kan niet de taak van de staat of van een departement zijn deze verantwoordelijkheid van de schouders der pedagogen af te nemen, want zonder verantwoordelijkheid treedt de sleur zeker op.
De pedagogen vormen de directe toekomst, daarom moet het mogelijk zijn de besten uit het volk tot deze taak te roepen. Zij zijn zelf dragers van een vertrouwenspositie en moeten in deze zin, ook in het materiële, door de gemeenschap gedragen worden. Dan zullen zij hun belangrijke taak ten uitvoer kunnen brengen."
Tot slot laten we de vader van de moderne pedagogie een stukje uit zijn eigen leven vertellen. Jean-Jacques Rousseau schreef in 1762 een opvoedingsroman: "Emile, ou de l'éducation". Dit boek maakte een geweldige indruk, o.m. op de Duitse filosoof Immanuel Kant : die onderbrak er zijn anders zo punctuele dagindeling voor. Hij moest het meerdere malen lezen: bij de eerste lectuur was hij zo onder de indruk van de mooie stijl dat hij niet eens kon kennis nemen van de ideeën die erin ontwikkeld werden.
Uit de openhartige autobiografie van Rousseau vertalen we een deeltje dat aantoont wat een vrijheid om fouten te maken er bestond in de tijd toen de staat zich nog geen meester gemaakt had van alle geledingen van het maatschappelijk leven.
Rousseau gaf zich uit voor zangleraar en hij kon zelfs niet de simpelste melodie ontcijferen ! Vóór alles wilde hij zijn grote voorbeeld, Venture de Villeneuve, nadoen ...
[ ... ] "Venture had verstand van componeren maar sprak er niet over; ik daarentegen, zonder er iets van te kennen, schepte erover op tegen iedereen en gaf mij uit voor componist zonder zelfs de eenvoudigste vaudeville te kunnen noteren. En dat is nog niet alles: ik werd voorgesteld aan Mr. Treytorens, een doctor in de rechten die van muziek hield en die bij hem thuis concerten liet doorgaan. Ik wou hem een staaltje van mijn talent tonen en zette mij aan het werk om iets te componeren voor één van zijn concerten. Dat deed ik met zo'n onbeschaamdheid alsof ik stellig wist hoe men zoiets moet aanpakken..
Ik was zo standvastig om veertien dagen door te werken aan dit mooie stukje, schreef het in 't net, iedere partij apart, en verdeelde de partituren met een zelfzekerheid alsof het een meesterwerk van de harmonieleer betrof. Tenslotte -men zal het nauwelijks geloven, maar het is nochtans waar- , om op een waardige manier een kroon op deze sublieme productie te plaatsen, voegde ik er aan het einde een leuk menuet aan toe dat toentertijd overal op straat gezongen werd, en dat iedereen zich wellicht nog herinnert. De woorden waren heel gekend:
Quel caprice !
Quelle injustice !
Quoi ! ta Clarisse
Trahirait tes feux, etc.
Venture had me dit wijsje geleerd, evenwel met een andere schandalige tekst. Daardoor had ik het onthouden. Ik zette dus op het einde van mijn compositie dit menuet met zijn baslijn, ik liet de woorden achterwege, en liet het doorgaan voor een eigen vondst, met een beslistheid alsof de mensen om mij heen allemaal van de maan afkomstig waren.
Het grote moment brak aan, men ging mijn muziek uitvoeren. Ik leg aan iedereen het genre uit, het tempo, de verwijzingen naar de verschillende delen : ik was druk in de weer. Gedurende vijf of zes minuten die voor mij eeuwen leken, wordt er gestemd. Eindelijk is iedereen klaar, ik tik enkele keren tegen de dirigentenpupiter, allen kijken mij vol verwachting aan. Het wordt stil.
Heel gewichtig begin ik de maat te slaan, de muziek begint ...
Nee, sinds de Franse opera bestaat, hoorde men nooit zo'n kattegejank. Wat men tot dan toe ook van mijn zogezegd talent gedacht had, het effect van deze muziek was erger dan men scheen te verwachten.
De muzikanten stikten van 't lachen, de toehoorders trokken grote ogen en wilden eigenlijk hun oren stoppen; maar dat konden ze niet : die beulen van uitvoerders wilden zich amuseren en maakten een lawaai alsof ze alle trommelvliezen wilden doorboren. Ik was zo standvastig om altijd maar door te gaan terwijl het zweet in beekjes van mijn gezicht liep, maar de schande weerhield mij om ervandoor te gaan en alles te laten voor wat het was.
Tot mijn troost hoorde ik rond mij de assistenten elkaar in het oor fluisteren, of liever, in mijn oor : dat is nu toch werkelijk onverdraaglijk-, en een andere : wat voor waanzinnige muziek is dat ? Nog een andere: 't lijkt wel een heksensabbat !
[ ... ] Maar wat iedereen dan in een goede stemming bracht, was het menuet. Nauwelijks waren er enkele maten gespeeld of ik hoorde overal de mensen in lachen uitbarsten. Iedereen feliciteerde mij met mijn leuke muzikale smaak. Men verzekerde mij dat dit menuet mij een grote naam zou bezorgen, en dat het verdiende om overal gezongen te worden.
Ik geloof niet dat het nodig is om mijn benauwdheid te beschrijven, noch om toe te geven dat het mijn verdiende loon was.
De volgende morgen kwam één van de uitvoerders, een zekere Lutold, mij opzoeken, en hij was zo aardig om mij niet te feliciteren met mijn succes. Ik voelde mijn dwaasheid zo intens aan, de schande, de spijt, de wanhoop van de toestand waarin ik terechtgekomen was; ik kon onmogelijk mijn hart gesloten houden na zo'n zware beproeving, en ik liet mij gaan: ik begon tranen met tuiten te wenen, en in plaats van mij te beperken tot het bekennen van mijn onwetendheid, vertelde ik hem alles, en vroeg hem om het geheim te houden, hetgeen hij mij beloofde. Een belofte die hij nakwam zoals men zich wel kan voorstellen: dezelfde avond nog wist gans Lausanne wie ik was ..."
Dat hij daarna niet veel leerlingen meer had, spreekt vanzelf. Nochtans werd hij nog gevraagd in één gezin:
[ ... ] " ... , waar een klein serpent van een meisje er plezier in vond om mij allerhande partituren te tonen waar ik geen noot kon van lezen, en die zij mij dan heel kwaadwillend voorzong, om mijnheer de leraar eens te tonen hoe men dat moest uitvoeren.
Ik kon toen zo slecht noten op zicht lezen dat ik in het schitterende concert waar ik het zojuist over had, niet één ogenblik kon volgen, en dus onmogelijk kon zeggen of de muzikanten wel goed uitvoerden wat ik daar voor mijn neus liggen had, en wat ik dan nog zelf gecomponeerd had ! [ ... ]
Een dergelijk avontuur is in ons systeem van toetsen en testen totaal uitgesloten. Nochtans heeft een dergelijke ervaring een aantal voordelen.
Voor Rousseau was het een les in bescheidenheid, in zelfkennis, en hij putte er de kracht uit om zich op muzikaal vlak te bekwamen.
Voor de mensen die het meemaakten was het een amusante belevenis die ze zich jaren later wellicht nog herinnerden.
Hoe ernstig, hoe weinig speels worden de mensen en wordt het leven als men alleen maar iets mag bewijzen na het afleggen van een reeks stresserende examens. Het grootste deel van de studenten ondergaat de examens passief. In theorie worden ze alleen op hun kennis of vaardigheden getest, maar door de impact van de resultaten op hun ouders en omgeving, worden examens in de praktijk een test op hun menszijn: wie niet slaagt, is ook als mens van mindere kwaliteit, zo lijkt het.
Dit systeem werkt ontmoedigend en verlammend, zoals alle controle- en inspectiesystemen. Aan de basis ervan ligt een gebrek aan vertrouwen in de mens.
Als men een maatschappij wil opbouwen naar het model van een leger, als men een volgzaam ambtenarenkorps wil kweken, dan is dit systeem heel geschikt, maar in andere gevallen is het beter dat het leven zelf de ultieme test wordt. Mensen die echt iets willen tot stand brengen, worden heel vlug gewaar waar ze tekort schieten en wat ze nog moeten doen om het doel dat ze zich gesteld hebben, te bereiken.
