Boekenverbranding in Vlaanderen

Mogen burgers in dit land nog lezen wat ze willen? Of mogen ze alleen lezen wat de politieke klasse in dit land voor hen geschikt vindt? Dat is een vraag die iedere democraat zich de laatste maanden moet stellen, na de eerste boekverbrandingsprocessen en het offensief van Bert Anciaux tegen de aanwezigheid van volgens hem verboden boeken in onze openbare bibliotheken. Want democratie vooronderstelt recht op vrije meningsuiting en vrije informatiegaring. Zodra een machthebber, het weze dan al een sympathieke knul als Bert Anciaux, zich het recht aanmatigt om te bepalen wat ik mag lezen, is het met ieder restje democratie volledig afgelopen.

Bert Anciaux citeert in zijn opiniestuk "Rondzendbrief beschermt bibliotheken" (DS 31-5-01) zijn eigen rondzendbrief aan de bibliotheken. De cruciale passage luidt als volgt: "Bibliothecarissen van openbare bibliotheken, die verantwoordelijk zijn voor de collectievorming, moeten dus geschriften die in hoger vermeld kader gerechtelijk verboden zijn uit de collectie nemen". Verder vraagt minister Anciaux dat een boek waarop het "vermoeden" van negationisme rust, reeds preventief in het bibliotheek-magazijn zou worden geplaatst. In dat verband zou een lijst worden opgesteld van "mogelijke negationistische boeken". In hetzelfde opiniestuk stelt Bert Anciaux nochtans: "ik ben een fervent voorstander van het recht op vrije meningsuiting en gekant tegen elke vorm van censuur". Die uitspraak van de minister valt niet te rijmen met de maatregelen uit de omzendbrief, en nog minder met wat zijn woordvoerder twee weken eerder aan de pers verklaarde (DS 17-5-1, p.4). Volgens diens zeggen moesten boeken die ook maar een zweem van negationisme vertonen niet enkel naar het magazijn; ze moesten buiten het bereik van het publiek worden gehouden. "Daar {= in het magazijn} moet het {boek} buiten het bereik van het publiek gehouden worden. Alleen het gerecht mag er bij", aldus de woordvoerder van Anciaux. Dat betekent dat de burgers van Anciaux niet meer bij boeken mogen die mogelijk zouden kunnen verboden worden. Dat is niet alleen censuur, dat is preventieve censuur.

Wat kunnen wij ten gronde leren van dit incident? Eén ding: onze politieke klasse, met inbegrip van "sympathieke" boegbeelden als Anciaux, laat zich niets gelegen aan vrije meningsuiting of vrije informatiegaring en vindt het volkomen plausibel dat boeken, zelfs zonder gerechtelijke beslissing, aan de ogen van het publiek onttrokken worden.

Het Anciaux-incident werd gevolgd door een aantal commentaren van politici. Plotseling waren ze allemaal tegen censuur, maar tegelijk zwegen ze als vermoord over de bestaande muilkorfwetten en de boekverbrandingsprocessen die in ons land reeds plaatsvonden. VLD-voorzitter De Gucht verklaarde bijvoorbeeld (DS 27/5/1 p.5): "Ik vind het verbieden van boeken, publicaties of geschriften geen goede weg. Dat zijn dingen die bestaan en je kan niet doen alsof dat niet het geval is. Waar is dan het begin en waar is het einde? Ik vind dat alles wat ooit gemaakt is, op een vrije manier toegankelijk moet zijn (...) je moet de mensen aanpakken die dit propageren, niet hun geschriften. Want dat heeft veel weg van een moderne boekverbranding". In "de zevende dag" ontkent ook de SP-er Erdman, nochtans een van de drijvende krachten achter de muilkorfwetgeving, dat hij ontkenners-boeken uit de rekken wil (G. van den berghe "Mediageweld en paniekvoetbal" DS 26-5-1). Erdman zei zelfs: "Uit de lectuur van wat de tegenstander schrijft, put ik al mijn democratische impulsen" (ibid.). Ook Gie van den Berghe stelt dit: ..Anciaux gaat veel verder dan de wet. Die verbiedt namelijk geenszins de lectuur of zelfs het bezit van ontkennersgeschriften".

Bij dit alles rijzen een drietal vragen.

Eerste vraag: is het ter beschikking stellen van negationistische lectuur nu verboden of niet?

Diverse politici ontkennen dit, maar ondertussen hebben in België reeds processen plaatsgevonden die in een andere richting wijzen. In DS 8-11-2000 verscheen een bericht: "Ook boekhandelaars strafbaar voor verspreiding negationisme". Volgens de rechtbank moet de boekhandelaar de wettelijkheid nagaan van de publicaties die ze te koop aanbieden. Het ging over de verkoop van een of ander obscuur extreem-rechts blaadje met daarin negationistische artikelen. Gezien de context van dit proces kan dat alleen maar betekenen dat boekhandelaren preventieve censuur moeten uitoefenen, want het tijdschriftje prijkte natuurlijk op geen enkele lijst van verboden publicaties. De boekhandelaren moeten dus hun koopwaar inhoudelijk scannen (en daarbij zullen zij natuurlijk liever op veilig spelen).