* * * * * * * * * * * *
.
De Staat
Voor de meeste mensen lijkt het heel vanzelfsprekend dat de staat ingrijpt in alle takken van het maatschappelijk leven. Nochtans is dit niet altijd zo geweest. De moderne nationale staten zijn een eerder recent verschijnsel. Om de zaken efficiënter te laten verlopen, hebben ze bureaucratieën in het leven geroepen. Deze laatste hebben de neiging om te vergeten dat zij er zijn om de burger te dienen en niet omgekeerd. In vele landen voelen de burgers zich dan ook beperkt in hun vrijheid door al te verregaande overheidsinmenging.
Verschillende denkers hebben zich met het fenomeen van de staat bezig gehouden en hebben gepoogd te bepalen waar de grenzen zijn tot waar de staat mag ingrijpen. Rudolf Steiner verwijst naar het boekje van Wilhelm von Humboldt "Ideen zu einem Versuch die Grenzen der Wirksamkeit des Staats zu bestimmen".
Bij Wilhelm Reich, een leerling van Freud, vonden we een vereenvoudigd model van hoe een administratief apparaat kan verworden tot een onderdrukkend systeem. We vertaalden het voor u.
Aangezien Reich een psychoanalyst is, moet men de verwijzingen naar het sexuele erbij nemen . Over de marxistische visie gaan we niet uitweiden, maar over Karl Marx zullen we het in de volgende Brug eens hebben.
[ ... ] "Laten we eens proberen om het dubbel wezen van de staat te begrijpen aan de hand van een eenvoudig voorbeeld:
In het prille begin van de menselijke beschaving waren de maatschappelijke taken van het samenleven en de arbeid op een eenvoudige manier af te handelen. Daardoor waren ook de tussenmenselijke verhoudingen ongecompliceerd. Dit feit kunnen we vaststellen bij de resten van deze oude eenvoudige beschavingen die zich tot op de dag van vandaag voortgezet hebben en nog bestaan. Laten we ons terug oriënteren op de organisatie die ons het best bekend is, nl. die der Trobrianden.
Zij leven in een ruil-economie, t.t.z. ze hebben een gebruikseconomie en nog geen waren-economie van belang. De ene clan vangt vissen, de andere kweekt tuinvruchten. De ene heeft teveel vissen en de andere teveel groenten. Daarom ruilen ze vissen tegen groenten en omgekeerd. Hun economische productieverhoudingen zijn zeer eenvoudig. [ ... ]
Hoe meer nu de arbeid die dient om de behoeften te bevredigen, opgesplitst wordt, en hoe complexer de behoeften zelf worden, des te minder kan het afzonderlijke werkende lid van de maatschappij de veelvuldige functies vervullen die hem toegewezen zijn. Bijvoorbeeld:
We verplaatsen onze Trobrianden-maatschappij met haar ruil-economie naar een willekeurige streek in Europa of Azië. We kunnen dit gerust doen want alle naties van deze aarde zijn uit volksstammen ontstaan, en deze op hun beurt uit clangroepen. Op dezelfde manier ging overal de ruil-economie vooraf aan de waren- en geldeconomie. Laat ons nu aannemen dat in zo'n kleine gemeenschap van 200 of 300 leden de behoefte ontstaat om met andere gemeenschappen in contact te treden. Deze behoefte is nog klein, slechts één persoon op 200 voelt de behoefte om aan een persoon van een andere gemeenschap iets mee te delen. Hij springt op zijn paard en rijdt naar het andere dorp om zijn boodschap over te brengen. De techniek van het letterschrift is opgekomen en de behoefte om sociaal verkeer met andere plaatsen te hebben ontwaakt langzaam. Tot nu toe was ieder zijn eigen postbode, nu echter vraagt men een ruiter om meerdere brieven mee te nemen en te bezorgen. De dorpen worden groter en tellen reeds 2000 of 5000 inwoners. Honderd leden van één gemeenschap voelen de behoefte om met honderd leden van een andere gemeenschap in schriftelijk contact te komen. Samen met de ontwikkeling van het goederenverkeer ontwikkelt zich het briefschrijven, het is niet langer meer een zeldzaam curiosum. Brieven bezorgen wordt een dagelijkse, levensnoodzakelijke opdracht die altijd maar moeilijker op de oude manier te vervullen valt. Onze gemeenschap beraadt zich daarover en besluit een brievenbesteller aan te stellen. Daartoe ontlast ze één van haar leden, die zich nog in niets van zijn kameraden onderscheidt, van zijn andere taken, garandeert hem zijn levensonderhoud en verplicht hem daarvoor voor de gemeenschap de brieven te bezorgen. Deze eerste brievenbesteller is de vleselijke belichaming van een verhouding tussen mensen, nl. de verhouding van het brievenschrijven en -bestellen. Op deze wijze ontstond een maatschappelijk orgaan dat nog niets anders doet dan de opdracht van vele briefschrijvers uitvoeren. Onze brievenbesteller is het primitieve type van de maatschappelijke administrator wiens levensnoodzakelijke arbeid nog geheel en streng in dienst van de sociale gemeenschap staat.
Laat ons nu verder aannemen dat die primitieve dorpjes in de loop der jaren, -niet in de laatste plaats dankzij de nieuwe functie van het brievenschrijven en het sociale verkeer dat daardoor ontwikkeld wordt,- evolueerden tot kleine stadjes van zo'n 50.000 inwoners. Eén brievenbesteller volstaat niet meer, er zijn er nu 100 nodig. Deze 100 postbodes hebben op hun beurt een eigen administratie nodig in de vorm van een hoofdpostbode. Deze hoofdpostbode is een voormalige simpele brievenbesteller die onlast wordt van zijn plicht om brieven te bestellen. Daarvoor neemt hij de grotere taak op zich om het werk van de 100 postbodes zo practisch mogelijk in te richten. Hij bewaakt nog niets, en hij beveelt nog niets. Hij steekt niet uit boven de gemeenschap van de postbodes. Hij maakt alleen maar het werk van de 100 postbodes gemakkelijker door uren vast te stellen waarop de bussen gelicht worden en de post besteld wordt. Hij komt ook op het idee om postzegels in te voeren, die het functioneren van de post vereenvoudigen.
Op deze wijze wordt een eenvoudige functie van de maatschappij zelfstandig. "De Post" wordt een apparaat van de maatschappij dat daaruit gegroeid is met het doel die maatschappij beter samen te houden. Het stelt zich nog altijd niet als bovengeschikte macht tegenover die maatschappij.
Hoe is het nu mogelijk dat een dergelijk administratief apparaat van de maatschappij tot een onderdrukkend geweldapparaat wordt ?
Dat wordt het niet op grond van zijn oorspronkelijke functie. Het administratieve apparaat behoudt zijn sociale functies, maar daarnaast ontwikkelt het langzamerhand andere eigenschappen, andere dan zijn levensnoodzakelijke werkzaamheid. Laat ons nu aannemen dat zich in ons grootgeworden dorp, onafhankelijk van het postwezen, ook de toestand van het autoritaire patriarchaat heeft ontwikkeld. Er bestaan bvb. reeds grote families die afstammen van de oorspronkelijke stamhoofden. Door accumulatie van huwelijksgoederen hebben ze een tweevoudige macht verkregen, ten eerste de macht die door het bezit komt, en ten tweede de macht om hun eigen kinderen het sexueel verkeer met minder begoede lagen van de gemeenschap te verbieden. Deze twee machtsfuncties gaan in de ontwikkeling van de economische en sexuele slavernij altijd hand in hand. De autoritaire patriarch die altijd maar machtiger wordt, wil verhinderen dat andere, zwakkere leden van de gemeenschap hun verkeer met andere plaatsen ongestoord kunnen verderzetten. Hij wil ook verhinderen dat zijn dochters corresponderen met willekeurige mannen. Hij heeft er belang bij dat zijn dochters zich alleen maar met bepaalde welstellende mannen verbinden. Omdat hij nu belang heeft bij een economische en sexuele onderdrukking bemachtigt hij heel vanzelfsprekend de zelfstandig geworden sociale functies (in ons geval: de post) die eigenlijk in dienst staan van gans de maatschappij. Onze patriarch zal nu door zijn groeiende invloed de bepaling invoeren dat de post niet meer alle brieven zonder onderscheid bezorgt, maar dat bepaalde brieven toegelaten zijn en andere niet, bvb. alle liefdesbrieven en bepaalde zakenbrieven worden weerhouden. Om deze nieuwe functie te kunnen uitoefenen stelt de post een brievenbesteller aan met als opdracht : "postcensuur". De maatschappelijke administratie verwerft daarmee een tweede functie, die haar van nu af aan als autoritaire overheid tegenover de rest van de maatschappij stelt. Daarmee is de eerste stap gezet in de ontwikkeling van een maatschappelijk administratief apparaat naar een autoritair staatsapparaat. De postbodes bezorgen weliswaar nog altijd brieven, maar ze snuffelen ook al in de inhoud van de brieven en beginnen uit te maken wie mag schrijven en wie niet, en wat geschreven mag worden en wat niet. De sociale gemeenschap kan hierop reageren op twee manieren: ze laat begaan of ze protesteert. De eerste kloof in in de sociale gemeenschap is ontstaan, of men het nu "klassetegenstelling" of iets anders noemt. Het komt hier niet op de woorden aan maar op het onderscheid tussen levensnoodzakelijke en vrijheidsbeperkende sociale functies. Van nu af aan staat de deur open voor willekeur. Zo kunnen bvb. Jezuieten de postcensuur gebruiken voor hun eigen doeleinden. Of de geheime politie kan de bestaande postcensuur gebruiken om haar eigen macht te vergroten.
Dit vereenvoudigd voorbeeld kan men gemakkelijk toepassen op de ingewikkelde machinerie van de huidige maatschappij, zonder de zaak te vertekenen. Of het nu gaat over het bankwezen, onze politie en ons schoolsysteem, of de vertegenwoordiging van de maatschappij tegenover andere naties. Wij kunnen ons oriënteren temidden van de chaos als we consequent bij het beoordelen van een of andere bevoegdheid van de staat de vraag stellen: wat was hier de oorspronkelijke functie, welk maatschappelijk doel moest er gerealiseerd worden ?- en wat is er dan later bijgekomen dat de vrijheid van de leden van de maatschappij onderdrukt ?
De veiligheidspolitie van New-York of Berlijn had oorspronkelijk de opdracht om de gemeenschap te beschermen tegen moord en diefstal. Als dusdanig is dat nog altijd een nuttige functie. Als de veiligheidspolitie zich echter het recht toeëigent om onschuldige spelletjes in privé-huizen te verbieden, of om de mensen voor te schrijven of ze mensen van het andere geslacht alleen in hun woningen mogen ontvangen, wanneer ze moeten opstaan en naar bed moeten gaan, dan hebben we het beeld van tiranniek-autoritair staatsgeweld voor ons, dat boven en tegen de maatschappij geplaatst is.
[ ... ] Het wordt duidelijk dat het staatsapparaat terug een uitvoerend orgaan van de maatschappij moet worden. De staat moet niet afgeschaft worden, alleen zijn irrationele functies moeten hem afgenomen worden. De rationele functies zijn levensnoodzakelijk en moeten blijven bestaan.
Dit onderscheid tussen irrationele en levensnoodzakelijke functies maakt het mogelijk om bij iedere nieuwe administratieve functie op tijd na te gaan of ze probeert zich boven en tegenover de maatschappij te stellen, en dus een nieuw autoritair staatsinstrument begint te worden. Zolang ze de maatschappij dient, is ze er een deel van; ze is welkom, noodzakelijk en hoort thuis in het gebied van de levensnoodzakelijke arbeid. Werpt ze zich echter op tot heer, tot een tiran over de gemeenschap, wil ze een zelfstandige macht worden, dan wordt ze een doodsvijand van de maatschappij en moet als dusdanig behandeld worden.BR>
Dat de moderne en gecompliceerde sociale organismen niet zonder administratief apparaat kunnen bestaan, dat is zonder meer duidelijk. Het is even duidelijk dat de tendens tot machtsmisbruik door de staat principieel niet kan uitgeroeid worden. Daarmee komen we op een breed onderzoekingsgebied voor sociologen en sociaal-psychologen. Want als een autoritaire staatsstructuur vernietigd is, dan blijft de opdracht bestaan om een herhaling van het autoritair zelfstandig worden van administraties te voorkomen. Dit zelfstandig worden is een onmiddellijk gevolg van het onvermogen van de werkende mensenmassa's om hun zaken zelf in te richten en te besturen, om zichzelf te controleren. Het probleem van de autoritaire staat kan dus nooit meer behandeld en overwonnen worden zonder het probleem van de mens-structuur en omgekeerd. [ ... ]
* * * * * * * * * * * *
.
Sekten en sex - Lucifer en Ahriman
In de voordracht van 28 augustus 1916 verklaart Rudolf Steiner een eigenaardig verschijnsel dat men in sommige pseudo-occulte verenigingen -we zouden ook "sekten" kunnen zeggen- aantreft: bepaalde personen werpen zich op als geestelijke leider en verkondigen de grootste onzin. Een ander groepslid doorziet dit en probeert dit bedrog aan de kaak te stellen, hij voert een tegenactie. Als nu zo'n "rebel" een gesprek heeft met de zgz. geestelijke leider dan kan men meemaken dat die rebel op enkele uren tijd bekeerd wordt en de meest fanatieke verkondiger wordt van de nonsens die hij voordien bestreed. Wat is hier aan de hand ?
[ ... ] "Ziet U, één van de hoofdkenmerken van Ahriman is dat hij eigenlijk helemaal niet die onbevangen houding kent die de mens -zoals hij hier op aarde leeft-, t.o.v. de waarheid heeft. Ahriman kent niet deze onbevangen houding t.o.v. de waarheid, waar men nastreeft om een waarheid te beschouwen als een voorstelling die overeenstemt met iets objectiefs. Dat kent Ahriman niet. Bij hem gaat het daar niet om. Door de ganse plaats die Ahriman in het heelal heeft, en die ik reeds meermaals gekarakteriseerd heb, laat het hem werkelijk totaal onverschillig of een voorstelling die gevormd wordt, overeenstemt met de werkelijkheid. Bij Ahriman gaat het bij alles wat hij zich als waarheid vormt - wij zouden het in menselijk verband niet waarheid noemen-, altijd om werkingen, om het effect. Iets wordt niet gezegd om met iets anders overeen te stemmen, maar om effect te hebben. Dit of dat wordt gezegd om een werking teweeg te brengen.
Dus, het zou ahrimanisch zijn indien ik iemand het een of het ander zou zeggen -bvb. in verband met de bouw van het Goetheanum- waarbij het me koud zou laten of het al dan niet waar is, als daardoor maar de betreffende persoon het een of het ander onderneemt; als ik weet: indien ik hem dit zeg, dan gaat hij dit of dat doen.
Ik geloof dat U zich dat wel kunt voorstellen dat dat kan bestaan, dat men iets uitdenkt, onverschillig of het al dan niet overeenstemt met de objectiviteit, maar dat men zo behandelt dat het een bepaalde werking teweeg brengt bij de mens die het hoort. Op kleine schaal vinden we allerhande dergelijke zaken terug bij de mensen. Men zou vanalles kunnen aanhalen, maar ik verwijs gewoon eens naar die oude tantes die twee mensen aan elkaar willen koppelen, en die over de ene persoon dingen gaan vertellen aan de andere en omgekeerd. Of die dingen waar zijn, dat laat hen koud, wat hen interesseert dat is of er door de werking van hun woorden een verbintenis tot stand komt. Dat is nu maar een heel klein voorbeeldje ! Vanzelfsprekend geeft Ahriman zich niet af met zo'n kleine voorbeelden. Ik wil maar aantonen dat wij in het menselijk leven voor alles iets analoog kunnen vinden.