Tweede vraag: hoe ver reikt het begrip "negationisme" eigenlijk?

In De Standaard van 17-5-1, p.4 "Verboden boeken liggen bij Antwerpse uitgever". Blijkens het bericht nam het gerecht een boek "Le Massacre d'Oradour" in beslag, waarin de uitmoording van een Frans dorp door de nazi's zou zijn ontkend. Indien dit bericht juist is, hebben we hier zeker niet met een normale toepassing van de anti-negationistenwet te doen, want die betreft de genocide en niet andere nazi-misdaden. Misschien komen in het betrokken boek ook negationistische passages voor, maar dat blijkt alleszins niet uit het krantenartikel. Mogelijk hebben we hier te doen met een bliksemsnelle uitbreiding van het censuurdomein: niet alleen propaganda, maar zelfs het ter beschikking stellen of lezen van propaganda wordt geviseerd, en dit niet alleen betreffende de judeocide, maar ook betreffende andere onderwerpen. De grootste argwaan is hier geboden: boekverbrandingen hebben doorheen de geschiedenis nog nooit de waarheid gediend, en wanneer ergens een bres wordt geslagen in het beginsel van de vrije meningsuiting, dan zal die bres snel breder worden, want altijd zijn er machthebbers en onverdraagzamen die hun medemensen het zwijgen willen opleggen.

Derde vraag: Waarom moeten de schrijvers van negationistische werken eigenlijk worden veroordeeld,
indien het lezen van deze werken wel, zoals De Gucht of Erdman beweren, moet toegelaten worden? Waar schuilt hier de logica? Het is alsof het nuttigen van chocolade onschadelijk wordt geacht, doch de productie ervan ten strengste wordt vervolgd. Waarom zou de productie van een item misdadig zijn, indien de consumptie van datzelfde item onschadelijk wordt geacht? Indien een boek vrij mag gelezen worden, moet het natuurlijk ook vrij geschreven en aangeboden kunnen worden. Indien het lezen van het boek onschadelijk is, moeten logischerwijs ook de handelingen die dit lezen mogelijk maken (namelijk het schrijven en aanbieden van het boek) onschadelijk zijn.

En natuurlijk blijft het feit, dat het selectief verbod op holocaust-revisionisme als zodanig onverdedigbaar is. Dat een wet in die zin niettemin in het parlement unaniem werd goedgekeurd, door alle partijen van het Vlaams Blok tot Ecolo, toont aan dat al deze partijen, zonder enige uitzondering, ten gronde als anti-democratisch moeten worden beschouwd. Terecht stelt Gie van den Berghe dat de taboeïsering van de holocaust in racisme wortelt: "Dat de Holocaust zo belangrijk is geworden, heeft volgens de joods-Amerikaanse historicus Peter Novick "vooral te maken met het feit - niet minder een feit omdat antisemieten het tot een aanklacht hebben vervormd - dat joden een belangrijke en invloedrijke rol spelen in Hollywood, de televisie-industrie, de media, het boekbedrijf en de opiniemakende elites". Zoals wel meer het geval is met nationalisme, werd de uitzonderlijkheid van eigen volk en verleden tot onvergelijkbaarheid overdreven. De Holocaust werd uniek, onbegrijpelijk, onvoorstelbaar, sacraal. "Niet zomaar een genocide", stelde de joodse Anti Defamation League in 1995, "maar de bijna succesvolle poging om Gods uitverkoren volk, dus God zelf, van het leven te beroven" (...) De uniciteitsaanspraak is, voor wie er even bij stilstaat, beledigend en racistisch. Het leed van een Tutsi-moeder die haar kind met machetes heeft zien afslachten, is niet "begrijpelijker" dan het leed van joden. Slachtoffers van andere genociden zijn niet minder dood, joods bloed kleurt niet roder" ("De uitbuiting van de holocaust", Anthos, p.168-169). Bovendien wijst van den Berghe erop dat de uniciteit van de Holocaust ook door volksvertegenwoordigers in het parlement werd beklemtoond. Eén volksvertegenwoordiger zei letterlijk dat de holocaust "..een bijzondere genocide is die daarom niet vergeleken mag worden met andere misdaden tegen de menselijkheid". De politiek correcte variant van het racisme heeft blijkbaar diepe, zeer diepe wortels geslagen in onze instellingen, en heeft alle partijen in het parlement - zonder enige uitzondering - in zijn greep.


"Dort, wo man Bücher verbrennt, verbrennt man am Ende auch Menschen."

(Dit welbekende citaat is van Heinrich Heine, en komt voor in zijn toneelstuk "Almansor" (1821). De zin wordt in de mond gelegd van een Moor, die commentaar levert bij de koran-boekverbrandingen door de Spaanse Inquisitie. Ter bijzondere attentie van Bert Anciaux).

Thuisblad.