Bij Ahriman gaat het dus bij al zijn uitspraken om werkingen, om effect. En hij vormt zijn uitspraken zodanig dat hij kan meehelpen als het gaat om het medelen van zulke zaken. Bedenkt u maar dat het voor Ahriman gunstig zou zijn om op aarde een aantal mensen te kweken die aan iets bepaald geloven, die aan datgene geloven waar ik zojuist over sprak. Als iemand nu voldoende ingewijd is in de geheimen van het slechte occultisme, en door de manier waarop hij ingewijd is geen neiging heeft om deze vorm van occultisme te vervangen door de juiste, dan kan hij de mogelijkheid hebben om zich met Ahriman zo te verbinden dat hij iemand een ahrimanische waarheid kan bijbrengen, een waarheid die naar menselijke normen geen waarheid is, een waarheid die moet effect hebben ! En dat ligt altijd aan de basis wanneer zich voordoet wat ik zojuist beschreef, waar iemand die rebelleerde op heel korte tijd door ahrimanische kunsten een andere waarheid gesuggereerd wordt. In samenwerking met Ahriman kan men iemand zover brengen dat hij gelooft dat in een of andere menselijke persoonlijkheid een grote geestelijke individualiteit geïncarneerd is. Men moet slechts de kunst kennen om waarheden in een levensgebied -in dit geval de mensheid- te strooien die alleen op het effect berekend zijn, niet op hun overeenstemming met de objectiviteit.
Dergelijke zaken doen zich voor in vele groeperingen die zich occultistisch noemen. In vele van dergelijke groeperingen die zich occultistisch noemen gaat het er hem helemaal niet om dat er alleen voorstellingen gevormd worden die in overeenstemming zijn met de realiteit, maar wel om dingen te zeggen die heel bepaalde werkingen naar een of andere richting moeten hebben.
Natuurlijk zijn er ook mensen die zo dom en zo dwaas zijn dat ze a.h.w. onbewust ahrimanische impulsen opnemen -zonder dat iemand rechtstreeks ahrimanische kunsten heeft moeten aanwenden. Maar in ieder geval komt het in de mensheid voor dat er ahrimanische kunsten, ik bedoel werkelijk kunsten die in verbinding met Ahriman tot stand komen, uitgeoefend worden. En voor onze tijd zijn deze dingen die ontspruiten uit een verbond tussen mens en Ahriman, van een bijzonder grote betekenis. Want veel van wat er sinds lange tijd met de mensheid gebeurt, geschiedt op een manier die men alleen maar kan verstaan als men de geheimen kent die hier eventjes aangestipt werden.
Dus bij Ahriman gaat het erom dat hij nooit let op het overeenstemmen van een voorstelling met de objectiviteit, maar op de werking, op dat wat kan bereikt worden."
Toen Sigmund Freud rond de eeuwwisseling de aandacht vestigde op de sexuele achtergrond van bepaalde psychische stoornissen kon hij niet vermoeden dat 100 jaar later dat sexuele zo op de voorgrond zou geraken dat het eigenlijk onze maatschappij verziekt.
Men kan verschillende verklaringen geven voor deze abnormaal grote belangstelling voor het sexuele, ook een antroposofische. Rudolf Steiner licht een tipje van de sluier op ...
"Bij Lucifer gaat het om iets anders. Lucifer heeft andere eigenschappen. Daar hebben we het reeds over gehad. Maar we willen nu in verband met Lucifer een bijzondere eigenschap naar voor brengen, zodat we deze zaken altijd beter en beter leren kennen. Ziet u, ook bij Lucifer gaat het nooit om het overeenstemmen van een of andere waarheid met de objectiviteit, radicaal nooit, maar bij hem gaat het erom dat er voorstellingen gevormd worden die zoveel mogelijk bewustzijn in de mens doen ontstaan. U moet mij goed begrijpen : die zoveel mogelijk, een zo intensief mogelijk, een zo uitgebreid mogelijk bewustzijn in de mens doen ontstaan. Dit uitgebreide bewustzijn waaraan Lucifer geïnteresseerd is, is dan tegelijk met een zekere innerlijke wellust verbonden, als het tevoorschijn komt. En dit wellustige is dan terug Lucifers gebied.
U herinnert zich misschien dat ik erop gewezen heb dat in de atlantische tijd tot een bepaald tijdstip al het sexuele onbewust verliep. Schone mythen van verschillende volkeren wijzen ons op het onbewuste karakter van het sexuele gebeuren in die oude tijden. Pas in de loop der tijd werd dat in het bewustzijn gebracht. Het is voor een groot deel het werk van Lucifer om het onbewuste hier bewust en altijd maar bewuster te maken.
Wat is het doel van Lucifer ? Buiten de daartoe bestemde tijd, buiten de juiste tijdcyclus bewustzijn bij de mensen aan te wakkeren, bewustzijn dus over iets dat eigenlijk pas op een later tijdstip zou moeten ontwikkeld worden, dat is zijn streefdoel. Lucifer wil helemaal niet dat de mensen zo zonder meer op de buitenwereld gericht zijn. Hij wil dat alles wat in het bewustzijn werkt, van binnenuit werkt; vandaar dat al het visioenachtige dat a.h.w. van binnen naar buiten geperst wordt, een luciferisch karakter heeft. Leert men Lucifer kennen zoals men hem nu eenmaal moet leren kennen, omdat hij vanzelfsprekend met zijn werkingen altijd op de juiste plaats moet begrepen worden, omdat men te doen heeft met geestelijke werkingen in het wereldbestel, dan wordt men gewaar hoe monsterlijk het is dat Lucifer niet het minste begrip heeft voor het onschuldig plezier dat de mens kan hebben aan iets uiterlijks. Het onschuldig genoegen aan iets dat van buitenaf komt, daarvoor heeft Lucifer niet het geringste begrip. Hij heeft begrip voor wat door alle mogelijke innerlijke dingen aangewakkerd wordt. Lucifer ziet heel graag dat iemand een passie koestert waar hij zich aan overgeeft, die hem wellust bezorgt zodat mogelijkerwijs in het bewustzijn gehaald wordt wat anders onbewust blijft.
Maar ondanks zijn wijsheid -want Lucifer bezit natuurlijk een hoge wijsheid- toch kan hij niet een onschuldige kwinkslag verstaan die iemand naar aanleiding van een of ander uiterlijk voorval maakt. Dat ligt volledig buiten het gebied van Lucifer. En men kan zich eenvoudig zo tegen luciferische aanvechtingen -die hij heel gemakkelijk onderneemt- beschermen, door te proberen om te leven in hetgeen op een onschuldige manier verstrooit, in hetgeen op een onschuldige wijze van buitenuit de mens pleziert. Dat kan hij niet verdragen, Lucifer. Als men vrolijk wordt bij 't zien van een goede karikatuur, dan ergert Lucifer zich verschrikkelijk.
Ja, dat zijn nu eenmaal samenhangen die zich onthullen als men uit het stoffelijke van de zintuiglijke wereld in het gebied treedt dat aan de andere kant van de drempel ligt, als men in de sfeer komt waar alles niet het karakter heeft van dingen zoals in de fysieke wereld, maar het karakter heeft van wezens, van het levendige. Reeds als men in de elementare wereld binnentreedt heeft alles het karakter van het levendige.
Zo ziet u dat men enigszins kan zeggen: zowel Ahriman als Lucifer hebben lak aan de overeenkomst van een voorstelling met een objectiviteit.
Bij Ahriman gaat het om de werking bij hetgeen hij zegt, bij Lucifer gaat het om het uitbreiden van de bewustheid in de menselijke natuur tot dat wat eigenlijk niet bewust zou mogen worden in een bepaald opzicht, wat eigenlijk buiten de normale tijdcyclus ligt en verbonden is met een zekere innerlijke wellust." [ ... ]
* * * * * * * * * * * *
.
Het denken
Rudolf Steiner in GA 170, 12de voordracht, Dornach op 27 augustus 1916 :
[ ... ]
"Men hoort zo dikwijls als een holle frase dat men moet oppassen om niet in de klauwen van Ahriman, om niet in de klauwen van Lucifer terecht te komen; dat heeft natuurlijk niet de minste betekenis. Maar als we de noodzaak en de opdracht van de geesteswetenschap begrijpen, dan moet de volgende vraag in alle levendigheid in ons opkomen: waar gaat het nu om in die geesteswetenschap voor iemand die kan doorzien wat er aan de hand is met de mensheid ?
Het gaat om het inzicht dat wij nu naar een wereldperiode overgaan, een wereldperiode voorbereiden waarin terug alles wat we denken - wat we zelf denken, niet wat ons voorgedacht werd- in de algemene wereldsubstantie ingeschreven wordt. Als men hier rekening mee houdt, dan zal uit deze waarheid een verantwoordelijkheidsgevoel vloeien voor al wat wij binnen onze gedachtenwereld volbrengen, een verantwoordelijkheidsgevoel voor wat wij denken. De mensen geloven heel sterk - en, zoals gezegd was dat tot voor kort nog waar ook- dat gedachten geen objectieve betekenis hebben. In onze tijd begint het reeds zo te zijn dat een feitelijke leugen, een feitelijke onwaarheid door Ahriman overgenomen wordt en ingebed wordt in de algemene wereldsubstantie, zoals ik dat gisteren gekarakteriseerd heb. Daaruit volgt dat de mensen langzaam aan moeten gewoon worden om op een andere manier te denken.
Als men zo kennis neemt van wat ik hier nu gekarakteriseerd heb, dan zou men vreesachtig kunnen worden. Beschouwt men echter alles rustig en objectief en gelaten, dan hoeft men niet te vrezen; eigenlijk kan men niet vreesachtig worden als men zich alleen maar voor ogen houdt: nu goed, dan moet ik maar een verschrikkelijk verantwoordelijkheidsgevoel ontwikkelen t.o.v. al wat ik denk.
Voor de toekomst, voor vele duizenden jaren komt het erop aan dat wij als mensen een verantwoordelijkheidsgevoel ontwikkelen voor iedere gedachte die wij vormen.
En men kan het gedachtenvormen ongeveer zo verstaan dat de gedachte zover gedacht is dat we haar in woorden kunnen omzetten en eventueel geschikt maken om mee te delen. Zolang we de gedachte niet eerst zodanig geformuleerd hebben dat ze geschikt is om mee te delen, tot zolang heeft ze niet het stadium bereikt waar Ahriman er iets kan mee aanvangen. Hebben we echter de gedachte zo ver gevormd dat we ze klaar houden om mee te delen, dat wil zeggen, dat we bereid zijn om de gedachte op een later tijdstip mee te delen, dan ... dan past Ahriman op om de gedachte te pakken en in de algemene wereldsubstantie te plaatsen.
Niet alleen moeten we erop letten dat we uiteindelijk juist geformuleerde gedachten hebben waar we ten volle kunnen voor verantwoordelijk zijn; we moeten ons ook gewoon maken het denken zelf als een zoeken te behandelen. Wij hebben als mens tegenwoordig nog te sterk het bewustzijn dat we iedere gedachte direct mogen formuleren. Dat is nog een erfstuk van de vierde na-atlantische periode en het nog niet ontwikkelde vijfde na-atlantische tijdvak. Het denken is ons helemaal niet gegeven om zomaar direct gedachten klaar te stomen ! Het is ons eerder gegeven om te zoeken, opdat wij de feiten zouden nagaan, bijeenbrengen en van alle kanten beschouwen. Nietwaar, zoals de mens nu is, vormt hij het liefst vlug een gedachte, die hij dan zo vlug mogelijk ook uit zijn mond laat komen of op papier zet of iets dergelijks. Maar het denken is ons niet gegeven om haastig gedachten te vormen, maar wel om te zoeken, het denken te beschouwen als een operatie, als iets dat zo lang mogelijk een wordingsproces moet blijven. En in zekere zin moet men een geformuleerde gedachte inhouden, tot men voor zichzelf kan verantwoorden dat men een feit langs alle kanten gedraaid en bekeken heeft, zodat het niet meer een feit is waarover 26 mensen een verkeerde mening hebben en slechts 4 een min of meer juiste. *
Er zal ontzaglijk veel van afhangen of een aantal mensen de noodzaak van dit nieuwe denken inziet. Want men kan zich eigenlijk nauwelijks voorstellen hoezeer er tegen dit voorschrift gezondigd wordt dat het denken als een zoeken wil gebruiken en zo lang mogelijk een gedachte wil inhouden. En daarom fladderen leugengeesten door onze wereld, daarom wordt het liegen alsmaar meer een gewoonte. Maar naarmate de neiging tot liegen, de tendens tot liegen de mensheid in bezit neemt, gaat deze laatste direct in de decadentie over, en vindt er een voortdurend heen en weer pendelen tussen Ahriman en Lucifer plaats.
Aan de ene kant wordt iets onwaar gezegd, hetzij met opzet, hetzij uit lichtzinnigheid, en daarmee, doordat wij zeggen "opzet, lichtzinnigheid" wijzen wij er reeds op dat met de leugengeest ook Lucifer verbonden is ! Lucifer is verbonden met de leugengeest, hij bereikt ons daardoor zelfs bijzonder goed, want liegen veroorzaakt emoties. En wij verliezen de kracht om ons evenwicht te houden tussen wat we voelen en willen enerzijds en wat we denken anderzijds. Het zal ten zeerste nodig zijn dat de mensen sterk genoeg vanuit hun onderbewustzijn naar hun bewustzijn halen hoe oneindig tegenwoordig de tegenovergestelde tendens verspreid is van wat voor de toekomst noodzakelijk is: de harde verantwoordelijkheid voor wat men als waarheid formuleert. Dat zien we op een ontzetttende wijze verdwijnen, bijzonder de laatste jaren. Maar het belangrijke is dat men moet wakker worden. Want de mensen weten niet in hun bewustzijn hoe sterk de tendens is om een onwaarheid te vertellen.
Echt waar, iets wordt pas een waarheid als men het langs alle kanten gedraaid heeft, als men het van alle kanten bekeken heeft en van verschillende kanten heeft laten belichten; als men zijn oordeel zo lang mogelijk ingehouden heeft. Een inzicht dat men al te snel uitspreekt, een mening die men al te snel uitspreekt, het al te vlug meedelen van een feit, dat kan geen waarheid zijn. Dat kan zo werken dat de mensheid altijd maar meer in de decadentie geraakt. Men kan zelfs experimenten uitvoeren in die zin. Nietwaar, de meeste mensen liegen er niet zomaar op los. Natuurlijk, er zijn er die dat doen; maar het allerergste dat is het onbewuste en onderbewuste liegen vanuit een luciferische verleiding, zodat men een halve, of een vierde, een achtste, een zestiende waarheid zegt, of zelfs iets dat voor 98 % waar is, maar de dynamiek van de twee overige honderdsten drijft alles ten kwade.
Daar komt dan nog iets anders bij, nl. dat bij de mensen tegenwoordig zo oneindig sterk de hang bestaat om alles voortdurend te karakteriseren, om alles te weten, over niets na te denken, nooit het denken gebruiken om te zoeken, maar onmiddellijk alles formuleren. En werkelijk, het spreekt vanzelf dat het de mensen opvalt dat er tegenwoordig zoveel gelogen wordt, men heeft er echt niet veel talent voor nodig om dit te bemerken, speciaal de dag van vandaag. Maar ook daar moet men goed weten als men dan het algemene oordeel velt: tegenwoordig wordt er veel gelogen,- dat men dan ook eerst een denkweg moet doorlopen om deze waarheid dat tegenwoordig veel gelogen wordt, van alle kanten te belichten. Anders kan een waarheid, doordat ze te snel en niet op de juiste wijze in overeenstemming met de werkelijkheid uitgesproken wordt, tot haar tegendeel worden.
Zo las ik onlangs een artikel over de grote leugens die tegenwoordig bestaan. Men moet niet veel talent hebben om alle leugens die door onze wereld fladderen te karakteriseren, maar ik vind niets leugenachtiger dan dit artikel ! Het is één grote leugenbrij, het is overgoten met een leugensaus, hoewel wat erin verteld wordt, vanzelfsprekend in zekere zin waar is. Daarmee is niets gezegd tegen een dergelijk artikel, maar het gaat erom dat in de mensheid werkelijk het bewustzijn ontstaat: men moet zich verdiepen in de dingen, ze van alle kanten belichten, men mag niet tot snelle conclusies komen.
Ziet U, wat men in de geestelijke wereld vooral nodig heeft van wat men hier in de fysieke wereld beleeft, dat is deze manier om zich tegenover de waarheid te voelen. Dat heeft men nodig voor de geestelijke wereld die een juist, een waar begrip voor de geesteswetenschappelijke impulsen wil. Dat heeft men echter ook al nodig voor de wereld waarin men leeft als men door de poort van de dood is gegaan. Daar moet men noodzakelijkerwijs rekening mee houden, dat men deze gezinning t.o.v. de waarheid nodig heeft, omdat men anders geen mogelijkheid heeft om begrip te ontwikkelen voor de omgeving tussen dood en een nieuwe geboorte. Deze manier om verantwoordelijkheid te voelen t.o.v. de waarheid, die heeft men nodig om een begrip te kweken voor wat men in de geestelijke wereld moet volbrengen." [ ... ]
* * * * * * * * * * * *
.
Ik ben bij U alle dagen, tot het einde der aardetijden
" Een grote foto toont een Indiër van een jaar of veertig met gekroesde haren, lang oranje kleed en een doordringende blik. Om eerlijk te zijn lijkt Sai Baba veel op een popster. Hij troont op een roodfluwelen zetel en laat zijn delicate voetjes rusten op een voetbank. Vlak daaronder zie ik tot mijn verbijstering een kussen met daarop ... een ei ! Later begrijp ik de juiste toedracht van de zaak : benevens andere mirakelen heeft Sai Baba de gewoonte om eieren te leggen ... langs de mond !"
Deze passage komt uit het boek "Les faux messies" van Christophe Bourseiller, en de Indiër waarover het hier gaat is Satya Sai Baba, een goeroe met tientallen miljoenen aanhangers. Het ei is niet echt een ei maar een "lingam", een zgz. heilige steen in de vorm van een ei. Het uitbraken van zo'n lingam wordt voorgesteld als de grootste vorm van heiligheid. Deze Sai Baba die ook nog de gewoonte heeft om snoepjes rond te strooien onder zijn aanbidders, zegt van zichzelf dat hij de reïncarnatie is van Jezus Christus.
Het lijdt geen twijfel dat velen op zoek zijn naar God; alleen is het godsbegrip dikwijls van die aard dat niet een godheid gevonden wordt die zijn leven geeft voor de mensheid, maar één die snoepjes weggeeft aan wie hem vereert; en in de plaats van God waart er een karikatuur van God rond in de harten en de zielen van de mensen.
Laten we ons liever concentreren op de Christus die aan het kruis gestorven is.
Als we enig begrip willen krijgen voor de zin van de menswording van Christus, dan moeten we terugblikken in een ver verleden in de mensheidsevolutie.
Opdat de mens een zelfstandig wezen zou kunnen worden, werd hem eens door geestelijke wezens, de "Geesten van de Vorm", het Ik gegeven. Daardoor kon de mens zichzelf ervaren als een zelfstandig wezen, onafhankelijk van zijn omgeving. Van de "Geesten van de Vorm" was hij echter voor eeuwig afhankelijk gebleven indien niet andere wezens -de Luciferische- hadden ingegrepen om de heerschappij van de "Geesten van de Vorm" over de mensheid te breken. Door in de mensenziel de begeerte naar het aardse leven in te planten, heeft Lucifer de band gebroken tussen de "Geesten van de Vorm" en de mens, en aan deze laatste de impuls gegeven om af te dalen naar de aarde. Die ingreep van Lucifer heeft de mensheid niet alleen de mogelijkheid gegeven om tot volledige vrijheid te komen, maar tegelijk moest zij zich daardoor ook binden aan alles wat specifiek tot het aardebestaan behoort, aan driften, hartstochten, fysieke bloedverwantschap, temperament enz. In het bijbelse scheppingsverhaal wordt deze gebeurtenis beschreven als de Zondeval, de verzoeking door de Slang.
De mensheid moest zich verbinden met het ontstaan en vergaan van de aardse materie, met geboorte, ziekte, lijden, en dood; door de overerving, door de herhaalde verbinding met de materie begon er een voortdurende degeneratie van het menselijk geslacht op te treden.
Dit is de ware betekenis van het begrip "erfzonde". Maar door deze erfzonde heeft de mensheid iets op zich moeten nemen waarvoor zij eigenlijk niet verantwoordelijk is: de luciferische wezens hebben met hun ingreep namelijk ingewerkt op het zieleleven, meer bepaald in het astraal lichaam van de mens, zonder dat de mens zich hiertegen kon verzetten, omdat hij nog geen echte vrije wil had.
Maar de wereldleiding is rechtvaardig, en opdat rechtvaardigheid zou geschieden moest de mensheid de mogelijkheid geboden worden om zich los te maken van de natuur der aarde: God zelf moest even diep in de aardematerie onderduiken als hij de mens erin had laten verzinken; door het lot van de mensheid te delen en zelf door de dood te gaan heeft de Christus -de God die deze taak uit vrije wil op zich genomen heeft- aan de mensheid de mogelijkheid en de impuls gegeven om zich te bevrijden van de aardematerie en zo het gebeuren van de Zondeval te vereffenen.
Men kan zich afvragen wat er van de mensheid zou geworden zijn indien de Christus niet op aarde was gekomen.
Dan zou de mens steeds dieper in de materie weggzonken zijn, van God zou hij geen besef gehad hebben, en hij zou zichzelf als een godheid aangesteld hebben -zoals de Romeinse keizers reeds begonnen te doen- en vervallen zijn in trots en hoogmoed; of hij zou alleen geweest zijn met zijn lijden en zijn ellende, en in onmacht en vertwijfeling verzonken zijn.
Maar nu, wanneer hij de blik kan opslaan naar het neergebogen hoofd van de dode Christus op het kruis, nu verdwijnt alle hoogmoed in het niet en wordt tot deemoed, en gaat alle vertwijfeling over in hoop.
Een machtige impuls was nodig ten behoeve van de mensheid om haar te bevrijden uit de ban van Lucifer. Daarom nam Christus, hoewel dat voor zijn eigen ontwikkeling niet nodig was, uit vrije wil het besluit om mens te worden en door de dood te gaan. Slechts op aarde kan men sterven; in de bovenzinnelijke wereld bestaat geen dood, en voor de mensheid was het van onmetelijk belang dat een wezen dat in zijn eigen sfeer geen dood kan meemaken, naar de aarde afdaalde is om de dood te ervaren, om dit lot met de mensheid te delen. De elementen van de aarde hebben het fysieke lichaam van Christus opgenomen, maar wat verrezen is, wat uitgestegen is boven de dood, dat is de menselijke oergestalte van de Christus, die oervorm die gevrijwaard is gebleven van alle luciferische invloeden.
De zin van de menswording en de dood van Christus is dat hij de dood overwonnen heeft; hij is ons voorgegaan om ons te tonen hoe wij ons kunnen bevrijden van de aardebegeerte en hoe wij onze zuivere geestelijke mensheidsvorm kunnen terugkrijgen.
Sedert zijn dood heeft Christus zich verbonden met de geest der aarde, hij leeft in de zielen van de mensen en ervaart met hen hun aardelot. Daarom kon de verrezen Christus zijn discipelen zeggen :"Ziet ! Ik ben bij u alle dagen, tot aan het einde der aardetijden." (Mat. 28,20)
Er breekt een tijdperk aan, zo beweert Rudolf Steiner, waarin de mensheid de gave zal ontwikkelen om Christus in de geestelijke sfeer der aarde waar te nemen. De voorwaarde is echter dat men in staat is uit te stijgen boven het begrensde Ik. Rudolf Steiner vernoemt drie ziele-eigenschappen die de poort openen naar de bovenzinnelijke wereld: verwondering, medelijden, geweten. Wat niet kan begrepen worden met het gewone verstand verwekt verwondering en leidt tot bespiegelingen die reiken naar het bovenzinnelijke denken. Door het medeleven treedt de mens uit zijn eigen Ik-sfeer en gaat hij over in het wezen van de andere. En het geweten is de bovenzinnelijke stem die de mens wijst op de gevolgen van zijn daden.
Verwondering, medeleven en geweten moeten zich zodanig ontwikkelen dat zij zelfs in het fysieke gelaat tot uitdrukking kunnen komen, aldus Rudolf Steiner. Zoals het gelaat van de mensgeworden Christus, dat indien het naar waarheid afgebeeld zou worden, de volgende impressie zou geven:
"De hoogste kracht moet in het aangezicht liggen doordat alles wat als de hoogste ontplooiing van het geweten kan gedacht worden, zich openbaart in kin en mond, een mond waarbij men voelen kan dat hij er niet is om te eten, maar om uit te spreken alles wat aan zedelijkheid en geweten in de mensheid werkzaam is. De ogen moeten zo zijn dat het diepste medeleven eruit vloeit, ogen die kijken, niet om indrukken te ontvangen, maar om met het ganse wezen in de vreugde en het lijden van de anderen over te gaan. En het voorhoofd moet zo gewelfd zijn dat men het vermoeden kan krijgen dat het er is niet om zintuiglijke indrukken te overdenken, maar om zich te verwonderen over de mysteriën der wereld."

* * * * * * * * * * * *
.
Valeriaan
door Wilhelm Pelikan

Iedere plantenliefhebber kent de karaktervolle gestalte van de echte valeriaan (Valeriana Officinalis). Vroeger schreef men deze plant grote krachten toe, daarvan getuigen de bijnamen die hij in de Franse en Engelse taalgebieden verwierf : "guérit tout" en "all heal". Als de hoogzomer gekomen is, na de kersenoogst, terwijl het koren rijpt, vindt men hem in vochtige weiden, aan de rand van het bos, op zonnige plekken in het woud ; vlug opgeschoten, gekroond met een wit-roodachtige bloeiwijze.
Valeriaan heeft vocht nodig ; als men hem plukt dan wordt hij op korte tijd slap en hangt mat naar beneden; zo vlug wordt het water van deze sappige plant in de lucht uitgeademd ; en aangezien vanuit de wortel geen vers sap komt, verwelkt hij. Breekt men hem af dan ziet men dat de geribbelde stengel hol is, hij heeft het lucht-element in zich. Dit doorluchtingsproces zet zich voort tot in de wortelstok, men vindt er luchtholtes die herinneren aan de met lucht gevulde internodiën van de stengel, evenwel gemodificeerd en samengedrongen.
Dit streven naar het luchtige kan men ook al duidelijk aflezen aan de vormen en de vormveranderingen in de groei en ontwikkeling van deze plant. De vorm die uit de wortelstok plastisch tevoorschijn komt, is reeds in het bladerwerk langs onder luchtig verdeeld. Alras worden naar boven toe de vederbladeren fijner, geveerder, spitser. Nog luchtiger wordt de bloeiwijze waarmee de valeriaan zich over de nabije kruiden en grassen verheft, ze snel overwoekert en zich door ieder zuchtje wind laat wiegen.
Naar het luchtige opent zich ook onze plant door zijn reuk die men zacht maar indringend beleeft in zijn bloem. Het blad, als men het kneust, ruikt al sterker ; wortels en wortelstok ruiken krachtig en kruidig.
De valeriaan toont zich niet alleen in het lucht-element, maar ook in het reuk-element, van de bloem tot aan de wortel, en hij prikkelt de neus even karakteristiek als hij het oog betovert. Men geraakt in onzekerheid of men deze reuk met zijn nuances van boven naar onder in sympathie gaat opnemen of in antipathie gaat afwijzen. Want het zoet-vluchtige dat ons gevoel eerst bekoort laat al vlug uit zijn diepte iets zweetachtig los, iets licht ranzig-rottend, een soort kattenreuk.
Naast struikgewas dat hem beschaduwt kan de valeriaan manshoog worden, de helft van zijn hoogte bereikt hij in volle licht, op stenige berghellingen, waar hij veel fijner geleed groeit. De variëteiten uit de bergen zijn ook aromatischer en rijker. Hij reageert dus gevoelig op de manier hoe licht en schaduw, water en lucht, vochtige of droge warmte, het reliëf op hem werken. Uiteindelijk is het een spel van aardse en kosmische krachten dat zich in hem uitleeft en vorm krijgt ; waarbij de kosmische zichtbaar overwegen.
De genezende werking van valeriaan is van oudsher bekend en op prijs gesteld. Men vond dat hij enerzijds dempend, kalmerend werkte maar anderzijds ook krachtgevend, zenuwversterkend.
Toen de moderne scheikunde overal naar werkende bestanddelen begon te zoeken, die de dragers en oorzaken van de genezende werking zouden zijn, werd de valeriaan natuurlijk ook onderzocht. Een ganse rij interessante stoffen vond men, isovaleriaanzuur onder andere. Met deze stof kon men echter de heilkrachtige werking van valeriaan maar ten dele bereiken. In 1966 vond men dan dat eigenlijk de valepotriaten verantwoordelijk zijn voor de goede effecten. Met deze stof probeert men synthetisch een tranquillizer samen te stellen die kalmeert zonder echter de geestelijke activiteit te onderdrukken. Daarmee lijkt de rol van de valeriaanplant uitgespeeld : een chemisch bedrijf zal de kweekvelden in België en Holland spoedig verdringen en in de plaats van een levendige plant die eeuwenlang voor artsen en zieken een zegen was, komt een dode scheikundige formule.
Het geneesmiddelonderzoek van tegenwoordig denkt zijn doel te hebben bereikt als het de chemisch werkzame stof ontdekt. De kennis van die stoffen is van belang, maar toch blijft daarmee het onderzoek staan op een trap die niet de laatste is. Want de werkzame bestanddelen van de valeriaan ontstaan allemaal in de levensprocessen van de valeriaanplant, zij zijn -inclusief hun eigenschappen- de schepping van die levensprocessen, die er trouwens eerst zijn. Bijgevolg zou men om consequent te zijn eerst in die levensprocessen de ware oorzaken van de genezende eigenschappen moeten zoeken. Het plantenleven is rijkelijk gedifferentieerd en drukt zich uit in het vormen van vele substanties die structuur en eigenschappen hebben. Dit levendige ontwikkelen kan ons doen begrijpen en doorzien wat de stoffen die door dit levendige gevormd worden, kunnen bewerkstelligen in de organismen waar ze ingebracht worden.
De levensprocessen die vooraf gaan aan de vorming van werkzame bestanddelen kunnen in het geval van valeriaan gezien worden in het vervluchtigen en verluchten, dat bij hem zo sterk verloopt. Zijn etherische activiteit brengt het levend-vloeiende, zich-plastisch-vormende in de astrale werkingssfeer, lost er helemaal in op. Het intensieve bloeiproces dat daardoor ontstaat strekt zich in de plant uit, tot aan de wortel, doordringt de plant met warmte-, lucht- en lichtkrachten. Het verbindt zich met de vastwordings- en verzoutingstendensen van het wortelgebied. Daarvan getuigen de kamferachtige stoffen die als "Sulfur op het Salniveau" moeten bekeken worden -in de zin van de begrippen Sal, Mercur, Sulfur waarmee de alchemisten de driedelige natuur der planten aanduidden naar wortel-, blad-, en bloeiprocessen. Dergelijke stoffen zijn dus verstarde lucht-vuurprocessen.
Preparaten van de valeriaanwortel reguleren bijgevolg bij de mens de verhouding tussen etherlichaam en astraal lichaam, dempen te sterke astrale activiteit in het gebied van de zenuw-zintuigorganisatie en brengen deze onder de werking van het Ik. Dat is ook de reden (het losmaken van het astraal lichaam) dat ze kramp wegnemen en slaap brengen. Deze werking wordt ondersteund door andere stoffen die in de plant gevormd of bezonken zijn en die afgeleid zijn van koolhydraten : zetmeel, suiker, gom, slijmstoffen ; want suiker en alle stoffen waar het lichaam suiker van maakt, komen onder de activiteit van het Ik, prikkelen het Ik. Ook looizuren spelen een rol ; men schrijft ze een kalmerende werking bij darmslijmvliesontsteking toe omdat het astraalverwante substanties zijn.
Rudolf Steiner spreekt in de vijfde voordracht uit de landbouwcursus over het wezensgeheim van valeriaan : "Perst men, vóór men de meststof gebruikt die men aldus bereid heeft, de bloemen van de valeriaan uit, en verdunt men het sap heel sterk, dan kan men , als men dat verdunde valeriaanbloesemsap op een zeer fijne manier aan de meststof toevoegt, iets in die meststof teweegbrengen dat maakt dat zij zich op de juiste manier verhoudt t.o.v. wat men de fosforsubstantie noemt."
Wat van de valeriaanbloesem uitgaat geeft dus andere planten -via de meststof- de macht om de juiste hoeveelheid fosfor naar zich te halen.
Valeriaan heeft dus een speciale verhouding tot het fosforproces.
We bekijken nu fosfor even van naderbij.
Fosfor werkt in alle natuurrijken, maar het toont zich nooit als element. Daarom bleef het als stof voor de mensheid onbekend tot de alchemist Brandt 300 jaar geleden door het verdampen van urine en het uitgloeien van het residu zonder zuurstof, het eerste vrije fosfor verkreeg. En 200 jaar geleden ontdekte Scheele dat knoken beduidende hoeveelheden fosforzuur bevatten. Daarop leerde men grotere hoeveelheden fosfor produceren door van beenderas calciumfosfaat te maken, en daaruit door gloeien met kolen zonder luchttoevoer het fosfor zelf. Tegenwoordig vertrekt men van mineraal calciumfosfaat.
Als stof is witte fosfor uniek. Nauwelijks is het als damp gewonnen op de hierboven beschreven manier, heeft het zich onder water verdicht tot een kleurloze, doorzichtige, wasachtige substantie, of het zonlicht verandert reeds zijn kleur: het wordt geel. Bij 44° (de temperatuur van een vogellichaam) smelt het reeds, het wordt een klare vloeistof, die men zeer kan onderkoelen vooraleer ze terug kristallijn verstart. Fosfor weert zich dus tegen het vastworden. Het streeft meer naar een vervluchtigen, is reeds bij kamertemperatuur vluchtig, dat merkt men aan zijn karakteristieke reuk. Reeds als vast lichaam, bij 40°, sublimeert het merkbaar. Met kokend water kan men het al destilleren, bij 287 ° verdampt het. De vaste witte fosfor is tamelijk licht (soortelijk gewicht 1,83). Het lost slecht op in de aardse vloeistof water, maar goed in de waterstofrijke vloeistoffen ether, benzol, etherische en vette oliën. De benodigde smeltwarmte is laag, 5 cal. /kg, d.w.z. dat het door zijn wezen het smeltproces tegemoet komt. Het is buitengewoon ontvlambaar, reeds de aanraking met een glasstaaf van 60° doet het ontbranden. Fosforbranden zijn daardoor moeilijk te blussen. Als het verbrandt geeft het veel warmte af: 1kg geeft 5900 cal. Men ziet dus dat fosfor innerlijk verwant is met warmte : het draagt warmte.
Wat echter reeds bij zijn ontdekking in 't oog sprong is de manier waarop het zich tot licht verhoudt. Reeds onder zijn verbrandingspunt verbindt het zich begerig met zuurstof, veroorzaakt bij een "koude verbranding" "fosforescerend" licht. Ieder stukje fosfor dat men aan de lucht blootstelt wordt onmiddellijk omhuld door koel verbrandende fosforrook en omgeven door blauwe lichtwolken. Daarbij wordt ozon gevormd.
Fosfor is het giftigste element- 0,1 g is al dodelijk. En toch heeft ieder levend wezen het nodig.
Witte fosfor (want er bestaat ook rode fosfor) is ongelofelijk actief, het verbindt zich met grote intensiteit met bijna alle elementen. Het vormt een ganse rij verbindingen met waterstof, die ook zeer fosforachtige eigenschappen vertonen naargelang de hoeveelheid fosfor die ze bevatten; ze zijn gasvormig, vluchtig-vloeibaar of vast, licht ontvlambaar of zelfs zelfontbrandend.
Als mineraal komt fosfor in de natuur alleen in grote hoeveelheden voor als calciumfosfaat, en wel als apatiet en fosforiet. Het is dus in het aardeproces vast en duurzaam aanwezig in het minerale rijk -in tegenstelling tot zwavel dat zich in het levende, in het eiwit zo goed thuis voelt. Zwavel vindt men ook in de minerale wereld, maar slechts als overgang, het wordt erin gedwongen, streeft er zelf niet naar. Waar fosfor in de minerale wereld vooral als zuur voorkomt, is dat bij zwavel alleen maar als sulfide, in de metalen. Sulfaten zijn als minerale vormen eigenlijk buitensprongen (gips, zwaarspaat), ballingsoorden voor de zwavelnatuur, die daar altijd weer wil uitgeraken.
Maar ook het fosfor is voor de opbouw en het leven van planten, dieren en mensen absoluut nodzakelijk -evenals zwavel. Toch werkt het ook in het levende alleen als zuur, nl. bij de aanmaak van proteïnen, nucleoalbuminen, vooral van de kernproteïde van de celkern.
In het plantenzaad zit voornamelijk phytine, ook een fosforzuur. Fosfor heeft dus iets te maken met de zaadvorming. Rudolf Steiner noemt het zaadvormingsproces een waterstofproces dat het aards geworden plantaardige weer oplost in het kosmische, zodat de kosmos van de plant een afdruk van zichzelf kan maken en daardoor het aardse plantenwezen kan vernieuwen met een kosmisch wezensdeel. In samenhang met deze processen vormt de plant zeer waterstofrijke substanties, etherische oliën, vette oliën, beide, zoals gezegd stoffen waar fosfor goed in oplost.
Het is in de mens dat men de oplossing van het fosforraadsel vindt. Daar staan fosfor en het fosforproces vooral in dienst van de Ik-organisatie, die haar aardse opdracht slechts kan vervullen door het handhaven van afbouw- en mineraliseringsprocessen. Enerzijds heeft ze de afbouwende activiteit nodig in de zenuw-organisatie en de mineralisering in het beendersysteem, anderzijds heeft ze verbrandingsactiviteit nodig in het stofwisselings-ledematensysteem, meer zelfs : de warmteontwikkeling in het ganse organisme; dit laatste om de weg te banen voor de wilsontplooiing.
De bewustzijnsklaarheid in zenuwen en hersenen, het vormen van het beeld van het menselijk Ik in het skelet, het wilsvuur in de ledematen, dat zijn allemaal domeinen van de fosforwerkzaamheid. Fosfor gooit zijn ganse vuurkracht in de dode minerale aardnatuur. Het zoekt zijn weg naar de anorganische substanties die iets betekenen voor de Ik-organisatie van de mens, het wakkert de bewuste activiteit van de mens aan. Waar het Ik in de doodssfeer moet doordringen om daar zijn bestaan op te bouwen, daar is fosfor zijn machtige helper. Deze wonderstof "ondersteunt de Ik-organisatie zodat deze de weerstand van het fysieke lichaam kan overwinnen"(Rudolf Steiner). Als iemand zijn beendersysteem niet genoeg beheerst, wat zich kan uiten in een slepende gang -maar ook als iemand een slepende gedachtenvorming heeft, dan kan hij van fosfor als medicament hulp krijgen.
Met fosfor hangen alle toorn- en woedetoestanden samen, een rozig uitzicht. Het werkt direct op het stofwisselingssysteem van het hoofd. Aangezien we met fosfor op het Ik kunnen werken, is het ook bij aangepaste dosering een uitmuntend slaapmiddel. Het veroorzaakt een sterk wakkerzijn overdag, sterke afbouw, gezonde vermoeidheid, en vandaar en vaste slaap (Valeriaan is dan ook bekend als slaapmiddel).
Valeriaan is a.h.w. een plantaardige fosfor. Hij vertoont in het klein wat fosfor machtig en alomvattend doet : het Ik oproepen om al zijn energieën te mobiliseren.

* * * * * * * * * * * *
Terug naar de inhoudstafel .
|